BK-Books.eu » Lezingen » Jezus, Thomas en het latere christendom

Jezus, Thomas en het latere christendom

Uitgebreide versie van de lezing die op 13 december 2003 gehouden werd in Middelburg op het Symposion van de Spirituele Sociëteit Zeeland, gehouden ter aanbieding van ‘t Vuufde evangelie, de vertaling in het Zeeuws van het Evangelie van Thomas door Quidam (Dr Hans de Vos)

Aan het eind vindt u enkele bronvermeldingen en verwijzingen naar mogelijk interessante literatuur

[Actuele links die naar deze webpagina verwijzen:

 

 

 


Inleiding en opbouw

Na de inleiding volgen:

I. Schetsen van de tijd, waarin de wijze man en genezer Jezus leefde

II. De belangrijkste gegevens van Jezus’ leven volgens de geschiedwetenschap: de historische Jezus

III. Wat vertelden zijn volgelingen over hem en hoe droeg dat bij aan de grote verscheidenheid van beelden van Jezus, met speciale aandacht voor twee bijzondere tradities, de joods-christelijke tradities in en om Palestina waartoe ook ‘Thomas’ behoort, en de gnostieke tradities verspreid over de hellenistische wereld

IV. We eindigen weer bij ‘Thomas’. Brengt de ontdekking van ‘Thomas’ ons een stap dichter bij de indruk die de oorspronkelijke ooggetuigen van Jezus kunnen hebben gekregen?

Tenslotte volgen daarna enkele bron- en literatuurverwijzingen.

Voordat in de vierde eeuw de ‘kerkelijke’ opvattingen het wonnen (uniforme leer, uniforme organisatie, uniforme lijst van geschriften) was er een variatie aan opvattingen en bewegingen en geschriften die verketterd of vergeten werden maar eerst meetelden. Een van de belangrijkste is het Evangelie van Thomas, hier verder ‘Thomas’ genoemd. ‘Thomas’ maakt deel uit van de geschriften die omstreeks 1947 in Nag Hammadi in Egypte gevonden werden. Uit die vondst wordt in combinatie met vele andere historische gegevens, waaronder de Dode-Zeerollen en vele andere niet minder belangrijke religieuze geschriften die in de eeuwen voor en na het begin van onze jaartelling in het Middellandse-Zeegebied in omloop waren, opnieuw duidelijk dat wat de kerken leren over Jezus niet was zoals hij over zichzelf dacht. Jezus verkondigde de komst van het Koninkrijk en zag zichzelf als belangrijk instrument van de Vader maar niet als God. Latere leerlingen en volgelingen maakten van Jezus onder andere een godenzoon, middelaar tussen God en mensen. Maar er waren ook hele andere visies op Jezus, en lessen die uit zijn optreden en boodschap getrokken werden. Waarom de ene er dit van maakte en de andere dat, is niet gemakkelijk te achterhalen maar dat kan soms wel. Want er zijn allerlei verbanden aan te wijzen tussen die visies en lessen enerzijds en allerlei bestaande en toen nieuwe tradities anderzijds die de verschillende ontwikkelingen verklaren, niet altijd bewijzen maar wel aannemelijk maken. Dat is specialistenwerk dat nog lang niet klaar is, en nog tot interessante nieuwe conclusies zal leiden. Maar duidelijk is dat de opvattingen die de christelijke kerken tot nu toe voor de officiële hielden en houden, beslist niet altijd de beste historische papieren hebben als het over originaliteit gaat, over de weergave van wat Jezus zelf en zijn oudste volgelingen beleefden en leerden. Vele groepen ontstonden er en maakten van Jezus en zijn woorden gebruik, zowel de groepen die later uitgroeiden tot de staatskerk in het Romeinse Rijk als een veelheid aan andere groepen. En hoe die bewegingen en hun visies zich ontwikkelden, waarnaar zij zich richtten en wat zij toevoegden of weglieten, is fascinerend vanwege de inspiratie die er ook voor ons in schuilt en vanwege de nieuwe historische verbanden die zichtbaar worden en die veel te denken kunnen geven over de rol van spiritualiteit, religie en godsdiensten in de samenleving en voor individuele mensen. Een uitgebreide schat die nog ontgonnen kan worden en waar ik hier naar wil verwijzen.

Het christelijke Kerstfeest werd niet voor de vierde eeuw gevierd en Pasen betreft niet een lichamelijke opstanding, maar is een verwijzing naar wat ieder van ons overkomt die open gaat voor de geest van de waarheid, die innerlijk opnieuw geboren wordt. Wat was de eigenlijke “geboorte” van Jezus in geestelijke zin? Dat was het moment van zijn doop in de Jordaan, waarbij de Geest op hem neerdaalde, van oudsher gevierd op 6 januari, het feest van de Epifanie, waar later Driekoningen van gemaakt is toen de geboorteviering naar 25 december werd verschoven, aansluitend aan het geboorteverhaal in het Lukasevangelie. Waarom werden die verschillende geboorteverhalen (zij passen niet goed bij de opzet van deze evangeliën en spreken elkaar bovendien tegen) waarschijnlijk toegevoegd aan de synoptische evangeliën?! Om van Jezus’ fysieke geboorte een mirakel te maken, en dus van Jezus een held. Het feest van Jezus’ geestelijke geboorte was in de eerste eeuwen zeker zo belangrijk als Pasen, want de geestelijke of wedergeboorte stond bij ieder voorop en de lichamelijke opstanding aanvankelijk zeker niet. Op het latere Kerstfeest en op de geestelijke doop van Jezus kom ik nog terug.

Nu eerst enkele citaten uit het Evangelie van Thomas, eerst in het Zeeuws en direct erna vindt u de Nederlandse tekst.

Thomas 4 (= 4e logion ofwel spreuk):Jezus zei:

Een me:ns op leeftied mò achter an mekare

bie een kind van zeven daegen oud

naè ‘t eêuwige leven gaè vraege.

En ie za voe eêuwig leve,

wan vee eêste worre wee lest,

en ze worre aol gelieke.

Jezus zei:

Een oude van dagen zal niet dralen

Om een kind van zeven dagen oud

Te vragen over de plaats van het leven;

En hij zal leven.

Want vele eersten zullen de laatsten worden

En zij zullen tot één en hetzelfde worden.

Thomas 22:

Jezus keek ‘s naè een paer kleine guus die a de bost krege.

En ie zei tegen z’n leêrliengen:

Die a naè ‘t keunikriek gae, die ben net as die kleintjes daè.

Ze vroge an z’n:

Motte me dan in ‘t keunikriek komme as kleine guus?

En Jezus zei trug:

A je de tweê saemen laèt gae,

en a je de binnenkant net as de butenkant maèkt,

en de butenkant net as de binnenkant,

en den onderkant net as de bovenkant;

en a je mannelik en vrou:welik eênder maèkt,

waèdeur a mannelik nie mì mannelijk is,

en vrou:welik nie mì vrou:welik;

en a je een oage maèkt op de plekke daèr a een oage mò zitte,

en een and op de plekke van een and,

en een voet op de plekke van een voet

en een gestalte op de plekke daèr a een gestalte mò weze,

dan gaè je naè ‘t keunikriek.

Jezus zag kleine kinderen die gezoogd werden.

Hij zei tot zijn leerlingen:

Deze kinderen, die gezoogd worden,

Lijken op hen, die het Koninkrijk binnengaan.

Zij zeiden tot hem:

Zullen wij dan, als wij kinderen zijn,

Het Koninkrijk binnengaan?

Jezus zei tot hen:

Als jullie de twee één maakt

En als jullie het innerlijk maakt als het uiterlijk,

En het uiterlijk als het innerlijk

En het boven als het beneden,

En als jullie het mannelijke en het vrouwelijke tot één maakt,

Zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn

en het vrouwelijke (niet) vrouwelijk,

als jullie ogen maakt in plaats van een oog

en een hand in plaats van een hand

en een voet in plaats van een voet

(en) een beeld in plaats van een beeld;

dan zullen jullie binnengaan in [het Koninkrijk].

Thomas 37:

Z’n leêrliengen vroge:

Oeneêr zu me je kunne zie:e, en oeneêr zu me je zie verschiene?

Jezus zei:

A jolder zonder schaemte aoles uut doe:e dat a je an è:e,

en dan net as kleine guus boven op je goe:d gaè stae,

en der dan op trappe.

Dan zu:e jolder ‘t kind van ‘t eêuwig levende zie:e,

zonder da je daè benauwd van worre.

Zijn leerlingen zeiden:

Op welke dag zult u zich aan ons openbaren

En op welke dag zullen wij u zien?

Jezus zei:

Als jullie je kleren aflegt zonder schaamte

En (dan) je kleren opneemt en ze onder je voeten legt,

zoals kleine kinderen -, en eroverheen loopt;

dan [aullen jullie] de Zoon van de Levende [zien]

en zullen jullie niet bevreesd zijn.

Thomas 36:

Jezus zei:

Je mòj’n eigen nie van den ochen toet den aeven,

En van den aeven toet den ochen,

Druk gaè zitte maeke over wat voe goe:d a je an mò doe:e.

Jezus zei:

Wees niet bezorgd

van de ochtend tot de avond

en van de avond tot de ochtend

wat jullie zullen aantrekken.

Thomas 42:

Jezus zei:

Je mò levend worre sint a je doôd gaèt.

Jezus zei:

Word voorbijgangers.

Thomas 54:

Jezus zei:

Die a aerm bin, die bin zalig.

Wan ‘t emelse keunikriek is voe ulder.

Jezus zei:

Gelukzalig de armen,

Want voor jullie is het Koninkrijk der hemelen.

Een verschil met de andere evangeliën is dat het Evangelie van Thomas alleen gezegden van Jezus bevat en geen verhalen over hem. Bevestigt dit de ouderdom en de oorspronkelijkheid van ‘Thomas’ (“het gaat om de inhoud en werking van Jezus’ boodschap” en “de hier niet vertelde verhalen zijn nog bekend uit de dichtbije herinnering”) of kan men de soberheid uitleggen als een bewuste latere keuze (“omdat de verhalen al elders verteld worden namelijk in andere evangeliën”)?

Voor het overwegen van deze en andere vragen is de lezing na deze inleiding als volgt ingedeeld:

I. Schetsen van de tijd, waarin de wijze man en genezer Jezus leefde.

II. De belangrijkste gegevens van Jezus’ leven volgens de geschiedwetenschap: de historische Jezus.

III. Wat vertelden zijn volgelingen over hem en hoe droeg dat bij aan de grote verscheidenheid van beelden van Jezus, met speciale aandacht voor twee bijzondere tradities, de joods-christelijke tradities in en om Palestina waartoe ook ‘Thomas’ behoort, en de gnostieke tradities verspreid over de hellenistische wereld.

IV. We eindigen weer bij ‘Thomas’. Brengt de ontdekking van ‘Thomas’ ons een stap dichter bij de indruk die de oorspronkelijke ooggetuigen van Jezus kunnen hebben gekregen?

Tenslotte volgen enkele bron- en literatuurverwijzingen.

I Schetsen van de tijd, waarin de wijze man en genezer Jezus leefde

Na enkele eeuwen van doorsijpelen, verspreiden en omvormen en aanpassen en vertalen van de berichten over Jezus was er ook een Romeinse staatskerk van christelijke signatuur, met een vaste canon van heilige schriften, een vaste geloofsbelijdenis en een vaste organisatie. Maar we kunnen ons beeld van de eeuwen daarvoor natuurlijk niet afleiden uit wat er later van gemaakt werd. Door allerlei vondsten en studies weten we sinds enkele decennia ongelooflijk veel meer van die eerste eeuwen. Het blijkt dat degenen die Jezus vereerden aanvankelijk meestal Joden waren en Jezus niet als verlosser zagen maar als een verlichte profeet die na zijn ontijdige dood verder verschenen was. Zijn inspiratie leefde na zijn dood nog voort onder verschillende groepen. Groepen die soms messiaanse, soms esoterische, en soms wijsheidstradities gebruikten om die inspiratie te verduidelijken. Groepen, waar steeds meer niet-joden zich bij aansloten. En die daar dan óók weer hun eigen tradities bij gebruikten.

