BK-Books.eu » Besprekingen » Taulers weg naar binnen

Bespreking van...

Taulers weg naar binnen: Bloemlezing uit de preken van Johannes Tauler, 1300-1361: Samengesteld en van een inleiding voorzien door Peter Huijs, Haarlem (Rozekruis Pers) 2005, 93pp.

Eerder besprak ik de vertaling door C.O. Jellema van teksten van Eckhart, Suso en Tauler. Die van Tauler spraken mij toen het minste aan. Bij de voorliggende uitgave is dat heel anders. De nieuwe bloemlezing uit Taulers preken heeft een diepe indruk op me gemaakt. Dit is herkenbaar de schakel tussen de mystiek van Eckhart en die van onder andere de Reformatie enkele eeuwen later, zie ook mijn bespreking van Het Boekje van het volkomen leven (later bekend als de Theologia Deutsch). Dit is ook voor een deel de taal van de vroomheid uit de wereld van mijn jeugd: een uitloper van het protestantse piëtisme. Zonde en genade, in samenhang met strijd en geborgenheid van individu en gemeenschap, stonden daar centraal. Taulers spiritualiteit heeft trouwens ook doorgewerkt in de latere spiritualiteit van de rooms-katholieke orden. Ik neem aan dat hij vooral voor monniken en nonnen van de reguliere rooms-katholieke orden preekte, misschien soms ook met toelating van of alleen voor leken.
Zijn boodschap vat ik kort samen. Richt je op je innerlijk en erken je fouten en je “nietigheid” tegenover God. Wanneer je helemaal leeg bent en dat volhoudt, zal God in je plaats nemen, en zich met zijn beeld in jou verbinden zodat het weer gaat leven. Dat zal een feest van herkenning zijn, van liefde en vreugde. Leer jezelf zowel in je stille beschouwelijkheid als in je concrete werkzaamheden helemaal loslaten en geconcentreerd richten op God en zijn eer, en de eenheid met Hem zal je – uiteindelijk – gegeven worden. Zijn geest zal in jou woning nemen en jouw leven sturen zodat je dienstbaar bent, boven wat je verstand en je zinnen vermogen te bedenken en te ervaren. Daartoe is het vereist dat je je innerlijk en zoveel mogelijk ook uiterlijk “losmaakt” van de wereld en zijn bewoners, je medemensen. Je onafhankelijkheid is een onopgeefbare voorwaarde. Voor je medemensen dien je overigens minstens evenveel respect te hebben als voor jezelf, en even goed te zorgen. Maar je innerlijke omvorming hoef je niet aan hen op te offeren. Die valt met jouw verbondenheid met en dienstbaarheid aan hen te combineren. Tegelijk is je innerlijke omvorming zonder de laatste ook niet af. Zoals in het persbericht van de uitgever over dit boek zo helder staat omschreven: “(Wat) de innerlijke vernieuwing van de mens nabij brengt, is een levenshouding die de juiste voorwaarden realiseert en volhoudt”. Zoals Eckhart zei: “Als wij ‘niets worden’, moet God wel komen om de leegte te vullen.” Die levenshouding van ‘niets worden’ omvat het opgeven van onze eigenwil, ons ego, ten dienste van wat het moment van ons vraagt, steeds opnieuw. Om ons door Gods wil te laten vullen is voldoende dat wij er steeds op uit zijn ons zo open mogelijk te houden voor wat zich ieder moment aandient als gave aan ons of als mogelijkheid om dienstbaar te zijn of als oefening om uit te houden. Dat kan alleen als we tegelijk onafhankelijk en los van ons ego, van anderen en van de wereld zijn. En bereid zijn ons te oefenen in steeds nieuwe kennis van onszelf en van anderen en de wereld.
Tauler was een directe leerling van Eckhart maar ook van een ‘godsvriend’ die op zijn weg kwam toen hij al ouder was. Die laatste was veel jonger dan Tauler maar innerlijk veel meer ervaren. Hij instrueerde en begeleidde Tauler zo dat een diepe crisis die deze op zijn vijftigste doormaakte, hem erg veranderde en hem veel nederigheid, liefde en inzicht bracht. Dit leidde ertoe dat hij eerst aarzelde over nieuw optreden naar buiten maar uiteindelijk tot een nieuwe preekactiviteit leidde. Zijn preken maakten grote indruk, ook nog eeuwenlang nadat zij op schrift gesteld waren.
Ik ontleen een deel van deze gegevens aan de buitengewoon informatieve inleiding die Peter Huijs aan deze bloemlezing vooraf laat gaan. Terzijde zij opgemerkt dat de aan het eind van de inleiding opgegeven literatuur beperkt is. Is dit alles waar Huijs zich op baseert? Waarom noemt hij hier bijvoorbeeld ook niet Burke en Berry die hij wel aanhaalt op blz. 25? Ook de omschrijving van de wel genoemde literatuur had iets uitvoeriger gekund. Wat zijn de kwaliteiten van genoemde boeken? Het helpt altijd zo wanneer je – door een geannoteerde literatuurverwijzing, ook al is die altijd enigszins subjectief en misschien wel juist omdat die dat altijd is – als lezer niet alles zelf opnieuw hoeft uit te vinden!
