Zien en verlichting; persoonlijke notities n.a.v. Böhmes Theoscopia

Tijdens het voorbereiden van de presentatie van de Theoscopia-vertaling van Böhme viel mij het volgende in. Ik noem het een mini-samenvatting van veel van de ontdekkingen die ik bij het bestuderen en vertalen van Jacob Böhme’s teksten en van die van zijn verwanten (zowel spiritueel als ideehistorisch) deed.

Zien is voor mij een levensthema:

  • altijd 1 lui linkeroog gehad en dus slechts met 1 rechteroog gezien: hoe is het dan om diepte te ontdekken? Hoe verhoudt waarneming door de zintuigen zich tot meer innerlijke en intuïtieve waarnemingen? Is in beide soorten waarneming, de uiterlijke en de innerlijke, sprake van mogelijke diepte?

Zien is ook voor Böhme een levensthema naast innerlijke ervaring:

  • zijn beroemde verlichtingservaring van het licht op een tinnen pot in zijn schoenmakerswerkplaats;
  • zijn verklaring van melancholie ofwel depressiviteit door oneerlijke verdeling van bezit in de wereld en door de ervaring van pijn en lijden naast die van vreugde, kortom van alle tegenstellingen;
  • zijn verklaring van zijn verlichtingservaring door het doorzien van het ontstaan en de oplossing van alle mogelijke tegenstellingen in de werkelijkheid)
  • De ontdekking voor Böhme en voor mijzelf dat leren altijd staat in de context van onderdeel van het geheel zijn en het spel verder mee leren spelen:
  • De hoogste wijsheid omvat het overzien en doorzien van alle processen in de hele werkelijkheid, en de verhouding tussen de eigen rol en van alle andere spelers en tegenstellingen in die processen, vanaf het oerbegin tot en met het open einde, inclusief onze diepste waarnemingen en gevoelens daarbij
  • En nog verder: ook van de tegenstelling tot alle uitingsvormen daarvan, van de meest concrete tot en met de meest subtiele, met de rol van taal in velerlei gedaanten, van de taal van de materie via de gesproken en geschreven taal tot de taal van de muziek en de taal van de meest subtiele vibraties die elkaar beïnvloeden

Verlichting meestal Oosters begrip: hebben wij ook niet zoiets in het Westen?

  • Theoscopia: het zien van God -> wie is hier het onderwerp: God of wij ? Want als God het onderwerp is, hoe kunnen wij dan weten hoe Hij ziet? Kunnen wij ooit God echt kennen? In die vragen hebben theologen zich verstrikt, maar Böhme niet
  • Voor Böhme is het glashelder: wij mensen kunnen met hulp van de geest van God, ook zien als God
  • Theoscopia gaat er over hoe dat in zijn werk gaat, wat daarvoor nodig is, wat het verschil is tussen het lagere verstand dat wil begrijpen en het hogere verstand dat uit afstemming bestaat en niets in de greep heeft, dus gelaten is en alles laat zijn

Bij Böhme is zien altijd heel concreet en heel subtiel:

Hij maakt altijd gewag van de spirituele binnenkant en de concrete buitenkant van de dingen, dus beperkt zich nooit tot een van beide.

Hij ziet de oorsprong van alle processen in de behoefte van het Ene dat overal was maar zichzelf niet tegenkwam, aan iets Anders tegenover zich zodat het dat Andere zou kunnen waarnemen, zichzelf zou kunnen waarnemen, en met dat andere een proces aan zou kunnen gaan: die behoefte noemt hij de wil of de neiging tot een tegenover. Daarmee definieert hij het bewust-zijn als betrekking tot een onmisbaar tegenover: onmisbaar omdat er zonder tegenover geen bewustzijn is, het is altijd bewust zijn ‘van’ (dat tegenover, in welke ‘vorm’ dan ook). Met dat tegenover heeft hij het basisbeginsel ontdekt waarmee alle processen beschrijfbaar worden (samen te vatten in de idee van de eenheid van de tegendelen die ontstaan uit afsplitsing en ook weer terugkeren tot hun oorsprong, zij het dat de tijd dan veranderd is, wat Böhme op het idee brengt dat tijd en eeuwigheid niet zonder elkaar maar – ook! – als elkaar begrepen zouden kunnen worden). Er is geen eind aan de processen van parallellen en analogieën in alle richtingen, met dien verstande dat zij afzonderlijk wel een begin en een eind hebben, maar altijd in een ruimere context.

En wat doet Böhme dan? Hij ziet zoveel samenhang dat hij uiterst verheugd aan het schrijven gaat. De hele bijbel vat hij samen, alles wat hij van vrienden en verwanten hoort en wat hij maar te pakken kan krijgen om te lezen vat hij samen, en niet door netjes op internet die samenvattingen op te zoeken en op een rijtje te zetten maar door alle beelden aan één stuk door in zijn hoofd rond te laten gaan tot hij alle nieuwe aspecten weer opnieuw in één samenhang gebracht heeft. Wij noemen zo iemand een systematicus en een denker.

Voor Böhme is het doel daarvan om ieder onderdeel van al die processen, allereerst alle mensen maar ook alle andere wezens en verschijningsvormen van de meest subtiele engelen tot de meest concrete stoffen in de aarde, weer in het oorspronkelijke evenwicht te brengen waarvoor zij bedoeld waren. De toekomstige eenheid is een terugkeer naar de oorspronkelijke, zij het dat een einde van de processen niet voorzien wordt, want elk einde is een nieuw begin en omgekeerd.

De Theoscopia is zijn samenvatting daarvan. Neem en lees en trek uw conclusie. Hij haalt er het proces bij van de innerlijke vernieuwing langs de weg van inkeer en meditatie, maar niet minder van het ontstaan en de genezing van ziekten, en de opsluiting en vrijlating van gevangenen.

Daarin was hij een kind van zijn tijd die niet na kon laten zijn lezers en zijn gehoor ervan te doordringen dat nu de tijd van de beslissing is voor ons en de hele natuur en kosmos, en hen daarbij de passende innerlijke en uiterlijke valkuilen en wegen voorhield, en daarin was hij ook een groot visionair filosoof (om met mevrouw Rachel Ritman te spreken) die daarbij vergelijkbare ideeën naar voren bracht als oude Griekse denkers en latere Europese denkers over de eenheid die in alle tegenstellingen verondersteld wordt, en waarmee we kunnen leren omgaan. Maar niet minder dan oude en moderne Westerse en Oosterse denkers over de taal zag dat taal altijd afhangt van onderscheid maken, dus tegenstellingen, en dat A zeggen altijd ook niet-A zeggen veronderstelt. Dus dat we ook kunnen beslissen om ‘gelaten’ te zijn, dat wil zeggen: eerst ‘toe te laten’ voordat we stappen nemen om te reageren (of het bij dat toelaten te laten: ook toelaten kan zo’n stap zijn).

Ik ontkom net als veel lezers van Jacob Böhmes teksten niet aan de indruk dat hij zich tegelijk bewust was van de diversiteit van ons hele bestaan inclusief zijn subtiele aspecten (waaronder dat van de zintuigen, en van de taal en muziek waarmee we die werkelijkheden waarnemen) als van de samenhang (patronen) in de veranderingen en de veranderingen in de samenhang (patronen) van alles. En van de nadruk die hij legt op de noodzaak van eenvoud en bij de bron van en in zichzelf en alle andere verschijnselen blijven. Dus op openheid, luisteren, waarnemen. (Daar heeft iedere cultuur en ieder wezen ook weer een eigen taal en accent in, maar we weten ook dat er grote lijnen te schetsen zijn van onze ervaringen en verwachtingen: ook met elkaar deelbaar!)

VOOR WIE TIJD IS ALS EEUWIGHEID EN EEUWIGHEID ALS DE TIJD, DIE IS BEVRIJD VAN ALLE STRIJD Jacob Böhme

VOOR WIE TIJD IS ALS EEUWIGHEID EN EEUWIGHEID ALS DE TIJD, DIE IS BEVRIJD VAN ALLE STRIJD
Jacob Böhme
Lezing uitgesproken bij de Presentatie van Jacob Böhme, Theoscopia (het zien van God) op 18 december 2019 in het Huis met de Hoofden te Amsterdam, waar de Ambassade van de Vrije Geest van december 2019 (verlengd tot 1 augustus) de indrukwekkende tentoonstelling OOG VOOR DE WERELD over Jacob Böhme presenteert

Deze versie is licht bijgewerkt. Om een indruk te geven bied ik u volgend overzicht vooraf.
0 Dankwoord en verwijzing naar de pendant-uitgave van deze Theoscopia-vertaling: een nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme die voorjaar 2020 zal verschijnen
1. Teksten om te overdenken: Stil worden / Böhmes grondervaring en basisvisie / De essentie, grenzen van ons bewustzijn en bestaan, paradijs / De essentie ruimte geven om naar buiten te laten komen / Pascal en Borges (zie verder naar onder)
2. Het zien van God; wat is wijsheid?

0. Dankwoord
Allereerst wil ik enkele personen bedanken in verband met de totstandkoming van deze vertaling.
• Mijn vrouw Nel, onze dochter Heleen en onze zoon Hermen, mijn neef en naamgenoot Boudewijn Koole, onze vrienden Hans en Ank Bienefelt en alle andere vrienden – aanwezig en niet aanwezig – voor jullie vriendschap en steun gedurende een lange periode.
• De heer Peter Huijs en mevrouw Maartje Letema en hun collega’s van de Rozekruis Pers voor de prettige communicatie, en voor de bijzonder zorgvuldige productie en presentatie van het samenvattende geschrift van Jacob Böhme, zijn Theoscopia, in een werkelijk prachtige uitgave, als eerste helft van dit uitgeefproject dat komend voorjaar zal worden afgesloten met de pendant van deze uitgave, het boek over Böhmes visie op de eenheid en de processen van alle tegendelen, en daarmee op de samenhang van eenvoud en diepgang in het bestaan van God, mens en kosmos.
• De familie Ritman en alle medewerkers van de Embassy of the Free Mind onder aanvoering van directeur Esther Ritman voor hun gastvrijheid en diepgaande interesse in het doorgeven van Jacob Böhmes erfenis, nu ook zichtbaar in de werkelijk unieke tentoonstelling die dadelijk op ons wacht, én ook in dit uitgeefproject.
• Anthony Giesbergen en Monique Held van Hello Radio Spirituality – interview Boudewijn Koole.

1. Teksten om te overdenken
De volgende teksten schetsen een deels thematisch beeld van waar het Böhme om gaat, inclusief een aantal historische en culturele parallellen.
1.1 Stil worden

1.1.1 Etty Hillesum over stil worden 10 juni 1941
“Niet denken, maar luisteren naar wat er binnen in je is.
Wanneer je dat ’s morgens, voor je aan het werk gaat, een poosje doet, dan geeft dat een rust, die de hele dag doorstraalt.
Eigenlijk hoor je de dag zo te beginnen: tot alle flarden van gepieker en gedachtetjes eerst zijn weggevaagd uit je hoofd.
Zoals je ’s morgens stof en spinrag uit de kamer veegt, zo hoor je ook jezelf ’s morgens innerlijk schoon te maken.
En dan kun je pas beginnen met je werk.”
1.1.2 Jacob Böhme over stil worden in zijn Theoscopia
“Hs II
16. Christus zei (Ev.Joh. 15:5): “Zonder mij kunnen jullie niets doen.” Geen mens kan uit eigen vermogen in de hoogste grond komen, tenzij dat hij zijn meest innerlijke grond van het eerste principe, volgens het afgebeeld zijn van het leven, laat verzinken in de genade van God die [hem] is ingelijfd, en volgens dezelfde grond in hoop op God stil staat [en afziet] van zijn eigen willen en zich met het willen helemaal aan GOD overgeeft, in die mate dat zijn willen volgens die grond niet meer spreken wil zonder wat God door deze grond spreekt en wil  dan heeft hij het hoogste doel bereikt.
17. Wanneer het mogelijk is dat hij een uur of minder van zijn innerlijk zelf-willen en spreken [afziet en] stil staat, dan zal het goddelijke willen in [en tot] hem spreken; en door dat inspreken neemt Gods wil zijn wil in zich op, en spreekt in op het gevormde, natuurlijke, essentiële, uiterlijke verstandsleven, en verplettert en verlicht de aardse vorming van de verstandswil, zodat op die wijze het bovenzinnelijke goddelijke leven en willen in het verstandelijke willen opbloeit en er het centrum van wordt.
18. Want zo weinig als het eigen willen van het leven in de zelfheid en in [de] van Gods wil afgewende wil in de natuur een ogenblik af zou willen zien van zijn werking, tenzij het zich buiten alle natuur zou laten zinken: zo weinig kan ook het goddelijke spreken in het leven dat zich op de grond verlaat, afzien van zijn werking.
19. Want wanneer het leven van zijn eigenwil afziet, dan staat het in de afgrond van de natuur en de creatuur, in het eeuwige uitspreken Gods, dan spreekt God daarin.
20. Want van het spreken van God is het leven uitgegaan en in een lichaam gekomen, en het is niets anders dan de in vormen afgebeelde wil van God: wanneer nu het op zichzelf gerichte zelf-vormen en willen ophoudt, dan komt het goddelijke vormen en willen op. Want wat willoos is, dat is één ding met het niets, en is buiten alle natuur, en die ongrond is God zelf.
21. Omdat derhalve de ongrond, te weten God, een eeuwig spreken is, als een uitademen van zichzelf, wordt de ongrond ook het gelaten leven ingesproken. Want het ademen van de ongrond spreekt door de stilstaande grond van het leven. Want het leven is uit het goddelijke ademen ontstaan en is een gelijkenis van goddelijk ademen, daarom vangt de ene gelijkenis de andere, zoals we dat aan de zintuigen van het leven begrijpen, die ook zo’n naar buiten treden van het ademen van het innerlijk zijn, zoals het innerlijk een naar buiten treden en tegenoverstelling van het goddelijke innerlijk van de goddelijke kennis is.