Zij zagen zich allen als sympathisanten van Joodse tradities, zij het verschillende, want dat was toen al zo. En naarmate de verhalen over Jezus verder in het Romeinse Rijk doordrongen, namen ze merkwaardigerwijze ook vaak een beetje de kleur over van de andere verhalen die daar al leefden. Zo werd Jezus vergeleken met de Egyptische Osiris, met de Griekse Dionysos, met de Perzische Mithras enzovoort. Osiris was de god die als mens onder de mensen verschijnt, die door de kwade krachten vernietigd wordt maar die na zijn opstanding het oordeel zal vellen aan het eind van de tijden en de absolute waarheid bekend zal maken. Dionysos was de god van de mysteriescholen van Pythagoras, Plato en Socrates, die van onbetekenende wijngod de gekruisigde en opgestane werd die de mensen voorging op de weg van de inwijding, de weg “terug naar God”. Mithras, de Verlosser, op 25 december geboren uit de vereniging van een maagd en een god, wonderen verrichtend, ten hemel gevaren en aan het einde van de tijden komend met zijn oordeel – wie zijn bloed niet zou drinken, zou niet verlost worden. En terwijl Paulus al heel vroeg, nog voor er evangeliën waren, de verhalen over Jezus bewust niet alleen aan Joden maar ook aan Grieks-sprekenden buiten Palestina bracht, en een heel eigen betekenis gaf aan de Christus in hem, die ook het beeld in alle mensen was, zagen anderen in Jezus de Messias voor alle volken, of de eniggeboren zoon van God, of de boodschapper van God die de in de stof gevallen mens terugvoerde naar de geestelijke wereld. Een oneindige variatie, waarin vooral het enthousiasme voorop stond dat iedereen gelijk was, van slaaf en vrije tot man en vrouw, en Jood en Griek en iedereen. En naast de christelijke stromingen waren er nog vele andere.

Uiteindelijk zou in de boeiende hellenistische periode van het Romeinse Rijk een kleine tweeduizend jaar geleden in de smeltkroes van culturen en religies in het Oostelijk Middellandse-Zeegebied, in Egypte, Palestina, Syrië en Griekenland de overgang plaats vinden naar een nieuwe culturele en godsdienstige grondslag, namelijk de combinatie van Romeinse ideeën voor het bestuur en recht, Griekse filosofie en een nieuwe godsdienst, het christendom, een godsdienst die de politieke machthebbers zo waardevol toescheen dat zij haar tot staatsgodsdienst uitriepen. Maar dat gebeurde niet in een handomdraai.

Die voorafgaande overgangsperiode begint ruwweg met de Romeinse verovering van Griekenland. Door de veldtochten van de Griekse Alexander de Grote waren de contacten met het Oosten verstevigd. De Grieken begonnen overal kolonies te stichten aan de kusten van de Middellandse Zee en verspreidden hun cultuur. Met de komst van de Romeinse heerschappij en het opnemen van nog veel meer volken en culturele invloeden begon de smelkroes pas echt op te warmen. Het gaat ruwweg om de periode van enkele eeuwen voor tot enkele eeuwen na het begin van onze jaartelling, de zogenaamde hellenistische periode (Hellas = Griekenland, hier op te vatten als de cultuur en de taal die in die periode centraal stonden, ook tijdens het Romeinse Rijk). Daarin vond de bloei van het Romeinse Rijk plaats, een lang proces van ontmoeting van de culturen om het Romeinse Rijk heen, de Perzische, Egyptische, Syrische, Joodse, Griekse en Romeinse, om de belangrijkste te noemen. En van de bijbehorende etnische gewoonten en de bijbehorende religies. Dat leverde in eerste instantie een grote smeltkroes op, zoals wij die ook in onze grote steden opnieuw kennen. Inderdaad kun je de migratiestromen van toen en van nu met elkaar vergelijken: zoals nu talloze immigranten in West-Europa en de Verenigde Staten te vinden zijn, zo was dat ook in de grote steden rond de Middellandse Zee in de tijd van het Romeinse Rijk. Je kunt het Engels van nu vergelijken met het Grieks van toen; en bijvoorbeeld het Arabisch, Marokkaaans of Turks van nu met het Hebreeuws of Syrisch of Perzisch van toen.

En als je dagelijks op elkaars huid zit, zie je elkaars sterke en zwakke kanten goed. Net als de mensen in die tijd leven wij in een tijd van grote culturele veranderingen, misschien zelfs een verandering van de wereldorde. Er was toen en er is nu geen gebrek aan kansen – denk aan de handel – maar ook aan onzekerheden – wat dacht u van de handhaving van de orde en van de veiligheid in die grote steden? En van het risico van overvallen door bendes en legers daarbuiten? En allereerst moet natuurlijk de dagelijkse strijd om te overleven genoemd worden, en de strijd om evenwicht te vinden tussen degenen die weinig of niets hebben dan hun leven en degenen die over levensmiddelen en geld beschikken.

Op religieus gebied vielen in die periode een aantal zaken op. Veel religies waren inwijdingsreligies, waarin de leerlingen door een proces heengingen dat hun ogen moest openen voor de ware zin van het leven. Dat gebeurde in de Griekse mysteriereligies, met name die van Dionysos (letterlijk: de zoon van God), en bijvoorbeeld in de Mithras- en Isiscultussen met hun Perzische dan wel Egyptische achtergrond. Tussen haakjes: de Mithrascultus zou uiteindelijk de grootste concurrent van het winnende christendom blijken te zijn. Verder waren er ook genootschappen of loges (zeg ook maar ‘spirituele sociëteiten’) die de ware zin van het leven terugvonden in kosmische filosofie en gnosis (gnosis = kennis; namelijk die van het hart, dus intuïtief), zoals in de egyptisch-hermetische en joods-gnostische loges in Alexandrië. En dan waren er verspreid over de steden groepen Perzen, Syriërs, Joden enzovoort die hun eigen bijeenkomsten hielden en zo hun oude etnisch-religieuze tradities voortzetten, bijvoorbeeld in synagogen en bij wekelijkse maaltijden waar behalve de religie ook praktische zaken aan de orde kwamen. Men kon elkaars hulp goed gebruiken. Of er waren mensen die zich uit het veelvormige maatschappelijke leven terugtrokken in de overzichtelijke regels van de eigen gemeenschap in een afgelegen gebied, zoals de Joodse Essenen (van wie de Dode-Zeerollen geacht worden afkomstig te zijn) en later de christelijke heremieten, voorlopers van de middeleeuwse monniken. Of weer anderen die zich misschien minder uit religieuze dan uit politieke motieven verzetten tegen de Romeinse overheersing, zoals de Joodse Zeloten.

Verder was er overal en altijd veel belangstelling voor het vinden van goddelijke aanwijzingen voor het leven door raadpleging van geïnspireerde priesters of priesteressen, zoals de Griekse orakels van Delphi, maar ook door het raadplegen van orakelspreuken die uit een verzameling gekozen werden door het gooien met een dobbelsteen. Te vergelijken met het werpen van staafjes om de orakelspreuken van de I Ching te kiezen, of met het leggen van Tarotkaarten.

En evenzo waren er rondreizende filosofen die kritiek uitoefenden op het maatschappelijke systeem – speciaal de zogeheten Cynische filosofen (Cynisch = ‘honds’; bedoeld is dat ze door hun vaak ongewone gedrag en kritische uitspraken de mensen probeerden wakker te schudden; ze waren dus niet per se ‘cynisch’, wel kritisch; overigens is het woord ‘cynisch’ wel van hen afgeleid) – en verder trof men spirituele leraren aan zoals de beroemde Pythagoras, die mysteriescholen stichtten, of met hun diepzinnige lessen rondreisden zoals Apollonius van Tyana. En zo waren er heel veel. En ten slotte ook een veelvoud van genezers en profeten en magiërs die met spreuken of tabletten mensen genazen of op een nieuw spoor zetten, het onheil afweerden of wensen vervulden.

Bijzonder is dat buiten Palestina zeker evenveel zo niet meer Joden woonden als erin, er waren grote groepen joden in Alexandrië en verder in elke grote stad wel een of meer groepen Joden. En dat van alle godsdienstige tradities achteraf gezien de Joodse tradities de belangrijkste invloed althans doorwerking hebben behouden in deze smeltkroes. Wie even aan het verhaal van Pinksteren uit het boek ‘De Handelingen van de Apostelen’ wil denken, herinnert zich dat de auteur daar vol trots vertelt uit hoeveel streken en van welke verschillende volken er mensen voor het Joodse pinksterfeest in Jeruzalem zijn. Maar die woonden allemaal ver van Jeruzalem vandaan, ver buiten Palestina, meestal als minderheid in een vreemde omgeving. Opmerkelijk is dat er handel en rijkdom voldoende was om al dat verkeer mogelijk te maken. Zo werd het daar rondom de Middellandse Zee pas een echte smeltkroes. (Voor aanvullende informatie over het Jodendom in Palestina in de eeuwen voorafgaand aan de eeuw waarin Jezus optrad, zie inmiddels onder meer het boek van Stephen Hodge, De Dode-Zeerollen.)

Achteraf gezien is een van de belangrijkste ontwikkelingen binnen dat uitgebreide en uiteenlopende Jodendom het uiteenvallen geweest in minstens twee richtingen. Aan de ene kant het rabbijnse Jodendom dat het in reactie op de nieuwe ontwikkelingen – waaronder de verwoesting van de tempel in Jeruzalem omstreeks 70 na Christus – het Hebreeuws handhaafde, vele hellenistische invloeden buiten de deur hield en ook de Jezusbewegingen afwees die immers van Jezus een tweede God maakten en zich meer aanpasten aan de hellenistische omgeving, en aan de andere kant het hellenistische Jodendom dat het Grieks accepteerde – het Grieks was het Engels van die tijd – waardoor een brede basis werd geschapen voor verbreiding van nogal uiteenlopende stromingen die mede of alleen door Jezus geïnspireerd waren en waaruit later ontstond wat christendom genoemd kan worden. Die acceptatie van het Grieks was niet oppervlakkig: de Joden in Egypte hadden immers een uitgebreide vertaling van de Joodse heilige geschriften in het Grieks gemaakt, de Septuaginta, die veel werd gelezen en bestudeerd en uitgelegd. En dat had weer veel invloed op de taal en de ideeën van de door Jezus geïnspireerde bewegingen.

Wat we vooral niet mogen vergeten is dat er in het Jodendom heel veel esoterische stromingen waren, gebaseerd op visioenen over de hemelse wereld of de weg erheen, de voorlopers van de Joodse kabbala, maar ook verbindingen met het uitleggen van orakelspreuken, met Egyptische en Griekse filosofie en kosmologie. De latere gnostici zouden daar evengoed gebruik van maken als Paulus en de evangelist Johannes. Als we ons even beperken tot de joodse tradities die er al waren voordat Jezus leefde, kunnen we op z’n minst drie grote noemers signaleren waaronder joodse tradities zijn terug te vinden: er zijn messiaanse tradities, er zijn wijsheidstradities, en er zijn esoterische tradities.

Achteraf kunnen we zeggen dat de diversiteit er eerst was en pas later de orthodoxe reactie die orde bracht maar ook verstarring. Zowel bij degenen die het Hebreeuws handhaafden, de orthodoxe rabbijns-joodse traditie van de ene Thora van de enige God en haar ene manier van gezaghebbende uitleg (neergelegd in de talmoediem) en ritueel, als bij degenen die tot het Grieks overgingen, met name de orthodoxe christelijke traditie van de ene kerk met haar ene leer en ene lijst van geschriften en ene liturgie. Als je ziet dat vele hellenistisch-joodse tradities (bijvoorbeeld de geschriften van de Alexandrijnse Jood Philo, exegeet en filosoof; en de joods-hermetische en joods-gnostische tradities) in ieder geval aanvankelijk vooral in de christelijke bewegingen en tradities invloed hebben uitgeoefend, zou je zelfs de veronderstelling kunnen wagen dat het rabbijnse jodendom het christendom wellicht eerder afwees om hun aanpassing aan de vreemde hellenistische invloeden dan om de persoon van Jezus, of wat men van hem maakte. Maar dit is een nog onontgonnen terrein (al is wel waarschijnlijk dat de afsluiting van de rabbijns-joodse canon van heilige geschriften – de Tenach – pas in de tweede eeuw plaatst had en wel mede beïnvloed door het zich afzetten tegen de sterker toenemende christelijke groeperingen en geschriften, zodat bijvoorbeeld verschillende boeken uit de rabbijns-joodse canon werden gelaten die eerder wel in de Griekse vertaling van de Joodse heilige boeken, de Septuagint, waren opgenomen, en die ook bij veel christenen populair waren), want ook in het christendom ontstond immers een orthodoxie die een nieuwe scheiding maakte en nu sommige opvattingen, waaronder vele over Jezus, als juist en heilzaam en andere als ketters en gevaarlijk indeelde. En de ruimte die er later bij de joden – ook de orthodoxe – ontstond voor de mystieke traditie, in de vorm van de Kabbala, heeft toch ook al oude hellenistische wortels, mag men aannemen. Hier spelen dus allerlei factoren samen en die kunnen over langere perioden tot wisselende constellaties en rollen leiden. Waarop we hier niet in kunnen gaan. Het kernverschil is echter de houding tegenover de veranderingen die de hellenistische omgeving meebracht. Jezus werd daarbij mijn inziens in mythologische of theologische zin pas een echt strijdpunt toen de christenen het in het Romeinse Rijk wonnen van de joden en van andere religies (we zullen zien dat Jezus wel opponeerde tegen het tempelestablishment van zijn dagen maar dat hing direct met Jezus’ boodschap samen die goed te verenigen viel met de etnisch-Joodse tradities). Althans, het gegeven dat men Jezus als enige god-mens ging beschouwen, werd pas een politiek punt tegen de joden toen de christenen zich maatschappelijk en politiek tot de bevoorrechte elite mochten gaan rekenen waar de andere afstammelingen van de Joodse tradities die Jezus niet erkenden, zeker niet bij konden horen. Dat de christenen het zo ver brachten, kwam overigens niet alleen omdat ze waardevolle nieuwe dingen brachten – zoals een sterke moraal en standvastigheid in vervolgingen – maar ook omdat ze zich aanpasten, cultureel, religieus en politiek. Maar Jezus’ boodschap had ook een sterke maatschappelijke pointe gehad die zich niet altijd laat rijmen met aanpassing aan de macht. Bleef de boodschap van Jezus in dit alles overeind?

