BK-Books.eu » Literatuurlijsten » Literatuurlijst Islam voor beginners

Literatuurlijst Islam voor beginners

De informatie op deze pagina is niet bedoeld om lezers tot islamieten te maken, in de zin van mensen die zich onderwerpen aan de plichten die de islam voorschrijft. Het is een poging tot objectieve informatieverschaffing voor iedereen, praktiserende islamieten en die dat willen worden niet uitgezonderd. Dat de wereld en de geschiedenis van de islam grote hoogtepunten kennen en waardevolle aspecten naast minder mooie (zoals bij iedere godsdienst), zal ook duidelijk worden. Ik pretendeer geen volledigheid maar streef wel naar informatie over de belangrijkste aspecten en hun samenhang in historische context. Omdat een aantal aspecten nogal actueel zijn, gaat een inleiding vooraf die daaraan aandacht besteedt. Ook voeg ik een aantal malen citaten in met relevante informatie (alle onderstrepingen hieronder zijn van mij, BK). Wat de in de titel genoemde beginner betreft: ik mik wel op beginners die van kwaliteit houden en enige diepgang af en toe niet schuwen!

Achtereenvolgens treft u aan:

  1. De rol van de islam in het huidige dagelijkse leven van individuele mensen
  2. De samenhang tussen de drie Abrahamitische godsdiensten Jodendom, christendom en islam, en de verschillen en overeenkomsten in hun ontstaan, en hun onderlinge beïnvloeding
  3. Mohammed, de Koran, de historie en de traditie
  4. Islamitische spiritualiteit
  5. Islam op het raakvlak tussen godsdienst en politiek, historisch en actueel

10 augustus 2006


[Actual links referring to this page or parts of it:


Inleiding over islam, godsdienst, politiek, vrijheid van meningsuiting en democratie

Op dit moment komen een aantal ontwikkelingen in de wereld, speciaal in het Midden-Oosten en in Europa, samen onder de noemer van wat wel een confrontatie van de islam en het Westen wordt genoemd. Omdat ook in een bredere context de wereldhegemonie van de Verenigde Staten op het spel staat – denk aan de economische groei van China, India, Rusland, Brazilië, aan het belang van toegang tot energievoorraden waarover conflicten kunnen ontstaan, en aan het risico van het bezit van atoomwapens door meer landen dan de wereldgemeenschap hoopte – is het de vraag wat de rol van nieuwe islamitische bewegingen in het Midden-Oosten en in Europa tot gevolgen kan hebben. Zoals ik hieronder zal betogen, is de eerste voorwaarde om hierover een mening te kunnen vormen een goede en vrije informatievoorziening, dus vrijheid van meningsuiting. Omdat het betreffende de islamitische landen gaat om onderwerpen waarover niet alleen grote vooroordelen bestaan, maar ook grote economische en (onder meer daarom) grote politieke belangen in het spel zijn, is het naïef om te veronderstellen dat de meningsvorming in de media, ook die in het Westen, onbevooroordeeld of ongecensureerd is. Veel landen in het Midden-Oosten zijn dictaturen zonder vrije nieuwsvoorziening. Maar ook Westerse media worden door de politici beïnvloed om aan eenzijdige berichtgeving te doen, ofwel aan zelfcensuur. Dat wil niet zeggen dat er niet veel ontwikkelingen ten goede zijn, ook in studies en nieuwsgaring. Het kost alleen moeite om een wat objectiever actueel beeld te vormen omdat de bronnen soms moeilijk te vinden zijn, en altijd geïnterpreteerd dienen te worden met inachtneming van de positie van de auteur. Wanneer je dat maar lang en intensief genoeg doet, rijst een objectiever beeld dan uit de dagelijkse nieuwsvoorziening in welk medium dan ook. Interessant is daarom het volgen van bijvoorbeeld de columns van Afshin Ellian in NRC Handelsblad, die vaak een aanvullende visie geeft. Het is altijd van groot belang meerdere bronnen te raadplegen en de kwaliteit ervan goed na te gaan. Elke bron, of het nu om regeringsvoorlichters of politici, om media of columnisten gaat, kan het ook bij het rechte eind hebben, in tegenstelling bijvoorbeeld tot geruchten.
De eenzijdige berichtgeving geldt helaas ook de geschiedenis, zowel de meer recente van de twintigste eeuw als de veel minder recente, van het ontstaan van de islam en de ontwikkelingen erbinnen en tussen de islam en haar buitenwereld. Het onderscheid is hier, als zo vaak, vooral tussen degenen die een bestaand traditioneel beeld verdedigen en degenen die vanuit nieuwe ontdekkingen en onderzoek tot aanpassingen en verbeteringen van de verstarde beelden oproepen. Zoals gezegd: het kennen van persoonlijke posities en situaties en achtergronden van de betreffende auteurs is ook in deze discussies belangrijk. En bij geschiedenis is vaak uitgebreide kennis van onbetwistbare feiten handig, zodat men een gevoel of intuïtie kan ontwikkelen voor wat bij elkaar zou kunnen passen, en wat niet, binnen de hele context.

Zoals deskundigen ons leren, moeten we de rol van de islam in het Midden-Oosten en in Europa niet vereenzelvigen: in het Midden-Oosten vormen islam en cultuur een traditionele eenheid, en is het islamitische karakter van politieke partijen die in naam gebaseerd zijn op de islam net zo gevarieerd als die partijen zelf. Grote problemen in het Midden-Oosten zijn vooral de tegenstelling tussen armen en rijken, de achterstelling van vrouwen, en de afwezigheid van vrije meningsvorming en democratische instellingen. Om de problemen van het Midden-Oosten op te lossen doen wij er goed aan alle processen te ondersteunen die aan de oplossing van die politieke problemen bijdragen. Daarvoor is een bijzondere rol van de islam in de politiek geen vereiste. Eerder is het geringe onderscheid dat in de islamitische traditie bestaat tussen godsdienst en politiek, of liever het sterke accent in de islam op het ontbreken van publieke reflectie, een belemmering daarbij.

In Europa ligt dat anders. Daar vallen islam en cultuur in het geheel niet samen. De islam van de nieuwe immigranten staat daar haaks op Europa’s democratische traditie, en op het in Europa belangrijke onderscheid tussen politieke ordening en religieuze instellingen en praktijk. Aan de ene kant reageren die immigranten met salafisme ofwel het verklaren van Europa tot deel van het huis van de Islam, waaraan het recht en de plicht ontleend wordt om ook Europa te hervormen naar de islamitische wet, de sharia. Aan de andere kant zien wij de nog vaak stilzwijgende erkenning dat Europa geen islamitische cultuur is of zal worden, en dat het waardevol is zich te integreren in Europa’s democratische cultuur. Dit laatste houdt dan wel in dat de beleving van de islam een andere vorm krijgt, namelijk zoals die van alle religies in Europa. Een vorm die voor islamieten meestal nieuw is. Maar die zich duidelijk op allerlei terreinen ontwikkelt zoals zichtbaar is in de verschillen tussen eerste en latere generaties immigranten.

