‘Geef nu aan alles de ruimte, ook aan pijn en leed’, NRC interview over mindfulness met Wibo Koole

‘Geef nu aan alles de ruimte, ook aan pijn en leed’
Mindfulness Probeer juist in deze tijd elk gevoel te erkennen, raadt Wibo Koole, mede-directeur van het Centrum voor Mindfulness, aan. „Op het moment dat je emoties toelaat, vlakken ze sneller af.”
• Ykje Vriesinga
15 april 2020 om 14:18 (in de gedrukte krant 16 april; ik neem deze tekst over en geef er onderaan dit bericht een kleine reactie op)

De stappen tellen tijdens zijn dagelijkse wandeling door de buurt. Kijken naar de kleuren en de vormen van de gebouwen om hem heen. Genieten van de bloeiende magnolia die hij ziet vanaf zijn balkon in Amsterdam. Het zijn allemaal dingen die Wibo Koole (66) bewust doet om zijn aandacht terug te brengen naar het hier en nu.
Koole heeft het nodig, om zijn zorgen los te laten. Het gaat slecht met het Centrum voor Mindfulness (CVM) in Amsterdam, dat hij in 2011 hielp oprichten en waar hij mede-directeur van is. De tientallen cursussen die ze wekelijks gaven aan bedrijven en particulieren zijn stilgelegd vanwege de coronamaatregelen. De ruim veertig trainers van het centrum, veelal zelfstandigen, zitten „in hetzelfde zure schuitje als de vele zzp’ers in Nederland. Afhankelijk van steun.”
Koole weet een paar trainers aan het werk te houden met het geven van betaalde online lessen. „Maar hoe het met het centrum afloopt, dat weten we nog niet. We vallen buiten de regelingen van de overheid. We zijn geen cultuurinstelling, we zijn geen horeca. We overleggen nu met de eigenaar van onze trainingsruimte over uitstel van de huur.”
Juist op dit soort onrustige momenten is mindfulness zijn redding, zegt Koole, die eerder als leidinggevende werkte bij onder meer de Consumentenbond, Oxfam Novib en de Stichting Natuur en Milieu. Ook was hij voorzitter van de PvdA in Amsterdam. „Toen ik in 2005 besloot voor mezelf te beginnen dacht ik: heerlijk, weg uit dat drukke leven. Vrijheid. Maar de eerste drie maanden was ik doodmoe.”
TRAINER CENTRUM VOOR MINDFULNESS
Wibo Koole (1954) studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en volgde een managementopleiding aan de Wharton School van de University of Pennsylvania. Hij had leidinggevende functies bij onder andere de Consumentenbond, Oxfam Novib en de Stichting Natuur en Milieu.
Meer
In die tijd ontdekte hij mindfulness, wat je volgens Mindful Werken (2013), een van de boeken die Koole sindsdien schreef, kunt omschrijven als het versterken van je aandachtsspier: „Wat je traint, is om elke ervaring – dat kan zijn een fysieke sensatie, gevoel, gedachte of emotie – te erkennen.” Deze opmerkzaamheid schept de ruimte om vervolgens te besluiten hoe je wilt handelen. Iets wat volgens hem bij uitstek belangrijk is in coronatijd.
Veel mensen hebben bij mindfulness een zweverige associatie.
Wibo Koole: „Die reactie herken ik wel, ik had die vroeger zelf ook. Maar er is volop wetenschappelijk bewijs dat het aanscherpen van je aandacht allerlei gunstige effecten heeft voor je mentale fitheid. Beoefenaars van mindfulness ervaren minder stress. Ze laten zich minder meeslepen door emoties en gedachten. Ze kunnen zich beter concentreren. En daarvoor hoef je echt geen uren op een meditatiekussen te zitten.”
Wat adviseert u bijvoorbeeld?
„De basis van mindfulness is onder ogen te zien wat we ervaren. Deze tijd roept veel emoties op, vaak pijnlijke. We zijn gewend die weg te drukken. Probeer er toch ruimte voor te geven, hoe ongemakkelijk het ook voelt. Huil, vertel een goede vriend of vriendin hoe gefrustreerd of machteloos je je voelt, of schrijf het van je af. Emoties hebben een cyclus. Op het moment dat je ze toelaat, vlakken ze sneller af.”
En verder?
„Geniet bewust van mooie dingen. Wat dat betreft leven we in een goede tijd, met de lente om ons heen.”
Maar dat is toch veel te gemakkelijk gezegd? Iedere dag overlijden er mensen.
„Zeker, ook dat is de realiteit. Het uitgangspunt van mindfulness is dat je ruimte geeft aan alles, dus ook aan de pijn en het leed. Het gaat om de realiteit te zien zoals die is. Zonder naïef optimistisch te zijn, maar ook zonder onnodig verlamd te raken.”
Wat helpt u persoonlijk?
„Ik merk dat ik trots ben op wat wij als team bij het CVM toch voor elkaar krijgen. Zoals het feit dat er iedere avond om half acht zo’n 300 tot 400 mensen door heel Nederland meedoen met de gratis meditatiesessies die we organiseren. De trainers reflecteren tijdens de geleide meditaties op de vragen van deelnemers. Zoals, hoe houd ik vertrouwen in de toekomst? Hoe om te gaan met verdriet en rouw? Na afloop wordt de podcast van de sessie door nog eens een paar honderd mensen geluisterd. Ik vind het fascinerend hoeveel behoefte hier aan is.
„Verder is er natuurlijk van alles om te waarderen in een welvarend land als Nederland, ook al besef ik dat ook hier mensen in precaire omstandigheden leven. Maar we hebben gelukkig een goed werkend zorgsysteem, de supermarkten blijven bevoorraad, de overheid geeft steun. We hebben relatief sterke collectieve systemen. Dat kunnen inwoners van veel andere landen helaas niet zeggen.”
Tijden van crisis zijn vaak een katalysator voor ontwikkelingen die al langer speelden
Wibo Koole
De avond voor het telefonische interview belandt Koole zelf op de huisartsenpost. Hij kan al uren niet stilzitten door een intense pijn in zijn buik. Galkoliek. Hij heeft het vaker gehad en weet dat de huisarts een sterke pijnstiller kan geven om de pijn af te vlakken. Daarna is het wachten tot de aanval voorbijgaat. Hij twijfelt: moet hij de zorg belasten terwijl ze hun handen vol hebben aan de pandemie? Maar hij is akelig van de pijn.
Eenmaal op de huisartsenpost zag hij dat er maar één andere patiënt was. „Ik had het erover met de arts, die vertelde dat zij vaak rustige diensten heeft tegenwoordig. Komt dat nou doordat mensen bang zijn om corona op te lopen als ze naar de dokter gaan? Of omdat ze de zorg willen ontzien? Besluiten mensen eerder dat hun klachten wel even kunnen wachten?”
Het zal een combinatie van factoren zijn, denkt Koole, maar het valt hem op dat mensen geduldiger zijn geworden sinds de coronamaatregelen. „Het afgelopen decennium is ons sociale leven steeds verder versneld geraakt. Veel mensen leefden van festival naar feest naar vakantie. Voortgedreven door het idee van: ik moet plezier hebben, ik moet eropuit. Ik mag niks missen.”
Die onrust is toch direct terug als we alles weer mogen?
„Het is nog te vroeg om daar wat over te zeggen. Wel merk ik als mindfulnesstrainer in het bedrijfsleven dat een deel van de mensen zegt: ‘ook als deze crisis straks voorbij is wil ik minder gejaagd leven’. Ze waarderen de tijd met hun geliefden, de mogelijkheid om meer tot rust te komen.”
Maar dan komen straks weer de uitnodigingen voor feestjes. De goedkope vluchten.
„Zeker. De neiging is heel groot om dan weer mee te gaan in de spektakelmaatschappij. Heel eerlijk: ik voel die drang ook. Ik zou ook graag deze zomer weer op vakantie kunnen naar Italië.”
Hoe gaat een mens daar mindful mee om?
„Ook hier geldt: het begint met opmerkzaam zijn. Erken dat je de drang voelt. Vervolgens kun je kiezen: wil je mee in die neiging om wéér op stedentrip te gaan in het buitenland, of beslis je dat je meer oplaadt van een lange wandeling in een bos bij je in de buurt?”
Of van het volgen van een mindfulnesstraining?
„Haha, dat hoop ik natuurlijk. Maar even los van mijn eigen overtuigingen: tijden van crisis zijn vaak een katalysator voor ontwikkelingen die al langer speelden. En iets wat je de afgelopen jaren zag, is dat veel mensen meer rust wilden, minder stress, een betere kwaliteit van leven. Minder verontreiniging, een stevigere aanpak van klimaatverandering.”
Maar de economie moet ook blijven draaien. Die roep zal sterker worden nu we aan het begin staan van een wereldwijde recessie.
„Het is inderdaad afwachten in hoeverre landen en mensen in een primaire overlevingsstand terecht gaan komen. Maar een economie kan ook groeien zonder de schade aan het milieu en het klimaat die we voor deze crisis veroorzaakten. Juist daar mag van mij het gesprek nu over gaan.”
Spreekt hier de PvdA’er in u, of de mindfulnesstrainer?
„Beiden. Het interessante is dat uit onderzoek is gebleken dat het beoefenen van mindfulness helpt om de betrokkenheid bij de maatschappij te versterken.”
Hoe wordt dat verklaard?
„Mensen gaan scherper zien hoe hun emoties, stemmingen en gedachten zich afspelen. Ze krijgen vaak ook een scherper beeld over hoe ze in relatie staan tot andere mensen. En voor veel mensen resulteert dat in een gevoel van altruïsme, van mede-burger willen zijn. Het goede willen doen voor anderen.”
Maar juist nu zijn we sociaal van elkaar geïsoleerd.
„Dat maakt deze crisis inderdaad uitdagend. Maar dat we elkaar geen knuffel mogen geven, betekent niet dat je niet op gepaste afstand steun aan elkaar kunt geven.
„In mindfulness stellen we de vraag: ga je door op automatische piloot? Of sta je even stil en denk je na over je respons? Dit is het moment om met z’n allen scherper voor ogen te krijgen in wat voor wereld we straks willen leven. Nederland heeft fantastische internetverbindingen. Ga met elkaar brainstormen. Bijvoorbeeld over hoe we onze samenlevingen veerkrachtiger kunnen maken. Want ook deze crisis gaat voorbij, en ook een nieuwe crisis zal komen.”

Reactie: wat boeiend om dit waardevolle en belangrijke bericht te lezen. Ook de psychiater Damiaan Denys schreef een week of wat geleden al in dezelfde krant dat het belangrijk is niet krampachtig met de impact van het COVID-19 virus om te gaan; Thich Nhat Hanh had het (net als mijn broer Wibo hier) altijd over het omarmen van negatieve gevoelens en van de zaken die hen veroorzaken. Dan ‘integreer’ je hen om met de psycholoog Jung te spreken. Die impact is in politieke en economische zin nog niet te bevatten. En veel oude samenlevingsvormen (en onze doden) komen niet meer in dezelfde vorm terug. Wat ik ten aanzien van het begrip mindfulness belangrijk vind, is dat de herkomst ervan juist ook het erkennen van ’emptiness’ ofwel leegheid inhoudt. Die leegheid of nietsheid betreft alle verschijnselen, niet alleen onze ‘mind’. Mindfulness veronderstelt dan de erkenning dat alles voorbij gaat. Inclusief mijn begrip of beleving ervan. Maar dat voorbijgaan biedt ook hoop op vernieuwing die even belangrijk is. Om met Johan Cruijff te spreken: “Elk nadeel heb z’n voordeel” (en omgekeerd natuurlijk). De impact van de “eenheid van de tegenstellingen” (of je die nu in Oosterse of in Westerse termen formuleert, of in welke dan ook) is eindeloos veelomvattend. Zo zei een oud-collega van mij wel dat het (toch of juist daarom?) belangrijk is precies te weten wat je met je woorden en begrippen bedoelt, en dat is ook waar: anders zouden we niet kunnen communiceren. Taal heeft enerzijds haar helderheid, anderzijds haar grenzen; en is zelf ook onderdeel van al die voorbijgaande steeds maar veranderende verschijnselen. “Geen leven zonder dood, en omgekeerd”: (geen koude vaststelling, maar) een gestamelde verwijzing naar de werkelijkheid die ons omvat, die wij ondergaan en beïnvloeden, en waarmee wij op alle mogelijke manieren verbonden zijn. Al veranderend. Mooi interview!

Grote voordelen voor iedereen: een goede vorm van basisinkomen

(Twee korte teksten van deskundigen gepubliceerd in het dagblad Trouw en ook verder op internet te vinden; ik plaats deze teksten omdat het tot nu toe bestaande maatschappelijk systeem niet goed meer werkt. Om met ombudsman Reinier van Zutphen te spreken: “De overheid is een machine geworden.” Trouw 31 oktober 2019. En omdat de gevolgen van de corona-epidemie voor iedereen beter opgevangen kunnen worden met gebruikmaking van de voordelen van het basisinkomen.)
1
OpinieEconomie
Rutte moet nood-basisinkomen invoeren om als groot staatsman de boeken in te gaan

De kabinetssteun voor zelfstandigen in de coronacrisis is een goede aanzet tot een basisinkomen. Dat schrijft Alexander de Roo, voorzitter van de Vereniging Basisinkomen. Hij ziet genoeg politieke steun voor een volledig basisinkomen.
Alexander de Roo 6 april 2020
Mark Rutte is eind 2020 tien jaar ¬minister-president. Hem kennende wil hij nog wel vier jaar door. De uitdagingen waarvoor hij staat, worden steeds groter: klimaat, migratie, stikstof, meer ongelijkheid en nu corona.
Een deel van de zelfstandigen krijgt in de crisis een voorwaardelijk basis-inkomen. Een mooie eerste stap, maar wel met bureaucratische complicaties. Bovendien zullen mensen die tijdens deze crisis niet in beeld zijn, inkomsten missen. Het is een illusie dat het huidige pakket iedereen bereikt.
Waarom niet gewoon een tijdelijk basisinkomen – zolang de coronacrisis duurt – voor alle zelfstandigen? Of ¬beter: voor iedereen die inkomsten -misloopt? Honderdduizenden onder¬tekenden hier al petities voor.
Complex systeem van toelagen
Ik lees in het door VVD-prominent en hoogleraar Roelof Salomons -geschreven essay over belastinghervorming, ter voorbereiding van het verkiezingsprogramma: “Voor liberalen is het helder: het sociale stelsel is een vangnet voor wie echt niet kan. (-) Er is echter een hele industrie ontstaan rondom ons complexe systeem van toeslagen en voorzieningen. Tijd om terug te gaan naar de tekentafel. Ook hier een suggestie die zowel sociaal rechtvaardig is als financieel solide: het universeel ¬basisinkomen. Het is een oplossing waar traditioneel links en rechts elkaar kunnen vinden, want het brengt de prikkel om te werken terug.”
Forum voor Democratie heeft het Centraal Planbureau het basisinkomen laten doorrekenen. De kosten vallen reuze mee, het basisinkomen is goed betaalbaar. Lagere inkomens en middeninkomens gaan er in doorsnee op vooruit, hogere inkomens gaan er 2 of 3 procent op achteruit.
Combineren met basisbaan
D66 laat het CPB nu rekenen aan ¬Basisinkomen 2.0. Voor de zomer komen de resultaten. Het Sociaal en Cultureel Planbureau kijkt naar de zachte kanten van het basisinkomen: minder stress, meer welzijn en betere gezondheid. GroenLinks is het positiefst over het basisinkomen. In de PvdA blijven ze aan de basisbaan vasthouden, maar die kun je combineren met het basisinkomen. Het CDA houdt ook vast aan dit idee, maar ook CDA-kiezers zijn in ¬toenemende mate voor invoering.
Als Mark Rutte de geschiedenis wil ingaan als een groot staatsman zoals Thorbecke, dan moet hij nu een nood-basisinkomen invoeren en dat tijdens de volgende kabinetsperiode vervangen door een structureel basisinkomen. Dat geeft iedereen waardigheid.