Wanneer we een juist beeld van Jezus willen krijgen, en wanneer we een juist beeld willen krijgen van de uiteenlopende spirituele bewegingen en geschriften die door zijn optreden zijn ontstaan of beïnvloed – en de ons bekende evangeliën en andere geschriften van het Nieuwe Testament horen daar net zo goed bij als het Evangelie van Thomas en de andere christelijke geschriften die in Nag Hammadi gevonden zijn – dan moeten we kijken hoe die ontwikkeling precies heeft plaats gehad: van de bijzondere Jood Jezus, een mens die een boodschap van verlichting en solidariteit verkondigt aan de verschoppelingen van de maatschappij, tot een door bisschoppen geleide en door de keizer beïnvloede staatskerk in het Romeinse Rijk, die de goddelijke genade toedeelt aan de gelovigen, en van simpele maar krachtige en enthousiaste Jezusbewegingen (in Joodse streken loyaal jegens de thora en de tempeldienst, en in hellenistische omgevingen vol vreugde over de onderlinge gelijkwaardigheid van slaaf en vrije, Jood en Griek, man en vrouw) tot de in heel de wereld vereerde Messias, die de door anderen Verkondigde wordt, de Verlosser van zonden, de Heer van het universum. En eerlijk is eerlijk, als een aantal praktisch ingestelde bisschoppen (met name Irenaeus) niet uit de chaos van ideeën over Jezus en de chaos van de bewegingen van Jezus-vereerders de conclusie hadden getrokken dat de beweging geen toekomst had als zij geen uniformiteit vestigden, en als zij geen scherp oog voor maatschappelijke zelfhandhaving en politieke positie hadden gehad, dan was er wellicht nooit een christendom ontstaan met een vaste organisatie, een vaste leer en een vaste bijbel. Maar evengoed moeten we eerlijk zijn als we vaststellen dat dit wel gewoon mensenwerk geweest is, in ieder geval niet noodzakelijk alleen gebaseerd op goddelijke ingeving maar op vrije keuze. Maar nu de belangrijke vraag.

Hoe kwam men van de bijzondere Jood Jezus die het Koninkrijk van verlichting en solidariteit verkondigde aan de armen tot de voorstelling van de Zoon van God, de Christus die allen die in hem geloven, van zonde verlost; en van de enthousiaste maar simpele en arme Jezusbewegingen tot een invloedrijke staatskerk met machtige leiders waar enthousiasme op de tweede plaats raakte na de vaste leer en liturgie, de vaste organisatie en de vaste bijbel?

‘Thomas’ werd met zo’n zestig andere meest onbekende geschriften uit de eerste eeuwen van onze jaartelling gevonden in het egyptische Nag Hammadi. Deze vondst biedt een nieuw licht – of vraagt minstens om een nieuw licht – op de religies binnen het Romeinse Rijk, op het Jodendom, op het belang van Egypte, op de mysteriegodsdiensten. Want vele andere eveneens hier gevonden of al bekende maar nu opnieuw gelezen en bestudeerde geschriften laten duidelijk zien dat er allerlei verbanden tussen die religies en de verschillende Joodse en christelijke tradities bestonden. En ‘Thomas’ heeft daar een buitengewoon unieke plaats in die veel vragen oproept en veel te denken geeft, en tot vele nieuwe inzichten kan leiden.

II De belangrijkste gegevens van Jezus’ leven volgens de geschiedwetenschap

Voordat ik terugkom op de plaats van het Evangelie van Thomas in deze ontwikkeling lijkt het nuttig om eerst vast te stellen of wat wij denken te weten van het leven van de historische mens Jezus van Nazareth klopt met wat daarvan volgens moderne geschiedkundigen van bekend is. Ik maak daarbij gebruik van het boek van de socioloog-theoloog-historicus Gerd Theissen en Annette Merz, Der historische Jesus; met een aantal aanpassingen van mijn hand.

Jezus werd in Nazareth (dus niet in Bethlehem; BK) geboren als zoon van de hout- en steenbewerker Jozef en zijn vrouw Maria. Hij had verscheidene broers en zusters. De namen van zijn broers zijn deels bekend (bijvoorbeeld Jacobus, de latere leider van de eerste christelijke groepering in Jeruzalem, die ook in het Nieuwe Testament voorkomt; BK). Hij werd in de periode van zijn publieke optreden “rabbi” genoemd.

Rond zijn 25e sloot hij zich aan bij de beweging van Johannes de Doper, die alle Israëlieten tot omkeer opriep en door middel van een doop in de Jordaan redding beloofde in het gericht van God dat direct ophanden was. Daardoor bood de Doper in rituele vorm vergeving van zonden aan – onafhankelijk van de mogelijkheden van verzoening die de tempel in Jeruzalem aanbood. Dat was een motie van wantrouwen tegen de centrale instelling van het Jodendom (en het volk Israël; BK). Die was ineffectief geworden. Ook Jezus liet zich door Johannes dopen. Net als alle anderen heeft ook hij zijn zonden bekend (! BK). Net als alle anderen rekende ook hij met het nabije gericht van God.

Het duurde niet lang of Jezus trad onafhankelijk van de Doper op – met een verwante boodschap, maar hij legde meer nadruk op de genade van God, die aan alle mensen nog een kans en een tijd laat. Misschien verwerkte Jezus zo de ervaring dat het door de Doper aangekondigde gericht niet direct plaatsvond. Jezus’ fundamentele zekerheid was dat een definitieve wending ten goede had plaatsgevonden. De satan was overwonnen, het kwaad in principe eveneens. Dat kon men ervaren in duiveluitdrijvingen, waarbij de demonen moesten vluchten. Dat waren tekenen van het koninkrijk dat aan het komen was.

Met deze boodschap trok Jezus als rondreizend prediker door Palestina met het zwaartepunt in kleine plaatsen aan de noordwestzijde van het meer van Galilea (in het Noorden; BK). Uit het eenvoudige volk, uit vissers en boeren, koos hij zijn leerlingen met Petrus aan het hoofd, (als het ware; BK) representanten van de stammen van Israël, met wie hij het op korte termijn te herstellen Israël wilde “regeren” door middel van een soort “representatieve volksregering”. Voorts werd hij vergezeld door anderen uit het volk, waaronder ook vrouwen, iets dat voor een Joodse leraar ongebruikelijk was. Maria Magdalena (voor de rol die zij later speelde in allerlei verhalen zie bijvoorbeeld J. Slavenburg, Het openvallend testament) nam onder hen een bijzondere plaats in. Zijn familie hield hem een tijd lang voor gek, ook al behoorde zij later, na zijn dood, tot zijn aanhangers.

Zo ver Jezus een belangrijke taak voor zijn intieme leerlingen op het oog had, had dat niets te maken met het stichten van een nieuwe godsdienst of nieuwe kerk in plaats van de Joodse tradities tot dan toe, of met machtsuitoefening op basis van goddelijk gezag (die macht eiste Jezus ook niet voor zichzelf en zijn boodschap op!), maar eerder met het leiden van een volksbeweging die verlichting en solidariteit met elkaar verbond, en zich baseerde op vrijwilligheid en vrije erkenning van gezag. Jezus was overtuigd dat spoedig – door zijn toedoen als genezer en profeet namens God – het Koninkrijk van God zichtbaar zou worden, het rijk van spirituele verlichting en onderlinge solidariteit. Die overtuiging straalde een buitengewoon gezag uit.

In het centrum van Jezus’ boodschap stond het Joodse geloof in God: God was voor hem een reusachtige ethische energie, die op korte termijn de wereld zou veranderen. Gods energie zou de armen, zwakken en zieken redden, maar voor allen die zich niet door haar lieten beïnvloeden tot het “hellevuur” van het gericht worden. Jezus vertrouwde op zijn macht om mensen te bewegen tot omkeer. Een bewijs van de omkeer verlangde hij niet, ook geen doop. Van de goedheid van God was hij ook zonder zulke riten zeker.

Jezus scherpte zijn meest eenvoudige gehoor een “aristocratisch” zelfbewustzijn in: alle mensen hadden een oneindige verantwoordelijkheid tegenover God, allen moesten met het oog daarop hun hele leven riskeren. Heil en onheil waren nu nabij.

Ter illustratie van Jezus’ boodschap en optreden volgen een aantal uitspraken uit Q, de bron (Q = Quelle) die de evangeliën van Markus, Mattheüs en Lukas gemeenschappelijk hebben. Q en ‘Thomas’ hebben veel gemeen, onder andere dat zij geen verhalen bevatten. Van Q staat vast dat het de oudste bron van de in het Nieuwe Testament opgenomen evangeliën is waarvan we weten dat hij bestaan moet hebben. Ik beperk mij tot dat deel van Q waarvan de onderzoeker Mack meent te kunnen vaststellen dat het het oudste deel van Q is, het oorspronkelijke boek Q waaraan later uitbreidingen zijn toegevoegd. (Zie elders de complete tekst van dit oorspronkelijke boek Q1, met toelichting.) Het gaat bij Q om teksten die vaak heel bekend zijn. Het zal u niet verbazen dat de uitspraken overeenkomsten vertonen met ‘Thomas’; daar zijn ze door mij deels op uitgekozen. De volgorde van de citaten is die in het oorspronkelijke boek Q. Met de puntjes zijn tussenliggende delen van de tekst aangeduid.
Bij wijze van commentaar op bovenstaande samenvatting van leven en opvattingen van de historische Jezus, die natuurlijk gebaseerd zijn op een interpretatie en afweging van gegevens uit de verschillende bronnen, zij vermeld dat zowel Mack in zijn boek over Q als Gilles Quispel in zijn recente commentaar op het Thomasevangelie het vermoeden uitspreken dat de voorstelling en uitspraken van Jezus als die van een onheilsprofeet (die overigens voortborduren op bestaande tradities onder de Joden zowel in de boeken van de profeten als bij de Essenen) mogelijk later meer nadruk zouden hebben kunnen krijgen dan bij Jezus zelf het geval was. Omdat zij nog beter passen bij de stemming rondom de verwoesting van de Tweede Tempel in 70 na Christus en de toenmalige situatie van de volgelingen van Jezus – die latere versies van Q en ook het evangelie van Markus produceerden – dan bij Jezus en zijn eerste gehoor zelf in de jaren twintig en dertig van de eerste eeuw, decennia eerder dus, waarin de uitspraken gedaan werden die de Judese bron van het evangelie van Thomas – omstreeks het jaar 40? – en de vermoedelijk oudste lagen van Q – omstreeks 50-60? – gemeenschappelijk hebben). Belangrijk is overigens te bedenken dat in iedere bron ook oorspronkelijke uitspraken weggelaten kunnen zijn omdat de samensteller die minder relevant vond voor zijn compilatie, maar die niettemin oorspronkelijk waren. Maar naar de historie kun je zo goed mogelijk zoeken, ook dat is een feit.

Uit het oorspronkelijke boek Q:

Dit zijn de leringen van Jezus:

Toen hij de menigten zag, zei hij tot zijn discipelen:

‘Gelukkig de armen; zij bezitten Gods koninkrijk.

Gelukkig de hongerigen: zij zullen gevoed worden.

Gelukkig zij die treuren, zij zullen lachen.’

‘Ik zeg jullie, heb je vijanden lief, zegen degenen die je haten, bid voor degenen die je geweld aandoen.

Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook je andere wang. Als iemand je jas pakt, sta hem dan ook je overhemd af.

Geef aan iedereen die vraagt, en als iemand je je bezittingen afneemt, vraag ze niet terug.

Als je van diegenen houd die van jou houden, wat heb je dan voor op anderen?

Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen zonder iets terug te verwachten. Je zult rijkelijk beloond worden en je zult kinderen van God zijn….’

‘… Oordeel niet en je zult niet worden geoordeeld. …’

‘Kan een blinde een blinde leiden? Zullen ze niet samen in een put vallen?

…’

‘Hoe kun je kijken naar de splinter in het oog van je medemens en niet de balk in je eigen oog opmerken? …’

‘… Iedere boom is te herkennen aan zijn vruchten. …

Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.’