Het naar mijn mening belangrijkste probleem dat aandacht verdient als wij gaan bestuderen wat meestal “de” islam genoemd wordt, is op dit moment dan ook de maatschappelijke en politieke functie van godsdienstige beleving, van islamieten, maar evengoed van christenen, natuurlijk ook van joden, en van andere mensen met een meer collectieve of meer individuele religieuze of spirituele identiteit. Daarbij is het goed om te bedenken dat de definities van begrippen als godsdienst, religie en spiritualiteit vaak onbewust al gestempeld zijn door generalisaties en vooroordelen die soms met de beste bedoelingen ontwikkeld zijn maar geen recht doen aan de werkelijkheid. Want wat wij gewend zijn wereldreligies te noemen, zijn in feite bepaalde interpretaties door ons van het leven van individuele mensen die soms samen vorm geven aan hun beleving en opvattingen. Omdat zij dat doen in bepaalde herkenbare tradities noemen wij die gezamenlijke vormgevingen de grote religies maar dat is maar betrekkelijk terecht. Want de grotere religies bestaan weer uit kleinere religies en uiteindelijk heeft ieder individu haar of zijn eigen invulling, soms lijkend op die van anderen maar soms ook heel erg verschillend. En de “waarheid” van de laatste is niet minder groot dan van de eerste. In de grotere georganiseerde groepen en activiteiten wordt wel gesuggereerd dat de “waarheid” van hun vorm en inhoud groter is dan die van kleinere of van individuen maar dat is meer een politieke uitspraak om de groep bij elkaar te houden. Dat is één functie die godsdienst kan hebben.
Ik gebruik trouwens graag het woord godsdienst voor de institutionele kanten van religies, en het woord religie voor de variatie aan inhoudelijke en rituele vormgeving van spirituele beleving en opvattingen. In die laatste speelt begrijpelijkerwijs traditie al gauw een rol. Want wij mensen hebben herinnering. En dragen die mee in onszelf, en evengoed over aan anderen. Wanneer sommige godsdienstige groepen hun traditie erbij halen om die de ware te noemen, dan zijn zij fundamentalistisch bezig. Zij gaan dan spreken van hun heilige boeken die onderscheiden zijn van minder heilige, van hun god of goden die uniek zijn en alleen bestaand, terwijl de andere niet bestaan of van onwaarde zijn. Alleen hun geschriften zijn rechtstreeks door god of goden geopenbaard, alleen hun traditie heeft de openbaring goed bewaard enzovoort. Dit is niet altijd meer authentieke religieuze beleving, dit is aangeleerd groepsdenken en groepsgedrag dat als belangrijkste functie heeft het kanaliseren van angsten, en het reguleren van sociale evenwichten en verhoudingen. En wel op een wijze die onderdeel uitmaakt van het politieke systeem of daar, nog erger, mee samenvalt. En zo zijn we dan van religie terecht gekomen bij godsdienst, en van godsdienst bij politiek.
Spinoza bijvoorbeeld zei terecht dat politiek het raamwerk is waarbinnen godsdienst dient te functioneren. Als het functioneren van godsdiensten bijdraagt aan de vrede, aan rechtvaardigheid en aan naastenliefde, dan vervult zij de politieke rol die haar toebehoort. Het gaat in de godsdienst om die dingen, alleen: de politiek is het gebied waarin deze zaken geregeld worden en de godsdienstige leiders zijn dus ondergeschikt aan de politieke. Het individuele religieuze beleven is alleen expliciet aan de orde zo ver een dictatuur of een anarchie de normale politieke functie van de godsdienst verhindert. Spinoza legt daarbij wel de nadruk op de wezenlijke politieke rol van ieder individu als burger: door diens bijdrage aan de economie, aan de belastingen, en vervolgens aan maatschappelijke organisaties en het bestuur daarvan tot en met de politieke organen toe, die hij voorstelt als organen waarin in principe alle burgers aan de meningsvorming kunnen deelnemen.
Ik haal Spinoza aan omdat politiek belangrijk is en democratie denkbaar is. Terwijl Spinoza ook laat zien dat de godsdiensten – hij heeft het voornamelijk over de godsdienst van het volk Israël uit de voorchristelijke tijd en over het christendom – op diverse manieren de fout in kunnen gaan, onder meer door veel te veel macht aan sommige godsdienstige leiders te geven die deze dan ondeskundig of gewoonweg verkeerd gebruiken. Wat wij fundamentalisme noemen vindt Spinoza belachelijk want volstrekt niet rationeel. En dat het gevaarlijk is laat hij al zien. Dat valt niet te ontkennen, lijkt mij.
Het punt is alleen dat fundamentalisten vaak de grootste moeite hebben om onderscheid te leren maken tussen de “absolute waarheid” in godsdienstige zin – zeg maar: het voor hen onaantastbare gezag van bepaalde waarden, opvattingen of personen en hun opvolgers uit de door hen “juist geachte traditie” – en de maatschappelijke verantwoordelijkheden die zij ook hebben en die wellicht tot andere gevolgen zouden kunnen leiden dan die uit hun keuze voor de absolute waarheid van de echte vertegenwoordigers van de traditie en de maatschappelijke keuzes die door deze vertegenwoordigers gemaakt en als alleen navolgenswaardig naar voren gebracht worden. Simpel gezegd: voor veel eenvoudig denkende aanhangers van een religie, bijvoorbeeld de islam of het christendom, is het niet goed denkbaar om zelf een mening te hebben over wat economisch of sociaal rechtvaardig is. Zij stemmen in met wat hun leiders zeggen, wat dat ook inhoudt. Bijvoorbeeld een onterecht vijandbeeld. Of onevenwichtige opvattingen over rechtvaardige verhoudingen in de wereld.
Wie net als Spinoza accepteert dat de belangrijkste functie van godsdienst is om haar aanhangers te motiveren tot rechtvaardigheid en naastenliefde – hij noemt dit “de geest van Christus” die zijns inziens de kern van het christendom vormt; en ik geef in overweging of dit niet ook voor andere religies zou kunnen en moeten gelden -, die stelt in maatschappelijke en dus politieke zaken dat gedrag en die opvattingen voorop die tot die rechtvaardigheid en naastenliefde leiden. En dat betekent automatisch dat opvattingen die meer op het terrein van de (betreffende) godsdienst of religie zelf liggen (de eigenaardigheden van de traditie, de verering van god of goden of godinnen, de cultussen en rituelen enzovoort) binnen dat terrein blijven, en zelfs dan nog gehouden zijn aan de grenzen van wat daarover in politieke kringen wordt afgesproken, ervan uitgaand dat alle burgers daar aan mee (kunnen) doen.
Vrijheid van meningsuiting is voor Spinoza dan ook een elementaire voorwaarde voor dit ideaal. Een ideaal dat heel realistisch is. Want wat heb je liever: regels en beslissingen die leiden tot wat de meesten als rechtvaardig beschouwen op grond van zo rationeel mogelijk overleg, of afhankelijk zijn van de per definitie op niet rationele gronden maar op eenzijdige religieuze voorstellingen gebaseerde vooronderstellingen en beslissingen die zonder verder onderzoek van de werkelijkheid aan de burgers opgedrongen worden? Ik zal hierover verderop nog een boeiend artikel van Harm Botje citeren. Hij wijst er op dat de islam een volksgodsdienst is van mensen die de koran als onbetwistbaar goddelijk voorschrift beschouwen voor eigenlijk iedere gedraging in hun leven, waarbij zij zoveel mogelijk het voorbeeld van de profeet willen navolgen omdat dat niet alleen de beste maar de enige weg is die beantwoordt aan de wil van God en die leidt tot het beste voor iedere moslim. Dit verklaart mijns inziens ook veel van de reacties die we zo vaak op televisie zien en hebben gezien, van bijvoorbeeld Palestijnse of Libanese moslims die direct hebben geleden onder beschietingen of bommen of ander geweld van Israëlische kant, of van Irakese moslims onder dat van Amerikanen, Engelsen of andere geallieerden. Niet alleen is iedere aantasting van de vrijheid om de gedragsvoorschriften van de islam te volgen voor hen een aantasting van de islam en van God zelf, maar daarom zijn zij ook onmiddellijk bereid het uiterste te geven om die vrijheid te verdedigen.
Een andere vorm kennen zij (kennelijk) vaak niet. Zeker ook niet het idee dat er een debat of discussie over de regels mogelijk zou zijn, of los van de gedragsregels over bepaalde vooronderstellingen of uitgangspunten ervan. Er is in de islamitische cultuur zodoende bijna geen publieke aandacht voor theoretische zaken, als het gaat om de grondslagen van de islam of de relatie tussen godsdienst en denken. En dat betekent onder meer dat zij bij het doen van hun uitspraken ook niet het idee hebben dat zij er later nog eens op aangesproken zullen worden. Zij zeggen immers niets dat tegen de gedragsregels indruist, integendeel zij willen die bevestigen. Maar dat zij ook op ideeën los van gedragingen aangesproken zouden kunnen worden, is hun eigenlijk vreemd. (Als ik dit opschrijf doet het me ook een beetje denken aan wat ik me in mijn vooroordelen wel eens voorstel van managers of politici zonder veel inhoud of beleid op lange termijn. Maar die hadden waarschijnlijk beter kunnen weten, en hebben een wat luxer uitgangspositie.)
En die vorm van reageren is voor hen bovendien onmiddellijk een collectieve vorm, zij delen die naar hun gevoel per definitie met alle moslims, minstens die van hun groep (waarbij niet het ‘geloof’ van de groep bepalend is maar de traditie en de sociale en politieke rol). De aantasting is dus onmiddellijk ook een aantasting van heel de groep of heel het ‘volk’ waartoe ze behoren. Dat dit allerlei complicaties schept voor degenen die op vrede uit zijn, en manipulatiemogelijkheden voor degenen die van deze instelling van moslims gebruik willen maken, zal duidelijk zijn. In feite is het dan ook zo – net als in de Westerse geschiedenis met burgers van christelijke landen het geval is geweest – dat politieke leiders van deze bereidheid tot verdediging van de hoogste waarden gebruik maakten voor het verdedigen van hun eigen positie of gewin.