2
Maak aftrek, toeslagen en uitkeringen overbodig met basisinkomen voor iedereen
Vervang het stelsel van toeslagen, aftrek en uitkeringen door een basisinkomen, bepleit financieel adviseur Sytze de Boer.

Sytze de Boer 4 december 2019
De president van De Nederlandsche Bank vindt het Nederlandse belastingstelsel te complex. Hypotheekrenteaftrek en belastingvrij sparen voor pensioenen verstoren de economie. Daar zit wat in. Sterker nog: het geheel van onze wetten en regels op financieel-economisch terrein kan simpeler.
De overheid corrigeert de marktwerking, omdat anders de economisch zwakkeren niet overleven. Ze doet dat via onder andere de AOW, de bijstand en uitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Dat is een groot goed, maar daar staan wel nadelen tegenover. Werknemers zijn verplicht om voor pensioen te sparen. Ontvangers van een uitkering hebben sollicitatieplicht. Ons belastingstelsel is complex en kent veel vrijstellingen. Om het geheel compleet te maken, zijn vijf miljoen huishoudens aangewezen op toeslagen. Het gevolg is een uitgebreide bureaucratie, waar lang niet alle burgers de weg kennen.
Dat complexe geheel van wetten en regels is desastreus voor de creativiteit in de samenleving. Veel mensen willen graag een bedrijf beginnen, maar zien op tegen het oerwoud van regels. Of willen een zieke buur helpen, maar schrikken terug voor mogelijke (financiële) consequenties. Goede bedoelingen stikken in de brij van regels.
Schrap verplichting te sparen voor pensioen
Dat kan anders. Een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen vanaf achttien jaar zou het stelsel een stuk eenvoudiger maken. Maak de hoogte van het basisinkomen gelijk aan die van een AOW-uitkering, en de AOW-leeftijd kan met pensioen. Schrap de verplichting om te sparen voor pensioen, en de pensioenleeftijd is eveneens verleden tijd. De pensioenpremie die werkgevers nu overmaken naar de pensioenfondsen, gaat rechtstreeks naar de werknemer en wordt belast.
Werknemers bepalen dan zelf of ze sparen voor pensioen, vanuit het netto inkomen. De vrijstelling in box 3 van het opgebouwde pensioenvermogen vervalt. Daarvoor in de plaats komt een vrijstelling die is afgestemd op de opbouw van een bescheiden aanvullend pensioen. Een vrijstelling die meebeweegt met de leeftijd van de belastingplichtige. De AOW gaat op in het basisinkomen en alle overige uitkeringen, de toeslagen en de sollicitatieplicht vervallen. Door het belasten van de pensioenpremie en het schrappen van toeslagen, ontstaat ruimte voor een verhoging van het basisinkomen met zo’n 200 euro per maand.
Minder geld rondpompen
In plaats van de heffingskortingen in de belastingen komt er een heffingsvrije voet die gelijk is aan de hoogte van het basisinkomen. Mensen die alleen een basisinkomen hebben, betalen daardoor geen inkomstenbelasting meer. Het basisinkomen kan zo netto worden uitgekeerd, wat leidt tot minder rondpompen van geld.
Boven de heffingsvrije voet volstaat een uniform tarief. Werkenden weten meteen hoeveel ze netto overhouden van hun loon.
Hoe hoog dat tarief moet zijn, is nog de vraag. De overheid bespaart op een groot aantal terreinen. De bureaucratie wordt aanzienlijk kleiner. Andere uitkeringen en toeslagen vervallen. Al die besparingen worden ingezet voor de financiering van het basisinkomen.
Naast die besparingen zal er echter ook een redelijk hoog belastingtarief in de inkomstenbelasting nodig zijn om het basisinkomen te financieren. De grote vraag is hoeveel mensen gaan werken naast het basisinkomen. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat het overgrote deel van de werkenden zal blijven werken. Verder mogen we verwachten dat door het wegvallen van een verstikkende bureaucratie de creativiteit in de samenleving juist wordt gestimuleerd. Daardoor kunnen hopelijk veel mensen die nu aan de kant staan, een meer zinvolle bijdrage leveren aan onze samenleving.

De raadselspreuk van Jacob Böhme in mijn persoonlijke ontwikkelingsgang

“Voor wie tijd is als eeuwigheid en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd”

Westerse achtergronden en een Oosterse parallel van de eenheid van de tegendelen

(De raadselspreuk van Jacob Böhme in mijn persoonlijke ontwikkelingsgang)

[Dit is de eerste van enkele teksten rondom het verschijnen van mijn nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme in het jaar 2020. Deze inleiding vormt een geheel met de in december 2019 verschenen vertaling van zijn Theoscopia of de allerkostbaarste poort van het zien van God bij de Rozenkruis Pers in Haarlem, waarover hier eerdere berichten te vinden zijn. De verschijning van de inleiding laat ik vooraf gaan door het publiceren op mijn site van enkele teksten die tijdens de afronding van de publicatie ontstonden en niet in de inleiding zelf komen. Zij vormen echter een palet van toegangen tot de inleiding en het belang van Böhmes denken in verschillende contexten.Om te beginnen enkele Westerse achtergronden en een Oosterse parallel.]

In de ideeëngeschiedenis van het Westen is de eenheid van de tegendelen (ook coincidentia oppositorum ofwel het samenvallen van de tegengestelden genoemd) een steeds terugkerend thema binnen de verschillende gebieden die samengevat worden onder het ruimere begrip dialectiek. (“Dialectiek is in het algemeen gezegd ofwel een redeneervorm die door middel van het gebruik van tegenstellingen naar waarheid probeert te zoeken, dan wel een metafysica, volgens welke zowel het denken als de wereld verandert c.q. zich ontwikkelt, ten gevolge van tegenstellingen (Herakleitos, Hegel, Marx en navolgers). Het begrip heeft een lange geschiedenis in de traditie van het westerse denken.” Wikipedia) Ik hanteer dialectiek niet als een dogmatisch begrip, omdat daarmee de voor mij essentiele openheid zou verdwijnen; wel als een concentratie van verwante denkbeelden die kennelijk aan elkaar verwant zijn maar ook in de loop van de tijd kunnen veranderen en dan op hun verwantschap en verschillen bevraagd kunnen worden.

Op het verschijnsel van de dialectiek in het Westerse denken stuitte ik als student-assistent (VU A’dam 1967-1971; leerstoel “Ethiek en inleiding in de dogmatiek” bij prof. H.M. Kuitert) toen ik voor een doctoraalcollege ethiek een tekst uit Friedrich Engels’ Herrn Eugen Dühring’s Umwälzung der Wissenschaft kopieerde. Op Jacob Böhme stuitte ik tijdens mijn daarop volgende studie filosofie (UvA A’dam 1972-1977; hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer en bijvak fenomenologie bij Theo de Boer) in de dialectische filosofie van K. Marx die Engels’ inspiratiebron vormde, en van diens leermeester G.W.F. Hegel. Het intrigeerde mij dat materialisten en spiritualisten zich op dezelfde piëtistische bron baseerden. Dat ik mijn doctoraalscriptie filosofie (UvA) aan de eenheid van de tegenstellingen (coincidentia oppositorum) kon wijden, legde de basis voor verdere onderzoek en studie van Jacob Böhme. Zij bracht mij op het spoor van de dialectiek in heel de Westerse filosofiegeschiedenis, speciaal op de vraag hoe zij in (en na?) het ‘moderne’ tijdperk van de overheersing door het wetenschappelijke wereldbeeld geherwaardeerd zou kunnen worden. Want die herwaardering verdient de dialectiek.

Veel voormalige docenten ben ik erkentelijk voor ondersteuning en inspiratie bij mijn eerdere studie van Jacob Böhme en voor het verschaffen van basiselementen voor deze vervolgstudie. Tijdens vele ontmoetingen in het kader van de Bibliotheca Philosophica Hermetica (die de publicatie van mijn dissertatie mogelijk maakte), nu onderdeel van de Ambassade van de Vrije Geest (beide in Amsterdam), en in het kader van symposia van de Stichting Rozenkruis, ontving ik inzicht in opmerkelijke contemporaine contexten van Jacob Böhme, en inspiratie om zijn diepgang en eenvoud verder te onderzoeken. Ik ben allen die ik zo heb ontmoet erkentelijk voor hun grote betrokkenheid, daarnaast speciaal mevrouw R. Ritman-Kleingeld voor enkele vragen en directe suggesties. De aparte benadering, uitleg en vormgeving van deze inleiding blijven uiteraard voor mijn rekening.

Onze natuur ofwel kosmos zit buitengewoon kunstig in elkaar (kosmos betekent oorspronkelijk onder meer ‘sieraad’; en natuur ‘(dat) wat groeit; groei’). ‘Intelligent design’ noemen sommigen dat, daarmee zinspelend op de mogel ijkheid van een goddelijke Ontwerper. (Die mogelijkheid komt in de nieuwe inleiding terug in verband met de belangrijke vraag wanneer taal toereikend is en wanneer niet.) Wie een appel doormidden snijdt, kan zich blijven verbazen over de prachtige symmetrie van de helften. Van het eenvoudigste verschijnsel en zijn omgeving tot de meest complexe die wij waarnemen, zij vertonen allemaal bijzondere wetmatigheden in vorm, in beweging, kortom in gelijk blijven en in verandering. Meestal wordt de ontdekking van die wetmatigheden toegeschreven aan wat de oudste voorlopers van de moderne wetenschap worden genoemd: Pythagoras, Archimedes, Euclides, Plato en Aristoteles, om enkele voorbeelden te noemen. Daarmee doen wij absoluut geen recht aan de breedte van de oude kennissystemen. Die verbonden namelijk natuurwetenschap en wat wij later theologie zijn gaan noemen, sterker: toenmalige theologie was eigenlijk esoterie. Dat laatste weten we omdat pas sinds de middeleeuwen de gevestigde theologie van de universiteiten en de grote christelijke godsdiensten – te weten katholicisme en protestantisme – eerst het aristotelisme en later de wetenschappelijke methode van Descartes omarmden. Voor die tijd lieten filosofische stromingen naast het rationele (en wetenschappelijke) denken ruimte voor het magische denken en de esoterie, die van iedere vorm van spiritualiteit deel uitmaken en er essentieel voor zijn. De stroming die daarin het meest uitblonk, was in het Westen het neoplatonisme, dat ook onder christenen een grote plaats innam. Dat veranderde met de opkomst van de moderne tijd, van de Reformatie en van de moderne natuurfilosofie en natuurwetenschappen. Het neoplatonisme werd met alle esoterie opzij gezet.

De opkomst van die moderne tijd viel samen met onze Gouden Eeuw. In Holland en speciaal Amsterdam, Leiden en Den Haag genoten niet alleen Rembrandt en zijn vrienden en opdrachtgevers maar ook vele geleerden uit Europa van het ondernemende en relatief vrije geestelijke klimaat, zoals de wijsgeren Descartes en Spinoza. In het voetspoor van Descartes en later de wetenschapsfilosofen van de negentiende eeuw delen wij de natuur graag op in de strikt methodische en meetbare wereld van de natuurwetenschappen en de zogenaamd diffuse want niet exacte wereld van de geesteswetenschappen, de kunsten, de letterkunde, de religie en de wijsbegeerte (veel natuurwetenschappers bestreden dat die ‘over’ de natuurwetenschappen mee zou mogen denken want dan zou men immers het strikte pad van de herhaalbaarheid van testresultaten verlaten). Dat strikte onderscheid zijn velen tegenwoordig aan het betwijfelen, omdat de invloed van de wetenschapper op zijn ontdekkingen ook in de natuurwetenschappen herkend wordt – denk aan de kwantummechanica –  en omdat er in de geesteswetenschappen in ruime zin ook allerlei wetmatigheden te constateren zijn, tussen culturen onderling maar ook hoe binnen iedere (sub)cultuur van een eigen taal sprake is. En hoe een en ander zich dan tot elkaar verhoudt, is zeker in de twintigste eeuw opnieuw een van de grote thema’s van de kunst en filosofie geworden. Het onderscheid tussen natuur en cultuur is een kunstmatig onderscheid, ooit gemaakt door de Grieken om menselijke beïnvloeding (cultuur) van niet-menselijke (natuur) te onderscheiden. Iets dat tegenwoordig niet ten onrechte ter discussie gesteld wordt: is er wel dode natuur? En zo niet …? Die dode natuur is precies wat de moderne natuurwetenschappen van de natuur maakten: een louter mechanische wereld. Maar daarop komen we momenteel terug, hopelijk op tijd.

Terzijde zij opgemerkt waar de opvatting van een louter mechanische wereld toe heeft geleid. De geneeskunde is zo technisch geworden dat het menselijke aspect daar onder dreigt te lijden. De computertechnologie heeft zulke grote invloed op alle menselijke aspecten van het leven dat mensen zich verbaasd afvragen wat het recht van individuen op eigenheid nog inhoudt, en hoe intermenselijke contacten nog tot bloei kunnen komen anders dan als losse ‘dates’ via internet. Kan de staat haar burgers nog enig tegenwicht helpen bieden tegen de greep van commercie, van grote ondernemingen, van de wereld van willekeurige reclame en ‘fake news’ zoals misleidende informatie tegenwoordig genoemd wordt? Dit zijn overigens niet specifiek nieuwe vragen, zij werden al gesteld door de oude Grieken. Een van hen, Socrates, meende dan ook zijn medeburgers en leerlingen het best te kunnen dienen door ‘niet weten’ te stellen boven onbeproefde kennis, en dat niet als iets wat je kunt leren door een leerboekje uit je hoofd te leren maar door permanent alles (vooral ook jezelf, je diepste motieven en inspiraties, en je grootste ambities) met anderen te delen en zo ter discussie te stellen, te weten op een zo eerlijk en zuiver mogelijke wijze. Dat was wat Plato poogde te beschrijven in zijn dialogen, voor het overgrote deel verslagen van gesprekken tussen Socrates en zijn leerlingen. We weten dat de machthebbers beslist niet blij waren met die houding van Socrates. Want zij hadden veel te verliezen, en de waarheid veel te winnen.