Hs III
19. Want de Geestelijke wereld van het vuur, [het] licht en [de] duisternis, staat verborgen in de zichtbare wereld van de Elementen en is werkzaam door de zichtbare wereld heen, en wordt door de onderscheidmaker met zijn uitstroming in alle dingen gevormd volgens aard en eigenschap van ieder ding apart. Zoals ieder ding één aard en eigenschap heeft, ontvangt het een zodanige eigenschap ook van de onderscheidmaker van de innerlijke Geestelijke kracht. Niet om zelf greep te krijgen of tot eigen macht ontvangt het zichtbare wezen het onzichtbare, opdat het uiterlijke daardoor in het innerlijke [van het zelf of de eigen macht] veranderd zou worden, nee, zo is het niet: de innerlijke kracht vormt zich alleen op die wijze zoals wij het aan de krachten van planten, bomen en metalen begrijpen, namelijk opdat de uiterlijke geest daarvan slechts een werktuig van de innerlijke geest, te weten van de innerlijke krachten zou zijn, waardoor zich de innerlijke kracht in de uiterlijke geest vorm geeft.
(48) … Want waar de krachten niet in de eenheid van een wil verzameld zijn, daar is de wil gescheiden en is er geen grote kracht aan dat ding toe te kennen. Iets om de aandacht van de medici op te vestigen, dat zij niet op de grofmateriële geest van de sterke geur moeten afgaan en die voor juiste balsem houden, hoewel hij wel daarin aanwezig is, want dan is de tinctuur daarin zeer bewegelijk en actief.
49. De geesten, van de sterke kracht in de geur, moeten in het temperament gebracht worden, namelijk in de eenheid, en niet [zomaar] wegvliegen. Omdat men op die wijze met het zout, namelijk met de scherpte van het vuur, wil genezen, en de patiënt de ziel van het middel zonder geest ingeeft.”

1.2 Böhmes grondervaring en visie

1.2.1 Aurora 19: grondervaring
“(…)
3. De mensen hebben ooit en overal gemeend dat de hemel vele honderden of duizenden mijlen van deze aardbodem vandaan zou zijn en dat God alleen in deze hemel zou wonen; ook hebben ettelijke natuurkundigen een poging gewaagd, deze hoogte te meten, en zeer zonderlinge dingen voortgebracht.
4. Weliswaar heb ik vóór ik dit inzicht en deze openbaring Gods had ontvangen, het er zelf op gehouden dat alleen dát de echte hemel zou zijn die zich met een ronde boog heel lichtblauw over de sterren heen welft, in de mening dat God alleen daarbinnen zijn afzonderlijke wezen zou hebben, en in deze wereld slechts alleen door de kracht van zijn Heilige Geest zou regeren.
5. Aangezien dit mij echter ja menige harde stoot gegeven heeft – zonder twijfel vanwege de Geest, die daar genoegen in mij heeft gehad – ben ik uiteindelijk in een heel diepe melancholie en treu-righeid geraakt, toen ik aanschouwde de grote diepte van deze wereld, daarbij de zon en sterren, zowel als de wolken, daarbij regen en sneeuw, en in mijn geest de hele schepping dezer wereld beschouwde.
6. Waarin ik vervolgens in alle dingen kwaad en goed vond, liefde en toorn; in de onredelijke schepselen, als in hout, steen, aarde en elementen, zowel als in mensen en dieren.
7. Bovendien beschouwde ik het kleine vonkje van de mens, wat hij toch tegenover dit grote werk van hemel en aarde voor God voor achting zou mogen hebben.
8. Omdat ik echter bevond dat in alle dingen kwaad en goed was, in de elementen zowel als in de schepselen, en dat het in deze wereld de goddeloze even goed ging als de vrome, ook dat de barbaarse volkeren de beste landen in bezit hadden en dat het geluk hun nog wel gunstiger gezind was dan de vromen;
9. Werd ik daarom heel melancholiek en hoog bedroefd en kon mij geen Schrift troosten hoewel deze mij toch goed bekend was: waarbij de duivel dan zeker geen vrijaf genomen zal hebben, welke mij toen vaak heidense gedachten inblies die ik hier wil verzwijgen.
10. Toen zich echter in deze jammerlijke toestand mijn geest (waarvan ik weinig en niets verstond wat hij was) ernstig in God verhief als met een grote storm, en mijn hele hart en gemoed samen met alle andere gedachten en wilsstrevingen zich allemaal daarbij insloot, om zonder ophouden met de liefde en barmhartigheid Gods te worstelen en niet op te houden vóór Hij mij zegenen zou – dat is: Hij mij met zijn Heilige Geest zou verlichten opdat ik zijn wil zou verstaan en van mijn treurigheid bevrijd zou worden –; tóen brak de Geest door.
11. Toen ik echter in mijn ontbrande ijver zo hard tegen God en de poorten van alle hellen aanstormde alsof ik nog meer krachten zou hebben, met de wil om het leven op het spel te zetten (wat overigens niet in mijn vermogen gelegen zou hebben zonder de bijstand van Gods Geest), toen is na ettelijke stormen mijn geest spoedig door de poorten van de hellen heen gebroken tot in het diepste innerlijk van de Godheid en daar met liefde omvat zoals een bruidegom zijn lieve bruid omarmt.
12. Wat voor een triomferen er echter in de geest geweest is, kan ik niet schrijven of zeggen: het laat zich ook met niets vergelijken als alleen daarmee waar midden in de dood het leven geboren wordt, en is te vergelijken met de opstanding uit de doden.
13. In dit licht heeft mijn geest spoedig door alles heen gezien en aan alle schepselen, ook aan kruid en gras, God gekend, wie hij is en hoe hij is en wat zijn wil is: evenzo is spoedig in dit licht mijn wil gegroeid met een grote aandrift om het wezen Gods te beschrijven.
(…)
17. Van dit licht heb ik nu mijn inzicht benevens mijn wil en aandrift; …
(…)
23. Merk nu op: Wanneer je je gedachten over de hemel neemt, wat hij is of waar hij is of hoe hij is, dan mag je je gedachten niet vele duizenden mijlen hiervandaan werpen: want die plaats of hemel is niet jouw hemel. En hoewel hij met jouw hemel verbonden is als één lichaam – en er is ook maar één lichaam van God – ben je toch niet op die plaats die vele honderdduizenden mijlen hoog is, tot schepsel geworden; maar in de hemel van deze wereld, die óók zo’n diepte in zich heeft dat geen menselijk getal haar kan weergeven.
24. Want de echte hemel is overal, ook op de plaats waar jij staat en gaat: Wanneer je geest het diepste innerlijk van God aangrijpt, en door de sterren en de vleselijke lichamen heen dringt, dan is hij al in de hemel.
25. Dat het echter waarachtig is dat er een zuivere, schone hemel in alle drie de zijnsbereiken boven de diepte van deze wereld is, waarin Gods Wezen samen met de Heilige Engelen heel zuiver, mooi en vreugdevol opengaat, dat is niet te loochenen en diegene die dat ontkende, zou niet uit God geboren zijn.
26. Je moet echter weten dat de plaats van deze wereld met zijn diepste innerlijk met de hemel boven ons in verbinding staat, en één hart, één wezen, één wil, één God, alles in alles is.” (…)”

1.2.2 Aurora 9: besef van wat hij, Jacob Böhme, kan toevoegen
“…
8. Wat is nog verborgen? De juiste leer van Christus? Nee maar de FILOSOFIE en de diepe grond van God, de hemelse zaligheid, de openbaring van de schepping van de engelen, de openbaring van de gruwelijke val van de duivel, waar het kwaad uit voortkomt, de schepping van deze wereld, de diepe grond en geheimenis van de mens en van alle schepselen in deze wereld, het laatste oordeel, en de verandering van deze wereld, het geheim van de opstanding van de doden en van het eeuwige leven.
9. Dit zal in de diepte in grote eenvoud duidelijk worden. Waarom niet in de hoogte, in de kunde? Opdat zich niemand er op zou beroemen dat hij het gedaan heeft, en opdat de hoogmoed van de duivel hiermee aan het licht gebracht en teniet gedaan zou worden. Waarom doet God dat? Uit zijn grote liefde en barmhartigheid jegens alle volkeren en om hiermee aan te duiden dat nu de tijd van de terugbrenging is aangebroken van dat wat verloren is, zodat de mensen de volkomenheid zullen zien en genieten, en zullen verwijlen in de zuivere, lichte en diepe kennis van God.
10. Daarom zal daaraan vooraf een morgenrood opgaan waardoor men de dag zal kunnen kiezen en opmerken. Wie nu wil slapen, die slape maar altijd door, en wie er wil waken en zijn lampen versieren, die wake maar altijd door. Zie de bruidegom komt, wie nu waakt en zich versierd heeft, die gaat recht de hemelse bruiloft in: maar wie slaapt wanneer hij komt, die slaapt altijd en eeuwig in de duistere kerker van de toorn.
11. Daarom wil ik de lezer getrouw gewaarschuwd hebben, dat hij dit boek vlijtig leze en zich niet aan de eenvoud van de auteur ergere, want God acht niet het hoge want alleen HIJ is hoog maar hij ziet hoe hij de nederige moet helpen. Wanneer het zo ver met je komt dat je de geest en idee van de auteur begrijpt dan zul je geen aansporing meer nodig hebben, maar zul je je in dit licht verheugen en vrolijk zijn en je ziel zal daarin lachen en zich hoog verheffen.
…”

1.3 De essentie, grenzen van ons bewustzijn en bestaan, paradijs

1.3.1 Joodse boeken: Job, Zacharia
1.3.1.1 Job 42:3b; Job reageert op een uitgebreide lofzang op de wonderen van de werkelijkheid

“Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip,
over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.”

1.3.1.2 Zacharia 4:6b; uit een profetie over het herstel van de tempel door een uit de ballingschap teruggekeerde groep onder leiding van Zerubbabel: forceren op basis van individueel inzicht is niet de methode, maar aansluiten bij wat vanuit het geheel gezien nodig is, en dat reikt verder dan beperkte redenatie. De profeet spreekt namens “JHWH van de hemelse machten”.

“Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen, maar met de hulp van mijn geest.”

1.3.2 Daodejing 52 van Lao Zi (samengevat); in de Daodejing – “het grote boek [jing] van de oorsprongsweg [dao] en de levende energie of deugd [de]” – wordt aangeduid wat dieper is dan in woorden beschreven kan worden, en toch elementair is voor al het ervaarbare; in dit hoofdstuk doelen de ‘openingen’ op de kanalen van contact tussen binnen- en buitenwereld van de mens)

“De onzichtbare oorsprong (dao) van de verschijnselen is als hun moeder. Moeder en kinderen verwijzen naar elkaar. Door voeling te houden met hun moeder vermijden we levenslang het gevaar. Dicht de openingen dan raak je niet uitgeput; door ze te openen en in bedrijvigheid te vervallen, red je het niet. Het vermogen om het kleine te zien, is helder inzicht; voeling houden met het zachte, betekent sterkte. Zijn uiterlijke licht gebruikend gaat men terug naar die innerlijke helderheid. Dan vermijdt men onheil. Dit heet het beoefenen van bestendigheid.”

1.3.3 Paradijs
1.3.3.1 Paradijs aan het kruis (Evangelie naar Lukas 23:32-43)

“Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden. Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat ze doen.’ De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’ Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’ Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat?’ Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’”

1.3.3.2 Hulp aan behoeftigen (Evangelie naar Matteüs 25:31-40)

“Als de Mensenzoon komt, zal het zo gaan: Hij komt met alle engelen uit de hemel. En hij zal als koning op zijn troon gaan zitten. Dan worden alle mensen uit de wereld bij hem gebracht. Hij zal de mensen verdelen in twee groepen. Net zoals een herder zijn schapen verdeelt in schapen en bokken. De Mensenzoon zet de ene groep mensen aan zijn rechterkant en de andere groep mensen aan zijn linkerkant. Dan zal de Mensenzoon tegen de mensen aan zijn rechterkant zeggen: ‘Kom, de nieuwe wereld is voor jullie. Want mijn Vader heeft het echte geluk voor jullie bestemd, zoals al de bedoeling was vanaf de schepping. Want toen ik honger had, gaven jullie mij te eten. Toen ik dorst had, gaven jullie mij te drinken. Toen ik een vreemdeling was, namen jullie mij in huis. Toen ik naakt was, gaven jullie mij kleren. Toen ik ziek was, zochten jullie mij op. Toen ik gevangen was, kwamen jullie naar mij toe.’ Dan zullen die goede mensen zeggen: ‘Maar Heer, wanneer is dat gebeurd? Wanneer had u honger en gaven we u te eten? Wanneer had u dorst en gaven we u te drinken? Wanneer was u een vreemdeling en namen wij u in huis? Wanneer was u naakt en gaven we u kleren? Wanneer was u ziek of gevangen, en kwamen we naar u toe?’ Dan zal de Mensenzoon tegen hen zeggen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Elke keer dat jullie iets goeds deden voor een van de onaanzienlijksten van mijn broers of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.’ ”

1.3.3.3 Kind worden (Evangelie naar Matteüs 18:1-5)

“Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de belangrijkste in het koninkrijk van de hemel?’ Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer en zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: als je niet verandert en wordt als een kind, kun je de nieuwe wereld niet binnengaan. Je moet jezelf net zo onbelangrijk maken als dit kind. Dan zul je de belangrijkste zijn in het koninkrijk van de hemel. De mensen die in mij geloven zijn net zoals kinderen. Iedereen die hen met open armen ontvangt, die ontvangt mij.’ ”

1.3.3.4 Edele pareltje (Böhme, Myst.Magn. 26:40)

“En hierin schuilt het edele pareltje: Lieve broeders in de strijd, als jullie het zouden weten, zouden jullie met de strijd ophouden, en het verstand een dwazin noemen. Geen eigen onderzoekingen grijpen het, maar de wil die zich vrij heeft overgegeven in Gods erbarmen, die door de weg van de ernstige boetedoening en afsterven van zijn eigen kwade wil binnengaat, die valt in Gods erbarmen, die wordt gegrepen; en buiten dit is er louter rennen, lopen en willen, en kan er toch niets gegrepen worden behalve in de gelaten wil, in Gods erbarmen.”