Tegelijkertijd werkte hij als charismatisch genezer. De mensen stroomden naar hem toe, om van zijn genezingsgave te profiteren. Hij zag in deze genezingen tekens van de al beginnende heerschappij van God en tegelijkertijd een uitdrukking van de kracht van het menselijk geloof. Al gauw schreef men hem ongelooflijke zaken toe.

Jezus verscherpte de universele aspecten van de Joodse thora en ging “liberaal” om met die rituele aspecten die Joden van heidenen onderscheidden. Maar hij bleef in heel zijn onderricht staan op het fundament van de Thora. In het centrum van zijn ethiek plaatste hij het gebod van de liefde tot God en tot de naaste, maar radicaliseerde het tot de verplichting ook de vijanden, de vreemdelingen en de religieus uit de boot gevallenen en veroordeelden lief te hebben.

Van zijn visioen van de toekomstige heerschappij van God maakte in ieder geval een grote gemeenschappelijke maaltijd deel uit, waarbij Joden en heidenen niet meer door eet- en rituele reinheidsvoorschriften gescheiden zouden worden. (Een punt dat later een grote rol zou spelen bij zijn volgelingen! BK)

Wat hij voor iedereen onderrichtte, moet onderscheiden worden van eisen aan zijn volgelingen: hier kon hij in afzonderlijke gevallen ongehoorzaamheid tegenover de thora eisen, bijvoorbeeld door voorbij te gaan aan het gebod om de eigen ouders te eren en aan de rituele reinheidsvoorschriften. Hier verlangde hij een radicale ethiek van vrijheid ten opzichte van familie, bezit, vaderland en zekerheid. Als rondreizend prediker kon hij zich met zijn aanhangers onttrekken aan de aan huis en haard bindende macht van de alledaagse plichten. Zoals we in de bekende evangeliën kunnen lezen stuurde hij zijn leerlingen er op uit om de boodschap van bevrijding te brengen en gaf daarbij radicale instructies voor een onthecht gedrag. ‘Thomas’ versterkt die traditie nog want Jezus zegt daar dat zijn leerlingen voorbijgangers of ‘zwervers’ moeten worden, dwz. zij moeten zich nergens aan binden ter wille van hun boodschap, de verlichting, bevrijding en genezing – het Levend worden – van alle mensen die daar ontvankelijk voor zijn. (Deze dynamiek is nergens zo goed bewaard als in ‘Thomas’! BK)

Door leer en leven trok hij aandacht en riep tegenspraak op. Noodlottig werd Jezus’ kritiek op de tempel hem pas, toen hij voor het Joodse paasfeest naar Jeruzalem trok. Johannes de Doper, zijn leraar, had op indirecte wijze al gezag aan de tempel onttrokken. Jezus greep de tempel echter direct aan: hij voorspelde dat God een nieuwe tempel zou neerzetten in plaats van de oude. Door een symbolische handeling, de zogeheten reiniging van de tempel, verstoorde hij de tempelcultus en provoceerde bewust de met de tempel verbonden aristocratie. Door zijn optreden in de tempel liet hij zien dat verlichting en solidariteit niet samengaan met de oneerlijke praktijken van een maatschappelijke bovenlaag tegen de gewone man en vrouw.

De aristocratie die hem gevangen nam, trad tegen hem in het perk wegens zijn kritiek op de tempel, maar klaagde hem voor Pilatus aan wegens het politieke misdrijf, als koningspretendent naar de macht gegrepen te hebben. Inderdaad verwachtten velen onder het volk en onder zijn aanhangers dat hij de koninklijke Messias zou zijn die Israël tot nieuwe macht zou voeren. Jezus heeft zich voor Pilatus niet van deze verwachting gedistantieerd. Hij kon het ook niet. Want hij was ervan overtuigd, dat God door hem de grote omwenteling ten gunste van Israël en de wereld door zou voeren. Als politieke onruststoker werd hij veroordeeld en samen met twee bandieten (zeer waarschijnlijk in April 30 nC) gekruisigd. Door zijn optreden in de tempel (de tempelreiniging) tijdens het Joodse paasfeest liet hij zien dat verlichting en solidariteit niet samengaan met de oneerlijke praktijken van een maatschappelijke bovenlaag tegen de gewone man en vrouw. Zijn (mannelijke) leerlingen vluchtten, maar enkele vrouwen bleven in zijn buurt. Als God had Jezus zichzelf nooit beschouwd, wel als mens met de bijzondere opdracht om heil en onheil aan te kondigen en dichterbij te brengen. Zijn leven, optreden en sterven werden later gebruikt als een alibi voor het schrijven van een heldenverhaal, als in de synoptische evangeliën, en nog later voor het vestigen van een vaste leer geformuleerd in een geloofsbelijdenis; maar Jezus zette zijn gaven van profetie en genezing directer in. Zijn aanstaande dood had hij nooit beschouwd of aangekondigd als het unieke voor alle mensen absoluut benodigde zoenoffer voor hun zonden (zijn plaatsvervangende lijdenssolidariteit voor die van alle mensen); hij had wel een andere boodschap van bevrijding, die hij met grote overtuiging en zonder omwegen had gebracht en in praktijk gebracht en die een diepe indruk had gemaakt.

Nu het vervolg van een aantal uitspraken uit het oorspronkelijke boek Q:

‘Waarom noemen jullie mij “Meester, Meester”, en doe je niet wat ik zeg?

Iedereen die mijn woorden hoort en ze doet is als een man die zijn huis op een rots bouwde. De regen viel, een vloedgolf sloeg tegen het huis en het stortte niet in, want het had een rots als fundament. …’

Hij zei: ‘De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag de eigenaar van het land daarom of hij arbeiders wil sturen om zijn oogst binnen te halen.

Ga op weg en bedenk: Ik stuur jullie als lammeren onder de wolven.

Neem geen geldbeurs mee, geen reistas, geen schoenen, geen staf. Groet niemand onderweg.

Als je ergens binnengaat, zeg dan: ‘Vrede zij met dit huis’. En als daar een kind van de vrede woont, dan zal je groet worden aanvaard (letterlijk: ‘je vrede zal op hem rusten’). Zo niet, laat je vrede bij hem terugkomen.

Blijf daar in huis en eet en drink wat men je voorzet, want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere.

Als je in een stad komt en je bent welkom, eet dan wat men je voorzet. Besteed aandacht aan de zieken en zeg hun: ‘Het Koninkrijk van God is vlakbij jullie gekomen’.

Maar als je in een stad komt waar je niet welkom bent, schud dan het stof van je voeten als je weggaat en zeg: ‘Wees er desondanks zeker van dat het koninkrijk van God vlakbij gekomen is’.
‘Vraag en het zal je worden gegeven; zoek en je zult vinden; klop en er zal voor je worden opengedaan. …’

‘Niets is verborgen of het zal worden ontdekt; niets is geheim of het zal aan het licht komen.
Wat ik je in het donker vertel, spreek dat uit in het licht. En wat in je oor gefluisterd is, verkondig dat van de daken.’

‘Wees niet bang voor hen die je lichaam kunnen doden, maar niet de ziel. …’

‘Ik zeg jullie: maak je geen zorgen om het voedsel dat je nodig hebt om te leven, of om de kleren die je nodig hebt voor je lichaam. Is het leven niet belangrijker dan eten, en het lichaam niet belangrijker dan kleding?

Richt jullie aandacht liever op zijn koninkrijk (namelijk dat van God, BK), en je zult al deze dingen ook krijgen.
Verkoop je bezittingen en geef het geld (aalmoezen) aan de armen. Zorg voor een onuitputtelijke schat in de hemel, waar die niet door mot en roest wordt aangetast en waar dieven er niet bij kunnen komen. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn’.

‘Wie zijn vader en moeder niet haat kan geen leerling van mij zijn. Wie zijn zoon en dochter niet haat kan niet tot mijn school behoren.
Wie zijn kruis niet aanvaardt (draagt als veroordeelde) en zo mijn volgeling wordt, kan geen leerling van mij zijn.
Wie vasthoudt aan zijn leven zal het verliezen, maar wie het prijsgeeft omwille van mij zal het behouden’.

Historisch gesproken is er voor een lichamelijke opstanding van Jezus geen bewijs. Maar na zijn dood verscheen hij eerst aan Petrus of aan Maria Magdalena, vervolgens aan verscheidene naaste leerlingen tegelijk. Zij kwamen tot de overtuiging dat hij leefde. Hun verwachting dat God definitief zou ingrijpen ten gunste van het heil voor zijn kinderen, was anders in vervulling gegaan dan zij hadden gehoopt. Zij moesten aan Jezus’ hele geschiedenis, zijn hele lot, alles wat er met hem gebeurd was, en zijn persoon, een nieuwe betekenis geven.

III (1) Wat vertelden Jezus’ volgelingen over hem en hoe droeg dat bij aan de grote verscheidenheid van beelden van Jezus, met speciale aandacht voor twee bijzondere tradities: (2) de joods-christelijke tradities in en om Palestina waartoe ook ‘Thomas’ behoort, en (3) de gnostieke tradities verspreid over de hellenistische wereld

(1) We komen dus uit bij de uiteenlopende manieren waarop de leerlingen en volgelingen van Jezus na zijn einde aan het kruis de beelden en de verhalen en de uitspraken die zij van hem hadden, aan zichzelf en elkaar voor ogen stelden en aan belangstellenden en buitenstaanders doorgaven. We knopen aan bij wat we eerder vonden: alleen al binnen het etnisch-religieuze Jodendom van die tijd waren er uiteenlopende stromingen zoals een uitgebreide wijsheidstraditie, messiaanse tradities en esoterische tradities. En om het belang en de betekenis van Jezus weer te geven werden de sterkste beelden uit die tradities ook voor Jezus gebruikt. Maar daarbij waren er ook invloeden van niet-joodse tradities. De Joden in en buiten Palestina werden in vele opzichten sterk beïnvloed door de hellenistische cultuur om hen heen. En zo ontstonden er nieuwe stromingen, zoals de joodse gnostiek, die zich onder meer sterk manifesteerde in het Egyptische Alexandrië waar honderdduizenden Joden woonden. Ook de sterk door de platonische filosofie beïnvloede Joodse filosoof Philo woonde daar. Maar het ging ook om verschillende andere mysteriereligies, met hun eigen levensbeschouwingen en heldenfiguren, goden en godinnen waar zowel de Jezus volgende Joden als de andere Joden mee in gesprek raakten. En om datgene naar voren te brengen wat zij belangrijk vonden gebruikten ze allemaal elkaars taal en beelden en namen die soms zelfs vergaand over zij het vaak met een nieuwe inhoud.
De geschiedenis van deze processen is nog niet samenvattend in kaart gebracht omdat er nog zoveel ontdekkingen gedaan worden en verwerkt moeten worden, onder andere die van de geschriften bij de Dode Zee in Palestina en in Nag Hammadi in Egypte. We beperken ons in het volgende tot enkele zaken die de beeldvorming over Jezus betreffen. Zoals gezegd in het kader van de ontwikkeling van de enthousiaste maar simpele en arme Jezusbewegingen tot een invloedrijke staatskerk met machtige leiders, en van de bijzondere Jood Jezus die het Koninkrijk verkondigde aan de armen tot de Zoon van de God van alle volken, de Christus ofwel Messias die allen die in hem geloven, van zonde verlost.