Nu heeft in de gesprekken die daaruit in de loop der eeuwen voortvloeiden, en in de vele geschriften van filosofen en religieuze leiders de socratische houding niet altijd vooropgestaan. Een veelheid van wereldbeelden, mensbeelden, godsopvattingen vormde de basis voor de hoofdstromen van onze Westerse cultuur. Jodendom, christendom, humanisme op godsdienstig gebied; op staatkundig gebied diverse politieke stromingen; op het culturele gebied een veelheid aan kunstvormen en literaire vormen. Sinds de tijd van de Verlichting is er geen dominantie meer geweest van een bepaalde culturele stroming, al helemaal niet meer sinds de verwoestende Wereldoorlogen. Wel waren er individuen en stromingen die poogden iets van een breed algemeen perspectief neer te zetten, maar dat leidde niet tot brede erkenning of een rustige maatschappij, laat staan een rustige cultuur. Na de laatste Wereldoorlog vonden sterk mondiaal bepaalde ontwikkelingen plaats, nieuwe evenwichten moeten nog steeds gezocht worden. Het Westen is onzeker. Er zijn bepaald niet alleen succesvolle groepen in de samenleving, er is integendeel opnieuw een grote kloof tussen superrijken enerzijds en grote groepen wie het water soms letterlijk maar minstens economisch aan de lippen staat.

In iedere tijd, ook in de moderne met haar technocratische vooruitgangspositivisme, zijn er tegenbewegingen ontstaan die perspectieven zochten op eenzijdige ontwikkelingen. Ik noem er enkele. In de negentiende eeuw waren dat bijvoorbeeld de cultureel alternatieve theosofen in het Westen die inspiratie vonden in sommige Oosterse voorstellingen en gedachten en leefvormen, vooral die welke wij tegenwoordig niet-dualistisch noemen (dat in tegenstelling staat tot het dualistische denken dat tweedelingen – ofwel onderscheidingen, om een voor de nieuwe inleiding centraal begrip naar voren te halen – zo sterk verabsoluteert dat er alleen hiërarchisch denken mogelijk is; het gaat hier om verschillende in culturele systemen ingebakken logica’s). In maatschappelijk opzicht waren er het communisme en het socialisme die al dan niet met een onrealistisch vooruitzicht op de heilstaat veel mensen hebben geïnspireerd tot zelfvertrouwen en solidariteit, daarbij teruggrijpend op oude Joodse en christelijke universele idealen (die ik als actuele troost en dus ‘werkelijkheid’ waardeer, niet als voorspelling van een definitieve eindtijd). En nog steeds zijn zij die inspiratie voor velen, ondanks de buitengewone schade die de verbinding met de moderne ‘wetenschappelijke’ methoden en technieken heeft versterkt en misbruikt (universeel gericht ‘wetenschappelijk socialisme’ en ‘marxisme-leninisme’). Eenzelfde verbinding maar dan omgekeerd (solidariteit alleen in eigen kring, niet universeel tenzij via overheersing) ziet men overigens ook bij hun uiteindelijk grootste tegenstanders, de fascistische bewegingen (die ten slotte nauw gelieerd bleken aan traditionele machthebbers). Overigens moet vermeld worden dat Karl Marx (geen leninist) en zijn leermeester Hegel (geen marxist) zich baseerden op oude bronnen, alleen: zij probeerden die te verenigen met de moderne wetenschapsfilosofie in het spoor van Descartes. Dat deden de theosofen niet, maar die baseerden zich vrijwel uitsluitend op Oosterse metafysische grondslagen en niet op wat in het Westen aan vergelijkbaars aanwezig was.

Het leek mij een uitnodiging om te zoeken naar Westerse voorbeelden van niet-dualisme en tegelijk van niet-verabsolutering van de moderne wetenschappelijke methoden of bijpassende organisatorische verkokering. Dat was een hele klus, al zijn er vermoedelijk meer mensen naar op zoek geweest (andere zoekers hebben ongetwijfeld andere vondsten gedaan of andere conclusies getrokken. En zo stuitte ik op de voorstellingswereld en het denken van Jacob Böhme. Karl Marx en Georg Wilhelm Friedrich Hegel beschouwden hem evenzeer een belangrijke denker en inspiratiebron als Goethe en andere schrijvers, naast vele kunstenaars en … vroomheidsbewegingen. In de nieuwe inleiding komen die aan de orde zover zij met Böhmes dialectiek verwant zijn.

Want daarbij moeten we teruggrijpen op voor-moderne voorstellingen uit onze Westerse cultuur, waarvan de filosoof Jacob Böhme net zo’n interessant voorbeeld is als zijn in de magische rol van religie geïnteresseerde tijdgenoten en voorgangers: Rozenkruisers, spirituele alchemisten, christelijke kabbalisten en de spirituele geneeskunde en filosofie van Paracelsus. Deze mensen konden geen ijzer met handen breken of goud uit lood maken, maar ervoeren wel dat hun geest in vervoering raakte van aspecten van de werkelijkheid die hen omgaf en waar zij mee van doen hadden en op inspeelden. Niet alleen louter psychisch maar ook praktisch helend, met een oog voor lichamelijke en concrete problemen en evenwichten en niet minder voor mentale en kosmische. Zij putten uit oeroude tradities in het Westen, van de oude Perzen en Grieken tot de oude Egyptenaren en Hebreeërs. Sommige pre-socratische denkers, Socrates zelf, zijn leerling Plato en de neoplatoonse traditie zijn er belangrijke voorbeelden van, mits we ze niet reduceren tot rationele (Aristotelische of modern-natuurwetenschappelijke) wetenschappen, of nog erger politieke ideologieën op basis van die zogenaamde want op reductie gebouwde ‘wetenschappelijke zekerheid’. Wat in de moderne tijd werd weggezet als dwaze magie van ‘esoterische’ tradities, bevat juist grote schatten aan inzicht. Zoals ook literatuur daar gelukkig ruimte voor bleef bieden, te weten literatuur die zich niet tot oppervlakkige ‘romantiek’ beperkte maar ook de diepte in durfde gaan. Zo kunnen wij de diepte peilen van onze kosmos, van onszelf, van onze werelden. En dat gebeurde niet alleen in de voormoderne tijd maar (zij het deels ondergronds) ook daarna, en niet alleen in het Westen maar ook in andere delen van de wereld. Zoals we in onze tijd herontdekken.

Kortom, in de nieuwe inleiding treft u mijn verkenning aan van Böhmes samenvattende geschrift Theoscopia, van zijn Westerse voorlopers en navolgers, in het bijzonder zijn niet-dualistische parallellen. De uitkomst daarvan vergelijk ik met enkele Oosterse visies. Speciaal die van de Japanse Zen-leraar en filosoof Dogen Kigen uit de dertiende eeuw, die niet alleen een wonder van taalvernuft en denken over niet-dualiteit was, maar ook voortkwam uit de diepste bronnen daarvan, het Chinese daoïsme en Indiase boeddhisme die in China tot een vruchtbare stroming versmolten, de Ch’an-traditie. Die traditie hield nuchterheid in ere ofwel: verlichting is prachtig, maar het leven – ieders gewone leven – gaat verder en vraagt je volledige inzet. “Voordat je verlicht bent: hout hakken en water dragen; nadat je verlicht bent: hout hakken en water dragen” (uit het geschrift Hsin Hsin Ming). “Oefening en verwerkelijking (verlichting) zijn éen en gaan eindeloos door” (Dogen Kigen). Böhme kende die tradities niet maar uitdrukkelijk wel de vergelijkbare Westerse die hij in zijn denken opnam. Zoals Jezus zijn leerlingen opdroeg zieken te verzorgen en genezen, voedsel te verschaffen aan de armen, en het koninkrijk dat er al is, aan het licht te brengen: “Laat de doden (dat is zij die hun ogen nog dicht hebben) hun doden begraven maar jullie: ga er op uit, kondig het koninkrijk aan en breng het aan het licht”. Niet om uitsluitend schijnveilige bastions op te bouwen (“de mens lijdt vaak het meest door het lijden dat hij vreest maar dat nooit op komt dagen”) maar om wat aan hen geschonken is, vruchtbaar te maken door het te delen (want niets van ons is ongedeeld behalve onze eigenwijze blik voordat die zich door de wijsheid laat leiden, dat is door openheid voor het leven en het delen daarvan). Hoe meer dat samen gedaan wordt, hoe vruchtbaarder. Dat maakt het bestaan niet pijnloos of moeiteloos, maar zeker vrijer en vreugdevoller. Vormen daarvoor vinden in steeds nieuwe tijden was ook Böhmes grote uitdaging. Dat komt ook tot uiting in de spreuk die Böhme in het gastenboek van zijn logeeradressen schreef. Voor mij is dat de raadselspreuk geworden die de toegang heeft verschaft tot het inzicht in de werkelijkheid dat hij ons wilde overbrengen, zijn zowel (!) filosofische als spirituele kernuitspraak.

Je kunt die namelijk heel goed vergelijken met de koans (raadselspreuken) die Chinese en Japanse Zen-meesters aan hun leerlingen opdroegen om erover te mediteren tot ze ‘de’ betekenis ervan ontdekt hadden. Koan betekent letterlijk ‘casus’ ofwel ‘wat het geval is’. ‘De’ betekenis bleek er niet een te zijn van definitie of van logische conclusie maar de leraar hielp de leerling zo te ontdekken dat hij niet aan één betekenis vast moest zitten, sterker dat er soms geen andere betekenis is dan een woordloze, of nog sterker: dat er in  ieder geval geen antwoord goed was dat de werkelijkheid buiten (en van) de woorden niet ten diepste recht deed. Daarom kon het ‘goede’ antwoord ook een handeling zonder woorden zijn, al spreekt het vanzelf dat de vraag in woorden ook impliceerde dat woorden deel konden uitmaken van het antwoord. De meester die dat goedkeurde beoordeelde het antwoord niet op basis van louter logische criteria, maar van het in de handeling die het antwoord omvatte zichtbaar wordende openheid voor de combinatie van relevantie van het antwoord (dat dus ook een gedraging of actie zonder woorden kon zijn) in de context van de actuele situatie en ook nog eens in de context van het besef van de uniekheid daarvan binnen het niettemin altijd aanwezige en ook wisselende geheel van de veranderende werkelijkheid (inclusief verleden en toekomst) en zijn zich voortdurend realiserende mogelijkheden. Daaraan zitten nog wel een paar haken en ogen vast, zoals de gebondenheid van het oordeel aan de beperktheid van de leraar: ook die laatste is onderdeel van de veranderende werkelijkheid en zelfs dat kunnen leraar en leerling met elkaar delen in het moment van het antwoord van de leerling op de koan, en de reactie van de leraar erop. Zo bijzonder is het dus ook weer niet (er is uiteindelijk geen definitief antwoord maar de leraar en de leerling kunnen wel de bijzonderheid van een antwoord ervaren en erkennen en beleven), wel is het een manier om naar onze werkelijkheden te leren kijken. Net zoals ook alle Westerse leerlingen in een bepaald vak of praktijk die later beroemd worden altijd wijzen op het persoonlijke contact dat zij met hun leraar hadden bij hun opleiding. De leerlingen zijn als het ware gevormd door het contact met de leraar, enerzijds door inspiratie en anderzijds door de uitdaging om precies het pad te vinden en vervolgens te gaan dat bij de leerling persoonlijk past. Deze Oosterse parallel van Böhmes raadselspreuk en kernuitspraak heeft overigens ook Oosterse parallellen en wortels

Zo ook in mijn geval bij Jacob Böhme. Jaren en jaren heb ik mij afgevraagd wat hij bedoelde met die spreuk “Voor wie tijd is als eeuwigheid en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd.” Mijn inleiding in zijn denken is een illustratie van wat ik op mijn weg met die spreuk ben tegengekomen. En wat ik ervan geleerd heb, niet alleen in de zin van Böhmes plaats in de ideegeschiedenis met zijn voorlopers en navolgers, maar ook en vooral in de manier waarop hij zijn leerlingen, mij en u, aanspreekt om zich geheel te laten leiden door de diepste tevens hoogste geest van de werkelijkheid en daarbij geen element te ontkennen, want elk element – welk dan ook –kunnen wij slechts waarnemen door een onderscheid te erkennen (en in taal aan te brengen). Daarmee leerde Böhme ons op een manier naar de taal te kijken die buitengewoon vruchtbaar is en die tevens lijkt op de wijze waarop taal non-dualistisch gehanteerd wordt: in het besef dat taal niet denkbaar is zonder onderscheid te maken. En dus ook niet zonder een situatie te veronderstellen waar nog geen taal is, of geen taal meer is, althans taal in de onderscheid makende zin. Ook dat element heb ik steeds meer leren waarnemen en toepassen bij de studie voor deze inleiding en merkwaardig genoeg ook in mijn leven en denken. Want ook al heb ik te midden van alle elementen van de werkelijkheid buiten mij geen apart aanwijsbare meester die mij daarin bevestigd heeft, Böhmes raadselspreuk heeft mij geholpen de inzichten in deze inleiding te ontdekken. En, voeg ik daar haastig aan toe, wat nog belangrijker is, mij geholpen mijn eigen neiging tot systematiseren en de daaraan ten grondslag liggende angst voor het verlies van eigenheid ofwel voor de dood onder ogen te zien. Zij boden geen houvast, en van hen bevrijd blijft een merkwaardig grote openheid over die niet bij mijn eindigheid ophoudt. Geen houvast hoeven hebben wil niet zeggen mijzelf of anderen geen veiligheid bieden waar nodig, integendeel, maar wel steeds meer ervaren en leren dat dat niet automatisch moet binnen door anderen opgelegde kaders maar binnen bewuste en zo mogelijk aanvaarde kaders. En waar dat niet helpt, is aanvaarding zelfs van uiterlijk opgelegde kaders een mogelijke weg, zonder dat die de innerlijke vrijheid hoeft aan te tasten (zoals in de geschiedenis is bewezen door diegenen die een weg ten dode die anderen hen afdwongen, toch aanvaarden konden, soms zelfs innerlijk dankbaar en in vrede). Ook diegene die deze weg niet geestelijk gaat, komt in haar of zijn leven de uitdaging van de tegenstellingen tot en met de dood tegen. Maar lang niet alleen die tegenstellingen, en dan ook nog hun komen en gaan.

Deze thematiek is daarom zowel persoonlijk als theoretisch (systematisch). Hoe wordt aan Böhme en zijn uitspraken duidelijk.

Persoonlijk: zie ook een eenvoudige aanroeping van het thema in de vorm van historische citaten gepresenteerd bij de presentatie van de vertaling van Böhmes boek Theoscopia

Vragen en antwoorden bij de overheidsmaatregelen in het spoor van COVID-19

Gelukkig wijzen politici en andere gewone mensen op dit moment op cruciale aandachtspunten in het omgaan met de sociale en medische veranderingen door de COVID-19 epidemie. Ik voel op sommige punten een spanning tussen sociale, economische en medische belangen.