In werkelijkheid hebben we zowel in het Westen als in allerlei andere cultuurgebieden te maken met een mix van politiek en religie maar het is goed om wanneer we het over rechtvaardigheid hebben, aan de eerste, dus aan de politiek, de prioriteit geven. En zelfs daar waar politiek in naam of in werkelijkheid wordt uitgeoefend onder religieuze voortekenen of gezag, is het belangrijk dat die politiek in concreto ingevuld wordt op een manier die aan de eigen rationaliteit van rechtvaardigheid in economische en politieke zin recht doet, dus inclusief het denkbare onderscheid van deze politieke sfeer en de religieuze. Want waar religie, godsdienst of spiritualiteit alleen maar dienen, ook al is het onbewust en min of meer goed bedoeld, om individuele of groepsbelangen te bevoordelen in plaats van dat de beslissingen worden vastgesteld op basis van een eerlijk en rationeel proces van overleg en besluitvorming, missen zij alle hun doel of worden zelfs misbruikt door degenen die zeggen de absolute waarden na te streven. U ziet het, het is een kwestie van zorgvuldig formuleren, wat er op wijst dat we hier met een culturele definitie te maken hebben van wat rechtvaardigheid oplevert. En van die (concrete!) definities moeten we het in de concrete samenleving en de politiek hebben.
Tot zo ver over wat ik als het meest actuele probleem beschouw als wij gaan bestuderen wat meestal “de” islam genoemd wordt.

Ik herhaal nog een keer dat we zeker kunnen spreken over “het” christendom, “de” islam enzovoort. Maar het gaat dan wel altijd over hoe individuele mensen vorm geven aan hun leven. Zij het soms of vaak in een aantal opzichten of zelfs zoveel mogelijk samen. Dit gezamenlijke neemt vaak heel uiteenlopende vormen aan.
Met andere woorden wat van binnen (van binnen de groep) uit gezien als uniek en absoluut waardevol wordt ervaren, kan van buiten af gezien toch als een beperkte individuele of groepservaring, -beleving of -opvatting gekarakteriseerd worden. Terwijl verabsolutering of fundamentalisme enerzijds het gevaar met zich mee brengt van politieke misstappen of misbruik, brengt het herkennen en respecteren van feitelijke individualiteit en pluriformiteit met zich mee dat zich een veelheid van ontwikkelingsmogelijkheden aandient waar iedereen haar of zijn voordeel mee kan doen in de vormgeving van het leven, binnen de politieke kaders waarvoor de politieke leiders verantwoordelijk zijn om die zichzelf en ons te stellen.
Wat dit laatste betreft is het belangrijk vast te stellen dat ook over die kaders brede meningsvorming gewenst is. Want zij verschuiven nu eenmaal in de loop van de tijd, en gelukkig is het volk dat niet hoeft te lijden onder te laat ontdekte fout functionerende kaders, die ook beter afgestemd hadden kunnen worden op de feitelijke ontwikkelingen. Zowel binnen staten (tot het lokale niveau toe), tussen staten als op wereldniveau.

En wellicht nog iets directer en dichter bij huis en bij de vele historische en actuele problemen in verband hiermee: laten alle betrokkenen, te beginnen wijzelf, duidelijk zijn over hun onderlinge afspraken, over de regels die gelden, om te beginnen voor de onderlinge communicatie maar niet minder voor het handelsverkeer en het onderlinge gedrag. Want als niemand de regels naleeft, laat staan kent, dan zijn we bij voorbaat stuurloos aan het ronddobberen. Met alle risico’s voor escalatie, hetzij later hetzij al heel snel. Al zijn er geen garanties dat ook wanneer alle voorzorgsmaatregelen genomen worden, nooit rampen gebeuren.

Literatuurlijst

Om de gelegenheid te hebben de wereld van de islam beter te leren kennen, heb ik een aantal boeken en teksten verzameld die ik hieronder noem. Nogal willekeurig uit verschillende bronnen die zich aandienden, en verre van uitputtend; het streven was wel teksten te vinden die zo goed zijn dat je een heleboel andere teksten over kunt slaan (omdat ze een raamwerk bieden waardoor meer feiten zo goed en objectief mogelijk begrepen worden, en omdat ze betrouwbare feiten overleveren). Het streven was ook recente Nederlandse teksten en publicaties niet over het hoofd te zien maar of dat helemaal gelukt is, weet ik niet.
De islam (net als fundamentalistische stromingen in andere godsdiensten) munt in haar geschiedenis niet uit in de objectieve geschiedschrijving, althans in de bevordering daarvan. (Overigens kan het van belang zijn nader te omschrijven wat de na te streven objectiviteit zou kunnen of moeten inhouden, maar dit moet ik hier terzijde laten.) Het is erg belangrijk voor de toekomst van de islam dat die objectiviteit tot stand komt, zodat sterke en zwakke punten van die geschiedenis en van de godsdienstige praktijk allebei aan de orde kunnen komen. Dit kan naast het praktiseren van de islam in het gewone leven van velen, en zelfs zo dat daaraan voor de toekomst een goede richting gegeven wordt, een richting die vruchtbaar is voor de wereld. Niet alleen in de zin van een overheersing door de islam, waar Mohammed zoals blijkt uit de koran niet aan dacht.