1.4 De essentie ruimte geven om naar buiten te komen (Böhme, Theoscopia of de allervoortreffelijkste poort van het zien van God of de goddelijke verlichting, III:19)

“Want de Geestelijke wereld van het vuur, [het] licht en [de] duisternis, staat verborgen in de zichtbare wereld van de elementen en is werkzaam door de zichtbare wereld heen, en wordt door de onderscheidmaker* met zijn uitstroming in alle dingen gevormd volgens aard en eigenschap van ieder ding apart. Zoals ieder ding één aard en eigenschap heeft, ontvangt het een zodanige eigenschap ook van de onderscheidmaker van de innerlijke Geestelijke kracht. Niet om zelf greep te krijgen of tot eigen macht ontvangt het zichtbare wezen het onzichtbare, opdat het uiterlijke daardoor in het innerlijke [van het zelf of de eigen macht] veranderd zou worden, nee, zo is het niet: de innerlijke kracht vormt zich alleen op die wijze zoals wij het aan de krachten van planten, bomen en metalen begrijpen, namelijk opdat de uiterlijke geest daarvan slechts een werktuig van de innerlijke geest, te weten van de innerlijke krachten zou zijn, waardoor zich de innerlijke kracht in de uiterlijke geest vorm geeft.
* Of: splitser (de bewerker van het uiteengaan van wezens/ dingen en hun eigenschappen in afzonderlijke of tegengestelde nieuwe trajecten en processen)

(Als niets (de ongrond) tot iets (of grond) wordt, herkennen we daarin de wil tot zelfopenbaring die het andere [dan het zelf van die wil] nodig heeft om zich te ervaren; in de zo gevormde spiegel van zichzelf ervaart het zelf zich als de wijsheid; als die wil slechts met zichzelf rekening houdt, scheidt zij zich (teveel) af maar als zij terugbuigt naar de eenheid met de oorspronkelijke wil, vindt zij die in het opgaan in God, die oorsprong en doel is van alles. Alle processen weerspiegelen [als ‘uiterlijke’ processen] behalve elkaar tegelijk innerlijke ervaringen. De hoogste ‘taal’ lijkt bij Böhme die van de engelenkoren, wier reien en lofzangen hij vaak noemde als in beginsel nooit eindigende, altijd wisselende beelden van de hoogste harmonie en schoonheid in alzijdig ontvangen en dito activiteit. De eenheid van alle tegenstellingen wordt hersteld als de (afgezonderde) ‘eigenwil’ wordt opgegeven ten gunste van de instemming (wil) met de op harmonie gerichte alomvattende goddelijke wil, waarin de afzondering haar positieve tegendeel én voltooiing vindt. De vetgedrukte tekst is een directe parallel van het ‘vanzelf zo zijn’ van het daoïsme van onder meer Lao Zi.)

1.5 Pascal en Borges
1.5.1 Blaise Pascal

“Het hart heeft zijn redenen, die het verstand niet kent.”

1.5.2 Jorge Luis Borges: gedicht ‘Wolken’

Wolken

“Er is wellicht geen ding dat niet een wolk is.
Wolken zijn de kathedralen van lijvig steen en bijbelse ramen
Die de tijd slechten zal.
Wolk is de Odyssee, die telkens als we haar openslaan verandert als de zee.
De weerglans van je gezicht is al anders in de spiegel
En de dag is een twijfelachtig labyrint.
Wij zijn die gaan.
De welgevormde wolk die oplost in het avondrood is ons beeld.
Onophoudelijk gaat de roos over in een andere roos.
Je bent wolk, zee, vergetelheid.
Je bent ook wat je hebt verloren.”

2 Het zien van God; wat is wijsheid?
Wie God ‘ziet’, ziet ‘als’ God: “Theoscopia oder von Göttlicher Beschauligkeit”. Zien als God impliceert één worden met God. ‘Een’ worden van en met het proces dat alle processen omvat. Waarin elk einde een nieuw begin is, elk sterven het begin van een nieuw leven. Dat samen met alle levens het hoogste, goddelijke leven is, de goddelijke werkelijkheid waaraan wij op alle niveaus deel hebben, onbewust en bewust, waar ons begin, onze weg en ons einde samenvallen, inclusief ons sterven. Waarbij wij ons laten leiden door de alomvattende Wijsheid (ook Geest van God en Heilige Geest genoemd) die mede schiep en mede terugvoert. Waarbij ons beperkte, afgescheiden ik weer opgaat in en gedragen wordt door de volheid van God en daarmee harmonieert in een alomvattende, oneindige vreugdezang. ‘Een’ door alle tegenstellingen heen, zelfs de moeilijkste, de grootste, de meest onpeilbare.
Onze spirituele groei kenmerkt zich door achtereenvolgende vereenzelvigingen. Na de symbiose met onze moeders die ons droegen, onze vaders die ons verwekten, met de wereld die bepalend werd voor ons opgroeien en onze vorming, nemen we steeds meer een eigen identiteit aan en onderscheiden ons daarmee van anderen. Böhme zag een vergelijkbaar proces bij alle afzonderlijke verschijnselen. Zij komen voort uit ‘Een’ door afsplitsing. De zelfbewustwording van ‘Een’ door en in het vele dat zichzelf identiteiten toekent en daarin opgaat, wordt gespiegeld op alle volgende niveaus, in alle volgende verschijningsvormen. Wanneer wij spiritueel vast zitten, is de oorzaak vaak het verabsoluteren van een bepaalde identiteit, anders gezegd dat een bepaald individu of individueel verschijnsel zich geheel identificeert met een bepaalde vorm of rol. Ook onze religieuze beelden en voorstellingen, inclusief onze godsvoorstellingen, zijn onderdelen van dit proces. Dat wij in de Abrahamitische godsdiensten de gewoonte aangenomen hebben om ‘God’ als uniek en transcendent voor te stellen, kan daarom in bepaalde situaties en opzichten een valkuil worden. Namelijk wanneer we vergeten dat ook ‘God’ zijn verschijningsvormen en geschiedenis heeft. Zodoende is gezocht naar andere woorden die echter alle het risico dragen eenzelfde valkuil te worden (grond, ongrond enzovoort). Zo kunnen we leren dat woorden altijd hun beperking hebben, zelfs de meest omvattende, al was het alleen al omdat ook woorden en talen in oneindige verschijningsvormen voorkomen, soms tot verdriet soms tot vreugde.
Böhme besefte dat spirituele ontwikkeling uiteindelijk samenvalt met het loslaten van onze zelfgekozen (dat is op basis van “eigen wil” gekozen) identificaties en het terugkeren in de harmonie van ‘Een’. Die hij gerust ook de Wijsheid en de goddelijke harmonie durft noemen. Böhme was zich bewust dat elke taal tekort schiet in het volledig omschrijven van het geheim van ons bestaan, het bestaan van de kosmos en de toekomst ervan. Hij wist dat dit geheim om telkens nieuw spreken vraagt en zal vragen. Waarbij we onze vorige identificaties loslaten op weg naar nieuwe. En op weg naar ‘Een’. Zij het dat ‘Een’ daarbij niet het definitieve woord is voor een vaststaand en objectief te omschrijven iets maar voor datgene dat alles omvat (zoals alles uit ‘Een’ voortkomt, zal alles in ‘Een’ bestaan en uiteindelijk ook in ‘Een’ opgaan): verleden en toekomst, begin en einde, tijd en eeuwigheid, leven en dood. Het nieuwe zal niet gelijk zijn aan het oude maar wat er is, zal altijd ‘Een’ zijn als actuele expressie van ‘Een’ waarin alle vroegere en toekomstige expressies begrepen zijn. Hoe die toekomstige expressies er uit zullen zien, weten wij niet bij voorbaat precies. Wel dat zij alomvattend zullen blijven, zoals wij en andere verschijnselen nu al onderdeel uitmaken van de processen erheen. Dat maken we ook bewust mee in de mate waarin we onszelf los durven laten en in durven spelen op wat past bij de harmonie ervan, op het goede, het schone, het ware – al schieten woorden hierbij altijd te kort zover ze willen vastleggen; wanneer we ons verzetten, kan de pijn groter worden en het bewustzijn van het geheel minder. Wie ‘Een’ heeft ervaren, durft zich er aan over te geven, en vindt dan nieuwe vormen en taal. Het begraven van de vorige, de ‘doden’ die nog in hun identificaties vastgeketend zijn, mag overgelaten worden aan henzelf.
Ieder wezen mag kind van de Wijsheid zijn, ontvangt zichzelf en alles en geeft die geschenken spelend en medescheppend door – mag onbevangen meedoen in het grote spel van het systeem in verandering. Dat kunnen wij alleen samen met allen en alles.
Wij zijn die wij zijn slechts samen met alles en allen, ook zover wij die niet kennen en ook zover anderen ons niet kennen. Het zien van God maakt onderdeel uit van dat rekening houden met elkaar en omgekeerd. Om met de Talmoedgeleerde en Westers filosoof Emmanuel Lévinas te spreken: de diepste werkelijkheid zien wij in het gelaat van de ander, de lijdende en de gemeenschap zoekende. Zodat dat zien één grote heelmaking, ontmoeting en feest kan worden, als wij onze ontvankelijkheid en onze verantwoordelijkheid combineren. Want de werkelijke heelheid of totaliteit ligt niet in dwang maar in vrije solidariteit en liefde.
Zonder dat we ook maar een moment hoeven te doen of dat proces van zijn en kennen ooit zal stoppen. Maar het betekent wel het opgeven van onze voorrang voor het kleine berekenende denken boven het wijze alomvattende bewustzijn dat liefde omvat. Zonder zijn partner Vrouwe Sophia was en is ook God de Vader slechts eenzaam. Leren kinderen van Sophia te worden wens ik u/ jullie en alle levende wezens toe. Böhme sprak over die toestand van heelheid vaak in termen van hoorbare en zichtbare harmonieën en dansen, wel wetend dat zij slechts betekenis krijgen doordat we van hun tegendelen weten, en omgekeerd; van alle die we kennen en alle die we nog niet kennen.
Böhmes oog voor de wereld was dan ook tevens een oog voor de kosmos en voor God en Sophia, in wellicht nog inclusievere zin dan wij soms beseffen. Alle verschijnselen, al hun veranderingsprocessen, al hun onderlinge relaties, alle wezens in hun ontstaan en vergaan, zijn enerzijds zichzelf en anderzijds tegelijk altijd verbonden met alle andere.

De lessen van Jezus (een samenvatting van spreukenbron Q1), met enkele historische aantekeningen