Wat is kwaliteit van leven voor iemand (elk individu apart) en ons in heel onze omgeving samen en hoe vertaal je dat in de (steeds aanpassing behoevende) maatregelen n.a.v. de COVID-19 crisis? Hier enkele actuele vragen over patiënten in de thuiszorg, patiënten in de GGZ, in de gehandicaptenzorg, en alleenstaande ouderen. Bij de situatie van 31 maart 2020.

Waarom krijgen veel mensen nu geen thuiszorg (wassen, wondverzorging enzovoort voor mensen die nog niet opgenomen hoeven te worden in ziekenhuizen of verzorgingshuizen), terwijl zij bepaalde zorg simpelweg niet kunnen missen? Het gevolg is dat de ‘economie’ van huishoudens van degenen die dit plotseling op moeten vangen (gezinnen,  alleenstaanden, buren enzovoort) zélf onderuit gaat. Nog afgezien van de factor van het menselijke contact dat er een belangrijk element van was en is. Het laatste kan wellicht door sommige veranderingen (maatregelen en hun gevolgen) ook opbloeien, maar hoe wordt dit economisch ondersteund?  Of wordt dit economisch aan zijn lot overgelaten?

Kan niet centraal een pool geregeld worden (net als bij IC-bedden) van thuiszorgmedewerkers die weinig gevaar lopen anderen te besmetten als ze zelf besmet zouden raken? Bijvoorbeeld die het zelf gehad hebben of – zover daar sprake van is – nauwelijks risico lopen op zware complicaties (in eerste instantie als ze daar zelf voor kiezen en als er meer info is over zeer geringe kans op complicaties, ook gewoon net als alle andere zorgmedewerkers? Wat kan er aan bescherming gedaan worden op korte termijn en langere termijn van de thuiszorgmedewerkers?

En waarom gaat de publieke berichtgeving over de IC-bedden terwijl dat (behalve qua bemensing!) een technisch probleem is, en niet over de spanning tussen voorkomen en bestrijden van de sociale gevolgen? En dan bedoel ik niet de terechte tijdelijke economische steun maar het beschermen van het sociale weefsel van de samenleving, zodat mensen onder bepaalde voorwaarden elkaar weer kunnen ontmoeten, bijvoorbeeld na gebleken testen dat mensen niet besmet zijn? Wanneer komt het moment dat er genoeg testen zijn om dit weer langzamerhand mogelijk te maken?

Waarom gaat het geld niet naar sneller en completer testen in plaats van naar het overeind houden van de economie? Zijn voldoende gezonde mensen niet het eerste wat nodig is?

Heeft de overheid een strategie die (voor mensen die thuiszorg nodig hebben, voor patiënten in de GGZ, in de gehandicaptenzorg enzovoort, alleenstaande ouderen) duidelijk is en kwaliteit van leven oplevert?

En wat doen u en ik en wij allemaal om dit ook internationaal rechtvaardig te verkennen en uit te voeren?

Vragen waar vast veel deskundigen en andere gewone mensen een mening over hebben, ik hoop dat die in wijsheid en goede zorg voor allen vertaald kunnen worden. (Vragen en meningen die elk moment waarschijnlijk aangepast kunnen worden aan de situatie die verandert.) En ook waar die ontbreken, wens ik alle betrokkenen heel veel sterkte. Speciaal wie heel alleen zijn. Zij hoeven zich niet per se alleen te voelen. Want hun lot is net als dat van alles en allen onderdeel van een grotere werkelijkheid, die ook goede, waardevolle aandacht kan inhouden en omvatten, niet alleen voor wat beter maar ook voor wat slechter gaat. En de betekenis van die laatste hangt sterk af van wat wij als zodanig betitelen. Onze taal is beperkt, daarom is het nuttig haar te vergezellen met herkenbaar streven naar het goede. Luisteren, luisteren, zou mijn vader zeggen; ook naar wat buiten mijn kraam valt, voeg ik toe.

Zien en verlichting; persoonlijke notities n.a.v. Böhmes Theoscopia

Tijdens het voorbereiden van de presentatie van de Theoscopia-vertaling van Böhme viel mij het volgende in. Ik noem het een mini-samenvatting van veel van de ontdekkingen die ik bij het bestuderen en vertalen van Jacob Böhme’s teksten en van die van zijn verwanten (zowel spiritueel als ideehistorisch) deed.

Zien is voor mij een levensthema:

  • altijd 1 lui linkeroog gehad en dus slechts met 1 rechteroog gezien: hoe is het dan om diepte te ontdekken? Hoe verhoudt waarneming door de zintuigen zich tot meer innerlijke en intuïtieve waarnemingen? Is in beide soorten waarneming, de uiterlijke en de innerlijke, sprake van mogelijke diepte?

Zien is ook voor Böhme een levensthema naast innerlijke ervaring:

  • zijn beroemde verlichtingservaring van het licht op een tinnen pot in zijn schoenmakerswerkplaats;
  • zijn verklaring van melancholie ofwel depressiviteit door oneerlijke verdeling van bezit in de wereld en door de ervaring van pijn en lijden naast die van vreugde, kortom van alle tegenstellingen;
  • zijn verklaring van zijn verlichtingservaring door het doorzien van het ontstaan en de oplossing van alle mogelijke tegenstellingen in de werkelijkheid)
  • De ontdekking voor Böhme en voor mijzelf dat leren altijd staat in de context van onderdeel van het geheel zijn en het spel verder mee leren spelen:
  • De hoogste wijsheid omvat het overzien en doorzien van alle processen in de hele werkelijkheid, en de verhouding tussen de eigen rol en van alle andere spelers en tegenstellingen in die processen, vanaf het oerbegin tot en met het open einde, inclusief onze diepste waarnemingen en gevoelens daarbij
  • En nog verder: ook van de tegenstelling tot alle uitingsvormen daarvan, van de meest concrete tot en met de meest subtiele, met de rol van taal in velerlei gedaanten, van de taal van de materie via de gesproken en geschreven taal tot de taal van de muziek en de taal van de meest subtiele vibraties die elkaar beïnvloeden

Verlichting meestal Oosters begrip: hebben wij ook niet zoiets in het Westen?

  • Theoscopia: het zien van God -> wie is hier het onderwerp: God of wij ? Want als God het onderwerp is, hoe kunnen wij dan weten hoe Hij ziet? Kunnen wij ooit God echt kennen? In die vragen hebben theologen zich verstrikt, maar Böhme niet
  • Voor Böhme is het glashelder: wij mensen kunnen met hulp van de geest van God, ook zien als God
  • Theoscopia gaat er over hoe dat in zijn werk gaat, wat daarvoor nodig is, wat het verschil is tussen het lagere verstand dat wil begrijpen en het hogere verstand dat uit afstemming bestaat en niets in de greep heeft, dus gelaten is en alles laat zijn

Bij Böhme is zien altijd heel concreet en heel subtiel:

Hij maakt altijd gewag van de spirituele binnenkant en de concrete buitenkant van de dingen, dus beperkt zich nooit tot een van beide.

Hij ziet de oorsprong van alle processen in de behoefte van het Ene dat overal was maar zichzelf niet tegenkwam, aan iets Anders tegenover zich zodat het dat Andere zou kunnen waarnemen, zichzelf zou kunnen waarnemen, en met dat andere een proces aan zou kunnen gaan: die behoefte noemt hij de wil of de neiging tot een tegenover. Daarmee definieert hij het bewust-zijn als betrekking tot een onmisbaar tegenover: onmisbaar omdat er zonder tegenover geen bewustzijn is, het is altijd bewust zijn ‘van’ (dat tegenover, in welke ‘vorm’ dan ook). Met dat tegenover heeft hij het basisbeginsel ontdekt waarmee alle processen beschrijfbaar worden (samen te vatten in de idee van de eenheid van de tegendelen die ontstaan uit afsplitsing en ook weer terugkeren tot hun oorsprong, zij het dat de tijd dan veranderd is, wat Böhme op het idee brengt dat tijd en eeuwigheid niet zonder elkaar maar – ook! – als elkaar begrepen zouden kunnen worden). Er is geen eind aan de processen van parallellen en analogieën in alle richtingen, met dien verstande dat zij afzonderlijk wel een begin en een eind hebben, maar altijd in een ruimere context.

En wat doet Böhme dan? Hij ziet zoveel samenhang dat hij uiterst verheugd aan het schrijven gaat. De hele bijbel vat hij samen, alles wat hij van vrienden en verwanten hoort en wat hij maar te pakken kan krijgen om te lezen vat hij samen, en niet door netjes op internet die samenvattingen op te zoeken en op een rijtje te zetten maar door alle beelden aan één stuk door in zijn hoofd rond te laten gaan tot hij alle nieuwe aspecten weer opnieuw in één samenhang gebracht heeft. Wij noemen zo iemand een systematicus en een denker.

Voor Böhme is het doel daarvan om ieder onderdeel van al die processen, allereerst alle mensen maar ook alle andere wezens en verschijningsvormen van de meest subtiele engelen tot de meest concrete stoffen in de aarde, weer in het oorspronkelijke evenwicht te brengen waarvoor zij bedoeld waren. De toekomstige eenheid is een terugkeer naar de oorspronkelijke, zij het dat een einde van de processen niet voorzien wordt, want elk einde is een nieuw begin en omgekeerd.

De Theoscopia is zijn samenvatting daarvan. Neem en lees en trek uw conclusie. Hij haalt er het proces bij van de innerlijke vernieuwing langs de weg van inkeer en meditatie, maar niet minder van het ontstaan en de genezing van ziekten, en de opsluiting en vrijlating van gevangenen.

Daarin was hij een kind van zijn tijd die niet na kon laten zijn lezers en zijn gehoor ervan te doordringen dat nu de tijd van de beslissing is voor ons en de hele natuur en kosmos, en hen daarbij de passende innerlijke en uiterlijke valkuilen en wegen voorhield, en daarin was hij ook een groot visionair filosoof (om met mevrouw Rachel Ritman te spreken) die daarbij vergelijkbare ideeën naar voren bracht als oude Griekse denkers en latere Europese denkers over de eenheid die in alle tegenstellingen verondersteld wordt, en waarmee we kunnen leren omgaan. Maar niet minder dan oude en moderne Westerse en Oosterse denkers over de taal zag dat taal altijd afhangt van onderscheid maken, dus tegenstellingen, en dat A zeggen altijd ook niet-A zeggen veronderstelt. Dus dat we ook kunnen beslissen om ‘gelaten’ te zijn, dat wil zeggen: eerst ‘toe te laten’ voordat we stappen nemen om te reageren (of het bij dat toelaten te laten: ook toelaten kan zo’n stap zijn).

Ik ontkom net als veel lezers van Jacob Böhmes teksten niet aan de indruk dat hij zich tegelijk bewust was van de diversiteit van ons hele bestaan inclusief zijn subtiele aspecten (waaronder dat van de zintuigen, en van de taal en muziek waarmee we die werkelijkheden waarnemen) als van de samenhang (patronen) in de veranderingen en de veranderingen in de samenhang (patronen) van alles. En van de nadruk die hij legt op de noodzaak van eenvoud en bij de bron van en in zichzelf en alle andere verschijnselen blijven. Dus op openheid, luisteren, waarnemen. (Daar heeft iedere cultuur en ieder wezen ook weer een eigen taal en accent in, maar we weten ook dat er grote lijnen te schetsen zijn van onze ervaringen en verwachtingen: ook met elkaar deelbaar!)

VOOR WIE TIJD IS ALS EEUWIGHEID EN EEUWIGHEID ALS DE TIJD, DIE IS BEVRIJD VAN ALLE STRIJD Jacob Böhme

VOOR WIE TIJD IS ALS EEUWIGHEID EN EEUWIGHEID ALS DE TIJD, DIE IS BEVRIJD VAN ALLE STRIJD
Jacob Böhme
Lezing uitgesproken bij de Presentatie van Jacob Böhme, Theoscopia (het zien van God) op 18 december 2019 in het Huis met de Hoofden te Amsterdam, waar de Ambassade van de Vrije Geest van december 2019 (verlengd tot 1 augustus) de indrukwekkende tentoonstelling OOG VOOR DE WERELD over Jacob Böhme presenteert

Deze versie is licht bijgewerkt. Om een indruk te geven bied ik u volgend overzicht vooraf.
0 Dankwoord en verwijzing naar de pendant-uitgave van deze Theoscopia-vertaling: een nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme die voorjaar 2020 zal verschijnen
1. Teksten om te overdenken: Stil worden / Böhmes grondervaring en basisvisie / De essentie, grenzen van ons bewustzijn en bestaan, paradijs / De essentie ruimte geven om naar buiten te laten komen / Pascal en Borges (zie verder naar onder)
2. Het zien van God; wat is wijsheid?

0. Dankwoord
Allereerst wil ik enkele personen bedanken in verband met de totstandkoming van deze vertaling.
• Mijn vrouw Nel, onze dochter Heleen en onze zoon Hermen, mijn neef en naamgenoot Boudewijn Koole, onze vrienden Hans en Ank Bienefelt en alle andere vrienden – aanwezig en niet aanwezig – voor jullie vriendschap en steun gedurende een lange periode.
• De heer Peter Huijs en mevrouw Maartje Letema en hun collega’s van de Rozekruis Pers voor de prettige communicatie, en voor de bijzonder zorgvuldige productie en presentatie van het samenvattende geschrift van Jacob Böhme, zijn Theoscopia, in een werkelijk prachtige uitgave, als eerste helft van dit uitgeefproject dat komend voorjaar zal worden afgesloten met de pendant van deze uitgave, het boek over Böhmes visie op de eenheid en de processen van alle tegendelen, en daarmee op de samenhang van eenvoud en diepgang in het bestaan van God, mens en kosmos.
• De familie Ritman en alle medewerkers van de Embassy of the Free Mind onder aanvoering van directeur Esther Ritman voor hun gastvrijheid en diepgaande interesse in het doorgeven van Jacob Böhmes erfenis, nu ook zichtbaar in de werkelijk unieke tentoonstelling die dadelijk op ons wacht, én ook in dit uitgeefproject.
• Anthony Giesbergen en Monique Held van Hello Radio Spirituality – interview Boudewijn Koole.