Aspecten die aan de orde zullen komen, zijn:

1. De rol van de islam in het huidige dagelijkse leven van individuele mensen,
2. De samenhang tussen de drie Abrahamitische godsdiensten Jodendom, christendom en islam, en de verschillen en overeenkomsten in hun ontstaan, en hun onderlinge beïnvloeding,
3. Mohammed, de Koran, de historie en de traditie,
4. Islamitische spiritualiteit,
5. Islam op het raakvlak tussen godsdienst en politiek, historisch en actueel.

De volgorde van deze aspecten is discutabel. Bovendien bevatten veel publicaties die in een van de rubrieken voorkomen, een aardige hoeveelheid stof die ook hun plaats in de andere rubrieken verdedigbaar maakt. En misschien is er wat voor te zeggen om rubriek 5 direct na 1 te zetten. Alles lijkt al gauw met alles te maken te hebben. Zeker in rubriek 5 komen een aantal publicaties voor die ook een grote inleidende waarde hebben. Maar ik heb ze toch daar willen neerzetten waar naar mijn mening hun gewicht het zwaarst is.
Verder hebben naar mijn mening alle mensen recht op toegang tot alle culturele goederen uit de geschiedenis van alle culturen. Veel is niet toegankelijk omdat het nog niet toegankelijk gemaakt is via vertaling of verfilming of zelfs omdat het nog ongeweten verborgen of opgeslagen is. Het Vaticaan laat nog niet alles uit zijn bibliotheek vrij. In Saoedi-Arabië mag pas sinds kort in het openbaar gefotografeerd worden. Ik ben van mening dat niemand het recht heeft een ander haar of zijn visie of vormgeving van het eigen leven op te dringen. Wel zijn wij allen verantwoordelijk om elkaars welzijn te bevorderen, te beginnen met economische rechtvaardigheid en politieke vrijheid en meningsuitwisseling en evenwichtige democratische besluitvorming.

Het is wonderlijk voor mij om te beseffen dat ik enerzijds in mijn omgeving te maken heb met mensen voor wie de islam een dagelijkse realiteit is en die ik toch nauwelijks ken. Omdat die islam onderdeel uitmaakt van het leven van mensen met een niet of nauwelijks met onze eigen cultuur geïntegreerde taal en etnische achtergrond. (Terzijde: dat is een situatie die – net als in vele andere gevallen van economische migratie of kolonisering door de geschiedenis heen – eerder al voorkwam bij bijvoorbeeld de Joden in de diaspora, in de hellenistische steden van het Romeinse rijk.) Terwijl anderzijds de islam door haar indrukwekkende culturele bijdrage, historisch gezien, en door de aandacht die er in de media voor is, even goed een dagelijkse realiteit is. Een realiteit die door de eeuwen heen zelfs van groot belang voor onze Westerse cultuur geweest is, denk maar aan de rol die Arabische vertalers en filosofen in de Middeleeuwen speelden bij het doorgeven van klassieke teksten en denkbeelden aan het Westen. Alle reden kortom, om ons in de islam te verdiepen, die in vele opzichten zo dicht in onze buurt is.
Als daarbij problemen van politieke geschiedenis, economische ongelijkheid of sociale integratie een belemmering vormen voor het objectief waarderen van de culturele tradities van de partijen die met elkaar tot een vergelijk dienen te komen omdat zij op het zelfde territorium – de ene wereld uiteindelijk – leven, dan lijkt het me nuttig dat aan die problemen allereerst aandacht geschonken wordt, door iedere wereldburger en vooral door degenen die zich hun leiders weten of noemen. En die werkelijk invloed hebben. Laat ze die invloed gebruiken om levens te redden en niet teloor te laten gaan, om kansen te scheppen voor stabiliteit en ontwikkelingen ten goede, en geen ruimte meer te laten voor uitzichtloze want kortzichtige – door ideologisch beperkte visies veroorzaakte – wanhoopsdaden of vergeldingsdaden.
Het lijkt er op dat dit voor rijke Westerlingen stappen terug in invloed en rijkdom impliceert; in ieder geval zijn wapens niet per definitie de enig denkbare oplossing voor wat in feite een politiek en cultureel probleem is. Politiek begint ook voor het Westen toch met overleg?
Het lijkt dat dit voor burgers van ondemocratische islamitische landen de scheiding van economie en islamitische cultuur (en godsdienst) en de overgang naar democratische politieke verhoudingen impliceert.
Maar als dat nu eens voor beiden meer vrijheid en meer kans op een economisch en medisch stabieler leven inhoudt, zijn die stappen terug de stappen vooruit dan niet waard? Als alle partijen, althans de meest betrokken partijen, het eens zouden kunnen worden over de economie, waarom dan niet ook over de politiek en de cultuur? Binnen de landen van de islam is die strijd ideologisch nog hevig – Turkije en Indonesië zijn weer heel andere voorbeelden dan Iran, Saoedi-Arabië of een Noord-Afrikaans land- maar de geschiedenis leert dat oplossingen in diverse richtingen mogelijk zijn, ook in democratische richting, ook in een richting die voor burgers meer economische rechtvaardigheid oplevert. Want dat laat de geschiedenis van Europa zien, die ondanks heel vreselijke tijden ook een traditie heeft van lange perioden van democratie en redelijke economische ontwikkeling en participatie van vele burgers daaraan.

(1) De rol van de islam in het huidige dagelijkse leven van individuele mensen

Christina Huda Dodge, The Everything Understanding Islam Book: A complete and easy-to-read guide to Muslim beliefs, practices, traditions, and culture, Avons MA (Adams Media Corporation) xii + 289 pp.; (voor een prikje te koop op markten of Internet)

Onder meer aandacht voor het dagelijkse leven, kortom wat een gewone moslim(a) aan opvattingen en gedragswijzen er op na houdt en wat dit in de moderne maatschappij betekent. Dit boek stamt uit de Verenigde Staten maar de informatie is vrijwel helemaal ook in Europa van toepassing

Joris Luyendijk, Een tipje van de sluier: Islam voor beginners, Amsterdam (Podium) 2001, 111 pp.

Niet te missen basisinformatie, ook over de islam in andere landen, uiterst boeiend; met verwijzing naar goede verdere literatuur

Annemarie Schimmel, In de naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige: Een inleiding in de islam,[ met lijst van koranplaatsen, uitgebreide index en een literatuurlijst,] Zoetermeer (Meinema) 1997, 210 pp.

Eveneens veel niet te missen basisinformatie die op een nuchtere manier wordt opgedist en veel misverstanden kan voorkomen. De schrijfster is uitermate deskundig in de geschiedenis van de islam, niet het minst ook van de spiritualiteit en van de positie van vrouwen (zie onder), en kent de islam zelf uit vele contacten.