DE LESSEN VAN JEZUS *

‘Luister wat ik jullie te zeggen heb.
Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.
Leven omvat de dood; beperkingen en tegenslagen onder ogen zien
is een mogelijkheid voor het ware leven. Onverwacht of voorbereid
kunnen we in vreemde of zelfs de moeilijkste omstandigheden terecht komen.
Zie de werkelijkheid zonder vluchten recht in de ogen en breng haar tot bloei.
Oordeel en veroordeel niet, anderen noch jezelf. Niemands geheimen blijven verborgen.
Leer liever jezelf goed kennen en ga heilzaam met jezelf en de wereld om.
Spirituele kwaliteit blijkt pas uit de vruchten van iemands gedrag.
Niet wie zichzelf prijst maar wie voorkomend en heilzaam handelt, zal geprezen worden.
Materiële zekerheid heb ik niet en bied ik niet,
maar als je naar mijn woorden luistert en er naar handelt,
zal dat het rotsvaste fundament van jullie leven blijken.
Weet je helemaal vrij van je afkomst en je sociale omgeving en wees vrij van vooroordelen.
Stel de onvoorwaardelijke liefde en solidariteit voorop die jullie hebben leren kennen;
mededogen gaat verder dan zelfredzaamheid.
Zelfhandhaving en het bewaken van eigen lijf en goed
zijn te bekrompen voor het delende, echte leven van kinderen van de Allerhoogste.
Denk je de situatie van de ander in en kom je vijanden niet minder tegemoet dan je naasten,
beantwoordt zelfs de kwaadste bedoelingen met goede wensen, voorbeden en goedheid.
Vraag niet terug als je iets aan iemand leent.
Laat jullie leven radicaal ontwaken en veranderen vanuit jullie vertrouwen
in onze hemelse Vader, bij wie jullie veilig en geborgen zijn.
Richt je op de werking van onze Vader in jullie binnenste
en vertrouw op de geest van innerlijke vrijheid en solidariteit die jullie voor altijd hebben ontvangen.
Kun je soms beslissen op te houden met ademhalen? Wat is het dan dat door jou ademt?
Verbreid welwillende liefde zonder onderscheid, breng het hemelse koninkrijk mee aan het licht,
vertel aan allen die er van willen horen dat het hun heeft bereikt!
Haal deze grote oogst binnen al zijn jullie onschuldige lammeren onder de wolven.
Neem onderweg niets extra’s mee. Aanvaard de gewone gastvrijheid en voorzieningen
maar zonder er misbruik van te maken. Genees de zieken.
Wie het koninkrijk aannemen horen er bij en delen erin,
maar zeg tegen wie het verwerpen dat het niettemin voor de deur staat.
Durf voluit jouw droom te leven en jouw licht te laten schijnen:
wat je ervaren hebt, wat je ontvangen hebt, wat je beweegt en wat je kunt doorgeven.
Laat anderen voluit delen in je gaven en houd het vuur van je inspiratie brandend.
Wees niet bang voor het oordeel en de macht van anderen en spreek vrijuit.
Als je jouw en andermans problemen niet ontkent maar aandacht geeft,
hoef je je niet andermans visie op te laten dringen op wat voor jou realistisch is.
Wat brengt grotere vreugde dan je ware krachtbron vinden,
je vreugde delen en iemands nood verlichten?
De vrede van het koninkrijk begint met ontvankelijkheid, moed en inzicht,
met het loslaten van iedere innerlijke tweespalt in jezelf en met je omgeving.
Een verlichte, vriendelijke geest blijkt uit onvoorwaardelijke vrijheid en solidariteit hier en nu.
Zit niet vast aan verborgen belangen en schijnzekerheden.
Maak je geen zorgen over je bestaan en je uiterlijke levensbehoeften
– waar de mensen van de huidige wereld altijd maar voor in de weer zijn.
Met zorgen maken voeg je aan je leven niets toe.
Zelfs over wat je rechtmatig toekomt, moet je je niet onnodig druk maken.
Richt je liever op de schat die niet vergaat, het koninkrijk dat ik jullie onthul.
Laat alle angst en eigendunk varen. Kijk hoe een vogel en een bloem leven!
En jullie zijn nota bene kinderen van onze Vader tot wie jullie altijd toegang hebben!
Verkoop je rijkdommen en geef giften aan wie het nodig hebben.
Het koninkrijk Gods zal jullie deel zijn en jullie zullen het zien groeien:
een helder oog vol licht; vertrouwen, liefde en verbondenheid;
jullie ware bestemming en die van de wereld;
éénheid met onze Vader en zijn koninkrijk, het eeuwige leven hier en nu.
Wie mij wil volgen geeft aan dit koninkrijk radicaal voorrang
boven alle gehechtheden, zaken, banden met de familie waaruit hij of zij voortkomt en zogenaamde verplichtingen.
Laat de doden hun doden begraven en word helemaal vrij,
dan kun je ongehinderd deelnemen aan het grote feestmaal.
Wees bereid je leven te verliezen – dan zul je het winnen,
en een krachtig zout voor de wereld blijven.
Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.’

* Een nieuwe verwoording en uitleg (voorlopige versie) naar de waarschijnlijk oudste schriftelijke bron (Q1) van de evangelies naar Matteüs en Lukas. Ik maakte deze verwoording tijdens de voorbereiding van mijn boek Wat Jezus werkelijk zei, als hulpmiddel om Jezus’ boodschap volgens Q1 (zie het genoemde boek voor verdere uitleg; het gebruikt ook uitgebreidere en meer bronnen!) beter te begrijpen. Het is dus niet per se mijn actuele samenvatting van Jezus’ boodschap, waarvoor ik in het genoemde boek de betrouwbaarste historische bronnen probeer aan te geven; en die een niet minder intrigerende boodschap opleveren.
Aanvullend bij dat boek merk ik graag op:
(1) Jezus wordt in alle bronnen over hem van de eerste eeuw zonder meer beschreven en geciteerd als heelmeester/ ‘healer’ in de spirituele en in de sociale betekenis daarvan (medisch was zo anders in die tijd dan nu, dat we hem moeilijk ‘dokter’ kunnen noemen, ‘geneesheer’ zeker wel maar dan met nadruk op de innerlijke verandering al ging daar vaak een uiterlijke ofwel lichamelijke mee gepaard). In onze tijd onderscheiden wij (ik ook, zij het zonder de belangrijke raakvlakken weg te poetsen) lichamelijke en geestelijke genezing, dat werd in die tijd, net als in minder ‘wetenschappelijke’ en ‘modern-westerse’ omgevingen, niet zo onderscheiden of zelfs gescheiden als tegenwoordig!
(2) Jezus wordt in alle bronnen geschetst als iemand die afstand nam van economische, sociale en politieke onderdrukking en onvrijheid: Jezus nam afstand van allen die op een bepaald terrein de machthebbers of aanvoerders waren, als zij dat deden ten koste van gewone mensen; de regels die zij daarvoor hanteerden, draaide hij daartoe zo nodig om.
(3) Jezus hanteerde ook continuïteit met de traditie als bouwsteen voor zijn bevrijdende heelmakingswerk, maar in vrijheid om mensen – en waar nodig ook die tradities – nog ‘heler’ en ‘helender’ te maken.
(4) Jezus ging voor dit koninkrijk van heelheid en dit hield in dat er niemand in dit koninkrijk hoger was dan een ander, zelfs niet dan een kind dat onschuldig en ontvankelijk is. Die is het ‘hoogste’, en op die manier dient ieder de ander, en dienen samen allen.
(5) Vergelijk de eerste opmerking: de moderne suggestie dat het leven ten diepste slechts wetenschappelijk te kennen zou zijn, is even magisch als de magie die men met deze opvatting zou willen bestrijden. Ieder moment van ons bestaan en van elk bestaan is hoogst wonderlijk, hoogst ‘magisch’, waarmee ik zeg dat het rationeel herkennen van patronen in de werkelijkheid die wonderlijkheid van het bestaan nooit volledig weg kunnen poetsen. Het is dus belangrijk ons voortdurend af te stemmen op elkaar en onze hele omgeving (vice versa). Althans zolang wij daartoe in de gelegenheid zijn: iets om te bevorderen! (…)
(6) Uit alle onderzoeken die ik tot nu toe verricht heb, kan ik niet anders concluderen dan dat Jezus nooit zo iets als de kerkelijke traditie op het oog heeft gehad. Alleen punt 4 toont dit al met zekerheid aan, tenminste als je ‘kerkelijke traditie’ opvat als een sociaal gebeuren (hiërarchie van functies die personen uit elkaar haalt) in strijd met het belangrijkst zijn van ‘de minsten’. Bij dat ideaal past geen organisatiestructuur voor de lange termijn, slechts permanente zorg voor elkaar zonder daaruit functionele laat staan persoonlijke voorrechten af te leiden; bij dat ideaal past wel dat tijdelijk ieder de functie uitoefent die het beste bij het dienen past, zij het altijd onder voorwaarde van het ‘kind worden en blijven’ in geestelijke zin (dit kan heel goed betekenen ‘terugkeer naar innerlijke openheid, ontvankelijkheid en ongereptheid’).
Uit dit alles kan de conclusie getrokken worden dat noch een bepaalde kerkelijke hiërarchie noch een bij die bepaalde traditie passende en daarin vastgestelde, meer uitgewerkte kerkelijke grondwet of bijpassende theologie ooit door Jezus bedoeld zou zijn (zo werd bijvoorbeeld ook de bijbel samengesteld, wat gemakkelijk te zien is aan de manier waarop iedere groep of traditie er haar eigen bijbel op na houdt, wat vaak ook betekende dat de belangen van bepaalde sociale groepen meer of minder in zicht komen; en tevens dat de uitleg aan bepaalde groepen wordt voorbehouden). Ook kan de conclusie getrokken worden dat de sociale en politieke stellingname van Jezus eenzelfde radicaliteit vertoonde, en dat de volgelingen van Jezus niet op overleven op de langere termijn gericht waren behoudens dat het ideaal ieder moment opnieuw gerealiseerd kon worden, en geen aanpassing aan de heersende machten inhield zover die haaks stond op het ideaal. Al vrij snel na Jezus’dood bewandelden verschillende groepen volgelingen van Jezus verschillende wegen! Je had allereerst de Aramees sprekende groep in Jeruzalem rondom Jezus’ broer Jacobus, en in de eerste eeuwen vele Aramees of oud-Syrisch sprekende groepen in de gebieden waar die talen prominent waren. Zij volgden aanvankelijk vele gebruiken van de standaard Joodse tradities uit die tijden. Dan had je, ook al direct in Jeruzalem, de groepen die het Grieks spraken dat in het Romeinse Rijk de gangbare taal was; de woorden van Jezus werden al snel behalve in het Aramees ook in het Grieks bekend. De uiteenlopende groepen hielden er hun eigen spreukenverzamelingen van Jezus op na, en later hun eigen evangelies. De groepen om Jezus heen werden geacht voor zichzelf te zorgen, alle goederen en lief en leed te delen, en stelden zich verder niet bij voorbaat, maar wel telkens opnieuw de criteria van Jezus’ lessen toepassend, loyaal of deloyaal op ten aanzien van de heersende machthebbers of andere sociale, economische en politieke realiteiten. Daarbij legden zij eigen accenten, waarbij hun ideaal niet alleen de eigen gemeenschap maar zeker bij de Grieks sprekende groepen ook een oog voor de grotere wereld omvatte (maar dit ideaal ging niet zover dat het overleven van de eigen groep ondergeschikt werd gemaakt aan universele idealen, die zij wel hadden maar waarover zij realistisch waren). Op deze punten legden de diverse Aramees sprekende en Grieks sprekende groepen in de uiteenlopende gebieden en (dus) culturele omgevingen waar zij woonden, eigen accenten in de opvattingen en uitleg van de geestelijke erfenis van Jezus. Het is waarschijnlijk dat universele en kosmische verhoudingen waar ruimte was om die te overwegen, niet exclusief en particulier werden gehanteerd maar inclusief en universeel; maar waar er geen ruimte voor inclusief en universeel denken was, werden belangen van niet-groepsgenoten of niet-volksgenoten slechts zover in praktijk gebracht als praktisch haalbaar was. De opoffering en onderlinge hulp moeten echter heel sterk geweest zijn, uiteraard door de geest van Jezus die hen (ook na zijn dood) beïnvloed had en door het groepsleven dat zij daarna gingen leiden (waarschijnlijk al zeer snel in zeer uiteenlopende groepen, qua taal – Aramees of Grieks – en qua woonplaats). De lessen van Jezus zelf zijn echter nooit bedoeld geweest als model voor een aparte nieuwe godsdienstvorm of traditie, wel als een direct begrijpelijke en uitvoerbare combinatie van spirituele beleving en praktisch inzicht enerzijds en van solidariteit en gerichtheid op “heel maken” anderzijds. Daarbij valt op dat maatschappelijke solidariteit en spirituele intensiteit en uitbundigheid tot de kernelementen van de groepen volgelingen van Jezus behoren, net als voor Jezus zelf. Wie Jezus wil volgen, kan daarmee nog steeds ieder moment beginnen en dat voortzetten, en zal zich vervolgens moeten verstaan met zichzelf, zijn medevolgers en zijn omgeving; uiteindelijk in verbondenheid met al wat verder is. Daarbij zullen sommige elementen van de lessen van Jezus in nieuwe situaties direct begrijpelijk en toepasbaar zijn als die situaties dat mogelijk maken omdat zij vergelijkbaar zijn, maar mogelijk niet direct wanneer criteria of situaties zo anders zijn dat een vertaalslag onvermijdelijk blijkt. Ook dan blijven de criteria van de lessen van Jezus boeiende uitgangspunten, maar vraagt de directheid en radicaliteit van Jezus wellicht om een iets complexer vertaling (complex vanwege de vertaling, maar niet noodzakelijk vanwege de eenvoudige uitgangspunten). Dat doet weinig af aan de eenvoud die de lessen van Jezus lijken te bieden. Zij verwijzen wellicht naar zaken die zo elementair zijn dat zij bijna universeel zouden kunnen lijken of zijn. Dat is een uitdaging voor ieder die daarmee te maken krijgt. Inclusief de uitdaging die er in ligt, dat de lessen van Jezus niet meer zo universeel en eenvoudig verstaanbaar zouden blijken als dat zij voor hem en zijn eerste groepen volgelingen lijken te zijn geweest. Aan die universaliteit en eenvoud kan ik en kunnen velen wellicht nog steeds en misschien ook dan, in onbekende toekomende tijden, nog voorbeelden en inspiratie ontlenen.
Aanvullend merk ik op dat de geleerde Margaret Barker het belang van de oude Hebreeuwse tempel en van het herstel van de betekenis ervan voor Jezus krachtig verduidelijkt heeft. Die betekenis combineert de verticale en horizontale dimensies, en blijkt krachtig uit de zogeheten Johanneïsche geschriften van het Nieuwe Testament die dat herstel van de betekenis van de oude tempel voorstaan (denk aan het Nieuwe Jeruzalem). Zij illustreert dat zowel aan de boeken van het zogeheten Oude Testament als aan de Henochitische en andere apokalyptische geschriften en tradities, en vele parallellen waaronder de geschriften die bij Qumran gevonden zijn, die een geheel nieuw licht op Jezus en zijn volgelingen werpen (zoals de geschriften van Nag Hammadi dat voor de helleniserende volgelingen van Jezus doen). Ik voeg hieraan toe dat de discussie onder wetenschappers en theologen groot is, omdat zij de beperkingen van de gangbare keuze voor de geschriften van het Oude Testament en het Nieuwe Testament – althans van de ooit gemaakte menselijke keuzes daarvoor – krachtig aantoont. Dat verandert het beeld van Jezus minstens in de zin dat hij bovengenoemde uitspraken ook als heel praktische kritiek op de heersende Joodse religieuze praktijken deed. Wat niet wil zeggen dat hij die niet op andere praktijken zou hebben gehad, als hij die gekend zou hebben. Ook daarvoor geldt dat we zijn omstandigheden en de eenvoud van zijn boodschap kunnen combineren. Het past ook bij een uitleg van zijn opstanding (en die van zijn volgelingen) als in de eerste plaats innerlijke hereniging met de hemel. Dat innerlijke koninkrijk zal het uiterlijke tot gevolg hebben: een heling van de hele werkelijkheid in alle opzichten. Dat we die zo moeilijk kunnen voorstellen, is niet omdat zij ondenkbaar is maar omdat wij alle vaste opvattingen en onwrikbare verschijnselen (waaronder vele die wij niet als prettig ervaren) als onveranderlijk ervaren: niet in het perspectief van de realiteit van verandering die er nu eenmaal ook altijd is, maar alleen in het perspectief van de huidige moeiten, alsof een eind daaraan niet denkbaar is. Zonder verandering zouden we überhaupt niets ervaren, en wie aan het onwrikbare vasthoudt, is verder van huis dan wie zijn idealen van verandering ten goede uitleeft. Zeker is dat sommige veranderingen vlugger gaan dan andere, en dat verspreiding van invloeden tijd neemt. Maar dat kun je ook als troost ervaren. De keuze tussen een positieve of negatieve uitleg van veranderingen kan variëren, maar dat hoeft geen bezwaar tegen verandering als zodanig te zijn. Was Jezus’ dood niet ook zinvol als teken dat de machthebbers het morele ongelijk aan hun kant hadden? En was Jezus’ eenvoud en helende gerichtheid op een ‘hele’ wereld ofwel het ‘koninkrijk van de hemel’ (waar aarde en hemel huwen ofwel in balans komen net als alle tegenstellingen) niet iets waarvan permanent te leren valt, namelijk zo lang het streven ernaar nog enige betekenis kan hebben? Want hoeveel onbalans valt nog te herstellen, te beginnen in onszelf maar niet minder buiten onszelf? We zijn immers ten nauwste met de werelden om ons heen verbonden?
(7) Belangrijke vragen zijn: welke betekenis voorzag Jezus van zijn aanstaande dood? Deze vraag gaat er van uit dat Jezus op een bepaald moment van zijn leven inzag dat de autoriteiten hem zijn werk onmogelijk zouden maken door hem te doden. De vragen kunnen dan onder meer zijn: Wanneer zag Jezus dat voor het eerst in? Wat voorzag hij voor hem en zijn volgelingen na zijn dood? Het evangelie van Markus kan als poging worden gelezen om aan Jezus na zijn dood, dus achteraf, toe te schrijven dat hij zichzelf voorafgaand aan zijn dood al als Messias zag die zou moeten lijden en sterven om vervolgens glorieus op te staan en naar de hemel te gaan; dit kunnen we echter nogal voor de hand liggend uitleggen als een verklaring achteraf. In de Johanneïsche geschriften van het Nieuwe Testament ligt nadruk op de spirituele bevrijdingsstrijd van Jezus namens de hemel voor zijn aardse volgelingen die zal eindigen met het neerdalen van het hemelse Jeruzalem op aarde. De volgelingen van Jezus bleven na zijn dood verweesd achter maar hadden zo duidelijk ervaren dat Jezus ieder moment van zijn leven als heelmaker mensen in alle opzichten op liet staan. Dat gold voor uiterlijke zieken die hij genas, voor innerlijke zieken die hij innerlijk liet opstaan; allemaal gingen ze meedoen in het proces van verdere heelwording en heelmaking. Het zou historisch best zo hebben kunnen gaan dat opstanding pas later de betekenis van letterlijke opstanding uit de fysieke dood kreeg, namelijk pas in het kader van de hellenisering (aanpassing aan de cultuur van het Romeinse Rijk) waarvan Paulus’ geschriften en de gnostische geschriften belangrijke voorbeelden zijn. Het heeft er veel van dat Jezus’ Aramees sprekende volgelingen in Jeruzalem zijn dood niet speciaal herdachten. En dat andere Aramees sprekende volgelingen in en rondom Syrië andere accenten legden bij hun interpretatie van Jezus’ boodschap dan de Jezusvereerders in het Grieks en Latijn sprekende Romeinse Rijk. Het vieren van de dood naast de opstanding van Jezus (en van zijn volgelingen) kreeg dus hier en daar sterk uiteenlopende betekenissen. In “het” Nieuwe Testament werden slechts de Paulinische en Johanneïsche geschriften opgenomen. Ook al zijn die door een aantal latere ‘christenen’ verzameld in één boek, wil dat niet zeggen dat die geschrifen dezelfde uitleg bieden op alle punten: zelfs de grote betekenis van Jezus die zij alle erkennen, geven zij nogal verschillend weer. Terwijl de boodschap van Jezus voor zijn dood betrekkelijk herkenbaar en eenvoudig was, werd die na zijn dood in al die verschillende kringen van volgelingen nogal uiteenlopend uitgelegd. Daarbij week men nogal eens af van de eenvoud van Jezus’ bevrijdende en helende boodschap en van de niet-hiërarchische houding van Jezus. Heelwording in alle opzichten, spiritueel en fysiek en sociaal, werd daarbij nogal eens ingeperkt tot een haalbaar minimum binnen een hiërarchische structuur die aan die aspecten van Jezus’ optreden en boodschap niet meer die direct herkenbare innerlijke en praktische bevrijding toekende – behoudens die welke men ervoer binnen het hiërarchische kader. Deze uitsplitsing in vormen en betekenissen leidde vaak tot een onderlinge afgrenzing via dogmatische en praktische regels en voorschriften, terwijl Jezus daar over het algemeen graag afstand van nam ten gunste van het heelmakingsproces van mensen, van hun bevrijding en heelwording in alle opzichten. Jezus zou mijns inziens van dergelijke hiërarchische structuren eerder afstand genomen dan ze verdedigd hebben: het gaat om het heelmaken, en heelmaken is niet steeds opnieuw ringeloren maar bevrijding, al kan die laatste het best gepaard gaan met structuren en solidariteit waarop men enigszins terug kan vallen! Maar dan doet men zichzelf ook geheel als duit in het zakje, want het gaat om de diepst denkbare en meest omvattend denkbare heelwording. Vermoed ik zo. Zelfs als men de veroordeling van Jezus als misdadiger tot de kruisdood daar bij haalt (wat bijvoorbeeld in de traditie van Paulus en van de synoptische evangelies Markus, Matteüs en Lukas het geval lijkt), blijft heelmaking toch de kern van Jezus’ optreden en boodschap. Iets wat gelukkig door velen herkend is, zowel buiten als in de naar hem als ‘Christus’ (Messias) genoemde stromingen. Het messiaanse rijk ofwel Jezus'”koninkrijk van de hemel” ging over de hemel op aarde, zoveel is wel zeker. En zo niet volledig verwerkelijkt, dan toch reeds gekomen en komend, buiten geen enkel onderdeel van de werkelijkheid om. Zover ik kan inzien, is in dat koninkrijk voortdurend sprake van herstel van balans, en kan ieder die ogen en handen heeft, daaraan bijdragen, om te beginnen door haar en zijn ervaring te delen.