1. Teksten om te overdenken
De volgende teksten schetsen een deels thematisch beeld van waar het Böhme om gaat, inclusief een aantal historische en culturele parallellen.
1.1 Stil worden

1.1.1 Etty Hillesum over stil worden 10 juni 1941
“Niet denken, maar luisteren naar wat er binnen in je is.
Wanneer je dat ’s morgens, voor je aan het werk gaat, een poosje doet, dan geeft dat een rust, die de hele dag doorstraalt.
Eigenlijk hoor je de dag zo te beginnen: tot alle flarden van gepieker en gedachtetjes eerst zijn weggevaagd uit je hoofd.
Zoals je ’s morgens stof en spinrag uit de kamer veegt, zo hoor je ook jezelf ’s morgens innerlijk schoon te maken.
En dan kun je pas beginnen met je werk.”
1.1.2 Jacob Böhme over stil worden in zijn Theoscopia
“Hs II
16. Christus zei (Ev.Joh. 15:5): “Zonder mij kunnen jullie niets doen.” Geen mens kan uit eigen vermogen in de hoogste grond komen, tenzij dat hij zijn meest innerlijke grond van het eerste principe, volgens het afgebeeld zijn van het leven, laat verzinken in de genade van God die [hem] is ingelijfd, en volgens dezelfde grond in hoop op God stil staat [en afziet] van zijn eigen willen en zich met het willen helemaal aan GOD overgeeft, in die mate dat zijn willen volgens die grond niet meer spreken wil zonder wat God door deze grond spreekt en wil  dan heeft hij het hoogste doel bereikt.
17. Wanneer het mogelijk is dat hij een uur of minder van zijn innerlijk zelf-willen en spreken [afziet en] stil staat, dan zal het goddelijke willen in [en tot] hem spreken; en door dat inspreken neemt Gods wil zijn wil in zich op, en spreekt in op het gevormde, natuurlijke, essentiële, uiterlijke verstandsleven, en verplettert en verlicht de aardse vorming van de verstandswil, zodat op die wijze het bovenzinnelijke goddelijke leven en willen in het verstandelijke willen opbloeit en er het centrum van wordt.
18. Want zo weinig als het eigen willen van het leven in de zelfheid en in [de] van Gods wil afgewende wil in de natuur een ogenblik af zou willen zien van zijn werking, tenzij het zich buiten alle natuur zou laten zinken: zo weinig kan ook het goddelijke spreken in het leven dat zich op de grond verlaat, afzien van zijn werking.
19. Want wanneer het leven van zijn eigenwil afziet, dan staat het in de afgrond van de natuur en de creatuur, in het eeuwige uitspreken Gods, dan spreekt God daarin.
20. Want van het spreken van God is het leven uitgegaan en in een lichaam gekomen, en het is niets anders dan de in vormen afgebeelde wil van God: wanneer nu het op zichzelf gerichte zelf-vormen en willen ophoudt, dan komt het goddelijke vormen en willen op. Want wat willoos is, dat is één ding met het niets, en is buiten alle natuur, en die ongrond is God zelf.
21. Omdat derhalve de ongrond, te weten God, een eeuwig spreken is, als een uitademen van zichzelf, wordt de ongrond ook het gelaten leven ingesproken. Want het ademen van de ongrond spreekt door de stilstaande grond van het leven. Want het leven is uit het goddelijke ademen ontstaan en is een gelijkenis van goddelijk ademen, daarom vangt de ene gelijkenis de andere, zoals we dat aan de zintuigen van het leven begrijpen, die ook zo’n naar buiten treden van het ademen van het innerlijk zijn, zoals het innerlijk een naar buiten treden en tegenoverstelling van het goddelijke innerlijk van de goddelijke kennis is.

Hs III
19. Want de Geestelijke wereld van het vuur, [het] licht en [de] duisternis, staat verborgen in de zichtbare wereld van de Elementen en is werkzaam door de zichtbare wereld heen, en wordt door de onderscheidmaker met zijn uitstroming in alle dingen gevormd volgens aard en eigenschap van ieder ding apart. Zoals ieder ding één aard en eigenschap heeft, ontvangt het een zodanige eigenschap ook van de onderscheidmaker van de innerlijke Geestelijke kracht. Niet om zelf greep te krijgen of tot eigen macht ontvangt het zichtbare wezen het onzichtbare, opdat het uiterlijke daardoor in het innerlijke [van het zelf of de eigen macht] veranderd zou worden, nee, zo is het niet: de innerlijke kracht vormt zich alleen op die wijze zoals wij het aan de krachten van planten, bomen en metalen begrijpen, namelijk opdat de uiterlijke geest daarvan slechts een werktuig van de innerlijke geest, te weten van de innerlijke krachten zou zijn, waardoor zich de innerlijke kracht in de uiterlijke geest vorm geeft.
(48) … Want waar de krachten niet in de eenheid van een wil verzameld zijn, daar is de wil gescheiden en is er geen grote kracht aan dat ding toe te kennen. Iets om de aandacht van de medici op te vestigen, dat zij niet op de grofmateriële geest van de sterke geur moeten afgaan en die voor juiste balsem houden, hoewel hij wel daarin aanwezig is, want dan is de tinctuur daarin zeer bewegelijk en actief.
49. De geesten, van de sterke kracht in de geur, moeten in het temperament gebracht worden, namelijk in de eenheid, en niet [zomaar] wegvliegen. Omdat men op die wijze met het zout, namelijk met de scherpte van het vuur, wil genezen, en de patiënt de ziel van het middel zonder geest ingeeft.”

1.2 Böhmes grondervaring en visie

1.2.1 Aurora 19: grondervaring
“(…)
3. De mensen hebben ooit en overal gemeend dat de hemel vele honderden of duizenden mijlen van deze aardbodem vandaan zou zijn en dat God alleen in deze hemel zou wonen; ook hebben ettelijke natuurkundigen een poging gewaagd, deze hoogte te meten, en zeer zonderlinge dingen voortgebracht.
4. Weliswaar heb ik vóór ik dit inzicht en deze openbaring Gods had ontvangen, het er zelf op gehouden dat alleen dát de echte hemel zou zijn die zich met een ronde boog heel lichtblauw over de sterren heen welft, in de mening dat God alleen daarbinnen zijn afzonderlijke wezen zou hebben, en in deze wereld slechts alleen door de kracht van zijn Heilige Geest zou regeren.
5. Aangezien dit mij echter ja menige harde stoot gegeven heeft – zonder twijfel vanwege de Geest, die daar genoegen in mij heeft gehad – ben ik uiteindelijk in een heel diepe melancholie en treu-righeid geraakt, toen ik aanschouwde de grote diepte van deze wereld, daarbij de zon en sterren, zowel als de wolken, daarbij regen en sneeuw, en in mijn geest de hele schepping dezer wereld beschouwde.
6. Waarin ik vervolgens in alle dingen kwaad en goed vond, liefde en toorn; in de onredelijke schepselen, als in hout, steen, aarde en elementen, zowel als in mensen en dieren.
7. Bovendien beschouwde ik het kleine vonkje van de mens, wat hij toch tegenover dit grote werk van hemel en aarde voor God voor achting zou mogen hebben.
8. Omdat ik echter bevond dat in alle dingen kwaad en goed was, in de elementen zowel als in de schepselen, en dat het in deze wereld de goddeloze even goed ging als de vrome, ook dat de barbaarse volkeren de beste landen in bezit hadden en dat het geluk hun nog wel gunstiger gezind was dan de vromen;
9. Werd ik daarom heel melancholiek en hoog bedroefd en kon mij geen Schrift troosten hoewel deze mij toch goed bekend was: waarbij de duivel dan zeker geen vrijaf genomen zal hebben, welke mij toen vaak heidense gedachten inblies die ik hier wil verzwijgen.
10. Toen zich echter in deze jammerlijke toestand mijn geest (waarvan ik weinig en niets verstond wat hij was) ernstig in God verhief als met een grote storm, en mijn hele hart en gemoed samen met alle andere gedachten en wilsstrevingen zich allemaal daarbij insloot, om zonder ophouden met de liefde en barmhartigheid Gods te worstelen en niet op te houden vóór Hij mij zegenen zou – dat is: Hij mij met zijn Heilige Geest zou verlichten opdat ik zijn wil zou verstaan en van mijn treurigheid bevrijd zou worden –; tóen brak de Geest door.
11. Toen ik echter in mijn ontbrande ijver zo hard tegen God en de poorten van alle hellen aanstormde alsof ik nog meer krachten zou hebben, met de wil om het leven op het spel te zetten (wat overigens niet in mijn vermogen gelegen zou hebben zonder de bijstand van Gods Geest), toen is na ettelijke stormen mijn geest spoedig door de poorten van de hellen heen gebroken tot in het diepste innerlijk van de Godheid en daar met liefde omvat zoals een bruidegom zijn lieve bruid omarmt.
12. Wat voor een triomferen er echter in de geest geweest is, kan ik niet schrijven of zeggen: het laat zich ook met niets vergelijken als alleen daarmee waar midden in de dood het leven geboren wordt, en is te vergelijken met de opstanding uit de doden.
13. In dit licht heeft mijn geest spoedig door alles heen gezien en aan alle schepselen, ook aan kruid en gras, God gekend, wie hij is en hoe hij is en wat zijn wil is: evenzo is spoedig in dit licht mijn wil gegroeid met een grote aandrift om het wezen Gods te beschrijven.
(…)
17. Van dit licht heb ik nu mijn inzicht benevens mijn wil en aandrift; …
(…)
23. Merk nu op: Wanneer je je gedachten over de hemel neemt, wat hij is of waar hij is of hoe hij is, dan mag je je gedachten niet vele duizenden mijlen hiervandaan werpen: want die plaats of hemel is niet jouw hemel. En hoewel hij met jouw hemel verbonden is als één lichaam – en er is ook maar één lichaam van God – ben je toch niet op die plaats die vele honderdduizenden mijlen hoog is, tot schepsel geworden; maar in de hemel van deze wereld, die óók zo’n diepte in zich heeft dat geen menselijk getal haar kan weergeven.
24. Want de echte hemel is overal, ook op de plaats waar jij staat en gaat: Wanneer je geest het diepste innerlijk van God aangrijpt, en door de sterren en de vleselijke lichamen heen dringt, dan is hij al in de hemel.
25. Dat het echter waarachtig is dat er een zuivere, schone hemel in alle drie de zijnsbereiken boven de diepte van deze wereld is, waarin Gods Wezen samen met de Heilige Engelen heel zuiver, mooi en vreugdevol opengaat, dat is niet te loochenen en diegene die dat ontkende, zou niet uit God geboren zijn.
26. Je moet echter weten dat de plaats van deze wereld met zijn diepste innerlijk met de hemel boven ons in verbinding staat, en één hart, één wezen, één wil, één God, alles in alles is.” (…)”

1.2.2 Aurora 9: besef van wat hij, Jacob Böhme, kan toevoegen
“…
8. Wat is nog verborgen? De juiste leer van Christus? Nee maar de FILOSOFIE en de diepe grond van God, de hemelse zaligheid, de openbaring van de schepping van de engelen, de openbaring van de gruwelijke val van de duivel, waar het kwaad uit voortkomt, de schepping van deze wereld, de diepe grond en geheimenis van de mens en van alle schepselen in deze wereld, het laatste oordeel, en de verandering van deze wereld, het geheim van de opstanding van de doden en van het eeuwige leven.
9. Dit zal in de diepte in grote eenvoud duidelijk worden. Waarom niet in de hoogte, in de kunde? Opdat zich niemand er op zou beroemen dat hij het gedaan heeft, en opdat de hoogmoed van de duivel hiermee aan het licht gebracht en teniet gedaan zou worden. Waarom doet God dat? Uit zijn grote liefde en barmhartigheid jegens alle volkeren en om hiermee aan te duiden dat nu de tijd van de terugbrenging is aangebroken van dat wat verloren is, zodat de mensen de volkomenheid zullen zien en genieten, en zullen verwijlen in de zuivere, lichte en diepe kennis van God.
10. Daarom zal daaraan vooraf een morgenrood opgaan waardoor men de dag zal kunnen kiezen en opmerken. Wie nu wil slapen, die slape maar altijd door, en wie er wil waken en zijn lampen versieren, die wake maar altijd door. Zie de bruidegom komt, wie nu waakt en zich versierd heeft, die gaat recht de hemelse bruiloft in: maar wie slaapt wanneer hij komt, die slaapt altijd en eeuwig in de duistere kerker van de toorn.
11. Daarom wil ik de lezer getrouw gewaarschuwd hebben, dat hij dit boek vlijtig leze en zich niet aan de eenvoud van de auteur ergere, want God acht niet het hoge want alleen HIJ is hoog maar hij ziet hoe hij de nederige moet helpen. Wanneer het zo ver met je komt dat je de geest en idee van de auteur begrijpt dan zul je geen aansporing meer nodig hebben, maar zul je je in dit licht verheugen en vrolijk zijn en je ziel zal daarin lachen en zich hoog verheffen.
…”

1.3 De essentie, grenzen van ons bewustzijn en bestaan, paradijs

1.3.1 Joodse boeken: Job, Zacharia
1.3.1.1 Job 42:3b; Job reageert op een uitgebreide lofzang op de wonderen van de werkelijkheid

“Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip,
over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.”

1.3.1.2 Zacharia 4:6b; uit een profetie over het herstel van de tempel door een uit de ballingschap teruggekeerde groep onder leiding van Zerubbabel: forceren op basis van individueel inzicht is niet de methode, maar aansluiten bij wat vanuit het geheel gezien nodig is, en dat reikt verder dan beperkte redenatie. De profeet spreekt namens “JHWH van de hemelse machten”.

“Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen, maar met de hulp van mijn geest.”

1.3.2 Daodejing 52 van Lao Zi (samengevat); in de Daodejing – “het grote boek [jing] van de oorsprongsweg [dao] en de levende energie of deugd [de]” – wordt aangeduid wat dieper is dan in woorden beschreven kan worden, en toch elementair is voor al het ervaarbare; in dit hoofdstuk doelen de ‘openingen’ op de kanalen van contact tussen binnen- en buitenwereld van de mens)

“De onzichtbare oorsprong (dao) van de verschijnselen is als hun moeder. Moeder en kinderen verwijzen naar elkaar. Door voeling te houden met hun moeder vermijden we levenslang het gevaar. Dicht de openingen dan raak je niet uitgeput; door ze te openen en in bedrijvigheid te vervallen, red je het niet. Het vermogen om het kleine te zien, is helder inzicht; voeling houden met het zachte, betekent sterkte. Zijn uiterlijke licht gebruikend gaat men terug naar die innerlijke helderheid. Dan vermijdt men onheil. Dit heet het beoefenen van bestendigheid.”