Er was nog geen Nieuwe Testament, er was ook geen vaste kerkelijke organisatie, er waren alleen groepen die Aramees spraken, of Grieks, of nog een andere taal (vergeet niet dat ‘Thomas’ in een Koptische uitgave werd gevonden!) en in heel verschillende landen en plaatsen. En maatschappelijke invloed hadden de Jezus-mensen ook maar heel weinig. Men was vooral blij met de onderlinge gemeenschap, en de vrijheid en gelijkheid en de broederschap die men ondervond. De verschillen tussen de ideeën waren wel belangrijk maar daar maakte men geen probleem van; allemaal kwamen ze van Jezus of sloten ze toch wel goed bij die van Jezus aan, ervoer men of veronderstelde men maar al te graag want de naam Jezus was beslist een naam met gezag. Ieder van die opvattingen en elk van die geschriften waarin ze te vinden waren, hoorden vaak slechts bij één bepaalde gemeente of beweging en verschilden vaak heel veel van de vele andere. Er waren vele varianten. Er zijn niet voor niets vier evangeliën en heel veel brieven alleen al in het Nieuwe Testament. Het leefde allemaal naast elkaar voort. Het is overigens belangrijk om te bedenken dat de ons bekende versies van de evangeliën grotendeels gebaseerd zijn op handschriften die pas dateren uit de vierde eeuw na Christus, en die als er eerdere fragmenten zijn vaak met die fragmenten verschillen. Op die gronden kunnen we niet zo maar aan het Nieuwe Testament een groot gezag toekennen, althans niet in de zin van historisch het meest authentiek en ‘dus’ het meest betrouwbaar. Hierover bestaat voldoende toegankelijke literatuur (het meest actueel bijgehouden in de noten van het boek van Elaine Pagels, zie onder).
Sommigen zagen in Jezus de rabbi een echte Joodse volksgenoot, anderen een soort Cynische filosoof die mensen wakker schudde (ons huidige woord ‘cynisch’ is afgeleid van het Griekse woord ‘kunos’ = ‘honds’; in die tijd was dat een verwijzing naar het ongewone gedrag waarmee deze ‘Cynici’ hun kritiek duidelijk probeerden te maken; maar het had dus niet de betekenis van ons huidige ‘cynisch’). Nog weer anderen – de meeste gnostici – zagen in hem een hemels wezen in aardse gedaante dat de verbinding met de hoogste God herstelde die door de val in de materie en de zonde bijna of geheel verloren was gegaan. En weer anderen zagen in Jezus de Christus, de Messias, maar hij was – iets waarmee zij niet gerekend hadden – een lijdende Messias. Zij herinnerden zich: Jezus had over zichzelf als “de mens” gesproken – juist op die momenten wanneer hij met al te hoge verwachtingen ten opzichte van hem geconfronteerd was. Hij had – zagen zij nu – aan het algemene begrip “mens” een Messiaanse waardigheid gegeven en gehoopt dat hij in de rol van deze “mens” zou verder groeien en haar in de nabije toekomst zou vervullen. Nu zagen zij: Hij was “de mens”, aan wie God volgens een voorspelling in Daniël 7 alle macht in hemel en op aarde zou geven. Voor hen schoof Jezus op tot aan de zijde van God; Mensenzoon was een titel van hem. Hij was ook de lijdende Messias die voor de zonden van alle mensen stierf, die de Heer (Kurios) van het universum was geworden – beide niet bepaald zelfbeelden van Jezus – en die de solidariteit tussen alle mensen en volken zou herstellen bij zijn terugkeer op aarde.
Het geloof in Jezus de Christus scheidde zich steeds meer hellenistisch gekleurd in de loop van de eerste en tweede eeuw na Christus bij stukjes en beetjes van de andere takken van het Jodendom – waaronder de rabbijnse – af zoals dat er na de tempelverwoesting in het jaar 72 uit was gaan zien. Maar pas in de vierde eeuw werden op concilies een aantal opvattingen en bewegingen die tot dan toe volwaardig hadden meegeteld, in de ban gedaan. Die ontwikkelingen omvatten het steeds belangrijker worden van de hellenistische vormen en opvattingen waarin de aanhangers van Jezus hun religie beleefden, en het minder belangrijk worden van de etnisch-joodse tradities gebaseerde religieuze vormen en opvattingen. De banden met het jodendom werd steeds minder uiterlijk zichtbaar. De typisch Joodse beelden en verhalen over Jezus kregen hellenistische varianten naast zich, en werden er mee vermengd; en dat gold ook voor gebruiken. De volgelingen van Jezus leken naar buiten toe op de andere mysteriereligies, al stelden zij het naar binnen toe op prijs zich als voortzetting van de Joodse tradities te zien, het Nieuwe Verbond dat het Oude afloste (steeds vaker in de zin van een zich sterk afzetten tegen de joden die Jezus niet volgden). Uiteindelijk wonnen die christelijke groepen het die de sterkste organisatie, leer en geschriftenverzameling hadden, en die zich de katholieken ofwel ‘algemenen’ noemde. Zij wezen de gnostische en andere stromingen af als verwarde ketterijen, al hadden die net als zij al enkele eeuwen aan Jezus’ inspiratie vorm gegeven. Uiteindelijk werd Jezus beschouwd als onderdeel van de Triniteit geworden en als Gods Zoon al vóór de schepping (en niet alleen als bij zijn doop door God aangenomen ‘zoon’).
Toen de invloed van de katholieken als staatskerk groeide, nam de betekenis en zelfs de kennis van de andere stromingen af; zij werden al dan niet opzettelijk vergeten en kwamen alleen af en toe in andere vormen terug, waarbij de ‘katholieke’ kerken er altijd in slaagden de uiterlijke invloed ervan te minimaliseren. Dat is tegenwoordig opvallend anders, mede door genoemde ontdekkingen die allerlei verloren inspiraties, belevingen en vormgevingen onder de aandacht brengen. Duidelijk wordt steeds meer welke opvattingen gewonnen en verloren hebben in de eerste eeuwen. We kunnen ook zien dat bepaalde aspecten van Jezus en zijn boodschap in de latere kerk naar de achtergrond verdwenen zijn, of een andere kleur hebben gekregen. Aanvankelijk werden volgelingen van Jezus vervolgd door de Romeinse overheid omdat zij afstand namen van de goddelijkheid van de keizer; ook namen zij niet deel in het Romeinse leger. Behalve het beroep van soldaat onthielden zij zich ook van andere beroepen en bezigheden die verontreiniging meebrachten; ook dit zwakte later af. Aanvankelijk stond innerlijke vrijheid (de werking van de geest) en een vrije wil voorop bij de volgelingen van Jezus; later verving Augustinus de vrije wil door de erfzonde, precies in de tijd dat het christendom staatskerk werd (enkele decennia voor Augustinus had de Egyptische bisschop Athanasius al geschreven dat de mens wel naar Gods beeld geschapen was en dit beeld in beginsel nog in zich droeg maar dat dit beeld door de zonden van de mensen inmiddels zo corrupt geworden was, dat het pas weer door Jezus hersteld kon worden; op eigen krach kon de mens er volgens hem niets meer mee). Ook lijkt het er op dat in de eerste eeuwen de kuisheid of maagdelijkheid erg populair was bij de volgelingen van Jezus, zeker ook bij vrouwen, terwijl deze na de vastlegging van de kerkelijke structuur voornamelijk gepropageerd werd voor monniken en voor de hogere functionarissen in de kerk. Het huwelijk werd voor lekenchristenen allengs meer gedoogd al was de officiële visie op seksualiteit, in de eerste eeuwen uiteenlopend gewaardeerd, nu nog negatiever.
Omgekeerd lijkt het steeds beter mogelijk in de buurt te komen van wat de historische Jezus werkelijk gezegd en gedaan heeft, wat zijn boodschap was en hoe hij over allerlei zaken dacht. Daarbij is het belangrijkste dat Jezus zelf in zijn eigen boodschap niet of nauwelijks voorkwam en de kerk evenmin; het ging Jezus immers om de komst van het koninkrijk van spirituele verlichting en maatschappelijke solidariteit.
Juist de betiteling van Jezus als Heer (Kurios) heeft geen parallel in de tijd dat Jezus nog leefde. En het is ook precies die titel die aan Jezus het formele gezag van een autoriteit verschaft die bij wijze van spreken met die van de Romeinse keizer kon concurreren. Die maakte immers ook op absolute autoriteit aanspraak, als wereldlijk keizer die zich tevens als god beschouwde. Over Jezus’ titels zou veel meer gezegd dienen te worden maar daarvoor moet naar andere studies verwezen worden die verschenen zijn maar waarover het laatste woord nog niet gezegd is.

Merkwaardig genoeg zijn ook de oorspronkelijk vrijwel helemaal Joodse Jezusbewegingen daarbij vergeten. Daarom nu eerst iets over de dichter bij Jezus staande en soms sterker traditioneel-Joodse Jezusbewegingen in Palestina en Syrië en vervolgens over de Joods-gnostische Jezustradities meer buiten Palestina, onder andere in de grotere steden en soms sterk beïnvloed door niet-Joodse religieuze tradities.

(2) Naast en voorafgaand aan de Grieks-hellenistische Jezusbewegingen waren er dus Joodse Jezusbewegingen waar Aramees en misschien ook deels Grieks gesproken werd. Zij waren de kenmerkende vorm van Jezus’ erfenis in Palestina en Syrië. Voordat de tempel in Jeruzalem verwoest werd in 72 na Christus, waren er Aramees- en Griekssprekende Jezusgroepen in Jeruzalem, met als belangijkste leider Jezus’ broer Jacobus die in 62 werd vermoord. Daarover staat veel te lezen in het boek Handelingen van de Apostelen, namelijk dat de etnisch-Joodse Jezus-aanhangers trouw waren aan de tempelgebruiken en ook liever wel de thora nastreefden en de besnijdenis handhaafden, in tegenstelling tot de Griekssprekende groepen in bijvoorbeeld Klein-Azië. Na die verwoesting van de tempel hergroepeerden de Joden zich overal in plaatselijke synagogen, zowel binnen als buiten Palestina, die dan of de Farizeese richting opgingen en vasthielden aan Hebreeuws en Aramees van Tenach en Talmoed, of de christelijk-joodse richting van bisschoppen (letterlijk: ‘toezichthouders’, een ouder Nederlands woord ervoor is ‘opzieners’) en hun gemeentes met gebruikmaking van de Griekse taal en meer aanpassing aan hellenistische voorstellingen en denkbeelden, zoals Paulus ook al vroeg had gedaan. In Jeruzalem gebruikte men later het evangelie van Mattheüs, dat – evenals de evangeliën van Thomas en van Johannes – duidelijk meer een Aramese en etnisch-Joodse achtergrond verraadt dan de evangeliën van Marcus en Lukas.

Nog interessanter voor ons, in verband met ‘Thomas’, is dat de evangeliën van Johannes en van Thomas waarschijnlijk hun oorsprong vinden in gebieden ten (Noord-)Oosten van Jeruzalem, ook al hebben ze hun uiteindelijke vorm die wij nu kennen waarschijnlijk pas later gevonden in een Griekssprekende omgeving. Waarschijnlijk kenden de ‘Thomas’- en de ‘Johannes’-groepen elkaar goed en waren ze ook verwant. ‘Johannes’ en ‘Thomas’ hebben vele uitdrukkingen gemeen waaronder een die niet in de andere drie evangeliën voorkomen namelijk ‘de Levende Vader’, en hebben ook als opvallende gemeenschappelijke element dat er niets over de instelling van een heilige maaltijd verteld wordt (bij ‘Johannes’ staat op die plaats de voetwassing). Bij ‘Thomas’ is zelfs evenmin iets te vinden over de dood van Jezus en over zijn opstanding. Het Jeruzalemse evangelie van Mattheüs kent deze laatste wel maar dat is overgenomen uit het Markusevangelie, en niet uit het eigen materiaal van ‘Mattheüs’. In het Johannesevangelie kunnen deze elementen terechtgekomen zijn toen deze groepering vanuit zijn Oostelijke gebied naar Efeze verhuisde, de Griekse stad in het uiterste Westen van Klein-Azië, nu Turkije. Zowel de ‘Thomas’-groep als de ‘Johannes’-groep bestonden mogelijk voor een groot deel uit rondreizende asketen, die ook later in die gebieden nog eeuwenlang een bewezen belangrijke rol hebben gespeeld. Zij stelden Jezus voor als een verlichte wijsheidsleraar, het licht van de wereld aan wie men gelijk kon worden door ook verlicht te worden met hetzelfde licht. Als men drinkt van het water van het leven en de ogen worden geopend zal men de dood niet smaken maar eeuwig leven. Beide evangeliën brachten de boodschap van Jezus zeer waarschijnlijk voor mensen die zich buiten de maatschappij voelden staan, die arm waren maar die veel werk maakten van onderlinge steun en liefdebetoon. De johanneïsche geschriften – met name de brieven die op naam van ‘Johannes’ staan – laten dat zien. Samen verschillen zij van de evangeliën van Marcus, Mattheüs en Lukas doordat zij verwijzen naar ‘het begin’ van de wereld als referentiepunt: verlossing is terugkeer tot de eenheid van het begin, terwijl de genoemde drie evangeliën voor de verlossing naar ‘het einde’ van de wereld verwijzen waar Jezus’ optreden en dood en opstanding op vooruitlopen en naar verwijzen.
Dat de groepen ook verschilden kan men afleiden uit het neerzetten van Thomas als een twijfelaar, juist in het evangelie van Johannes. Er was dus rivaliteit. Johannes ziet Jezus duidelijk als een goddelijke gestalte, denk maar aan het beroemde begin van dat evangelie: “Het Woord – bedoeld is Jezus – was God.” Bij Johannes is alleen Jezus zelf het unieke licht van de wereld, en vindt de mens dat licht door Jezus te erkennen, door “in hem te geloven”, en na te volgen. Terwijl wij volgens Thomas als belichamingen van het licht gelijk kunnen worden aan Jezus in zijn verlichting, is dat volgens Johannes niet het geval. Bij Thomas wordt het eeuwige leven teruggevonden doordat de mens die – in tegenstelling tot bij Johannes – als beelddrager van het licht het goddelijke licht in zich draagt, er – op aansporing en in navolging van Jezus – weer mee leert zien en zo zijn teruggevonden goddelijke licht weerspiegeld ziet in alles. Bij Johannes kan dat – in tegenstelling tot Thomas – alleen doordat men in Jezus die zich als Zoon van God presenteert, gaat geloven.Ook was Thomas er volgens Johannes in tegenstelling tot de evangeliën van Mattheüs en van Lukas niet bij toen Jezus zijn leerlingen – behalve Judas Iskariot die hem verraden had – tot apostelen aanstelde door hen uit te zenden, en hen de Heilige Geest inblies en hen de macht verschafte om zonden te vergeven. Thomas moest het later eerst allemaal nog eens zien. Dat beeld van Johannes over de ongelovige Thomas hebben wij de eeuwen door overgenomen, maar is Johannes’ typering die zo duidelijk verschilt van die van Mattheüs en van Lukas terecht?
Later werd ‘Johannes’ door bisschop Irenaeus in de tweede eeuw goedgekeurd – en aan de evangeliën van Markus, Mattheïs en Lukas vooropgesteld – en ‘Thomas’ afgekeurd door middel van zijn lijstje met ‘beste geschriften’. Met het gevolg dat de ene later in het Nieuwe Testament kwam en de ander niet. Maar dat is – letterlijk – van later zorg want het Nieuwe Testament kreeg zijn definitieve samenstelling pas enkele eeuwen daarna. Sterker nog, Irenaeus vond dat het evangelie van Johannes met zijn verheven visie op Jezus Messias het eerste moest heten en de andere drie naar dit evangelie van Johannes uitgelegd moesten worden. Alleen hebben wij ondertussen het voorrecht ‘Thomas’ weer ontdekt te hebben. De interessante wereld van de syrische kerken in de volgende eeuwen en van de eveneens oostelijke Nestorianen die hen opvolgden in nog later eeuwen moet ik hier op een enkele aanduiding na buiten beschouwing laten. In het Westen zijn wij die vergeten.