OOG in OOG met Jacob Böhme: Rachel Ritman over de wijsheid van Jacob Böhme

EYE IN EYE WITH JACOB BÖHME BY RACHEL RITMAN
Meet Rachel Ritman to find out Böhmes ideas, importance and heritage at the Embassy of the Free Mind (Ambassade van de Vrije Geest) in Amsterdam, DATE and TIME: see website TICKETS: € 8,50 (excl. museum ticket, Stadspas and Museumkaart are valid)
LANGUAGE: Dutch, or English if requested

Bij de opening van de Böhme-tentoonstelling die tot maart 2020 in de Embassy of the Free Mind (Ambassade van de Vrije Geest) in Amsterdam te zien is, hield Mevrouw Rachel Ritman, zowel peetmoeder van dit intrigerende museum als ervaren beoefenares van de tradities van Rozenkruisers en hun verwanten, een toespraak in het Nederlands van 16 minuten [minuut 35.10 tot en met 49.30 op het volgende langere filmpje, zij wordt ingeleid in het Engels door Esther Ritman vanaf 33.30] waarin zij Böhmes (en haar eigen) inzichten op indrukwekkende wijze samenvatte. ‘Zo eenvoudig kan het zijn’: een echt geschenk!

Daarmee presenteerde zij haar boek ‘OOG in OOG met Jacob Böhme‘. Dit is een inspirerende inleiding in wat zij van deze ‘visionaire filosoof’ zoals zij hem treffend noemt, heeft geleerd. En wel door hem te plaatsen in de context van een aantal tijdgenoten, zowel voorlopers als opvolgers, die vanuit vergelijkbare impulsen hun gedachten op papier zetten, zoals Fludd, Coornhert en Comenius. En dat tegen de brede achtergrondstroom van Middeleeuwse voorlopers tot en met nog oudere ‘gnostici’* en ‘hermetici’*. De belangrijke verwantschap met de medicus en theoloog Paracelsus en met de piëtistische theologen Franck en Weigel, evenals met verschillende kabbalistische en alchemistische verbindingen die in deze tijd krachtig opbloeiden, wordt ook genoemd. Die verwantschappen worden na eeuwenlang in kleine of zelfs besloten kring overgedragen te zijn gelukkig nu weer aan het licht gebracht. Ook in Amsterdam en aan haar universiteit met wie de Ambassade van de Vrije Geest nauw samenwerkt, speciaal op het gebied van de gebruikte beeldtaal en de daarin besloten ervaringswerelden en boodschappen. De betekenis hiervan is echter beslist niet alleen wetenschappelijk. Ik ervaar deze publicatie als een krachtige en waardevolle impuls voor het vinden van toegangen tot de beoefening van zelfkennis die leidt tot dienstbaarheid in de wereld. Zij schetst al doende wat dat inhoudt, haast van binnen uit.

De schrijfster heeft de feiten in haar boek – dat zich hoofdzakelijk beperkt tot de tijd van de Renaissance en de Reformatie in West-Europa – zorgvuldig van context en uitleg voorzien en het geheel tot een uiterst prettig leesbaar geheel verweven. De inhoud heeft bijzondere kwaliteiten. Zonder uiterlijke kennis af te schrijven laat ze zien hoe Böhme en zijn verwanten de hogere kennis of intuïtie de plaats en waardering gaven die hen toekomt. Idealiter gaan beide soorten ‘kennis’ of bewustzijn uiteraard samen: Böhme wordt niet ten onrechte ook als groot filosoof gezien, een systeemdenker van de eenheid van alle tegenstellingen in hun processen (zij het op een unieke wijze doordat hij die systematiek niet absoluut opvat). Zijn lijfspreuk was: “Voor wie tijd is als eeuwigheid, en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd.”
Vooral de rol en betekenis van deze innerlijke kennis komt bij haar indrukwekkend naar voren. De voorbeelden daarvan welke zij direct van Böhme aanhaalt, ervaar ik daarvoor als krachtige ondersteuning.
Voor diegenen die met de gedachtewereld van Böhme en zijn op het innerlijk en uiterlijk welzijn van alle wezens gerichte gedrevenheid willen kennismaken, is dit een toegankelijke en waardevolle inleiding, sterk verrijkend ook over met Böhme verwante auteurs. Niet het minst door de innerlijke doorleefdheid en afgewogenheid waarmee verschillende zienswijzen worden opgevoerd en naast elkaar gesteld. Zodat de lezer zelf voelt dat iedere zoektocht een persoonlijke zoektocht zal zijn, maar idealiter met de hulp van ervaren personen van wie te leren valt, omdat zij allerlei wegen verkend en samenhangen ontdekt en in eigen bewoordingen hebben weergegeven. Dat voorbeeld maakt nieuwsgierig en wekt vertrouwen.
Wie op het punt van historische feiten en verbanden goede basisinformatie zoekt, kan ook terecht bij het door de Ambassade van de Vrije Geest bij de tentoonstelling gemaakte ‘catalogus’ terecht. Ik ken geen publicatie in het Nederlands (deze catalogus is ook in het Engels verschenen) die zo veelzijdig en kernachtig vrijwel alle historisch belangrijke aspecten van Böhme samenvat, en dat in 43 bladzijden: OOG VOOR DE WERELD: de visionaire denker Jacob Böhme: Tentoonstelling etc., Amsterdam 2019, samenstelling: Claudia Brink, Lucinda Martin, Cecilia Muratori, José Bouman, Cis van Heertum.

* Voor wie deze namen onbekend zijn: de namen ‘gnostici’ en ‘hermetici’ duiden de beoefenaars aan van geestelijke ontwikkelingswegen ofwel van bewustwording van de samenhangen van alles en dus van de rol daarin van de afzonderlijke verschijnselen, speciaal van de mens in verbinding met God en wereld. ‘Gnostici’ verwijst naar de vooral Joodse en christelijke ‘gnosis’ – [innerlijke] kennis – die sinds de hellenistische tijd werd beoefend in aanvankelijk vrij open, later relatief besloten kringen en die tot talrijk vertakte bewegingen leidde. Deze gnostici relativeerden het uiterlijke aardse leven sterk. ‘Hermetici’ verwijst naar degenen die zich volgelingen van Hermes noemden, met een deels vergelijkbare symboolwereld maar een positievere houding ten opzichte van het aardse leven. Beide stromingen lieten zeer opmerkelijke en invloedrijke spirituele geschriften na waarin de opgang van de mens tot de goddelijke wereld wordt verbeeld en aangewezen. Zij vormen samen met de alchemie en de Joodse kabbala de kern van wat wel de Westerse esoterie genoemd wordt (van [Grieks] ‘esoo’: meer naar binnen gericht, op ervaring gestoeld), in onderscheid van de meer exoterische (van [Grieks] ‘exoo’: meer naar buiten gericht, op uiterlijke regels gestoeld) Joods-rabbijnse en christelijk-kerkelijke. Vaak beginnen godsdiensten met krachtige innerlijke stromingen zonder veel uiterlijke regels waarna er meer uiterlijke tradities uit ontstaan. In de hellenistische periode van het Romeinse Rijk verbonden diverse Hebreeuwse, Joodse, Samaritaanse en Griekse tradities zich tot nieuwe innerlijk gerichte stromingen, Egyptische invloeden daarbij inbegrepen, waaruit zich later in tegenoverstelling tot elkaar de Westerse godsdiensten ontwikkelden: orthodox Jodendom, orthodox christendom, orthodoxe Islam. Vaak moesten de ‘esoterische’ stromingen ‘onderduiken’ omdat zij krachtig de persoonlijke innerlijke vrijheid en ontwikkeling voorstonden. Het is begrijpelijk maar ook opvallend dat verinnerlijkende en veruiterlijkende tendensen elkaar afwisselen, zowel binnen de ene als binnen de andere soort stromingen. Belangrijk is de eigen plaats en rol daarin te herkennen, zodat men voor zichzelf de verschillende mogelijke stappen op de uiterlijke en de innerlijke weg leert zien. Innerlijke en uiterlijke wegen sluiten elkaar niet per se uit (tenzij door verabsoluteerde leerstellingen of praktische regels afgedwongen) maar vullen elkaar idealiter aan.