1.3.3 Paradijs
1.3.3.1 Paradijs aan het kruis (Evangelie naar Lukas 23:32-43)

“Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden. Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat ze doen.’ De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’ Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’ Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat?’ Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’”

1.3.3.2 Hulp aan behoeftigen (Evangelie naar Matteüs 25:31-40)

“Als de Mensenzoon komt, zal het zo gaan: Hij komt met alle engelen uit de hemel. En hij zal als koning op zijn troon gaan zitten. Dan worden alle mensen uit de wereld bij hem gebracht. Hij zal de mensen verdelen in twee groepen. Net zoals een herder zijn schapen verdeelt in schapen en bokken. De Mensenzoon zet de ene groep mensen aan zijn rechterkant en de andere groep mensen aan zijn linkerkant. Dan zal de Mensenzoon tegen de mensen aan zijn rechterkant zeggen: ‘Kom, de nieuwe wereld is voor jullie. Want mijn Vader heeft het echte geluk voor jullie bestemd, zoals al de bedoeling was vanaf de schepping. Want toen ik honger had, gaven jullie mij te eten. Toen ik dorst had, gaven jullie mij te drinken. Toen ik een vreemdeling was, namen jullie mij in huis. Toen ik naakt was, gaven jullie mij kleren. Toen ik ziek was, zochten jullie mij op. Toen ik gevangen was, kwamen jullie naar mij toe.’ Dan zullen die goede mensen zeggen: ‘Maar Heer, wanneer is dat gebeurd? Wanneer had u honger en gaven we u te eten? Wanneer had u dorst en gaven we u te drinken? Wanneer was u een vreemdeling en namen wij u in huis? Wanneer was u naakt en gaven we u kleren? Wanneer was u ziek of gevangen, en kwamen we naar u toe?’ Dan zal de Mensenzoon tegen hen zeggen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Elke keer dat jullie iets goeds deden voor een van de onaanzienlijksten van mijn broers of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.’ ”

1.3.3.3 Kind worden (Evangelie naar Matteüs 18:1-5)

“Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de belangrijkste in het koninkrijk van de hemel?’ Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer en zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: als je niet verandert en wordt als een kind, kun je de nieuwe wereld niet binnengaan. Je moet jezelf net zo onbelangrijk maken als dit kind. Dan zul je de belangrijkste zijn in het koninkrijk van de hemel. De mensen die in mij geloven zijn net zoals kinderen. Iedereen die hen met open armen ontvangt, die ontvangt mij.’ ”

1.3.3.4 Edele pareltje (Böhme, Myst.Magn. 26:40)

“En hierin schuilt het edele pareltje: Lieve broeders in de strijd, als jullie het zouden weten, zouden jullie met de strijd ophouden, en het verstand een dwazin noemen. Geen eigen onderzoekingen grijpen het, maar de wil die zich vrij heeft overgegeven in Gods erbarmen, die door de weg van de ernstige boetedoening en afsterven van zijn eigen kwade wil binnengaat, die valt in Gods erbarmen, die wordt gegrepen; en buiten dit is er louter rennen, lopen en willen, en kan er toch niets gegrepen worden behalve in de gelaten wil, in Gods erbarmen.”

1.4 De essentie ruimte geven om naar buiten te komen (Böhme, Theoscopia of de allervoortreffelijkste poort van het zien van God of de goddelijke verlichting, III:19)

“Want de Geestelijke wereld van het vuur, [het] licht en [de] duisternis, staat verborgen in de zichtbare wereld van de elementen en is werkzaam door de zichtbare wereld heen, en wordt door de onderscheidmaker* met zijn uitstroming in alle dingen gevormd volgens aard en eigenschap van ieder ding apart. Zoals ieder ding één aard en eigenschap heeft, ontvangt het een zodanige eigenschap ook van de onderscheidmaker van de innerlijke Geestelijke kracht. Niet om zelf greep te krijgen of tot eigen macht ontvangt het zichtbare wezen het onzichtbare, opdat het uiterlijke daardoor in het innerlijke [van het zelf of de eigen macht] veranderd zou worden, nee, zo is het niet: de innerlijke kracht vormt zich alleen op die wijze zoals wij het aan de krachten van planten, bomen en metalen begrijpen, namelijk opdat de uiterlijke geest daarvan slechts een werktuig van de innerlijke geest, te weten van de innerlijke krachten zou zijn, waardoor zich de innerlijke kracht in de uiterlijke geest vorm geeft.
* Of: splitser (de bewerker van het uiteengaan van wezens/ dingen en hun eigenschappen in afzonderlijke of tegengestelde nieuwe trajecten en processen)

(Als niets (de ongrond) tot iets (of grond) wordt, herkennen we daarin de wil tot zelfopenbaring die het andere [dan het zelf van die wil] nodig heeft om zich te ervaren; in de zo gevormde spiegel van zichzelf ervaart het zelf zich als de wijsheid; als die wil slechts met zichzelf rekening houdt, scheidt zij zich (teveel) af maar als zij terugbuigt naar de eenheid met de oorspronkelijke wil, vindt zij die in het opgaan in God, die oorsprong en doel is van alles. Alle processen weerspiegelen [als ‘uiterlijke’ processen] behalve elkaar tegelijk innerlijke ervaringen. De hoogste ‘taal’ lijkt bij Böhme die van de engelenkoren, wier reien en lofzangen hij vaak noemde als in beginsel nooit eindigende, altijd wisselende beelden van de hoogste harmonie en schoonheid in alzijdig ontvangen en dito activiteit. De eenheid van alle tegenstellingen wordt hersteld als de (afgezonderde) ‘eigenwil’ wordt opgegeven ten gunste van de instemming (wil) met de op harmonie gerichte alomvattende goddelijke wil, waarin de afzondering haar positieve tegendeel én voltooiing vindt. De vetgedrukte tekst is een directe parallel van het ‘vanzelf zo zijn’ van het daoïsme van onder meer Lao Zi.)

1.5 Pascal en Borges
1.5.1 Blaise Pascal

“Het hart heeft zijn redenen, die het verstand niet kent.”

1.5.2 Jorge Luis Borges: gedicht ‘Wolken’

Wolken

“Er is wellicht geen ding dat niet een wolk is.
Wolken zijn de kathedralen van lijvig steen en bijbelse ramen
Die de tijd slechten zal.
Wolk is de Odyssee, die telkens als we haar openslaan verandert als de zee.
De weerglans van je gezicht is al anders in de spiegel
En de dag is een twijfelachtig labyrint.
Wij zijn die gaan.
De welgevormde wolk die oplost in het avondrood is ons beeld.
Onophoudelijk gaat de roos over in een andere roos.
Je bent wolk, zee, vergetelheid.
Je bent ook wat je hebt verloren.”

2 Het zien van God; wat is wijsheid?
Wie God ‘ziet’, ziet ‘als’ God: “Theoscopia oder von Göttlicher Beschauligkeit”. Zien als God impliceert één worden met God. ‘Een’ worden van en met het proces dat alle processen omvat. Waarin elk einde een nieuw begin is, elk sterven het begin van een nieuw leven. Dat samen met alle levens het hoogste, goddelijke leven is, de goddelijke werkelijkheid waaraan wij op alle niveaus deel hebben, onbewust en bewust, waar ons begin, onze weg en ons einde samenvallen, inclusief ons sterven. Waarbij wij ons laten leiden door de alomvattende Wijsheid (ook Geest van God en Heilige Geest genoemd) die mede schiep en mede terugvoert. Waarbij ons beperkte, afgescheiden ik weer opgaat in en gedragen wordt door de volheid van God en daarmee harmonieert in een alomvattende, oneindige vreugdezang. ‘Een’ door alle tegenstellingen heen, zelfs de moeilijkste, de grootste, de meest onpeilbare.
Onze spirituele groei kenmerkt zich door achtereenvolgende vereenzelvigingen. Na de symbiose met onze moeders die ons droegen, onze vaders die ons verwekten, met de wereld die bepalend werd voor ons opgroeien en onze vorming, nemen we steeds meer een eigen identiteit aan en onderscheiden ons daarmee van anderen. Böhme zag een vergelijkbaar proces bij alle afzonderlijke verschijnselen. Zij komen voort uit ‘Een’ door afsplitsing. De zelfbewustwording van ‘Een’ door en in het vele dat zichzelf identiteiten toekent en daarin opgaat, wordt gespiegeld op alle volgende niveaus, in alle volgende verschijningsvormen. Wanneer wij spiritueel vast zitten, is de oorzaak vaak het verabsoluteren van een bepaalde identiteit, anders gezegd dat een bepaald individu of individueel verschijnsel zich geheel identificeert met een bepaalde vorm of rol. Ook onze religieuze beelden en voorstellingen, inclusief onze godsvoorstellingen, zijn onderdelen van dit proces. Dat wij in de Abrahamitische godsdiensten de gewoonte aangenomen hebben om ‘God’ als uniek en transcendent voor te stellen, kan daarom in bepaalde situaties en opzichten een valkuil worden. Namelijk wanneer we vergeten dat ook ‘God’ zijn verschijningsvormen en geschiedenis heeft. Zodoende is gezocht naar andere woorden die echter alle het risico dragen eenzelfde valkuil te worden (grond, ongrond enzovoort). Zo kunnen we leren dat woorden altijd hun beperking hebben, zelfs de meest omvattende, al was het alleen al omdat ook woorden en talen in oneindige verschijningsvormen voorkomen, soms tot verdriet soms tot vreugde.
Böhme besefte dat spirituele ontwikkeling uiteindelijk samenvalt met het loslaten van onze zelfgekozen (dat is op basis van “eigen wil” gekozen) identificaties en het terugkeren in de harmonie van ‘Een’. Die hij gerust ook de Wijsheid en de goddelijke harmonie durft noemen. Böhme was zich bewust dat elke taal tekort schiet in het volledig omschrijven van het geheim van ons bestaan, het bestaan van de kosmos en de toekomst ervan. Hij wist dat dit geheim om telkens nieuw spreken vraagt en zal vragen. Waarbij we onze vorige identificaties loslaten op weg naar nieuwe. En op weg naar ‘Een’. Zij het dat ‘Een’ daarbij niet het definitieve woord is voor een vaststaand en objectief te omschrijven iets maar voor datgene dat alles omvat (zoals alles uit ‘Een’ voortkomt, zal alles in ‘Een’ bestaan en uiteindelijk ook in ‘Een’ opgaan): verleden en toekomst, begin en einde, tijd en eeuwigheid, leven en dood. Het nieuwe zal niet gelijk zijn aan het oude maar wat er is, zal altijd ‘Een’ zijn als actuele expressie van ‘Een’ waarin alle vroegere en toekomstige expressies begrepen zijn. Hoe die toekomstige expressies er uit zullen zien, weten wij niet bij voorbaat precies. Wel dat zij alomvattend zullen blijven, zoals wij en andere verschijnselen nu al onderdeel uitmaken van de processen erheen. Dat maken we ook bewust mee in de mate waarin we onszelf los durven laten en in durven spelen op wat past bij de harmonie ervan, op het goede, het schone, het ware – al schieten woorden hierbij altijd te kort zover ze willen vastleggen; wanneer we ons verzetten, kan de pijn groter worden en het bewustzijn van het geheel minder. Wie ‘Een’ heeft ervaren, durft zich er aan over te geven, en vindt dan nieuwe vormen en taal. Het begraven van de vorige, de ‘doden’ die nog in hun identificaties vastgeketend zijn, mag overgelaten worden aan henzelf.
Ieder wezen mag kind van de Wijsheid zijn, ontvangt zichzelf en alles en geeft die geschenken spelend en medescheppend door – mag onbevangen meedoen in het grote spel van het systeem in verandering. Dat kunnen wij alleen samen met allen en alles.
Wij zijn die wij zijn slechts samen met alles en allen, ook zover wij die niet kennen en ook zover anderen ons niet kennen. Het zien van God maakt onderdeel uit van dat rekening houden met elkaar en omgekeerd. Om met de Talmoedgeleerde en Westers filosoof Emmanuel Lévinas te spreken: de diepste werkelijkheid zien wij in het gelaat van de ander, de lijdende en de gemeenschap zoekende. Zodat dat zien één grote heelmaking, ontmoeting en feest kan worden, als wij onze ontvankelijkheid en onze verantwoordelijkheid combineren. Want de werkelijke heelheid of totaliteit ligt niet in dwang maar in vrije solidariteit en liefde.
Zonder dat we ook maar een moment hoeven te doen of dat proces van zijn en kennen ooit zal stoppen. Maar het betekent wel het opgeven van onze voorrang voor het kleine berekenende denken boven het wijze alomvattende bewustzijn dat liefde omvat. Zonder zijn partner Vrouwe Sophia was en is ook God de Vader slechts eenzaam. Leren kinderen van Sophia te worden wens ik u/ jullie en alle levende wezens toe. Böhme sprak over die toestand van heelheid vaak in termen van hoorbare en zichtbare harmonieën en dansen, wel wetend dat zij slechts betekenis krijgen doordat we van hun tegendelen weten, en omgekeerd; van alle die we kennen en alle die we nog niet kennen.
Böhmes oog voor de wereld was dan ook tevens een oog voor de kosmos en voor God en Sophia, in wellicht nog inclusievere zin dan wij soms beseffen. Alle verschijnselen, al hun veranderingsprocessen, al hun onderlinge relaties, alle wezens in hun ontstaan en vergaan, zijn enerzijds zichzelf en anderzijds tegelijk altijd verbonden met alle andere.

De lessen van Jezus (een samenvatting van spreukenbron Q1), met enkele historische aantekeningen

DE LESSEN VAN JEZUS *

‘Luister wat ik jullie te zeggen heb.
Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.
Leven omvat de dood; beperkingen en tegenslagen onder ogen zien
is een mogelijkheid voor het ware leven. Onverwacht of voorbereid
kunnen we in vreemde of zelfs de moeilijkste omstandigheden terecht komen.
Zie de werkelijkheid zonder vluchten recht in de ogen en breng haar tot bloei.
Oordeel en veroordeel niet, anderen noch jezelf. Niemands geheimen blijven verborgen.
Leer liever jezelf goed kennen en ga heilzaam met jezelf en de wereld om.
Spirituele kwaliteit blijkt pas uit de vruchten van iemands gedrag.
Niet wie zichzelf prijst maar wie voorkomend en heilzaam handelt, zal geprezen worden.
Materiële zekerheid heb ik niet en bied ik niet,
maar als je naar mijn woorden luistert en er naar handelt,
zal dat het rotsvaste fundament van jullie leven blijken.
Weet je helemaal vrij van je afkomst en je sociale omgeving en wees vrij van vooroordelen.
Stel de onvoorwaardelijke liefde en solidariteit voorop die jullie hebben leren kennen;
mededogen gaat verder dan zelfredzaamheid.
Zelfhandhaving en het bewaken van eigen lijf en goed
zijn te bekrompen voor het delende, echte leven van kinderen van de Allerhoogste.
Denk je de situatie van de ander in en kom je vijanden niet minder tegemoet dan je naasten,
beantwoordt zelfs de kwaadste bedoelingen met goede wensen, voorbeden en goedheid.
Vraag niet terug als je iets aan iemand leent.
Laat jullie leven radicaal ontwaken en veranderen vanuit jullie vertrouwen
in onze hemelse Vader, bij wie jullie veilig en geborgen zijn.
Richt je op de werking van onze Vader in jullie binnenste
en vertrouw op de geest van innerlijke vrijheid en solidariteit die jullie voor altijd hebben ontvangen.
Kun je soms beslissen op te houden met ademhalen? Wat is het dan dat door jou ademt?
Verbreid welwillende liefde zonder onderscheid, breng het hemelse koninkrijk mee aan het licht,
vertel aan allen die er van willen horen dat het hun heeft bereikt!
Haal deze grote oogst binnen al zijn jullie onschuldige lammeren onder de wolven.
Neem onderweg niets extra’s mee. Aanvaard de gewone gastvrijheid en voorzieningen
maar zonder er misbruik van te maken. Genees de zieken.
Wie het koninkrijk aannemen horen er bij en delen erin,
maar zeg tegen wie het verwerpen dat het niettemin voor de deur staat.
Durf voluit jouw droom te leven en jouw licht te laten schijnen:
wat je ervaren hebt, wat je ontvangen hebt, wat je beweegt en wat je kunt doorgeven.
Laat anderen voluit delen in je gaven en houd het vuur van je inspiratie brandend.
Wees niet bang voor het oordeel en de macht van anderen en spreek vrijuit.
Als je jouw en andermans problemen niet ontkent maar aandacht geeft,
hoef je je niet andermans visie op te laten dringen op wat voor jou realistisch is.
Wat brengt grotere vreugde dan je ware krachtbron vinden,
je vreugde delen en iemands nood verlichten?
De vrede van het koninkrijk begint met ontvankelijkheid, moed en inzicht,
met het loslaten van iedere innerlijke tweespalt in jezelf en met je omgeving.
Een verlichte, vriendelijke geest blijkt uit onvoorwaardelijke vrijheid en solidariteit hier en nu.
Zit niet vast aan verborgen belangen en schijnzekerheden.
Maak je geen zorgen over je bestaan en je uiterlijke levensbehoeften
– waar de mensen van de huidige wereld altijd maar voor in de weer zijn.
Met zorgen maken voeg je aan je leven niets toe.
Zelfs over wat je rechtmatig toekomt, moet je je niet onnodig druk maken.
Richt je liever op de schat die niet vergaat, het koninkrijk dat ik jullie onthul.
Laat alle angst en eigendunk varen. Kijk hoe een vogel en een bloem leven!
En jullie zijn nota bene kinderen van onze Vader tot wie jullie altijd toegang hebben!
Verkoop je rijkdommen en geef giften aan wie het nodig hebben.
Het koninkrijk Gods zal jullie deel zijn en jullie zullen het zien groeien:
een helder oog vol licht; vertrouwen, liefde en verbondenheid;
jullie ware bestemming en die van de wereld;
éénheid met onze Vader en zijn koninkrijk, het eeuwige leven hier en nu.
Wie mij wil volgen geeft aan dit koninkrijk radicaal voorrang
boven alle gehechtheden, zaken, banden met de familie waaruit hij of zij voortkomt en zogenaamde verplichtingen.
Laat de doden hun doden begraven en word helemaal vrij,
dan kun je ongehinderd deelnemen aan het grote feestmaal.
Wees bereid je leven te verliezen – dan zul je het winnen,
en een krachtig zout voor de wereld blijven.
Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.’