(2) De samenhang tussen de drie Abrahamitische godsdiensten Jodendom, christendom en islam, en de verschillen en overeenkomsten in hun ontstaan, en hun onderlinge beïnvloeding

Zie voor dit onderwerp onder meer ook de onder genoemde boeken van Frank Peters en van Karl-Joseph Kuschel

Garth Fowden, Empire to Commonwealth: Consequences of Monotheism in Late Antiquity,[ met uitgebreide bibliografie en index,] Princeton NJ (Princeton Univ. Press) 1993, 205 pp.

Geleerd werk van groot belang, over de opbloei van zowel het christendom als de islam (in de behandelde periode) tot een groot rijk. Hij ziet het monotheïsme als bepalende factor in het ontstaan van het Byzantijnse Rijk en het Islamitische kalifaat. In beide gevallen kon het uitdrukking geven aan een neiging tot universalisme die zich vormde in de smeltkroes van culturen in het hellenistische Middellandse-Zeegebied. Maar uiteraard waren daarbij winnaars en verliezers. Met veel informatie over onze Westerse geschiedenis die we in andere boeken niet gauw aantreffen.

(3) Mohammed, de Koran, de historie en de traditie

Wie meer over de profeet Mohammed en het ontstaan van de koran wil weten, verwijs ik eerst naar enkele citaten van de onderzoeker Gerard Bowering, zie onder

Hans Jansen, De historische Mohammed: De Mekkaanse verhalen, Amsterdam / Antwerpen (De Arbeiderspers) 2005, met Verantwoording, Noten, Register, Register van Korancitaten, Register van Bijbelplaatsen, 234pp.

Dit prachtig ogende en lekker in de hand liggende boekje is niets minder dan een klein meesterwerkje. Het is aanstekelijk geschreven, zeker. Maar wie het uit heeft, is bijna ongemerkt deelgenoot gemaakt van wat er op dit moment feitelijk over Mohammed, degene met wie de islam begon en aan wie de Koran geacht wordt te zijn geopenbaard, met enige betrouwbaarheid gezegd kan worden. Jansen maakt dus onderscheid tussen verdichtsel en historische waarheid. Maar het boekje levert nog veel meer inzicht.
Laat eerst gezegd zijn dat dit boekje het eerste deel is van twee. Dit deel gaat over de Mekkaanse verzen van de Koran, het tweede deel zal gaan over de Medinensische. Mohammeds leven en het ontstaan van de islam zijn nauw verbonden met zijn overtocht van Mekka naar Medina. En zoals in dit boek te vinden is, de verzen uit de ene en de andere periode zien er herkenbaar anders uit. Dat betekent dat ze ook met een historisch oog onderscheiden kunnen worden.
In het korte bestek van dit boekje – met bovendien handige registers zodat alles gemakkelijk terug te vinden is – biedt Jansen nu inzicht in de belangrijkste feiten en achtergronden van het leven van Mohammed en van het ontstaan van de islam. Aan de orde komen zowel de rol die de stammencultuur op het Arabische schiereiland speelde als de onmiskenbare invloed van en bekendheid met Joden en christenen en hun geschriften. Jansen is uitstekend op de hoogte van de nieuwste ontdekkingen en onderzoeken ten aanzien van de invloeden van (onder meer) het Syrisch op de taal van de Koran.
Verder baseert Jansen zich op de bekende ‘biografie’ van Mohammed uit omstreeks 750, eigenlijk meer een heiligenleven, althans een verzameling en redactie van verhalen over Mohammed van de hand van Ibn Ishaaq (uitspraak Is-chaaq), die we kennen door de bewerking van Ibn Hishaam, die omstreeks 830 overleed. Er is een uitgebreide Engelse vertaling van deze bewerking in 874 bladzijden. De Nederlandse bloemlezing hieruit verscheen in 2000: Ibn Ishaq, Het leven van Mohammed, vert. W. Raven, Amsterdam 2000.

Nadat hij de chronologie van het leven van Mohammed behandeld heeft, een nog te complexe materie om die met volledige zekerheid te reconstrueren, gaat hij over tot het behandelen van de belangrijkste feiten en de verhalen daarover. Ingenieus laat hij zien welke veronderstellingen afgeleid kunnen worden uit tegenstellingen tussen verschillende teksten, zowel in de Koran als in genoemde biografie. Van Mekka blijken we bijvoorbeeld maar weinig te (kunnen) weten want vele gegevens – en dat geldt ook voor vele andere gangbare verhalen over Mohammed – lijken meer achteraf verzonnen om de tegenstellingen in de teksten te verklaren dan dat ze historisch betrouwbaar zijn. Niettemin zijn de teksten zelf historisch. Dus kunnen we proberen zicht te krijgen op de motieven van het ontstaan ervan, bijvoorbeeld doordat ze impliciet een polemiek voeren met niet genoemde tegenstanders uit later tijd. Zo komen de visies op de ‘heidense stammen’ tegenover wie Mohammed zich opstelde, ter sprake, en evengoed op de Joden en de christenen die voor en in de ontstaanstijd van de islam in de landen van het Midden-Oosten voorkwamen. Dit roept weer allerlei interessante vragen op over overeenkomsten en verschillen.
Zo komen in oude bronnen extra regels in de Koran voor, de zogeheten duivelsverzen, waaruit afgeleid kan worden dat er een periode geweest is waarin deze tekst niet afwijzend stond tegenover de verering van vrouwelijke goden, althans er geen probleem in zag. Of blijkt dat Mohammed zijn gezag mede ontleent aan ontmoetingen in de hemel met oudtestamentische figuren, met Jezus en Maria enzovoort. Of dat het kerstverhaal in de Koran lijkt voor te komen, als je een bepaalde, historisch niet onwaarschijnlijke lezing volgt. Zaken die we bij het ontstaan van allerlei godsdiensten en hun geschriften aantreffen maar die ten aanzien van de Koran pas nu uitgezocht beginnen te worden, althans publiek voor het eerst aandacht krijgen. Dat onderzoek is overigens verre van af.

Wat mij opviel, is onder andere dat er een sterke samenhang in de islam is tussen verering van de ene God en onderlinge solidariteit binnen de groep van islamieten tegenover allen die daarbuiten vallen. Samengaand met een sterke zendingsdrang – ieder mens is een potentiële islamiet – en een sterke koppeling van groepsdenken aan verdediging van de groepseer en eigen cultuur. Een cultuur waar het opvolgen van de voorschriften van de Koran voor het (dagelijkse) leven niet alleen nauwkeurig is ingevuld maar waarvan dat een of zelfs het centrale onderdeel uitmaakt, althans officieel. Zoals iedereen voelt die in een islamitisch land de oproep tot gebed vele malen over zich heen heeft horen komen, die de praktijk van de vastenmaand meemaakt enzovoort. Maar ook dat in de koran teksten voorkomen die geweld ten opzichte van joden en christenen en heidenen uitdrukkelijk goedkeuren in het geval dat islamieten gehinderd zouden worden in de uitoefening van hun godsdienst.