Een eerste betekenis van de vondst van de geschriften van Nag Hammadi is dus dat het evangelie van Thomas ons weer wijst op de Aramese, Oosters-semitische tak van de Jezusbewegingen (en hun latere Syrische en Oosterse opvolgers), waar Jezus’ opvattingen over de verlichting en het eeuwige leven even sterk naar voren komen als zijn voorkeur voor de armen en maatschappelijke buitenstaanders, gecombineerd in een visie waarin onthechting ten opzichte van het vastroesten in het materiële leven centraal staat. Een evangelie waarin we niets lezen over een speciale betekenis van Jezus’ dood, of over zijn opstanding, over Jezus als God, of over een heilig avondmaal dat hieraan herinnert. Maar dat iedereen aanspreekt die het licht in zich voort wil brengen, ook mensen buiten de etnisch-Joodse of -Syrische of hellenistisch-Griekse van zijn ontstaanstijd. Sommigen zien er verwantschappen in met andere niet-dualistische wijsheidsleren, bijvoorbeeld uit het Verre Oosten. Omdat ‘Thomas’ nadruk legt op de zuiverheid van de oorsprong, op het onverdeeld zijn in plaats van de tweeheid, de dualiteiten van man en vrouw en zo meer. De onschuld van het kind, dat een oude wijze de weg zal wijzen. Omdat het niet verstrikt is in de tegenstellingen. Een onschuld die we zodra we haar weer zien, direct terug kunnen vinden. Vergelijk de geciteerde uitspraak 22 waar de schepping van de mens naar het beeld van God weer ongedaan gemaakt wordt: de mens wordt gelijk aan zijn beeld, het beeld waarnaar hij geschapen is. De cirkel is rond; de mens is weer terug bij zijn oorsprong. Onschuldig, bekleed met het licht van God in plaats van bezoedeld met aardse ‘kleren’. Voor ‘Thomas’ en de Syrische kerk na hem betekende dat een keuze voor het ongetrouwd blijven, voor het verenigen van de tegenstellingen in zichzelf, het onverdeeld blijven. Deze enkratitische traditie die aansloot bij enkratitische tendenzen in de hellenistische wereld (enkrateia = onthouding) had een grote invloed bij de volgelingen van Jezus, zoals we in het Nieuwe Testament nog duidelijk kunnen zien op de plaatsen waar het huwelijk (onder andere door Jezus) wordt afgewezen of als tweederangs wordt voorgesteld. Er is een hele diskussie in de christelijke beweging van de tweede eeuw geweest over de houding tegenover het huwelijk. Maar dat voert hier te ver, hoe belangrijk en onontkoombaar die thematiek ook is. Want voor vele volgelingen van Jezus in die eerste eeuwen was de verlossing behalve een geestelijke wedergeboorte tegelijk ook een verlossing uit het huwelijk, althans uit de aardse bezoedeling daarvan.

(3) Dat lag iets gecompliceerder in de gnostische Jezustradities. De vondst van Nag Hammadi maakt ten tweede duidelijk dat in de gnostische bewegingen van de eerste eeuwen een sterke invloed van de verhalen over Jezus is aan te wijzen. Ook deze belangrijke stromingen verdienen hier vermelding, hoewel we hier weinig ruimte hebben om er uitvoerig op in te gaan. Zeker is dat hun complexe mythen ontstaan zijn uit een interpretatie van de joodse religieuze geschriften, met name scheppingsverhalen, en dat binnen de gnostiek diverse stromingen te onderscheiden waren met aandacht voor vele figuren uit de scheppingsverhalen, en met diverse leerlingen van Jezus als boodschapper waaronder Maria Magdalena in een aantal geschriften als belangrijkste leerling! De verwantschap met de geschriften van Paulus is groter dan met de synoptische evangeliën. Deze laatste zijn na de eerste ontstaan, en bedoeld om door het leven van Jezus uitgebreid weer te geven nadruk te leggen op zijn betekenis als een bijzondere figuur, in feite als de Zoon van God, een hellenisering van het beeld van Jezus in de gemeenten waarin die evangeliën ontstonden. Die synoptische evangeliën schetsen Jezus als mens met een unieke universele betekenis, namelijk dat hij zoon van God is; dat Jezus een historische persoon was, wordt nog helemaal verondersteld, niet genegeerd. Zij staan in een traditie van de verhalen over hem maar werken die in hun eigen kader om, naar hun eigen kader toe. Het laatste – niet synoptische – evangelie van Johannes doet dat het sterkst, daar komt Jezus in het begin van het evangelie al uit de hemel vallen, bij wijze van spreken. In de synoptische evangeliën daarentegen zegt Jezus niet van zichzelf dat hij Zoon van God is, in het latere evangelie van Johannes juist heel nadrukkelijk. Deze vier evangeliën roepen op om in Jezus te geloven. In tegenstelling tot deze nieuwtestamentische evangeliën komen de gnostische geschriften meer voort uit een hellenistische omgeving waarin de mysteriescholen bekend waren. Daarin ging het om zelfkennis, om het groei- of bewustwordingsproces dat mensen kunnen doormaken als zij de weg terug naar hun oorsprong vinden. De mensen zijn gevallen goden, in wie een residu van goddelijk beginsel is overgebleven. In sommige geschriften wordt uitgebreid verteld hoe de ons bekende wereld van de tegenstellingen uit de goddelijke wereld voort is gekomen, van de oorspronkelijke Vader of Vader-Moeder die we nauwelijks meer kennen, via allerlei tussenvormen tot de oermens Anthroopos ofwel Adam en zijn vrouw de Wijsheid ofwel Sophia, en hoe in ons nog een kleine vonk is overgebleven die ons herinnert aan onze onbesmette oorsprong waarheen we terug kunnen keren door ons onze oorsprong te herinneren, en de terugweg af te leggen. Die weg is een weg van loslating van bindingen aan deze wereld, een weg van spirituele groei, van eenwording met onze Vader of Vader-Moeder. Soms wordt die eenwording of wedergeboorte voorgesteld als de ontmoeting in het geestelijk bruidsvertrek, en heet dan ook het bruidsvertrek, en dat wordt een sacrament genoemd zoals in het evangelie van Philippus. Evenals de joodse christen Paulus waren de gnostici volop bezig de in de kring van hellenistische joden en joodse christenen levende ideeën om te zetten in universele begrippen, die ook voor niet-joden begrijpelijk waren. De omvang van en de variatie binnen de gnostische beweging moet niet onderschat worden. Er zijn bovendien nog vele verbanden met niet-Joodse en niet-christelijke stromingen zoals de hermetica en de filosofie, waaronder het platonisme en het stoïcisme. Een wereld van mythen, thema’s en inzichten is hier te bestuderen. Laten we ondertussen één ding vaststellen: de neiging om het belang van Jezus aan te duiden door niet alleen zijn eigen boodschap voorop te stellen maar – ook al gaf Jezus daartoe in zijn opvattingen over zichzelf geen aanleiding – door zijn persoon een nieuwe “spiritueel hoge” betekenis te geven, delen vrijwel alle groeperingen, zowel de joods-christelijke als de paulinische als de katholieke als de gnostische en nog andere. Want zowel het van Jezus een (Zoon van) God maken zoals in de nieuwtestamentische evangeliën – de synoptische evangeliën nog voorzichtig, dat van Johannes echter zonder terughouding en voorop – als het stellen van een eeuwige universele God boven de beperkte Joodse Schepper-God zoals in vele gnostische geschriften vallen daaronder. Maar wij moeten het hierbij laten.
In vele gnostische geschriften vervult Jezus de rol van boodschapper, die die herinnering opwekt en de terugweg mogelijk maakt door hem zelf te gaan. Daar spelen zijn dood en opstanding een grote rol bij maar vaak iets anders dan in de strak georganiseerde doorsnee Jezusgemeenten van de katholieke bisschoppen. Die wilden niet zo’n ijle en subtiele spirituele groei maar een leer die de bisschop kon uitleggen, ook voor de gewone man en vrouw simpel te verwoorden opvattingen. Aanvankelijk zal de reden hiervoor heel simpel geweest zijn: de indruk die Jezus maakte was zo overweldigend en het enthousiasme dat in het spoor van zijn optreden ontstond was zo groot, dat dit overweldigende succes leidde tot een bijna chaotisch aandoende variëteit aan reacties. Begrijpelijk maar niet met het verstand te volgen. En daar brachten bisschoppen en geleerden graag enige ordening in aan. Daar heeft – zeker later – ook machts-‘politiek’ een rol in gespeeld, natuurlijk vooral toen de Jezusbewegingen en christelijke groeperingen een grotere maatschappelijke invloed kregen en zich daarbij aan moesten passen. Overigens speelde ook de sociale en culturele positie van de eerste en latere door Jezus en zijn boodschap geïnspireerde groepen waarschijnlijk geen kleine rol. Vaak zal de meerderheid in die groepen bestaan hebben uit eenvoudige arme mensen – met enkele gegoeden in de leiding – terwijl in een aantal groepen, aanvankelijk niet vele, de gegoeden in de meerderheid waren, wat het cultureel en spiritueel klimaat in beide gevallen sterk beïnvloed zal hebben. Hoe precies, verdient nader onderzoek en toelichting.
Een uiterst belangrijk probleem in alle toenmalige “christelijke” bewegingen was hoe men de kruisdood van Jezus kon verklaren – tenzij men er genoegen mee nam dat met het kruis Jezus’ leven en macht geëindigd waren, en dat zijn leven en boodschap zin hadden maar zijn smadelijke dood niet. Het gaat niet zo zeer om de voorstelling van de opstanding (die liepen sterk uiteen!). Want die voorstelling geeft per richting meer aan wat als de oplossing van het probleem beschouwd werd dan wat de oorzaak en de verklaring ervan was. De beste of misschien de enige min of meer acceptabele verklaring was die van het zoenoffer. Dat leidde echter tot een volgend probleem: wat moest verzoend worden? En zo is de gedachte van de verzoening voor onze zonden, voor de zonden van alle mensen van de hele wereld, ontstaan. Althans binnen de katholieke richting die aansloot bij de synoptische evangeliën en het evangelie van Johannes (zoals gezegd werkt Augustinus dit uit tot de deprimerende gedachte van de erfzonde waar later de unieke – vaak tot hen beperkte – genade aanwijzende en doorgevende rol van de kerkelijke leiders, predikanten en priesters, aan werd toegevoegd zodat de mensen niet buiten hen, dat is de kerk, om konden. En anderen nog later in de vreselijke voorstelling van de predestinatie, de voorbeschikking vooraf tot hemel of hel). Binnen het Jodendom was er voor zo’n gedachte geen plaats, omdat God daar niet zelf geofferd wordt of kan worden, en de zonde niet gekoppeld werd aan een eeuwige erfzonde (maar aan de concrete relatie tussen mensen en tussen God en mens). Bij de gnostici evenmin omdat men zich er eenvoudig niet druk over maakte. De ware opstanding, de geestelijke wedergeboorte, de verlichting zo men wil, is voor hen niet van de materie en een lichamelijke opstanding afhankelijk. En de smadelijke dood van Jezus wijst op het proces dat wij doormaken als we de weg van de gnosis gaan, dat is al meer dan genoeg. Soms denk ik dat de katholieke richtingen meer aansloten bij de gewone, arme man en vrouw van toen, en de gnostische meer bij de iets meer gevestigde, de iets rijkere ‘burgers’ in de steden; de katholieke richtingen meer bij de culturele en economische middelmaat, en de gnostische meer bij de cultureel en economisch ontwikkelden. Aanvankelijk was er vooral enthousiasme en inspiratie (op basis van de herkenning waarvan er ook later steeds charismatische bewegingen ontstonden) maar na verloop van tijd stroomden deze beekjes wat rustiger, en kreeg de katholieke richting de overhand; kennelijk was de gnostische richting in haar ogen een van de grootste afwijkingen van de vastere opvattingen en orde, misschien door haar deels intellectuele, althans cultureel geavanceerde en gevarieerde karakter en haar uitgebreide mythologie ter aanduiding van de geestelijke weg.
Dadelijk keren we terug naar het evangelie van Thomas. Want waar stond dat in dit geheel? Sommigen hebben ‘Thomas’ gnostisch genoemd maar er is niets te vinden van een nadruk op subtiele sprituele ontwikkelingsprocessen, al is ‘Thomas’ daar ook niet mee in strijd. ‘Thomas’ staat voluit in de joodse tradities van de wijsheid, en van de verzamelingen van wijsheidsspreuken. Jezus is de Wijsheid zelf, Vrouwe Sophia, de grote Wijze Leraar. Een groot verschil met de duidelijk gnostische geschriften (die zich overigens ook graag – en terecht – als boodschappen en vormen van wijsheid voorstelden, en die een speciale rol voor de figuur van Sophia of zelf meerdere Sophia’s hadden!) is de dynamiek van ‘Thomas’. ‘Thomas’ roept letterlijk op tot het prekend rondgaan, tot het onmiddellijk openen van de ogen voor het Koninkrijk. Bij de gnostici is het Koninkrijk vaak verinnerlijkt en op een complex en langdurig spiritueel proces gericht, bij ‘Thomas’ is het overal voor degenen van wie de ogen zijn opengegaan. Wiens ogen zijn opengegaan ontdekt dat hij of zij zelf de tweelingbroer of -zus van Jezus is, net als Thomas zelf. Ieder heeft het in zich om direct de ogen te openen. ‘Thomas’ spreekt niet van een lange weg terug. Het koninkrijk is overal direct te zien voor wie dat wil.
Van het syrische christendom waartoe ‘Thomas’ behoort en haar nadruk op askese ofwel onthouding is veel invloed uitgegaan op de sexuele moraal en op de voorschriften voor het leven van monniken en nonnen. Een bekend verschijnsel in die eerste eeuwen waren groepen vrouwen of mannen die zich losmaakten uit het huwelijk of uit hun maatschappelijke functies: de verlossing als verlossing van het huwelijk. En ook de rondreizende paren van predikers, een man en zijn geestelijke zuster, deze vrouw en haar geestelijke broeder, waaraan door Paulus nog wordt herinnerd. In deze tradities vindt ook het celibaat, niet verplicht maar vrijwillig, haar oorsprong.
En van de gnostici – en in een bredere context van de hellenistische mysteriereligies – zijn bepaalde modellen toch wel terug te vinden in de dogmatiek van het officiële christendom, al is het maar doordat het verzet ertegen zo goed te onderkennen is en doordat men soms om de tegenstander de wind uit de zeilen te nemen hun voorstellingen gewoon over nam; zo kwamen we aan Jezus als de goddelijke zoon van God in plaats van de mens die naar Gods beeld leefde, aan Maria als de moeder van God, aan de maagdelijke geboorte (in het Nieuwe Testament alleen bij het evangelie van Lukas), de theorie van de verzoening van Jezus voor de erfzonde, en aan de onbevlekte ontvangenis (een voorstelling die in het christendom voor lijkt te komen in het rooms-katholicisme van de 17e tot 19e eeuw!). Zoniet van de gnostici dan wel van andere tradities zoals de oeroude seksualiteit vererende vruchtbaarheidsreligies en hun tegendelen, de Egyptische en Griekse goden en hun symbolen. Alle stromingen hanteerden zonodig modellen uit hun omgeving om de lof te zingen van hun Jezus, hun Messias en Heer, Kurios Christos; en dat deden ze lang niet allemaal even orthodox, ze speelden graag leentjebuur. En dat gaven ze achteraf ook een zin. De gnostici bijvoorbeeld zijn het geweest die de drieslag heidendom – jodendom – christendom als positieve ontwikkeling introduceerden, en dat model kunnen we nog steeds overal in het christendom aantreffen waarin ook de uitleg van het Oude en het Nieuwe Testament hun eigen bijzondere functie krijgen. En die van de uitleggende kerk uiteraard, die het vooruitgangsproces verder mag brengen.