* Een nieuwe verwoording en uitleg (voorlopige versie) naar de waarschijnlijk oudste schriftelijke bron (Q1) van de evangelies naar Matteüs en Lukas. Ik maakte deze verwoording tijdens de voorbereiding van mijn boek Wat Jezus werkelijk zei, als hulpmiddel om Jezus’ boodschap volgens Q1 (zie het genoemde boek voor verdere uitleg; het gebruikt ook uitgebreidere en meer bronnen!) beter te begrijpen. Het is dus niet per se mijn actuele samenvatting van Jezus’ boodschap, waarvoor ik in het genoemde boek de betrouwbaarste historische bronnen probeer aan te geven; en die een niet minder intrigerende boodschap opleveren.
Aanvullend bij dat boek merk ik graag op:
(1) Jezus wordt in alle bronnen over hem van de eerste eeuw zonder meer beschreven en geciteerd als heelmeester/ ‘healer’ in de spirituele en in de sociale betekenis daarvan (medisch was zo anders in die tijd dan nu, dat we hem moeilijk ‘dokter’ kunnen noemen, ‘geneesheer’ zeker wel maar dan met nadruk op de innerlijke verandering al ging daar vaak een uiterlijke ofwel lichamelijke mee gepaard). In onze tijd onderscheiden wij (ik ook, zij het zonder de belangrijke raakvlakken weg te poetsen) lichamelijke en geestelijke genezing, dat werd in die tijd, net als in minder ‘wetenschappelijke’ en ‘modern-westerse’ omgevingen, niet zo onderscheiden of zelfs gescheiden als tegenwoordig!
(2) Jezus wordt in alle bronnen geschetst als iemand die afstand nam van economische, sociale en politieke onderdrukking en onvrijheid: Jezus nam afstand van allen die op een bepaald terrein de machthebbers of aanvoerders waren, als zij dat deden ten koste van gewone mensen; de regels die zij daarvoor hanteerden, draaide hij daartoe zo nodig om.
(3) Jezus hanteerde ook continuïteit met de traditie als bouwsteen voor zijn bevrijdende heelmakingswerk, maar in vrijheid om mensen – en waar nodig ook die tradities – nog ‘heler’ en ‘helender’ te maken.
(4) Jezus ging voor dit koninkrijk van heelheid en dit hield in dat er niemand in dit koninkrijk hoger was dan een ander, zelfs niet dan een kind dat onschuldig en ontvankelijk is. Die is het ‘hoogste’, en op die manier dient ieder de ander, en dienen samen allen.
(5) Vergelijk de eerste opmerking: de moderne suggestie dat het leven ten diepste slechts wetenschappelijk te kennen zou zijn, is even magisch als de magie die men met deze opvatting zou willen bestrijden. Ieder moment van ons bestaan en van elk bestaan is hoogst wonderlijk, hoogst ‘magisch’, waarmee ik zeg dat het rationeel herkennen van patronen in de werkelijkheid die wonderlijkheid van het bestaan nooit volledig weg kunnen poetsen. Het is dus belangrijk ons voortdurend af te stemmen op elkaar en onze hele omgeving (vice versa). Althans zolang wij daartoe in de gelegenheid zijn: iets om te bevorderen! (…)
(6) Uit alle onderzoeken die ik tot nu toe verricht heb, kan ik niet anders concluderen dan dat Jezus nooit zo iets als de kerkelijke traditie op het oog heeft gehad. Alleen punt 4 toont dit al met zekerheid aan, tenminste als je ‘kerkelijke traditie’ opvat als een sociaal gebeuren (hiërarchie van functies die personen uit elkaar haalt) in strijd met het belangrijkst zijn van ‘de minsten’. Bij dat ideaal past geen organisatiestructuur voor de lange termijn, slechts permanente zorg voor elkaar zonder daaruit functionele laat staan persoonlijke voorrechten af te leiden; bij dat ideaal past wel dat tijdelijk ieder de functie uitoefent die het beste bij het dienen past, zij het altijd onder voorwaarde van het ‘kind worden en blijven’ in geestelijke zin (dit kan heel goed betekenen ‘terugkeer naar innerlijke openheid, ontvankelijkheid en ongereptheid’).
Uit dit alles kan de conclusie getrokken worden dat noch een bepaalde kerkelijke hiërarchie noch een bij die bepaalde traditie passende en daarin vastgestelde, meer uitgewerkte kerkelijke grondwet of bijpassende theologie ooit door Jezus bedoeld zou zijn (zo werd bijvoorbeeld ook de bijbel samengesteld, wat gemakkelijk te zien is aan de manier waarop iedere groep of traditie er haar eigen bijbel op na houdt, wat vaak ook betekende dat de belangen van bepaalde sociale groepen meer of minder in zicht komen; en tevens dat de uitleg aan bepaalde groepen wordt voorbehouden). Ook kan de conclusie getrokken worden dat de sociale en politieke stellingname van Jezus eenzelfde radicaliteit vertoonde, en dat de volgelingen van Jezus niet op overleven op de langere termijn gericht waren behoudens dat het ideaal ieder moment opnieuw gerealiseerd kon worden, en geen aanpassing aan de heersende machten inhield zover die haaks stond op het ideaal. Al vrij snel na Jezus’dood bewandelden verschillende groepen volgelingen van Jezus verschillende wegen! Je had allereerst de Aramees sprekende groep in Jeruzalem rondom Jezus’ broer Jacobus, en in de eerste eeuwen vele Aramees of oud-Syrisch sprekende groepen in de gebieden waar die talen prominent waren. Zij volgden aanvankelijk vele gebruiken van de standaard Joodse tradities uit die tijden. Dan had je, ook al direct in Jeruzalem, de groepen die het Grieks spraken dat in het Romeinse Rijk de gangbare taal was; de woorden van Jezus werden al snel behalve in het Aramees ook in het Grieks bekend. De uiteenlopende groepen hielden er hun eigen spreukenverzamelingen van Jezus op na, en later hun eigen evangelies. De groepen om Jezus heen werden geacht voor zichzelf te zorgen, alle goederen en lief en leed te delen, en stelden zich verder niet bij voorbaat, maar wel telkens opnieuw de criteria van Jezus’ lessen toepassend, loyaal of deloyaal op ten aanzien van de heersende machthebbers of andere sociale, economische en politieke realiteiten. Daarbij legden zij eigen accenten, waarbij hun ideaal niet alleen de eigen gemeenschap maar zeker bij de Grieks sprekende groepen ook een oog voor de grotere wereld omvatte (maar dit ideaal ging niet zover dat het overleven van de eigen groep ondergeschikt werd gemaakt aan universele idealen, die zij wel hadden maar waarover zij realistisch waren). Op deze punten legden de diverse Aramees sprekende en Grieks sprekende groepen in de uiteenlopende gebieden en (dus) culturele omgevingen waar zij woonden, eigen accenten in de opvattingen en uitleg van de geestelijke erfenis van Jezus. Het is waarschijnlijk dat universele en kosmische verhoudingen waar ruimte was om die te overwegen, niet exclusief en particulier werden gehanteerd maar inclusief en universeel; maar waar er geen ruimte voor inclusief en universeel denken was, werden belangen van niet-groepsgenoten of niet-volksgenoten slechts zover in praktijk gebracht als praktisch haalbaar was. De opoffering en onderlinge hulp moeten echter heel sterk geweest zijn, uiteraard door de geest van Jezus die hen (ook na zijn dood) beïnvloed had en door het groepsleven dat zij daarna gingen leiden (waarschijnlijk al zeer snel in zeer uiteenlopende groepen, qua taal – Aramees of Grieks – en qua woonplaats). De lessen van Jezus zelf zijn echter nooit bedoeld geweest als model voor een aparte nieuwe godsdienstvorm of traditie, wel als een direct begrijpelijke en uitvoerbare combinatie van spirituele beleving en praktisch inzicht enerzijds en van solidariteit en gerichtheid op “heel maken” anderzijds. Daarbij valt op dat maatschappelijke solidariteit en spirituele intensiteit en uitbundigheid tot de kernelementen van de groepen volgelingen van Jezus behoren, net als voor Jezus zelf. Wie Jezus wil volgen, kan daarmee nog steeds ieder moment beginnen en dat voortzetten, en zal zich vervolgens moeten verstaan met zichzelf, zijn medevolgers en zijn omgeving; uiteindelijk in verbondenheid met al wat verder is. Daarbij zullen sommige elementen van de lessen van Jezus in nieuwe situaties direct begrijpelijk en toepasbaar zijn als die situaties dat mogelijk maken omdat zij vergelijkbaar zijn, maar mogelijk niet direct wanneer criteria of situaties zo anders zijn dat een vertaalslag onvermijdelijk blijkt. Ook dan blijven de criteria van de lessen van Jezus boeiende uitgangspunten, maar vraagt de directheid en radicaliteit van Jezus wellicht om een iets complexer vertaling (complex vanwege de vertaling, maar niet noodzakelijk vanwege de eenvoudige uitgangspunten). Dat doet weinig af aan de eenvoud die de lessen van Jezus lijken te bieden. Zij verwijzen wellicht naar zaken die zo elementair zijn dat zij bijna universeel zouden kunnen lijken of zijn. Dat is een uitdaging voor ieder die daarmee te maken krijgt. Inclusief de uitdaging die er in ligt, dat de lessen van Jezus niet meer zo universeel en eenvoudig verstaanbaar zouden blijken als dat zij voor hem en zijn eerste groepen volgelingen lijken te zijn geweest. Aan die universaliteit en eenvoud kan ik en kunnen velen wellicht nog steeds en misschien ook dan, in onbekende toekomende tijden, nog voorbeelden en inspiratie ontlenen.
Aanvullend merk ik op dat de geleerde Margaret Barker het belang van de oude Hebreeuwse tempel en van het herstel van de betekenis ervan voor Jezus krachtig verduidelijkt heeft. Die betekenis combineert de verticale en horizontale dimensies, en blijkt krachtig uit de zogeheten Johanneïsche geschriften van het Nieuwe Testament die dat herstel van de betekenis van de oude tempel voorstaan (denk aan het Nieuwe Jeruzalem). Zij illustreert dat zowel aan de boeken van het zogeheten Oude Testament als aan de Henochitische en andere apokalyptische geschriften en tradities, en vele parallellen waaronder de geschriften die bij Qumran gevonden zijn, die een geheel nieuw licht op Jezus en zijn volgelingen werpen (zoals de geschriften van Nag Hammadi dat voor de helleniserende volgelingen van Jezus doen). Ik voeg hieraan toe dat de discussie onder wetenschappers en theologen groot is, omdat zij de beperkingen van de gangbare keuze voor de geschriften van het Oude Testament en het Nieuwe Testament – althans van de ooit gemaakte menselijke keuzes daarvoor – krachtig aantoont. Dat verandert het beeld van Jezus minstens in de zin dat hij bovengenoemde uitspraken ook als heel praktische kritiek op de heersende Joodse religieuze praktijken deed. Wat niet wil zeggen dat hij die niet op andere praktijken zou hebben gehad, als hij die gekend zou hebben. Ook daarvoor geldt dat we zijn omstandigheden en de eenvoud van zijn boodschap kunnen combineren. Het past ook bij een uitleg van zijn opstanding (en die van zijn volgelingen) als in de eerste plaats innerlijke hereniging met de hemel. Dat innerlijke koninkrijk zal het uiterlijke tot gevolg hebben: een heling van de hele werkelijkheid in alle opzichten. Dat we die zo moeilijk kunnen voorstellen, is niet omdat zij ondenkbaar is maar omdat wij alle vaste opvattingen en onwrikbare verschijnselen (waaronder vele die wij niet als prettig ervaren) als onveranderlijk ervaren: niet in het perspectief van de realiteit van verandering die er nu eenmaal ook altijd is, maar alleen in het perspectief van de huidige moeiten, alsof een eind daaraan niet denkbaar is. Zonder verandering zouden we überhaupt niets ervaren, en wie aan het onwrikbare vasthoudt, is verder van huis dan wie zijn idealen van verandering ten goede uitleeft. Zeker is dat sommige veranderingen vlugger gaan dan andere, en dat verspreiding van invloeden tijd neemt. Maar dat kun je ook als troost ervaren. De keuze tussen een positieve of negatieve uitleg van veranderingen kan variëren, maar dat hoeft geen bezwaar tegen verandering als zodanig te zijn. Was Jezus’ dood niet ook zinvol als teken dat de machthebbers het morele ongelijk aan hun kant hadden? En was Jezus’ eenvoud en helende gerichtheid op een ‘hele’ wereld ofwel het ‘koninkrijk van de hemel’ (waar aarde en hemel huwen ofwel in balans komen net als alle tegenstellingen) niet iets waarvan permanent te leren valt, namelijk zo lang het streven ernaar nog enige betekenis kan hebben? Want hoeveel onbalans valt nog te herstellen, te beginnen in onszelf maar niet minder buiten onszelf? We zijn immers ten nauwste met de werelden om ons heen verbonden?
(7) Belangrijke vragen zijn: welke betekenis voorzag Jezus van zijn aanstaande dood? Deze vraag gaat er van uit dat Jezus op een bepaald moment van zijn leven inzag dat de autoriteiten hem zijn werk onmogelijk zouden maken door hem te doden. De vragen kunnen dan onder meer zijn: Wanneer zag Jezus dat voor het eerst in? Wat voorzag hij voor hem en zijn volgelingen na zijn dood? Het evangelie van Markus kan als poging worden gelezen om aan Jezus na zijn dood, dus achteraf, toe te schrijven dat hij zichzelf voorafgaand aan zijn dood al als Messias zag die zou moeten lijden en sterven om vervolgens glorieus op te staan en naar de hemel te gaan; dit kunnen we echter nogal voor de hand liggend uitleggen als een verklaring achteraf. In de Johanneïsche geschriften van het Nieuwe Testament ligt nadruk op de spirituele bevrijdingsstrijd van Jezus namens de hemel voor zijn aardse volgelingen die zal eindigen met het neerdalen van het hemelse Jeruzalem op aarde. De volgelingen van Jezus bleven na zijn dood verweesd achter maar hadden zo duidelijk ervaren dat Jezus ieder moment van zijn leven als heelmaker mensen in alle opzichten op liet staan. Dat gold voor uiterlijke zieken die hij genas, voor innerlijke zieken die hij innerlijk liet opstaan; allemaal gingen ze meedoen in het proces van verdere heelwording en heelmaking. Het zou historisch best zo hebben kunnen gaan dat opstanding pas later de betekenis van letterlijke opstanding uit de fysieke dood kreeg, namelijk pas in het kader van de hellenisering (aanpassing aan de cultuur van het Romeinse Rijk) waarvan Paulus’ geschriften en de gnostische geschriften belangrijke voorbeelden zijn. Het heeft er veel van dat Jezus’ Aramees sprekende volgelingen in Jeruzalem zijn dood niet speciaal herdachten. En dat andere Aramees sprekende volgelingen in en rondom Syrië andere accenten legden bij hun interpretatie van Jezus’ boodschap dan de Jezusvereerders in het Grieks en Latijn sprekende Romeinse Rijk. Het vieren van de dood naast de opstanding van Jezus (en van zijn volgelingen) kreeg dus hier en daar sterk uiteenlopende betekenissen. In “het” Nieuwe Testament werden slechts de Paulinische en Johanneïsche geschriften opgenomen. Ook al zijn die door een aantal latere ‘christenen’ verzameld in één boek, wil dat niet zeggen dat die geschrifen dezelfde uitleg bieden op alle punten: zelfs de grote betekenis van Jezus die zij alle erkennen, geven zij nogal verschillend weer. Terwijl de boodschap van Jezus voor zijn dood betrekkelijk herkenbaar en eenvoudig was, werd die na zijn dood in al die verschillende kringen van volgelingen nogal uiteenlopend uitgelegd. Daarbij week men nogal eens af van de eenvoud van Jezus’ bevrijdende en helende boodschap en van de niet-hiërarchische houding van Jezus. Heelwording in alle opzichten, spiritueel en fysiek en sociaal, werd daarbij nogal eens ingeperkt tot een haalbaar minimum binnen een hiërarchische structuur die aan die aspecten van Jezus’ optreden en boodschap niet meer die direct herkenbare innerlijke en praktische bevrijding toekende – behoudens die welke men ervoer binnen het hiërarchische kader. Deze uitsplitsing in vormen en betekenissen leidde vaak tot een onderlinge afgrenzing via dogmatische en praktische regels en voorschriften, terwijl Jezus daar over het algemeen graag afstand van nam ten gunste van het heelmakingsproces van mensen, van hun bevrijding en heelwording in alle opzichten. Jezus zou mijns inziens van dergelijke hiërarchische structuren eerder afstand genomen dan ze verdedigd hebben: het gaat om het heelmaken, en heelmaken is niet steeds opnieuw ringeloren maar bevrijding, al kan die laatste het best gepaard gaan met structuren en solidariteit waarop men enigszins terug kan vallen! Maar dan doet men zichzelf ook geheel als duit in het zakje, want het gaat om de diepst denkbare en meest omvattend denkbare heelwording. Vermoed ik zo. Zelfs als men de veroordeling van Jezus als misdadiger tot de kruisdood daar bij haalt (wat bijvoorbeeld in de traditie van Paulus en van de synoptische evangelies Markus, Matteüs en Lukas het geval lijkt), blijft heelmaking toch de kern van Jezus’ optreden en boodschap. Iets wat gelukkig door velen herkend is, zowel buiten als in de naar hem als ‘Christus’ (Messias) genoemde stromingen. Het messiaanse rijk ofwel Jezus'”koninkrijk van de hemel” ging over de hemel op aarde, zoveel is wel zeker. En zo niet volledig verwerkelijkt, dan toch reeds gekomen en komend, buiten geen enkel onderdeel van de werkelijkheid om. Zover ik kan inzien, is in dat koninkrijk voortdurend sprake van herstel van balans, en kan ieder die ogen en handen heeft, daaraan bijdragen, om te beginnen door haar en zijn ervaring te delen.