Naar mijn idee in de islam vanaf het begin een sterk antithetische tendens is geweest tegen degenen die het nieuwe geloof een kwaad hart toedroegen of het bedreigden. Zelfverdediging met geweld is uitdrukkelijk geoorloofd volgens de koran. En dat is heel vaak opgevat als een vrijbrief om met geweld of dreiging van geweld – maar wellicht evengoed belofte van politieke en maatschappelijke rust en kans op een normaal maatschappelijk leven, namelijk in plaats van de vaak heersende twisten! – hele bevolkingen of joodse of christelijke delen daarvan in “het huis van” de islam op te nemen. In een eeuw na Mohammed heerste de islam van Portugal tot Pakistan. Maar niet zonder geweld, en met een politiek systeem dat eerder patriarchaal was dan democratisch – overigens net zo als de Joodse en christelijke politieke systemen die we kennen.
Alleen ontwikkelde zich in de christelijke landen – waarschijnlijk omdat het christendom intern zo verdeeld was – later een duidelijker onderscheid tussen kerkelijke en politieke instellingen. En voorbeelden van democratie. Overigens zijn in gebieden van alle godsdiensten – Jodendom, christendom, islam, boeddhisme, en vele andere – politieke en maatschappelijke bloeiperiodes geweest, zij het vaak niet dan na pacificaties die met het zwaard tot stand werden gebracht, dat lijkt een onvermijdelijke, overal geldende ‘wet’. Een goed evenwicht tussen vrede makende en bewakende krachten en economisch en maatschappelijk stimulerende krachten is kennelijk geen kleinigheid. Daarom is het mijns inziens gewenst aan godsdiensten niet teveel invloed in de politiek toe te kennen, want godsdiensten zijn net zo beperkt of goed als hun aanhangers, en voor politiek is het van belang politiek inzicht te ontwikkelen, zoals Spinoza zich heel goed bewust was.
Dit terrein is echter alleen al wat betreft het historisch onderzoek zo onafzienbaar uitgebreid dat het mij bij voorbaat waardevol lijkt er niet zomaar allerlei generalisaties op los te laten. Het valt onder de eerder door mij genoemde noodzaak tot zo objectief mogelijk onderzoek, van alle kanten.

Jansen schetst het verschil en de overeenkomst met Joden en christenen als volgt. De islam heeft met het Jodendom gemeen dat het een concreet en uitgewerkt systeem van voorschriften voor het dagelijkse leven omvat, beide uitgewerkt tot een complex wetssysteem. Bij de Joden is dat neergelegd in de Talmoed, bij de islamieten is dat de sharia, het islamitische rechtssysteem. Voor de handhaving en uitleg van beide zijn geleerden belangrijk. En met het christendom heeft de islam een grote inherente zendingsdrang gemeen. Iedere mens wordt gezien als een potentiële islamiet. De islam zet zich vanaf haar begin inherent af tegen joden- en christendom met wie ze een erfenis deelt maar van wie ze zich nadrukkelijk onderscheidt omdat ze de openbaring aan Mohammed, en de Arabische uitwerking ervan in de Arabische islam, een flinke stap vooruit vindt ten opzichte van die twee. Althans zo brengt de koran dat aan haar volgelingen. (Dezelfde problematiek is trouwens onderdeel van de verhouding van christenen ten opzichte van Joden.) Maar christenen bevinden zich ten opzichte van islamieten gedeeltelijk in dezelfde positie als Joden ten opzichte van beide andere tradities: hun openbaring was al afgesloten voordat die van Mohammed kwam.

Even een tussenopmerking. Een verschil is wel dat het christendom veel minder gekoppeld is, althans in de eerste eeuwen van haar ontstaan, aan een politieke macht. Hoewel Jodendom in beginsel net als de islam sterk etnische en politieke aspecten heeft (denk aan het volk en de staat Israël), heeft het toch in allerlei minderheidssituaties – onder christelijke en islamitische overheersing – leren overleven als godsdienst los van politieke heerschappij. En christendom spreekt vaak eerst groepen aan die politiek weinig invloed hebben, sterker, er is in het christendom naast een sterk op de staatsmacht leunende tak van georganiseerde instituties, bijvoorbeeld de Rooms-katholieke kerk en diverse protestantse kerken, altijd een behoorlijke stroming – binnen en buiten de grotere kerken – geweest van stromingen die kritisch waren ten opzichte van het politieke gezag. Bovendien heeft zich in het Westen een afstand ontwikkeld tussen wat we noemen “kerk” en “staat”. In dit korte bestek moet het bij deze tussenopmerking blijven. Ik verwijs ook nog even naar mijn inleiding hierboven. De islam is moeilijk voorstelbaar los van een maatschappelijk en politiek systeem dat door de islam bepaald wordt. Dat maakt de Europese situatie van islamieten zo nieuw en zo boeiend.
Ondertussen hoop ik dat we uit het tweede boek van de auteur over het Medinensische deel van Mohammeds leven veel meer zullen horen over de samenhang tussen de ontwikkelingen in zijn religieuze leiderschap en zijn politieke leiderschap. De latere politieke opvolgers van Mohammed, de kaliefen van de eerste eeuwen na Mohammed maar in zekere zin alle politieke leiders in islamitische landen tot nu toe, hadden toch vrij veel invloed op de religieuze zaken, onder andere het recht en de rechtsuitoefening. Maar er zijn geleerden die betogen dat dat bij Mohammed het religieuze en het politieke leiderschap juist nog gescheiden waren. Toen Mohammed een politieke opvolger moest krijgen, speelde de religie geen enkele rol bij de keuze! Zie bijvoorbeeld de herinterpretatie van de islamitische geschiedenis bij de Tunesische denkers Abdelmajid Charfi in L’islam entre le message et l’histoire, en Mohamed Charfi, Islam and Liberty: The Historical Misunderstanding (bespreking van Richard van Leeuwen in NRC Handelsblad 30 juni 2006, p.32). De laatste van beide auteurs pleit er voor om de islamitische staat ook nu te seculariseren en voor de islam als godsdienst aparte besturende, althans regulerende instanties te maken. Maar laten mijn tussenopmerkingen u vooral niet afbrengen van de enorme hoeveelheid inzichten en belangrijke informatie die spelenderwijs de revue passeert in dit boek.

Belangrijke koranteksten worden door Jansen helder uitgelegd, we beginnen iets te begrijpen van hoe er een ontwikkeling geweest moet zijn in de vastlegging van die teksten en van de verhalen over Mohammed, van de noodzaak om eerst een goed beeld te hebben van de gebieden waarbinnen de islam zich na haar uitbreiding ontplooide, enzovoort. Jansen geeft ons daar allerlei doorkijkjes in, vooral van binnen uit in de manier waarop in de islam de teksten vragen oproepen, en wat daaruit afgeleid zou kunnen worden – of niet. Hij doet dat op een nuchtere en tegelijk aanstekelijke manier. Aan de opkomst van een godsdienst zitten heel realistische maar achteraf gezien toch ook vaak heel komische kanten, gezien de manier waarop men de heilsfeiten in een goed daglicht probeert te plaatsen, of mooi te illustreren. Daarbij heeft hij zowel heel erg veel begrip voor de prakiserende islamieten als voor de wetenschappelijke en historische geïnteresseerden. Hij trapt niet op tenen maar laat geen mogelijkheid onbenut om dwingende logica voor zichzelf te laten spreken, met alle vragen – en kansen voor bewustwording – die dat oproept.
Ook komt op veel plaatsen naar voren wat voor de praktiserende islamieten van vroeger en van later centrale punten van het leven, van voorstellingen, verhalen en opvattingen zijn.