Jacob Böhme’s boek over het zien van God (‘verlicht zijn en zien’)

De volgende aankondiging ontleen ik aan de site van de Rozekruis Pers in Haarlem.

THEOSCOPIA
De uiterst kostbare poort van het zien van God
Jacob Böhme
vertaald door Boudewijn Koole
Jacob Böhme schreef het traktaat Theoscopia als een van zijn laatste pennevruchten: met de nieuwe vertaling van de Aurora die vorig jaar bij Rozekruis Pers verscheen, vormt deze uitgave een boog die Böhmes eerste en de laatste teksten verbindt en omspant.
Kenmerkend voor Böhme is dat hij eenvoudig en complex tegelijk is. Hij getuigt dat hij meerdere malen de Godheid, de schepping en de mens tot in de ‘wezenlijke grond’ heeft ervaren. Er is niets anders dan God, Hij is het eenvoudigste wezen, dat alles is en alles omvat, zowel Iets en Niets. Maar men kan het alleen zien, door het te zijn.
Wij mensen delen onze werkelijkheid en de ervaring ervan op in delen. Die delen kunnen we benoemen en zo vormen we ons een beeld van het geheel. Jacob Böhme leert ons dat dat onmogelijk de weg kan zijn om de Ene Werkelijkheid te naderen of te begrijpen. Want als alles is een, hangt alles met alles samen en tegelijk verandert alles tegelijkertijd, als één levend geheel, waarbij ook wij die trachten door te dringen, voortdurend veranderen.
Hoe kan Böhme ervan uitgaan dat hij de diepste grond ervaren heeft en dat zijn woorden die ervaring opnieuw helpen oproepen? Dit was voor Böhme een existentiële levensvraag, waaraan al zijn werken, ook de Theoscopia, ontsproten. In Theoscopia, van al zijn teksten een van de meest systematische, toont hij ons hoe hij dat probleem heeft opgelost.

Auteur: Boehme, Jacob
ISBN: 9789067324830
Binding: Hardback

Achter (en ook in en doorheen) de bekende wereld ligt …

De aanleiding voor de volgende woorden is dat ik mij een tijd lang bezon op het aspect van de teksten van Plato dat verwijst naar een ‘ongeschreven leer’ die mondeling aan de leerlingen van zijn traditie zou zijn overgedragen. De aanleiding vormden onder meer de beschouwingen van Peter Hubral over hoe intuïties en vage vormen het begin zijn van wat steeds concretere verschijnselen vormen, en hoe onze wereld en onze waarneming (v.v.) daaruit ontstaan en na verloop van hun tijd ook weer daarin eindigen. Heel kort gezegd, ontleent hij dat aan en verbindt hij dat met de visie van het oude daoïsme en de oude Griekse ‘denkers’ die al aan Plato voorafgingen en waarop Socrates en Plato voortborduurden.

Een tijd geleden schreef ik  iets op over wat de bekende wereld in mijn ervaring is en hoe zij verandert (tot stand komt en vergaat) in iets anders, iets nieuws.

Met de bekende wereld bedoel ik de wereld die in woorden te vatten is. En zo met anderen gedeeld kan worden die dezelfde taal gebruiken en herkennen. Nu zijn er meerdere talen en in zekere zin ook meerdere werelden die in hun bijbehorende talen gevat en gedeeld worden. Het duidelijkst zijn onze (bekende) werelden in de concrete verschijnselen waaruit zij (voornamelijk) zijn opgebouwd (naast meer abstracte of zelfs slechts intuïtieve verschijnselen). Ik stel dat de bekende wereld niet voor 100 % eeuwige wetten volgt (wetten die in formules en talen vastgelegd zouden kunnen worden); met andere woorden ook al zijn er wetten die lang gelden, zelfs de meest fundamentele natuurwetten veranderen ooit. Anders zouden wij slechts in een perpetuum mobile leven dat zich steeds herhaalt, en die herhaling doet geen recht aan de vrijheid en veranderlijkheid die van onze ervaring deel uitmaken, en die al het bestaande en denkbare omvatten. Als het niet zo is, dan hoor ik graag hoe en waarom, en wel zo dat dat niet een zich opsluiten is in slechts een deel van de werkelijkheid, van de ervaring, van het bestaan.

Hier eindigt de actuelere inleiding voorafgaand aan wat ik als volgt opschreef.

Om de persoonlijke beleving van de “subtiele” wereld te leren kennen, dient men de “stoffelijke” wereld (inclusief die van de algemene begrippen en van de bekende woorden) achter zich te laten. Ook dient men zijn vereenzelviging (ego) met de stoffelijke wereld en de algemeen bekende woordenwereld achter zich te laten.

Wat niet wil zeggen dat men niet gewoon permanent zijn ding moet doen, maar die gedaan hebbende, en zich verder/ ook nergens aan hechtende, ontstaat ruimte, tijd, vrijheid, om te luisteren naar de echte (persoonlijke) subtiele wereld die alomvattende eeuwige wijsheid inhoudt.

Dit houdt onder meer in dat men van deze ervaring nooit een (steeds) nieuw systeem mag maken, omdat anders de kans op nieuwe (en diepe) ervaringen bijvoorbeeld wordt gereduceerd tot wat bij het bekende (systeem; incl. ‘woorden’) past. [De uitdrukking ‘ongeschreven leer’ heeft precies deze bedoeling.] Er mag wel een geschreven leer zijn, maar in het besef dat het ‘hints’ zijn naar een weg die permanent opnieuw wordt ontworpen en afgelegd en waarop bereiken (verder komen) tegelijk niet-bereiken (opnieuw verder gaan en komen) impliceert. Die weg wordt bovendien altijd persoonlijk gegaan. Wat niet wil zeggen dat men die weg niet (deels) met anderen samen gaat – maar dit samengaan is slechts toevallig aspect van de persoonlijke weg, althans zeker niet allesbepalend daarvoor. Door gewoon zijn ding te doen – ook sociaal – heeft ieder de vrijheid om deze persoonlijke weg te gaan, ervoor open te staan.

Zo kan de subtiele wereld verkend worden, beluisterd en gevolgd worden.

De ‘wijsheid’ die men zo leert ‘kennen’, ‘bevrijdt’ van dwaalkennis en  dwaalwegen doordat het ‘bekende’ doorzien wordt, zodat men de weg van ‘verminderen’ kan leren gaan.

Begeleiding van een ervaren ‘ziener’ kan helpen inzien waar en hoe dwaalkennis aan de orde zijn, en de oefenende een spiegel voor (helpen) houden. Net als onze ouders kiezen wij die niet helemaal zelf uit; elke ervaring leert iets over wat onze begeleiders ons in onze levensloop wel en niet brachten en waar wij nog naar op weg zouden kunnen gaan inclusief het loslaten van het vorige.

 

 