 

IV We eindigen weer bij ‘Thomas’. Brengt de ontdekking van ‘Thomas’ ons een stap dichter bij de indruk die de oorspronkelijke ooggetuigen van Jezus kunnen hebben gekregen?


Het wereldwiel wentelt verder, en ook de orthodoxie zal over een tijdje niet meer lijken op wat ze vroeger was, en waarom zou dat ook. We kunnen zelfs altijd proberen te vergelijken met de boodschap van Jezus zelf, die van Gods nabijheid veel verwachtte en de tekenen daarvan zichtbaar maakte, en die Gods nabijheid verwerkelijkte – maar die zeker geen aanspraak maakte op alle titels die hem in de latere hellenistische wereld allemaal toegekend werden, laat staan dat hij bepaalde daarvan de voorkeur zou geven. Daar ging het immers niet om, het ging om de nabijheid van God, om zijn koninkrijk, dat in allen zou zijn die naar Jezus’ woorden wilde luisteren en handelen. Niet speciaal de rijken of machtigen of godgeleerden, maar zeker ook hen. Het richten van pijlen op anderen heeft meestal een boemerang-effect tot gevolg. Volgens ‘Thomas’ hoeven we de pijlen alleen op onszelf te richten en kunnen we helemaal wakker worden – dat is: volledig ontvankelijk en creatief, volledig levend.

Thomas 67:
Jezus zei:
Eên die a aoles weet dat a ter bestaèt,
en die a z’n eigen nie kan losmaeke,
die ouw overaol nog an vast.

Jezus zei:
Wie het Al (denkt te) kennen
maar niet zichzelf
blijft volkomen in gebreke

Thomas 70:
Jezus zei:
Je mò ter eên in j’n eigen gebore laète worre.
A die der komt, dan za ten je redde.
Maer a die der nie komt, dan ontbreek ter wat van binnen,
en dat wor je doôd.

 

Jezus zei:
Als julie verwerven wat in jezelf is
zal wat je hebt je redden.
Als je het niet in je hebt
Zal dat wat je niet in je hebt, je doden.

Thomas 75:
Jezus zei:
Der staè vee volk an de deure,
maer alleênig de vriegezellen kunne gaè trou:we.

 

Jezus zei:
Velen staan bij de deur,
Maar het zijn de eenlingen
die het bruidsvertrek zullen binnengaan.

Thomas 77:
Jezus zei:
Ik bin ‘t licht dat overaol op schient;
ik bin aoles dat a ter bestaèt.
Aoles is uut mien ekomme,
en ik bin overoal wee in’ekomme.
A je een stik out klie:ft, an zit ik daè in.
en a je een steên oplicht, dan zie je mien daè onder zitte.

 

Jezus zei:
Ik ben het licht dat boven allen is.
Ik ben het Al.
Het Al is uit mij voortgekomen en
het Al is tot mij gekomen.
Kloof een stuk hout en ik ben daar, til een steen op en jullie zullen mij daar vinden.

Thomas 99:
De leêrliengen zei:e tegen z’n:
Je broers en je moeder stae buten.
Ie zei trug:
De me:nsen ier die a doe:e wawt a m’n Vaoder wil,
da bin m’n broers en m’n moeder.
Wan da bin de me:nsen
die an naè ‘t keunikriek van m’n Vaoder gae.

 

De leerlingen zeiden tegen hem:
Uw broers en uw moeder staan buiten.
Hij zei tegen hen:
Deze hier, die de wil van de Vader doen
zij zijn mijn broers en mijn moeder;
zij zijn het die zullen binnengaan
in het Koninkrijk van de Vader.

Thomas 113:
Z’n leêrliengen vroge an z’n:
Oeneêr kom ‘t keunikriek noe?
Ie zei: Je za ‘t keunikriek nie an zie komme.
Je za gin me:ns ôre zegge:
Kiek, daè kom tet, of: Kiek, daèzò.
‘t Keunikriek van de Vaoder
ei z’n eige a over eêl de wèreld verspreid,
mae de me:nsen zie:e ‘t nie.

 

Zijn leerlingen zeiden tegen hem:
Wanneer zal het Koninkrijk komen?
[Jezus zei:]
Het komt niet door het te verwachten;
zij zullen niet zeggen: Zie hier, of: Zie daar.
Maar het Koninkrijk van de Vader
is uitgespreid over de aarde
en de mensen zien het niet.

Heeft ‘Thomas’ ons dichter bij de historische Jezus en zijn oorspronkelijke boodschap gebracht? Zij die het kunnen weten zeggen dat een vergelijking van de spreuken met hun parallellen in de evangeliën van in het Nieuwe Testament, wat oorspronkelijkheid betreft duidelijk in het voordeel van de spreuken van ‘Thomas’ uitvalt. ‘Thomas’ brengt niet alleen een adembenemende boodschap van verlichting – die in de geschiedenis van de godsdiensten verder alleen te vergelijken valt met die in het boeddhisme, speciaal Zen – maar ook de indruk dat we hier met woorden uit Jezus’ eigen mond te maken hebben: alsof je dicht bij de oorspronkelijke wijze leraar uit Galilea staat en hem zelf hoort spreken. Maar er blijven nog genoeg historische raadsels over, waaronder spreuken in ‘Thomas’ zonder parallellen met de evangeliën uit het Nieuwe Testament. Degenen die zijn spreuken in dit geschrift optekenden zullen er later zeker nog wel eens één aan hebben toegevoegd die niet in die vorm precies van hem afkomstig was, zoals de evangeliën allemaal onderling veel verschillen vertonen. Verschillen die vaak wel veel zeggen over de omgeving waarin de verzameling functioneerde. Bij ‘Thomas’ zijn dat onder andere enkele hermetische spreuken en andere die aan Alexandrië doen denken waar veel over het begin van mens en wereld werd nagedacht door de vele duizenden joden die er woonden. Ook zinswendingen die bijna aan gnostische geschriften doen denken. Dat levert veel vragen en interessante probleemstellingen op waarvan er hierboven enkele zijn aangeduid. Mijn leermeester professor Gilles Quispel maakte in vroegere publicaties onderscheid tussen joods-christelijke, enkratitische en hermetische bronnen die ‘Thomas’ waarschijnlijk gebruikt heeft; als gnostisch beschouwde hij ‘Thomas’ zeker niet. Tegenwoordig worden in het Evangelie van Thomas een Judeese en een Alexandrijnse brontekst onderscheiden waarbij de laatste een enkratitische bewerking van de eerste is. Veel woorden van Jezus komen namelijk in twee varianten voor. De hermetische invloeden komen ook uit Alexandrië en zijn in de enkratitische bewerking opgenomen of net als enkele latere invoegingen door de eindredacteur toegevoegd. In al deze zaken zullen verdere ontdekkingen en studies ongetwijfeld nog verdere, soms wellicht verrassende, inzichten kunnen opleveren. Verrassend vooral ook omdat er veel spraakverwarring heeft geheerst, deels veroorzaakt doordat de aanwezige feiten vaak meerdere interpretaties mogelijk maken, die bovendien gemakkelijk door sterke vooroordelen of door gebrek aan kennis beïnvloed kunnen worden. Maar het belangrijkst zijn op dit moment toch niet die toekomstige historisch-wetenschappelijke inzichten – hoe onmisbaar in bepaalde opzichten ook – maar de inzichten waartoe ‘Thomas’ ons direct oproept!
Het bijzondere is dat ‘Thomas’ het allemaal heel erg direct, en ogenschijnlijk ongecompliceerd houdt. Of is dat gewoon simpel geweest en simpel bedoeld? Want als je ingewikkelde verbanden, waarbij weglatingen een grote rol spelen, gaat veronderstellen, dan zou het om een geconstrueerde simpelheid gaan van een redacteur uit latere eeuwen, de tweede of de derde eeuw wellicht. Dat lijkt mij niet waarschijnlijk, hoewel op een enkel punt ook niet helemaal uitgesloten, zoals dat bij vrijwel alle belangrijke geschriften uit die tijden het geval is. Zeker is op dit moment dat er nog geen algemeen erkende sleutel is tot de opbouw van ‘Thomas’: de volgorde van de spreuken kan moeilijk verklaard worden, behalve dan misschien enigszins door een lang niet altijd dwingende thematische samenhang. Maar ook al weten we van dit raadselachtige evangelie nog niet veel, het blijft een van de mooiste om te lezen en te horen – en er ons wakker door te laten maken.