Kortom, al lezende wordt je alvast erg nieuwsgierig naar de enorme hoeveelheid waardevolle informatie en het leesplezier die het tweede deel zal brengen. Het is ongelooflijk van hoeveel kanten Jansen er in slaagt de feiten en teksten te bekijken. Wat ik vooral indrukwekkend vind, is zijn vermogen om de lezer spelenderwijs te laten delen in zijn grote kennis van allerlei discussies. Discussies die aan de gang zijn (of geweest zijn), hetzij binnen de islamitische wereld zelf, vroeger of later, hetzij gewoon onder allerlei mensen en religieuze stromingen, ook niet-islamitische uiteraard, hetzij binnen de wetenschappelijke wereld.
Zo raak je bijna vanzelf een deskundige die over de dingen mee kan praten. Dat is bepaald geen kleine verdienste. Natuurlijk nooit zo’n deskundige als de auteur zelf. Maar toch, ook wij gewone lezers leven immers midden in een wereld die alles met de islam te maken heeft en dat nog lang zal hebben. Dan kunnen we maar beter geïnformeerd zijn.

Persoonlijk wist ik te weinig van deze dingen af en die waren ook niet altijd uitgelegd in de juiste context. Wel spraken mij bepaalde islamitische mystici altijd al aan (zie onder), vooral de sterk universeel gerichte. En ook had ik begrepen dat er inderdaad nogal wat trekken in de drie grote monotheïstische godsdiensten overeenstemmen, in het bijzonder patriarchale trekken (niet dat ik enthousiaster voor die trekken ben geworden door deze informatie). Ook opmerkelijk is dat ze alle drie uitgaan van een lineaire tijdsopvatting: we zijn op weg van een verleden met duistere kanten via een heden van crisis of tijdelijke rust naar een toekomst in een hiernamaals op aarde en / of in de hemel. De blik vooruit is meer voor de hand liggend dan de blik terug. Dat doet weinig recht aan de ontdekking die anderen gemaakt hebben, te weten dat wij mensen onze tijdsopvatting zelf maken. Verleden en toekomst kunnen we als functies van het heden beschouwen, waar tijd en eeuwigheid elkaar ontmoeten, zo bij voorbeeld in het boeddhisme en bij sommige filosofen en mystici ook van de drie monotheïstische godsdiensten. (zie hierover bijvoorbeeld Abe, Zen en het Westerse denken, Kampen 1997, pp. 174vv. en het artikel ” The Problem of Time in Heidegger and Dogen ” genoemd op p. 226 van hetzelfde boek).
Is het inderdaad zinvol altijd maar achter een volgend doel aan te rennen in plaats van ook eens stil te staan bij dit unieke moment? En wat zijn de implicaties voor het een en / of het ander? Hoe vermijden we dat we in spiritualiteit alleen maar bezig zijn de ene roes in te ruilen voor de andere in plaats van op de werkelijkheid waarvan we deel uitmaken, in te gaan, ons leven er – zonder kramp – mee te delen?
Ik begrijp de spirituele impuls die in de drie overeenkomt, de oproep tot buigen voor de Ene en tot het meegevoerd worden in de stroom van Zijn energie, maar ik zie ook een gevaar van het sluiten van de ogen voor de noodzakelijke relativering van religieuze voorstellingen ten opzichte van menselijke solidariteit – iets anders dan louter solidariteit binnen de eigen groep – en politieke rechtvaardigheid. Die laatste kunnen uitstekend met de eerstgenoemde impuls samengaan uiteraard. Maar politiek of gewoon nuchter menselijk gezien gaat de laatste natuurlijk voor de eerste.
Het punt is wel dat je eerst van dit alles iets af moet weten om je langzamerhand een voorstelling of een mening te kunnen vormen of een houding te kunnen geven, als je tenminste – binnen het politiek kader waarin je je op dat moment bevindt – een ontmoeting niet uit de weg gaat. Als het een echte ont-moeting is, verrijkt die ontmoeting altijd, alleen al door het respect wat je wederzijds ontwikkelt voor het eigene van de ander en van jezelf.

Frank E. Peters, Islam en de joods-christelijke traditie: Een verkenning, Amsterdam (Boom) 2005,[ vertaald uit het Engels, oorspr. uitg. 2003]301pp.

Nog steeds staan vele mensen in de wereld in de tradities van Jodendom en christendom. Die tradities zijn uiteenlopend en sommige mensen zijn er zich bewuster van dan andere, gaan er bewuster mee om dan andere. Maar zo uitgelegd zijn de aantallen van deze mensen groot, hoe uiteenlopend hun betrokkenheid ook is. Het is onmiskenbaar dat dit ook gegolden heeft voor de koran-ontvanger bij uitstek, Mohammed, en voor degenen aan wie hij de Koran doorgaf als handvest van zijn nieuwe religie, de islam. Hij moet heel wat over de heilige boeken van Joden en christenen gehoord hebben, over de figuren die erin voorkomen, want hij vertelt er zelf over in de koran. En wel op zo’n manier dat zijn toenmalige toehoorders niet vonden dat hij over iets totaal vreemds sprak, integendeel. Wat wel nieuw was, was dat hij deze openbaring dicteerde in zijn eigen taal, een vorm van Arabisch die zij konden verstaan, een variant op hun taal, met ritmes en klanken die aan de directe omgeving herinnerden. Maar zelfs de voorstelling die in de koran gegeven wordt van de engel Gabriël als hemelse partner van Mohammed die hem de openbaringen doorgeeft, past bij de voorstelling van het hemelse evenbeeld van de door Jezus verlichte mensen in de Thomastradities en van Mani in het (christelijke!) Manicheïsme. En de nadruk op het unieke profeetschap van Mohammed past precies bij de aandacht voor de ene ware profeet in diezelfde Thomastradities en hetzelfde Manicheïsme.
Behalve de Joden en de christenen komt in de koran nog een derde partij voor, dat zijn de heidenen die er meerdere goden op na houden. In feite behoorden de meeste mensen uit de omgeving van Mohammed tot die groep.
Het boek van Peters laat nu op een buitengewoon heldere en leesbare wijze zien hoe de koran en vervolgens de islam zich tot die drie tradities verhouden.
Dan blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk dat de kern van de islam, en uiteraard van de koran, de overwinning op het veelgodendom is, althans als zodanig wordt voorgesteld. En dan begrijpen we ook dat de bedevaart naar Mekka, die tegenwoordig op de televisie te volgen is, als inhoud heeft de herhaling en vernieuwing van die oorspronkelijke transformatie. Die transformatie was de grote zuivering van de volgelingen van de islam, die een nieuwe Arabische gemeenschap vormden, een religie van Arabische snit. Zij schaarden zich onder de Ene, Allah. Die werd al lang vereerd als voornaamste – maar niet als enige – God bij de Arabieren in en om Mekka (overigens zonder dat er van hem beelden waren: zou dit al Joodse invloed zijn geweest?!). En zij stelden hun hele leven in diens dienst.
Allereerst is de islam een afschaffing van en overwinning op de duisternis van het pre-islamitische, overigens ook Arabische, heidendom met zijn goden en godinnen. En vervolgens is dat wél in de geest van Abraham, de grote voorvader (ook van Joden en christenen), maar dan op een “veel betere”, meer oorspronkelijke wijze. Namelijk de nieuwe zuiverheid van een eigen Arabische islam met een sterke afgrenzing naar andere groepen toe en eenvoudige maar strikte regels voor een zuiver leven, als voorbereiding op het hiernamaals. Dat kreeg later een politieke invulling: gehoorzaamheid aan de opvolger van de profeet, in de vorm van de huidige heerser van het land waar je woont. Over dat laatste was begrijpelijkerwijs vaak verschil van mening, en dat werd meestal met het zwaard beslecht, als niet een bepaalde dynastie zich langer door kon zetten. Dat veranderde deze structuur zelf niet: het gezag van de islam en van de politieke leiding van een bepaald land (of stam of volk) viel in de islamitische gebieden vrijwel altijd samen. De dwangmatige onderwerping werd de definitieve regel en Mohammeds meer gelijkwaardige idee dat er geen dwang is in de godsdienst werd als achterhaald beschouwd (Peters, blz. 213v.).