Wijsheid is een praktische deugd: 2 nieuwe boeken van Peter Hubral

(tekst van mijn bespreking op Amazon.de met de titel ‘Weisheit ist eine praktische Tugend’)
Denken, Wissen, Weisheit Teil I ist eine ergänzende und vertiefende Zusammenfassung von Hubral’s bisherigen Publikationen; Band II fügt dazu ihre Anwendungen. Er ist Professor für Geophysik im Ruhestand, der mit vielen Kulturen zwischen Ost und West in Kontakt kam, und großes Interesse an ihren Weisheitstraditionen bekundet. Er erlangte seine tiefste Einsicht darüber, als er vor ungefähr 20 Jahren in der daoistischen Schule des chinesischen Meisters Fangfu, in der er seitdem Mitglied in der deutschen Gruppe ist, mit der inspirierenden Dao-Praxis in Kontakt kam. Es ist die Kernpraxis seiner Schule, über die Hubral nur wenig Information liefert, was ja bei einer Übung, die „keine-Methode“ beinhaltet, von Natur aus ja auch unmöglich ist. Sie wird in entspannter lockerer Stehposition durchgeführt und ist deshalb sehr wirksam, weil alle damit gewonnen neuen Einsichten gänzlich absichtslos und unerwartet zustande kommen. Damit genügt sie dem Grundprinzip des philosophischen Daoismus: ZIRAN (自然 = Selbst-so; so-aus-sich-heraus; von-selbst-so, natürlich; spontan). Damit wird ein außergewöhnliches Wissen (Taijixue) erworben, das nicht weniger umfangreich ist als das im Alltag erworbene ist. Darauf verweist Hubral am Ende seines Buches mit dem bekannten Zitat von Aristoteles: „Der Anfang ist die Hälfte des Ganzen“. Damit charakterisiert Aristoteles zwar kurz seinen Inhalt, jedoch er hat sich diesen praktisch nicht selbst erübt, so wie sein Lehrer Platon, dem Hubral die von Platon benannte Praxis des Sterbens (melete thanatou) zuweist. Darin erkennt Hubral eine meditative Übung, die auf demselben Prinzip („keine Methode“) basiert, wie die ihm langjährig vertraute Dao-Praxis. Er macht klar, dass die Unterstützung von Meister Fangfu für seine außergewöhnlichen Einsichten unverzichtbar war. Dies erscheint mir wichtig zu betonen, weil er offenbar Leser anspricht, die ihren eigenen persönlichen Weg auf diesem (oder einem ähnlichen) Pfad der Erkenntnis gehen möchten. Auch deutet er an, dass man in der Tradition seiner Schule viele weitere persönliche Erfahrungen sammeln kann, die er nicht anspricht, zumal sie nur von denen verstanden werden könnten, die sie ebenfalls gemacht haben. Sein Buch ist jedoch an ungeübte Leser gerichtet.
Hauptinhalt der beiden Bände
Der Hauptinhalt ist mehr, als was ich bisher angedeutet habe, denn Hubral geht es um das Hervorheben der guten Überseinstimmung zwischen der daoistischen und der pythagoreischen/ platonischen Lehre, womit er sich ausführlich auseinandersetzt. Es geht ihm auch darum, uns Lesern das daoistische Bild von „Mensch und Welt“ im ständigen schöpferischen Wandel – Entstehen und Vergehen – zu vermitteln. Es ist das psychokosmische Weltbild, das die einzigartige „Praxis ohne Methode“ in der meditativen Innenschau aus sich heraus hervorbringt. Und dies ist wichtig: Es ist dasselbe Bild, das er auch in der Lehre der pythagoreischen/ platonischen Schule und anderen übungsbasierten östlichen Lehren erkennt. Er betont immer wieder, dass die Übung allem vorangeht. Sie ist die Wurzel aller Erkenntnis, die „ohne Methode“ erworben wird. Sie erfordert es, ohne Erwartung (Anweisung, Methode, Hypothese) regelmäßig zu üben, um innig zur Ruhe zu kommen und so in höhere Erfahrungsdimensionen des Jenseits vorzudringen. Dies gelingt durch die Innenschau, durch „Horchen auf das Innere“, denn das Äußere (Diesseitige) ergibt sich aus dem Inneren (Jenseitigen). Die Voraussetzung dafür ist „keine-Methode“. Beides ist identisch. Nur sie ermöglicht die Erfahrung dessen, was auf nicht konditionierte (hypothesenfreie) Weise aus sich heraus erworben wird und zum innigen Selbst- und Weltverständnis beiträgt. Dazu grenzt Hubral diese Innenschau vom Rationalismus (besonders in Philosophie und Wissenschaft) ab, der unsere heutige westliche Kultur prägt und mit dem er als Professor für Geophysik sehr gut vertraut ist. Er bringt klar zum Ausdruck, dass Rationalismus kein Erkenntnisweg ist, der Antworten auf tiefgründige Lebensfragen liefert; Antworten, die er in seiner Schule „ohne Methode“ reichlich gefunden hat und nicht nur dort, sondern auffallender Weise auch in den Schatzkammern der westlichen platonischen Tradition. Diese Tradition ist hier – in Anbetracht ihren vielen ‚echten‘ Vorläufer (z.B. Pythagoreer) und Nachfolger (z.B. Neoplatoniker) – breit aufzufassen.
Parallelität der östlichen und westlichen Weisheitslehren
Es geht Hubral, so wie in all seinen Büchern, um das Hervorhebender Gleichheit oder tiefen ursprünglichen Parallelität zweier renommierter Schulen. Die eine ist die daoistische, die seit eh und je in China besteht und dem Autor im Westen zugänglich wurde und der er nun praktiziert. Die andere ist die altgriechische, die er seit dem Mittelalter im Westen verschwunden achtet. Der Grund ist, weil ihre Lehrer und damit die Übung verloren gingen.
Er hebt ihr Denken und Handeln vom rationalistisch denkenden Aristoteles und seinen Nachfolgern ab. Diese ignorierten die Praxis und entfernten sich somit vom tiefen Verständnis der ewig schöpferischen Natur, die im Üben zunehmend erfahren wird. Sie wurden somit zu westlichen Protagonisten der Wissenschaften und Wissenschaftstheorien, die das heutige rationale Welt- und Selbstverständnis weltweit prägen. All dies entspringt jedoch der uralten universellen Tradition „ohne Methode (willentliches Eingreifen)“, womit das ewig beständige spirituelle Wissen (so Peter Hubral) erlangt wird, das im Westen zugunsten des Rationalismus verschüttet wurde.
Die frühen Verfechter des Rationalismus wurden und die heutigen werden immer noch von der Hoffnung getragen, dass die damit – durch willentliches (bewusstes) Eingreifen in die komplexen Prozesse der Natur – gewonnenen Erkenntnisse, dem Wohl der Menschheit dienen. Diese weitverbreitete Vorgehensweise wird jedoch von immer mehr Zeitgenossen infrage gestellt. Es sind Menschen, die nach Alternativen suchen, so wie der Autor. Er fand sie in der daoistischen Lehre, der es darum geht, die Einheit hinter der Vielfalt zu erkennen und zu nutzen. Was dies im Detail beinhaltet, erklärt er ausführlich in klaren Skizzen und Bilder und identifiziert damit auch die heute missverstandenen platonische Lehre. Er liefert für sie eine ausführlichen Neuinterpretation, sowohl ihrer bekannten als auch weniger bekannten Texte, Wörter und Begriffe. Sein Hauptziel dabei ist dreierlei:
1. Er zeigt, indem er die Grundbegriffe der platonischen Lehre mithilfe der daoistischen erklärt, klar die inhaltliche Übereinstimmung beider Lehren auf. Dabei betont er die Bedeutung der Praxis (Übung) in beiden Schulen für das damit erworbene Wissen, das er auch in weiteren mittel-östlichen und östlichen Lehren erkannt hat.
2. Er nutzt dieses Wissen als Basis für die Lebensanschauung und Lebenspflege dieser Schulen (Traditionen), die sich die Praxis „ohne Methode“ zunutze machten. Deren Rolle ist es, Übenden zu helfen, Teil des Ganzen zu werden und damit in Harmonie zu leben und zu sterben.
3. Er zeigt auch auf, dass dieser übungsbasierte Weg keine weltabgewandte Askese (kein Weltentzug) ist, die man den von ihm zitierten Meistern immer wieder unterstellt. Er dient vielmehr dem innigen Welt-und Selbstverständnis, um Denken und Handeln mit der ewig schöpferischen Natur in Einklang zu bringen.
Beantwortung der Grundfragen des Lebens
Meines Erachtens bietet vor allem seine Ausarbeitung der Emanation und Immanation (das „in Erscheinung kommen“ und wieder „aus Erscheinung verschwinden“) allen Seienden, inklusive des Menschen, fruchtbare Perspektiven zum Verständnis des Prozesses des Entstehens und Vergehens des menschlichen Daseins in beiden Traditionen. Ich kann daher seine tiefgreifenden Bände nicht genügend preisen. Er liefert darin in einem leicht verständlichen Rahmen viele profunde Einsichten, die die Voraussetzungen für weitere Forschungen bieten und den Grundstein für weitere Arbeiten legen. Erstens, weil er wichtige Grundfragen stellt und begehbare Wege für ihre Beantwortung liefert. Zweitens, weil er klar macht, dass die Antwort – trotz aller Theorie, die er liefert – letztendlich immer das persönliche Begehen des „ Weges ohne Methode“ und die damit gewonnenen Einsichten impliziert.
Konflikt zwischen traditionell östlicher und moderner westlicher Weltsicht
Meines Erachtens könnte im Westen ein unzureichendes Verständnis der von Hubral vorgestellten traditionellen Kulturen dadurch entstehen, weil das heute noch im Osten existierende Bewusstsein, modernen Westlern unvertraut ist. Es ist ein Bewusstsein, das viel Raum bietet für das was in weltabgewandter Stille aus sich heraus entsteht und in Worten nicht ausdrückbar ist. Dieses Bewusstsein ist vielen modernen Westlern, die seine Bücher lesen unvertraut, sind sie doch stark geneigt, alles was in Worten nicht klar ausgedrückt werden kann, zu negieren. Hubral ist sich dieser Problematik bewusst, was auch für die von ihm zitierten Meister zutrifft. Diese haben sich stets bemüht, für Ungeübte in Worte zu fassen, was sie sich erübt haben. Auch Hubral benutzt, so wie die platonische Tradition, viele Wörter, um damit auszudrücken, was dahinter steckt und nicht wortwörtlich zu nehmen ist. Dies tut auch sein Lehrer Fangfu, der die Einsichten seiner uralten Tradition auf dem Gebiet der Philosophie und Heilkunst in mehreren Büchern in chinesischer Sprache präsentiert, von denen es leider noch keine Übersetzungen im Westen gibt.
Hubral fasst das, was er in Kursen von Fangfu übernommen und durch eigenes Üben teilweise bestätigt hat, kurz zusammen. Er illustriert die daoistische Theorie an der Hand von Bildern. Im Band I liegt, sofern man ihn beim Verleger (Lotus Press) direkt bestellt, eine schöne Plastikkarte bei, die die Hauptstruktur der daoistischen Lehre übersichtlich präsentiert. Sie fasst den psycho-kosmischen Entstehungsprozess (Genesis) zusammen, den wir – im Einklang mit der daoistischen Weltauffassung „ohne Methode“ – durchmachen. Davon ist das bekannte Yin-Yang Zeichen, das auch auf dem Buchdeckel erscheint, eines der zentralen und umfassend erklärten Bilder.
Übrigens ist zu betonen, dass in der Schule von Meister Fangfu auch einiges geheim gehalten wird, aber wo ist dies nicht der Fall? Dies hat, so vermute ich, damit zu tun, dass gewisse Einsichten zu subtil sind, um der Öffentlichkeit preisgegeben zu werden, was es zu respektieren gilt.
Eine Basis für noch offene Fragen
Hubrals Bücher sind attraktiv, weil sie überraschende unerwartete Antworten über die alten Weisheitsschulen liefen und Raum lassen, neue Fragen zu stellen. Zum Beispiel, welche Chancen die traditionellen Kulturen der modernen Kultur bieten und wie Hubrals Darstellung des Daoismus und Platonismus uns helfen kann, aktuelle Probleme zu lösen. Ich bin überzeugt, dass er wichtige Parallelen zwischen beiden Kulturen aufweist. Er selber betont, dass er diese gern weiter ausgearbeitet sehen möchte. Er fordert z.B. eine Neuübersetzung der Werke der von ihm zitierten alten griechischen Schriftsteller, die die fundamentale Bedeutung der Übung berücksichtigt. Er sieht sich jedoch nicht in der Lage, diese umfangreiche Arbeit zu bewältigen.
Auch wenn Hubral den gemeinsamen hypothesen- und glaubensfreien Weg des Daoismus/ Platonismus so glänzend untersucht hat, habe ich mich bei meiner Lektüre immer wieder gefragt, ob er diesen Weg nicht zu ‚ungesellschaftlich‘, zu persönlich, zu ichbezogen vorstellt? Anders gefragt, ob er die gesellschaftlichen Aspekten seiner Analyse nicht zu sehr aus dem Blickfeld lässt, weil man sie als zweitrangig interpretieren könnte, zumal sie ja hypothesenbasiert und somit unbeweisbar sind. Insofern könnte man Hubral leicht eine Rationalismus- und Gesellschaftskritik unterstellen.
Doch diese Kritik ist zum großen Teil unserem heutigen (rationalistischen) Entweder-oder-Denken geschuldet und somit ungerechtfertigt. Er entkräftigt sie immer wieder an verschiedenen Stellen im Buch dadurch, indem er darauf hinweist, dass die von ihm zitierten Meister (Laozi, Plato, Suhrawardi, Empedokles, usw.) – so wie auch Fangfu und seine Schüler – sowohl weltab- wie weltzugewandt sind. Genauer: So wie ein guter Schlaf den Alltag verbessert, so ermöglicht der regelmäßige Weltentzug im Üben letztendlich eine innigere Weltzugewandtheit, d.h. sie dient dem besseren Leben in der Gesellschaft. Genau dies steckt z.B. hinter Laozis Empfehlung, man solle sowohl Vermindern wie auch Vermehren. Beides läutert das alltägliche Denken und Handeln und fördert die Tugend. Diesem Ziel dienen auch die hypothesenfreien Gesetze und Regeln, die im Üben entdeckt werden. Ihre Verinnerlichung ermöglicht auch Ungeübten ein besseres Leben in der Gesellschaft.
Hypothesenfreie Wahrheit im Konflikt mit hypothesenbasierten Meinungen
Wir hören, sehen und lesen immer wieder Berichte über Menschen, die nicht nur durch Naturkatastrophen, sondern auch durch (un)menschliches Verhalten, das Hypothesen (Dogmen, Glaubensüberzeugungen, Meinungen, Ideologien, Ritualen) geschuldet ist, schrecklich leiden. Insofern sind für wissenschaftliche, soziale, theoretische, praktische Fragen „ehrliche Antworten“ gesucht, die sich diesem Dilemma widmen. Sehr tiefgründige Antworten kommen – wie uns die Meister zeigen – auf hypothesen- und glaubensfreie Weise zustande. Hubral liefert dafür mehrere Beispiele, unter anderen zur Umweltverschmutzung durch Qi-Felder, die sich nur schwerlich wissenschaftlich erkunden lassen. Was nun in dem Falle, dass eine tiefgründige Antwort in Konflikt ist mit einer hypothesenbasierten? Wir Menschen sind frei in unseren privaten Meinungen, aber sowohl innerlich wie in unseren sozialen Umgebungen besteht Druck von und auf unseren Auffassungen. Wertvoll könnte sein, dass Übende im Sinne Hubrals Anderen helfen zu unterscheiden zwischen auf Hypothesen oder eben sozialen Druck basierten Erkenntnissen und freien inneren Erkenntnissen.
Er erklärt uns mit Verweis auf die von ihm zitierten Meister, dass unser Leben durch zwei Aspekte geprägt ist, das persönliche und soziale/ kulturelle (inklusive ökologische). Beide sind innig verbunden und nicht auseinander zu halten. Platon hat beide wohl bewusst noch nicht so sehr differenziert wie Aristoteles, dessen Anhänger bis heutzutage seine „rationale Denkweise“ ausschließlich einsetzen. Aber gerade, weil Hubral uns – mit seiner revolutionären Auslegung von Platon und anderen Meistern – neue Einsichten über ihr natürliches Denken liefert, hoffe ich, dass meine Frage über die gesellschaftliche Verantwortung der Meister künftig noch Schritt für Schritt tiefer als bisher beantwortet wird. Das Ende von Platons großem Lehrer Sokrates zeigt ja, dass schon die meisten Führer der Stadt Athen ihn nicht verstanden, jedenfalls nicht recht, aber auch dass seine Einsichten nichtsdestoweniger bis auf unsere Zeit wertvolles Studium sind und wertvollen Praxis fragen.
Möglicherweise hängt meine obige erste Frage mit folgender zweiten zusammen: „Wie kann man sich als unerfahrener Übender, der sich der Beschränktheit seiner Einsichten bewusst ist, davon überzeugen, dass die durch Üben erworbenen Erkenntnisse sowohl dem persönlichen Leben als auch dem in der Gesellschaft nutzen?“ Nun, die daoistische Antwort darauf ist: „Alle neuen hypothesenfreien Erkenntnisse auf dem Dao-Weg werden einzig und allein durch Begehen des Weges erworben“. Sie lassen sich weder erahnen noch mit Worten ausreichend erklären. Man muss, wie Fangfu betont, erst zum Narren werden, um sich dem regelmäßigen Üben anzuvertrauen, was uns Laozis Worte (Daodejing 1) verstehen lässt: „Könnten wir den Weg benennen, er wäre kein ewiger Weg. Könnten wir den Namen nennen, es wäre kein ewiger Name.“ Es geht also beim Üben um die hypothesenfreie wortlose Erkenntnis des Ewigen und nicht des hypothesenbasierten Vergänglichen, das sich in Worte fassen lässt.
Insofern ergeben sich die ergänzenden Fragen: „Wieviel von dem, was im Üben wortlos erfahren wird, kann mit Ungeübten geteilt werden, die andere Einsichten haben?“ „Wie kann man in einer modernen Gesellschaft – mit vielen Meinungen und Fähigkeiten unterschiedlicher Gruppen und Parteien – gut miteinander umgehen?“ Ich möchte diese Fragen nicht ausklammern, denn es ist wichtig, „fake news“ in gesellschaftlichen Beziehungen zu vermeiden. Hubrals Buch ist diesbezüglich sehr aufschlussreich und ermutigend, denn er liefert viele Beispiele dafür, dass man renommierten Meistern zwischen Ost und West über Jahrhunderte hin viel Falsches angedichtet hat, was er nun als deren „hypothesenfreie und universelle Wahrheit“ aufdeckt. Diese betrifft unsere unsterbliche Psyche (die ich lese als sowohl gemeinsame wie individuelle) und lässt sich nicht unter den Tisch kehren.
Beschränktheit der Sprache
Wir Menschen können tiefgründige Dinge erfahren, die uns erkennen lassen, dass nicht alles für Jedermann in Sprache ausgedrückt werden kann, was sich zwischen ‚Himmel und Erde‘ abspielt. Allen Menschen sind jedoch von Natur wesentlich mehr angeborene Kapazitäten gegeben, als die meisten von uns vermuten. Diese können durch Üben aktiviert werden, was Menschen, die sich der Einheit hinter der Vielfalt bewusst sind, leichter als Intellektuellen gelingt, die das, was zusammengehört, immer mehr differenzieren. Auch darüber ist im Daodejing guter Rat zu finden. Es steht – im Einklang mit allen anderen von Hubral betrachteten Weisheitsschriften – klar auf der Seite der Gewaltvermeidung. In Sokrates gibt es glücklicherweise ein Vorbild! Er vertritt zu allererst keine abstrakte Philosophie, sondern eine naturbejahende Lebenshaltung (siehe z.B. Sarah Abel-Rappe, Socratic Ignorance and Platonic Knowledge in the Dialogues of Plato).
Ich bin Peter Hubral sehr dankbar, dass er uns – im Vergleich mehrerer Lehren zwischen Ost und West – auf so viele interessante fundamentale Einsichten hingewiesen hat, hinter der sich die „sokratische Lebenshaltung“ verbirgt. Zum Beispiel (Evangelium Thomas 22): „Wenn ihr aus zwei eins macht und wenn ihr das Innere wie das Äußere macht und das Äußere wie das Innere und das Obere wie das Untere und wenn ihr aus dem Männlichen und dem Weiblichen eine Sache macht, so dass das Männliche nicht männlich und das Weibliche nicht weiblich ist … dann werdet ihr in das Königreich eingehen“ Bemerkenswert sind auch Hubrals Hinweise auf die Erfahrungen des Qi (kreisende lebendige Kräfte inklusive des Kugelmenschen bei Platon), das seiner Analyse zufolge die Gleichheit befriedigt: Psyche = Qi.
Ein abschließendes Resümee meines Eindrucks
Die Bücher von Peter Hubral – jetzt acht seit 2006 [siehe mein vorherige Reviews] – basieren auf seiner innigen Suche nach universeller Weisheit und tiefgründigen Einsichten ins Leben. Gewisse Passagen davon sind manchmal nicht sofort ausreichend zu verstehen, weil es vielen von uns schwerfällt zu akzeptieren, dass es für die Meister, die er uns – aus daoistischer Perspektive – präsentiert, ein „wahres Wissen (Gr. episteme)“ gibt, das im Üben aus sich selbst heraus entsteht. Es stellt viel Vertrautes infrage, woran wir bisher glaubten.
Seine beiden sehr gut aufgebauten Bände sind weitgehend illustriert. Sie liefern attraktive Ergänzungen und informative Zusammenfassungen seiner früheren Bücher. Er erklärt seine Funde oft am Beispiel einsichtsreicher Zitate aus östlichen (Lao Zi, Zhuang Zi) und westlichen (Pre-Sokratikern, Platon, Neoplatonikern u.v.a.) Texten.
Kurzum, mein Fazit ist: Weisheit ist eine universelle praktische Tugend (die Verstand, Einsicht, Sprache UND NOCH VIEL MEHR umfasst, nicht nur in uns Menschen sondern in der ganzen Welt)! Sie wird jedem von uns immer neu gegeben, wenn wir sie suchen. Sie geht ihren eigenen freien Gang in und um uns, allein und mit anderen (nahe und weit) und im tiefsten Sinne mit Allem zusammen, denn wir Menschen sind auf Ganzheit und nicht auf Trennung angelegt, sowohl sprechend wie schweigend.