Deze spreuken zijn hoewel vele misschien een Aramese oorsprong hebben, waarschijnlijk in deze samenhang in het Grieks opgeschreven, en ze zijn niet alleen in het Koptisch en Syrisch vertaald, maar later ook in het Frans en Engels en Duits, en alle verdere grote talen, in het Nederlands en nu ook in het Zeeuws. Ze hebben via vele omwegen onder andere de reis gemaakt van een bescheiden dialect in een uithoek aan de Middellandse Zee naar een bescheiden dialect aan de Noordzee. En ze klinken nu ook daar alsof ze in het Zeeuws voor het eerst gesproken zijn. Als dat geen vooruitgang is! De vertaler in het Zeeuws heeft prachtig werk verricht, we zijn hem waardering schuldig.

 

Bron- en literatuurverwijzingen

 

Tekstuitgaven
B.L. Mack, De verloren woorden van Jezus: Het Boek Q en de oorsprong van het christendom [Een reconstructie van boek Q], Den Haag 1994 [ de oudste kern van Q op pp. 91-97; een complete tekst van deze oudste kern, Q1, is nu ook te vinden in mijn boek Wat Jezus werkelijk zei waarin ik de gegevens van deze lezing naast vele andere verwerkt heb tot een visie op de boodschap van de ‘historische’ Jezus en op wat zijn latere vereerders daarvan maakten]
Jacob Slavenburg/Willem Glaudemans, Nag Hammadi Geschriften I /II: een integrale vertaling van alle geschriften uit de Nag Hammadi-vondst en de Berlijnse Codex, Deventer (Ankh-Hermes) meerdere drukken; er zijn van de hand van de grote Nederlandse kenner (en uitgever van de Koptische tekst met vertaling) van het Thomas-evangelie, Professor Gilles Quispel, in de loop van vijftig jaren meerdere vertalingen van dit evangelie verschenen in het Nederlands, de meest recente, met uitvoerig commentaar, is in oktober 2004 verschenen bij Uitgeverij ‘In de Pelikaan’ in Amsterdam onder de titel Het Evangelie van Thomas, vertaald en toegelicht door Gilles Quispel. Deze uitgave kon niet meer geraadpleegd worden voorafgaand aan het maken van deze lezing maar volg de link voor mijn latere bespreking van dit boek.
Quidam [Hans de Vos], ‘t Vuufde evangelie, Kwadendamme 2003 (deze uitgave van de Zeeuwse vertaling van het Thomas-evangelie is behalve in de boekhandel verkrijgbaar bij de auteur, via email: Hans.deVos@Planet.nl)

Historische context
Gerd Theissen / Annette Merz, Der historische Jesus: Ein Lehrbuch, Göttingen (Vandenhoeck und Ruprecht) 2001
De Zoon van God, Teleac 2003 [2 videobanden]; instructief door de waardevolle invalshoeken en commentaren, onder andere van Gilles Quispel en Elaine Pagels (voor de laatste zie ook hieronder)
B.L. Mack, Wie schreven het Nieuwe Testament werkelijk?: Feiten, mythen en motieven, Deventer (Ankh-Hermes) 1997 [goedkoop verkrijgbaar bij De Slegte]. Mack besteedt ook ruime aandacht aan het oorspronkelijke boek Q (zie hierboven ook zijn aparte boek daarover) en aan het evangelie van Thomas. In een schrijven aan mij van 23 October 1997 naar aanleiding van de verschijning van deze vertaling zei mijn leermeester professor Gilles Quispel: ” Ik (…) ben natuurlijk blij met de positie van Thomas. Ik zelf zou meer nadruk leggen op Jeruzalem, Judees Christendom, Enkratisme en de historische Jezus.” (Je kunt zeggen dat Quispel deze belofte nu heeft ingelost door zijn recente Thomasuitgave met uitgebreid commentaar, al zou de geschiedenis van de Joodse en later heidenchristelijke volgelingen van Jezus in Jeruzalem mogelijk uitgebreider behandeld kunnen worden dan nu gebeurt. De meest recente Nederlandse publikatie hierover lijkt mij: Dr J. van Amersfoort, De kerk van Jacobus, Verkenning en Bezinning, Dec. 1985 (19, nr. 4); een zorgvuldig gemaakte tekst in een brochure van een kleine honderd pagina’s.) Het is inderdaad opmerkelijk dat Mack in zijn boek zoveel aandacht aan het evangelie van Thomas schenkt, en het is niet minder een feit dat die ontwikkeling sterk van Utrecht uitgegaan is, door het levenswerk van Gilles Quispel via zijn nationale en internationale colleges en optredens, zijn publicaties, zijn leerlingen en zijn medewerking aan vele nationale en internationale TV-documentaires. Zelf vind ik het jammer dat Mack betrekkelijk weinig expliciete aandacht schenkt aan de ‘gnostische’ bewegingen en geschriften, met name die welke later afgewezen werden in het latere christendom, en wat hun karakter en inhoud was. Daarvoor moeten we bij anderen – zoals de hieronder genoemde boeken van Slavenburg en Pagels – terecht, als we uitgebreider geïnformeerd willen worden en ook als we de verhouding met het hen afwijzende ‘katholieke’ christendom willen begrijpen. Dat doet mijns inziens niets af aan het feit dat geen boek zo goed als dat van Mack de achtergronden, de motieven en de opbouw van de afzonderlijke geschriften van het Nieuwe Testament verduidelijkt en bij de lezer brengt.
Voor uitgebreidere informatie over de fundamentele betekenis van Jezus’ doop door Johannes, over de rol van Christusvisioenen en woorden van Jezus als wijsheidsleraar bij zijn volgelingen na zijn dood, en over de verwording van deze impulsen tot ‘wedergeboorte’ tot een dogma over Jezus in een reactionaire kerk, zie het prachtige boek van J. Slavenburg, De oerknal van het christendom: Veelkleurig perspectief van een impuls (Haarlem, Rozekruis Pers, 2003, 219 pp., met uitgebreid notenapparaat incl. literatuurverwijzingen, en met zeer handzaam register). Bij het maken van deze lezing had ik dit boek nog niet bestudeerd maar het past er wonderwel bij.
Voor een eerste indruk van de Oostelijke tak van het christendom (met name de Chinese tak, waaraan echter onder meer Syrische, Perzische en Indiase takken voorafgingen en parallel liepen, voornamelijk ontstaan aan of als uitvloeisel van de zogeheten Zijderoute naar het Oosten; de Mongolen die Marco Polo ontmoette waren nog christenen voordat ze tot de Islam overgingen) zie nu het fascinerende en ook wetenschappelijk goed onderbouwde boek: Martin Palmer, De Tao van Christus: De ontdekking van een christelijke beschaving in het oude China: Met de ‘Jezussoetra’s’, Chinees-christelijke teksten uit de 7e tot de 11e eeuw, [met illustraties en literatuurverwijzingen, ]Utrecht / Amsterdam (Kosmos-Z&K) 2001, 223 pp.
Voor de door Quispel Aramees genoemde Oostelijke tak van het vroege christendom (want in de eerste eeuwen ging het om het West-Aramees sprekende christendom in Palestina en omgeving en om het Oost-Aramees ofwel Syrisch sprekende christendom in Edessa en ruime omgeving) en zijn verhouding tot de Griekse en Latijnse (Westelijke) takken van het christendom zie behalve de hierboven genoemde Thomascommentaar van Quispel nu ook de Nederlandse vertaling met inleiding en commentaar van de Keulse Mani-Codex, van Quispel en zijn leerling professor Hans van Oort. Daarin komt de relatie van deze Aramese tak met de christelijke kerk van Mani en met de Islam van Mohammed aan de orde.
Voor verdere historische achtergronden met betrekking tot de Joden in Palestina in de eeuwen voorafgaand aan tot en met de eerste eeuw van onze jaartelling zie ook het boek van Stephen Hodge, De Dode-Zeerollen, Deventer (Ankh-Hermes) 2002. Een van de Joodse opvattingen uit deze periode is bijvoorbeeld de uitverkiezing – die natuurlijk ook andere wortels heeft in voor-hellenistische Joodse tijden en geschriften. En zo komen meer interessante thema’s in dit boek naar voren. In mijn bespreking van dit boek noem ik ze en werk ik een aantal aspecten van mijn zich ontwikkelende visie op de historische Jezus en zijn groepen volgelingen nader uit.

Veranderende visies op de christelijke groeperingen, tradities en teksten in de eerste eeuwen voor het totstandkomen van de christelijke staatskerk
Jacob Slavenburg, Valsheid in geschrifte: De gespleten pen van de bijbelschrijvers, Zutphen (Walburg Pers) meerdere drukken
Jacob Slavenburg, Opus Postuum: Een onthullende blik op het vroegste christendom (30-70 n.Chr.), Deventer (Ankh-Hermes) 2001
Boudewijn Koole, Voorbij het patriarchaat: tegenbeelden van de westerse kultuur: de relatie van westerse spirituele tradities tot de fundamenten van de kultuur, Kampen (Kok Agora) 1989
Boudewijn Koole, Verlichting en het niet-dualistisch omgaan met tegenstellingen: parallel tussen Westerse en Oosterse spiritualiteit? Lezing met stellingen 2002
G.J.D. Aalders, De grote vergissing: Kerk en staat in het begin van de vierde eeuw, Kampen (Kok) 1979; zeer leesbare weergave van de belangrijkste gebeurtenissen en bronnen, ook van de eeuwen 1 tot 3
G.J. Heering, DE ZONDEVAL VAN HET CHRISTENDOM: Een studie over christendom, staat en oorlog, Vijfde druk met een inleiding door Prof. Dr. J. de Graaf, ‘De voortgang van het denken over evangelie, oorlog en vredesdienst in de periode 1950-1980’, Utrecht (Bijleveld) 1981; zie met name de hoofdstukken 1 en 2 voor de weergave van bronnen.
L. de Blois / A.H. Bredero (red.), Kerk en Vrede in oudheid en middeleeuwen, Kampen 1980; zie met name het gedeelte over de oudheid voor belangrijk bronnenmateriaal, helder op een rijtje gezet.
Voor verdere verdieping zijn alle boeken van Elaine Pagels aan te bevelen, zij is hoogleraar theologie aan de Harvard Universiteit. Speciaal het zojuist verschenen Ketters en rechtgelovigen (Engels: Beyond belief), Utrecht 2003-2e druk, dat – zie mijn bespreking – onder veel meer over de evangeliën van Johannes en Thomas gaat en tevens de momenteel beste en meest actuele literatuurverwijzingen bevat voor wie zich verder in dit gebied wil verdiepen. Mijn bespreking van bovengenoemd boek van Stephen Hodge over de Dode-Zeerollen biedt een nog iets verder uitgewerkt perspectief.
De Gospel of Thomas Homepage bevat een schat aan goede informatie en verwijzingen voor wie zich verder wil verdiepen in het Evangelie van Thomas en aanverwanten.
Met betrekking tot de betekenis van de ‘opstanding’ van Jezus herinner ik mij de hardnekkigheid waarmee ik als beginnend theologiestudent de (‘uiteraard’ ook lichamelijke) opstanding van Jezus als historische gebeurtenis – als goede vertegenwoordiger van mijn gereformeerde opvoeding – verdedigde als een ‘voor de theologie en voor het geloof onmisbaar fundament’ tegenover mijn medetheologiestudent Hans Scheewe, die mij met veel geduld maar zonder resultaat poogde duidelijk te maken dat men daar best anders over zou kunnen denken. Nu ik de beperktheid van mijn toenmalige standpunt inzie, betuig ik hem graag respect voor zijn geduld. Hoewel ik er toen waarschijnlijk van uit ging bij voorbaat al ‘uitgepraat’ te zijn (‘stond de waarheid niet “vast”?’ …), denk ik nu dat elke betekenis steeds opnieuw vastgesteld ofwel gerealizeerd zal behoeven te worden wil zij ‘waar’ zijn (en zich dus ook steeds zal vernieuwen, iets waar ik toen in het genoemde opzicht niet toe bereid was). Dit nog afgezien van hoe de betekenissen historisch tot stand gekomen zijn (anders dan vele latere christenen is geleerd), te weten datgene wat mij hier – naast (de symboliek van) de geestelijke ‘opstanding’ ofwel de wedergeboorte – niet het laatst of het minst interesseert. [Ik voeg hieraan toe, veel later, een verwijzing naar de schitterende visie op de opstanding van Jezus, in een ongelooflijk boeiend historisch perspectief en inspirerend kader, van Margaret Barker in haar boek The Risen Lord, London 1996; voor een introductie van haar werk zie ook mijn blogitems over haar en haar werk.]

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens, en studeerde vanaf 1965 in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en een inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en buiten alle tegenstellingen", te verschijnen in 2020.