In de islam heeft zich namelijk (net als in het Jodendom van de Thora) een traditie gevormd van de juiste uitleg van de koran en van de daarin vervatte (wets-)regels. Interessant daaraan vind ik het beginsel dat een latere regel een eerdere kan opheffen omdat hij beter geacht wordt. Dat is alleen niet altijd naar ‘objectieve’ maatstaven het geval. Zoals blijkt bij de genoemde regel die gewelddadige dwang toestaat om mensen uit vreemde landen en met andere opvattingen tot de islam te bekeren. Ik vind de oorspronkelijke van Mohammed beter. Maar het is ook begrijpelijk dat naar mate een godsdienst van groter cultureel en politiek gewicht wordt, en zo’n traditie van uitleg zich ontwikkelt, dat aan de school van erkende geleerden dan een zekere autoriteit wordt toegekend. Helaas heeft dat behalve stabiliserende politieke gevolgen soms ook onderdrukkende en dus destabiliserende gevolgen.

Peters besteedt in dit boek veel aandacht aan de politieke vorm van de islam in de kalifaten en gevarieerde islamitische rijken en religieuze stromingen, aan de ontwikkeling van het islamitische recht en vele andere denkbeelden en praktijken waarbij hij steeds laat zien hoe in de diverse perioden Joden, christenen en islamieten samenleefden, zaken van elkaar overnamen of zich juist tegen elkaar afzetten, zowel extern als onderling. Om nog minstens één klein voorbeeld te noemen: in de eerste eeuwen van de islam was er bij de islamieten veel waardering voor de christelijke monniken die zich terug trokken in de woestijn om daar een spiritueel leven te leiden. Wij kennen ze als de ‘woestijnvaders’ van wie interessante uitspraken over zijn (Pieter W. van der Horst, De Woestijnvaders: Levensverhalen van kluizenaars ujit het vroege christendom, Amsterdam (Prometheus) 1998; Christofoor Wagenaar, Woestijnvaders: een speurtocht door de Vaderspreuken, Nijmegen (Gottmer) / Beveren (Emmaüs); 1981). In de islam was waardering voor hun streven naar zuiverheid, en voor de geestelijke strijd die zij daarvoor voerden. En voor de askese die zij daar voor over hadden.

De uitleg van de koran, de vormgeving aan het ‘gemenebest van Allah’ (waaronder ook de belangrijkste splitsingen en stromingen binnen de islam), de regeling van het leven in zijn vele aspecten, de afgrenzing tussen de islamieten en de anderen en de manieren om de gemeenschap van praktiserende islamieten te verdedigen, de belangrijkste islamitische gedragswijzen en handelingen en geloofsvoorstellingen, vaak heel inspirerende en boeiende, en de voorbereiding op het contact met of het zijn in de hemel (onder andere over de soefi’s), dit alles wordt door hem op een erg aansprekende wijze naar voren gebracht. Zo helder en zo evenwichtig, dat je zijn werk heel goed als naslagwerk kunt gebruiken. De belangrijkste feiten en problemen komen steeds helder aan de orde.
Het aller-knapste vind ik dat hij de inzichten in allerlei bekende verschijnselen en begrippen die je moet weten, zonder dat je het merkt in een historisch perspectief zet, zodat ze vanzelf duidelijk worden. Omgekeerd wordt de samenhang van de hele geschiedenis van de islam met die concrete problemen en verschijnselen duidelijk en krijg je door welke achtergronden de zaken hebben die op dit moment spelen. Bijvoorbeeld het fundamentalisme tegen de achtergrond van de politieke neergang van de islam in de laatste eeuwen, en de uiteenlopende houding die binnen de islam ingenomen wordt tegenover de moderne ontwikkelingen in de techniek en in de Westerse cultuur. En niet te vergeten de ontmoeting en het gesprek tussen Jodendom, christendom en islam, of nog beter tussen mensen die iets of veel met deze tradities in aanraking gekomen zijn, maar te weinig van de andere weten. Peters biedt heel veel inzicht in alle belangrijke achtergronden, en dat is waardevol voor een goed vervolg of nieuw begin van deze ontmoeting.

Steeds wordt vergeleken met de parallelle Joodse en christelijke gebruiken, opvattingen en voorstellingen. Uit persoonlijke ervaring – zoals hij aan het eind van zijn boek verwoordt – is de auteur zich heel goed bewust dat ook in religies wortels – of minstens de uitwerking – van kwaad en van goed aanwezig zijn. Hij wil een beter begrip van de oorzaken van beide tot stand te brengen, en zijn standpunt is dat kennis van achtergronden en van wijzen van functioneren – zoals in dit boek voorzien – daarbij belangrijk zijn. Dat ben ik met hem eens. Een tweede is dat wij allemaal ook stappen kunnen zetten op onze eigen weg van ontmoeting en samenleven. Stappen die we echt alleen zelf kunnen zetten, op de manier die bij onze verantwoordelijkheden past.
Natuurlijk komen vele details en actuele vragen pas in verdere discussies uit de verf en daarom is het jammer dat er maar een beperkt register is. De inhoudsopgave is echter zo overzichtelijk en uitgebreid dat in ieder geval alle belangrijke punten gemakkelijk terug te vinden zijn. Wat nog meer jammer is, is het ontbreken van een verwijzing naar (goede!) verdere literatuur. Natuurlijk kunnen we allereerst denken aan de wetenschappelijke (Engelse) boeken van de auteur die op de eerste flap van het omslag vermeld staan. Daar is ongetwijfeld veel meer in te vinden. Maar als er van dit niveau in het Nederlands of in andere talen meer te vinden is, dan is dat toch wel erg het vermelden waard. Wellicht helpt de verder in dit overzicht genoemde literatuur.
In ieder geval kan mijn conclusie zijn dat ik dit boek zeer aanbeveel. Het zal zijn waarde voorlopig nog lang niet verliezen. Het is in staat lezers uit alle kringen te boeien, helemaal die welke uit gebieden komen waar een of meer van deze monotheïstische religies zelf een – soms heel belangrijke – rol spelen. Zoals Nederland.
Een waardevolle buitengewoon informatieve bespreking van dit boek is nog: Sjoerd de Jong, ‘Een God met en zonder Zoon’, NRC Handelsblad 20 januari 2006, p. 32.

(vervolg op pagina 2 van deze literatuurlijst)