Psychedelica vragen geen verbod maar … zeer zorgvuldig gebruik

In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd het vaak voorgesteld alsof het gebruik van natuurlijke psychedelica (en zeker van kunstmatige) buitengewoon schadelijk was, en wel blijvend. In die tijd waren er genoeg tegengeluiden maar niet of nauwelijks in de officiële pers. Na zoveel jaar is het kennelijk tijd voor het erkennen en laten verschijnen van de echte waarheid: psychedelica als paddo’s en khat zijn evenals ayahuasca geheel niet of slechts in bijzondere omstandigheden schadelijk. Ze moeten alleen niet in combinatie met bepaalde andere middelen gebruikt worden en alleen onder ervaren begeleiding. Zie bijgaand artikel van maandag 20 augustus 2018 in NRC Handelsblad. Geen pleidooi voor ongelimiteerd experimenteren maar een overzicht van door overheidsrapporten ondersteunde feiten die goede bekend dienen te zijn. Daar hoort ook bij dat alcohol en tabak met heroïne en crack tot de relatief schadelijkste behoren. Mijn notitie: bij tabak wordt hopelijk meer en meer gedaan om het gebruik in te dammen, bij alcohol zien we dat nog niet. Klik op de link:
psychedelica vragen geen verbod

Het risico van te sterke vereenzelviging – of: wetenschap en geschiedenis van de godsdiensten zijn strikt rationeel of … onwetenschappelijk

Zomaar enkele notities.
De achterliggende ervaring ervan is mijn levenservaring tot nu toe. Als kind leerde ik dat mijn ouders troost en veiligheid vonden in het meedoen in de christelijke traditie, in hun geval in de vorm van de Gereformeerde Kerken. Dat meedoen bestond uit het bijwonen van bijeenkomsten, het volgen van dagelijkse rituelen (gebeden en bijbellezing), gemeenschappelijke moraal en verenigingsleven. Mijn vader was daar meer rigide in dan mijn moeder, die de relativiteit ervan inzag naast de waarde ervan. Toen ik later veel hoorde en leerde over andere stromingen, in en buiten ‘het’ christendom, zelfs mij verdiepte in vele andere opvattingen en gebruiken, bleef ik toch innerlijk veel veiligheid ontlenen aan de psychische structuren die ik in mijn jonge jaren geleerd had. Ook al wist ik met mijn geheugen en verstand veel te relativeren, innerlijk had ik geen alternatief voor de veiligheid en zekerheid die een ‘ware’ theorie-van-alles zou moeten bieden. Ik verdiepte mij dus in veel van die theorieën. Op een bepaald moment brak met een knal die innerlijke psychische veiligheid in stukken. Allerlei angsten kwamen boven. Hoewel ik mij bleef oriënteren op de kwaliteiten van theorieën, daagde het maar langzaam dat ik het zonder mijn ‘oude’ veiligheid moest redden. Ik heb het mijn omgeving daar niet gemakkelijk mee gemaakt, want wat ik aan veiligheid miste, schreef ik niet oorzaken binnen mijzelf toe maar de onveiligheid die ik overal buiten mij zag. Heel, heel langzaam leerde ik leven met onveiligheid, en ik mag wel dankbaar zijn voor allen die mij in die periode verdragen hebben. Weliswaar heb ik ondertussen ook mijn aandeel geleverd in werk en huishouden, en opvoeding van onze kinderen, contacten met collega’s (moeilijk) en vrienden (die mij gelukkig trouw bleven). Ik produceerde ook wel studies, en zocht door naar houvast. Dat was ook om mijn maatschappelijke aandeel te leveren, en nu ik kan zeggen mijn pensioenleeftijd bereikt te hebben, wordt mij duidelijk hoe sterk ik in studies en publicaties gemikt heb op het bieden van (feitelijke en rationele) zekerheden op gebieden die daar enerzijds om vroegen maar waarnaast ik duidelijker had moeten zijn over de begrensdheid van wat het rationele te bieden heeft. Zeker kan het veel kwaliteit hebben, maar behalve het rationele is ook veel kwaliteit, en de rationaliteit daarvan wordt allereerst beleefd en gepraktiseerd, en pas in latere instantie in theoretische of wetenschappelijke betogen samengevat. Ook al hoef ik de veiligheidskwaliteiten van mijn ouders niet na te bootsen (mijn vader was net als ik onveiliger van binnen dan mijn moeder), het belang van veiligheid in vele opzichten voor alle wereldbewoners en levende wezens is zeker gediend met het bieden en zoeken van vormen van veiligheid, op steeds nieuwe wijzen. Zelfs – en ook heel belangrijke – intellectuele vormen maar bepaald niet uitsluitend. En het is een feit dat innerlijke veiligheid niet het enige in het spel is als het om veiligheid gaat. Dat is natuurlijk ook veiligheid in het verkeer op de weg, tussen volkeren en groepen, enzovoort. En wat heerlijk dat er kunstenaars en harlekijns zijn om ons uit onze vaste patronen te halen en nieuwe te helpen vinden. Want veranderen doen we toch, en de geleidelijke is misschien prettiger dan de onmiddellijke. Wijs worden is dus mogelijk, maar kan nooit vastgepind worden. We krijgen steeds nieuwe kansen en steeds nieuwe uitdagingen. Een heel voorrecht, en een hele klus. Maar zoals Jacob Boehme zei: anders zou er helemaal niets zijn.

Wie zich isoleert, bijvoorbeeld in een zogenaamd vaste identiteit, loopt groot risico kwaad te veroorzaken.
Van ieder woord uit de titel van dit bericht zou ik eerst de definitie dienen te geven. Dat doe ik niet, met het risico dat wat hier verder geschreven staat, door ieder verschillend wordt uitgelegd. Want ieder houdt er toch haar of zijn eigen definities op na? (Zij het dat wie in dezelfde groep hoort, bijvoorbeeld van vergelijkbare opvattingen, binnen die groep het idee kan hebben dat zij of hij het – ongeveer of volstrekt – identieke voor ogen heeft en denkt.)
Ook al geef ik geen definities vooraf, toch wil ik iets naar voren brengen. Het ligt in de voorgaande alinea besloten. Er is zoveel dat buiten de strikte definities en methoden van de rationele wetenschap en filosofie valt, dat we zelfs vormen van die beide beter gissingen kunnen noemen (dat deden de grondleggers ervan ook: zij voerden de permanente twijfel dan wel het doorvragen als noodzakelijke voorwaarde ervoor aan).
Gelukkig hebben wij er baat bij onszelf, onze kinderen en elkaar bij de les te houden en zoveel mogelijk begrip voor verschillende vormen van alle verschillende wezens en verschijnselen bij te brengen, inclusief de vele mogelijke vormen van communicatie tussen ons onderling en die van alle andere wezens en verschijnselen.
En dat dan inclusief het besef dat alles voorlopig is en op korte dan wel langere termijn (meestal beide) verandert.
Wetenschappelijke en filosofische ‘waarheden’ bestaan alleen binnen de beperkte grenzen van hun afbakening. Politieke uitspraken hebben in die zin maar weinig ‘waarheid’, zij zijn altijd bedoeld om machtsevenwichten te benutten of te verschuiven, en het is de kunst dat ten goede te hanteren voor sprekers en luisteraars. Ten behoeve van zowel blijvende of groeiende vrijheid als van voortzetting van het goede of verbetering van onevenwichtigheden.
Naties, geloven, zelfs wetenschappen en filosofieën lopen allemaal het risico van (zelf)verabsolutering. Verabsolutering is een vorm van en leidt tot verder geweld.
Soms komen we niet onder nare conclusies, gedachten, straffen, verschijnselen uit zonder ze met nare middelen te bestrijden. We noemen dat wel ‘zelfverdediging’. Zelfs zelfverdediging kan echter een nare smaak achterlaten, zoals veteranen weten.
Al doende kunnen wij ontdekken dat er geen absolute maatstaven zijn voor goed en kwaad. Zonder dat dat ons ook maar een seconde vrijwaart van de kans en de wil en de zin van het zijn, denken en doen van het goede. Die kans kan en mag en ‘moet’ (in de relatieve, niet in de absolute zin) elk moment opnieuw, soms in vergelijkbare, soms in heel nieuwe omstandigheden, door ons verwerkelijkt worden. Binnen onze individuele (on)mogelijkheden maar ook als verwerkelijking juist daarvan. Hopelijk en waarschijnlijk ten goede van het geheel, dat we niet helemaal kennen maar waarmee we ons niettemin verwant kunnen voelen, via onszelf en alle dingen die we ervaren en vermoeden en ‘laten’ (want in onze beperktheid blijven we beperkt en overstijgen die tegelijk, dat ligt in de ‘definitie’ ervan besloten).
Want elke taal (onder)scheidt maar biedt derhalve altijd ook de verwijzing naar verwantschap en verbinding en wellicht overbrugging.
Iedere aparte taal lijkt een variant van meer mogelijkheden, en is zelf ook aan verandering onderhevig, na langere of korte tijd.
Niets kan definitief in taal gevangen worden, behalve wellicht iedere uitspraak zelf alleen op het moment dat zij gedaan wordt. Of wanneer we ons binnen een systeem van vaste afspraken begeven en zolang we ons houden aan die regels. Hoe veranderlijk vaste regels zijn, kan ieder weten die zich beroept op wat vaste regels zouden behoren te zijn, zoals publieke wetten of stelsels van logica. Tegelijk is dat iets wat ons verbindt, althans kan verbinden voor wie dit accepteert of zelfs bewust bevestigt. Een bevestiging die uiteraard van herhaling ervan afhankelijk blijft.
Interessant om te bedenken hoe relatief en hoe waardevol tradities derhalve kunnen zijn, mits (zo) bewust (mogelijk) gehanteerd. Tradities die onbewust gehanteerd worden, kunnen helaas gemakkelijk misverstaan en misbruikt worden. Wie weet zeker of het verleden niet terugkeert? En of de toekomst al niet geweest is? Ook dat zijn slechts definities om ons te helpen ons enigszins te oriënteren.
Wij zijn zelf vlotten die verblijven op vlotten, samen met vele andere van allerlei soort, op een oceaan die ook slechts onderdeel is van een veelvoud aan oceanen.
En toch kunnen we evenwicht proberen te bewaren, en genieten van regen en van voedsel dat we vinden. En delen. Dat kan soms een feest zijn. Al kan het geen kwaad, de drenkelingen ook niet uit het oog te verliezen, en te helpen.