OOG in OOG met Jacob Böhme: Rachel Ritman over de wijsheid van Jacob Böhme

EYE IN EYE WITH JACOB BÖHME BY RACHEL RITMAN
Meet Rachel Ritman to find out Böhmes ideas, importance and heritage at the Embassy of the Free Mind (Ambassade van de Vrije Geest) in Amsterdam, DATE and TIME: see website TICKETS: € 8,50 (excl. museum ticket, Stadspas and Museumkaart are valid)
LANGUAGE: Dutch, or English if requested

Bij de opening van de Böhme-tentoonstelling die tot maart 2020 in de Embassy of the Free Mind (Ambassade van de Vrije Geest) in Amsterdam te zien is, hield Mevrouw Rachel Ritman, zowel peetmoeder van dit intrigerende museum als ervaren beoefenares van de tradities van Rozenkruisers en hun verwanten, een toespraak in het Nederlands van 16 minuten [minuut 35.10 tot en met 49.30 op het volgende langere filmpje, zij wordt ingeleid in het Engels door Esther Ritman vanaf 33.30] waarin zij Böhmes (en haar eigen) inzichten op indrukwekkende wijze samenvatte. ‘Zo eenvoudig kan het zijn’: een echt geschenk!

Daarmee presenteerde zij haar boek ‘OOG in OOG met Jacob Böhme‘. Dit is een inspirerende inleiding in wat zij van deze ‘visionaire filosoof’ zoals zij hem treffend noemt, heeft geleerd. En wel door hem te plaatsen in de context van een aantal tijdgenoten, zowel voorlopers als opvolgers, die vanuit vergelijkbare impulsen hun gedachten op papier zetten, zoals Fludd, Coornhert en Comenius. En dat tegen de brede achtergrondstroom van Middeleeuwse voorlopers tot en met nog oudere ‘gnostici’* en ‘hermetici’*. De belangrijke verwantschap met de medicus en theoloog Paracelsus en met de piëtistische theologen Franck en Weigel, evenals met verschillende kabbalistische en alchemistische verbindingen die in deze tijd krachtig opbloeiden, wordt ook genoemd. Die verwantschappen worden na eeuwenlang in kleine of zelfs besloten kring overgedragen te zijn gelukkig nu weer aan het licht gebracht. Ook in Amsterdam en aan haar universiteit met wie de Ambassade van de Vrije Geest nauw samenwerkt, speciaal op het gebied van de gebruikte beeldtaal en de daarin besloten ervaringswerelden en boodschappen. De betekenis hiervan is echter beslist niet alleen wetenschappelijk. Ik ervaar deze publicatie als een krachtige en waardevolle impuls voor het vinden van toegangen tot de beoefening van zelfkennis die leidt tot dienstbaarheid in de wereld. Zij schetst al doende wat dat inhoudt, haast van binnen uit.

De schrijfster heeft de feiten in haar boek – dat zich hoofdzakelijk beperkt tot de tijd van de Renaissance en de Reformatie in West-Europa – zorgvuldig van context en uitleg voorzien en het geheel tot een uiterst prettig leesbaar geheel verweven. De inhoud heeft bijzondere kwaliteiten. Zonder uiterlijke kennis af te schrijven laat ze zien hoe Böhme en zijn verwanten de hogere kennis of intuïtie de plaats en waardering gaven die hen toekomt. Idealiter gaan beide soorten ‘kennis’ of bewustzijn uiteraard samen: Böhme wordt niet ten onrechte ook als groot filosoof gezien, een systeemdenker van de eenheid van alle tegenstellingen in hun processen (zij het op een unieke wijze doordat hij die systematiek niet absoluut opvat). Zijn lijfspreuk was: “Voor wie tijd is als eeuwigheid, en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd.”
Vooral de rol en betekenis van deze innerlijke kennis komt bij haar indrukwekkend naar voren. De voorbeelden daarvan welke zij direct van Böhme aanhaalt, ervaar ik daarvoor als krachtige ondersteuning.
Voor diegenen die met de gedachtewereld van Böhme en zijn op het innerlijk en uiterlijk welzijn van alle wezens gerichte gedrevenheid willen kennismaken, is dit een toegankelijke en waardevolle inleiding, sterk verrijkend ook over met Böhme verwante auteurs. Niet het minst door de innerlijke doorleefdheid en afgewogenheid waarmee verschillende zienswijzen worden opgevoerd en naast elkaar gesteld. Zodat de lezer zelf voelt dat iedere zoektocht een persoonlijke zoektocht zal zijn, maar idealiter met de hulp van ervaren personen van wie te leren valt, omdat zij allerlei wegen verkend en samenhangen ontdekt en in eigen bewoordingen hebben weergegeven. Dat voorbeeld maakt nieuwsgierig en wekt vertrouwen.
Wie op het punt van historische feiten en verbanden goede basisinformatie zoekt, kan ook terecht bij het door de Ambassade van de Vrije Geest bij de tentoonstelling gemaakte ‘catalogus’ terecht. Ik ken geen publicatie in het Nederlands (deze catalogus is ook in het Engels verschenen) die zo veelzijdig en kernachtig vrijwel alle historisch belangrijke aspecten van Böhme samenvat, en dat in 43 bladzijden: OOG VOOR DE WERELD: de visionaire denker Jacob Böhme: Tentoonstelling etc., Amsterdam 2019, samenstelling: Claudia Brink, Lucinda Martin, Cecilia Muratori, José Bouman, Cis van Heertum.

* Voor wie deze namen onbekend zijn: de namen ‘gnostici’ en ‘hermetici’ duiden de beoefenaars aan van geestelijke ontwikkelingswegen ofwel van bewustwording van de samenhangen van alles en dus van de rol daarin van de afzonderlijke verschijnselen, speciaal van de mens in verbinding met God en wereld. ‘Gnostici’ verwijst naar de vooral Joodse en christelijke ‘gnosis’ – [innerlijke] kennis – die sinds de hellenistische tijd werd beoefend in aanvankelijk vrij open, later relatief besloten kringen en die tot talrijk vertakte bewegingen leidde. Deze gnostici relativeerden het uiterlijke aardse leven sterk. ‘Hermetici’ verwijst naar degenen die zich volgelingen van Hermes noemden, met een deels vergelijkbare symboolwereld maar een positievere houding ten opzichte van het aardse leven. Beide stromingen lieten zeer opmerkelijke en invloedrijke spirituele geschriften na waarin de opgang van de mens tot de goddelijke wereld wordt verbeeld en aangewezen. Zij vormen samen met de alchemie en de Joodse kabbala de kern van wat wel de Westerse esoterie genoemd wordt (van [Grieks] ‘esoo’: meer naar binnen gericht, op ervaring gestoeld), in onderscheid van de meer exoterische (van [Grieks] ‘exoo’: meer naar buiten gericht, op uiterlijke regels gestoeld) Joods-rabbijnse en christelijk-kerkelijke. Vaak beginnen godsdiensten met krachtige innerlijke stromingen zonder veel uiterlijke regels waarna er meer uiterlijke tradities uit ontstaan. In de hellenistische periode van het Romeinse Rijk verbonden diverse Hebreeuwse, Joodse, Samaritaanse en Griekse tradities zich tot nieuwe innerlijk gerichte stromingen, Egyptische invloeden daarbij inbegrepen, waaruit zich later in tegenoverstelling tot elkaar de Westerse godsdiensten ontwikkelden: orthodox Jodendom, orthodox christendom, orthodoxe Islam. Vaak moesten de ‘esoterische’ stromingen ‘onderduiken’ omdat zij krachtig de persoonlijke innerlijke vrijheid en ontwikkeling voorstonden. Het is begrijpelijk maar ook opvallend dat verinnerlijkende en veruiterlijkende tendensen elkaar afwisselen, zowel binnen de ene als binnen de andere soort stromingen. Belangrijk is de eigen plaats en rol daarin te herkennen, zodat men voor zichzelf de verschillende mogelijke stappen op de uiterlijke en de innerlijke weg leert zien. Innerlijke en uiterlijke wegen sluiten elkaar niet per se uit (tenzij door verabsoluteerde leerstellingen of praktische regels afgedwongen) maar vullen elkaar idealiter aan.

Jacob Böhme’s boek over het zien van God (‘verlicht zijn en zien’)

De volgende aankondiging ontleen ik aan de site van de Rozekruis Pers in Haarlem.

THEOSCOPIA
De uiterst kostbare poort van het zien van God
Jacob Böhme
vertaald door Boudewijn Koole
Jacob Böhme schreef het traktaat Theoscopia als een van zijn laatste pennevruchten: met de nieuwe vertaling van de Aurora die vorig jaar bij Rozekruis Pers verscheen, vormt deze uitgave een boog die Böhmes eerste en de laatste teksten verbindt en omspant.
Kenmerkend voor Böhme is dat hij eenvoudig en complex tegelijk is. Hij getuigt dat hij meerdere malen de Godheid, de schepping en de mens tot in de ‘wezenlijke grond’ heeft ervaren. Er is niets anders dan God, Hij is het eenvoudigste wezen, dat alles is en alles omvat, zowel Iets en Niets. Maar men kan het alleen zien, door het te zijn.
Wij mensen delen onze werkelijkheid en de ervaring ervan op in delen. Die delen kunnen we benoemen en zo vormen we ons een beeld van het geheel. Jacob Böhme leert ons dat dat onmogelijk de weg kan zijn om de Ene Werkelijkheid te naderen of te begrijpen. Want als alles is een, hangt alles met alles samen en tegelijk verandert alles tegelijkertijd, als één levend geheel, waarbij ook wij die trachten door te dringen, voortdurend veranderen.
Hoe kan Böhme ervan uitgaan dat hij de diepste grond ervaren heeft en dat zijn woorden die ervaring opnieuw helpen oproepen? Dit was voor Böhme een existentiële levensvraag, waaraan al zijn werken, ook de Theoscopia, ontsproten. In Theoscopia, van al zijn teksten een van de meest systematische, toont hij ons hoe hij dat probleem heeft opgelost.

Auteur: Boehme, Jacob
ISBN: 9789067324830
Binding: Hardback