We komen Tauler in deze prachtige inleiding tegen als een soms bruut karakter die kennelijk nogal wat mensen afstootte. De tere inhoud van zijn preken vormt daarmee een opmerkelijk contrast. Deze ruwe bolster had kennelijk een tere binnenkant. Die heeft hij uiteindelijk echter sterk ontwikkeld. En wij met zijn toehoorders kunnen daarin delen. De toon van zijn spreken verraadt zijn karakter soms nog. Zo bijvoorbeeld als hij zijn hoorders aanspoort om toch vooral geen steken te laten vallen. Enig dwanggedrag was hem misschien niet vreemd. Maar het gevoel en het inzicht in de ontwikkeling daarvan gaan daar verre bovenuit, iets wat steeds weer naar voren komt. Hij spreekt duidelijk uit eigen ervaring, ook bijvoorbeeld als hij het erover heeft dat je wel veertig of vijftig jaar kunt worden voor je enig inzicht begint te ontwikkelen of voordat het doorbreekt. Dat maakt een en ander des te menselijker en herkenbaarder.
Hiermee is lang niet alles over de inhoud van deze prachtige bloemlezing gezegd. Het verschil met de door Jellema vertaalde teksten zit hem onder andere in het feit dat Huijs voor het merendeel uit andere preken put. Misschien dat Jellema vooral op de overeenkomst met de taal van Eckhart heeft gemikt? Bij Huijs staat de ‘bekering’ of omvorming van de mens door de aanraking met God duidelijk centraal. Bovendien heeft hij de gekozen en vertaalde teksten gerubriceerd naar enkele thema’s. Dat leidt in ieder geval tot een duidelijk ritme, al lopen de thema’s ook wel door elkaar heen. De mooiste citaten uit alle vertaalde stukken heeft Huijs bovendien verspreid door het boek apart in de kantlijn herhaald, en ook dat werkt goed. Zoals Huijs in een ‘Woord vooraf’ zegt: naarmate je Taulers ‘parels’ beter leert kennen, worden ze je steeds vertrouwder en dierbaarder. En Tauler een waardevolle vriend al voelde je misschien eerst afstand tot hem.
Een technisch verschil met de vertaling van Jellema is dat in dit boekje geen complete preken zijn afgedrukt maar samenvattingen eruit, zoals gezegd naar thema. Inderdaad valt op dat de stukken afgerond zijn. Ik heb niet de indruk dat Huijs er inhoudelijk heel erg veel aan gesleuteld heeft, anders zou ik dat nader hebben willen onderzoeken. Het resultaat is in ieder geval opmerkelijk, de teksten zijn zeer indringend en spreken recht tot het hart. Ik beschouw dit boekje als een grote aanwinst voor de spirituele literatuur. Hier is een stuk goud van hoog karaat opgedolven en genietbaar gemaakt. Daarvoor betuig ik de auteur, die hier kennelijk zo verwant mee en in thuis is, mijn welgemeende respect. Ik beveel het boek met nadruk aan. De spiritualiteit van Jezus van Nazareth waar men zich meestal op beroept (zie ook mijn lezing ‘Jezus en Thomas’), was mogelijk iets minder zwaarmoedig en iets speelser dan het later is opgevat in sommige ‘ernstige’ Europees-christelijke kringen maar zeker even ‘grondig’ omvormend. Hoewel ook Tauler met nadruk zwaarmoedige stemmingen en gedachten als in dit proces schadelijk en onbruikbaar terugwijst. Zoals Tauler zegt: zelfs de paus heeft over dit proces niets te zeggen. Want hier ontmoeten mens en God elkaar onmiddellijk, in elkaars grond. Zoals Jacob Boehme en vele andere leerlingen in deze traditie met vreugde hebben betuigd. Bij de rozenkruisersgeschriften uit dezelfde tijd (van de hand van Johann Valentin Andreae, mede geïnspireerd door zijn vrienden) staat de leraar van Tauler, de ‘godsvriend’, model voor Christiaan Rozenkruis, schrijft Huijs. En de eeuwen door heeft het niet ontbroken aan mensen die door deze inspiratie geraakt werden, zie bijvoorbeeld De roep van het Rozenkruis: Vier eeuwen levende traditie
. Maar natuurlijk ook vele anderen, zoals in genoemde piëtistische traditie en in de spiritualiteit van sommige rooms-katholieke ordes en leken. Ik zou graag eens een studie vinden van de samenhang tussen deze traditie van ‘vroomheid’ of spiritualiteit en de persoonlijke karaktervorming in de loop der eeuwen. Zoals bekend is er bijvoorbeeld een christelijke traditie van vroom masochisme (daarover verscheen ooit een dissertatie van Klapwijk die ik overigens nog niet gelezen heb). Maar er valt wellicht meer te vinden, zoals de dominante vormen van en de variaties in persoonlijkheidsvorming en karaktervorming in deze tradities. En ook zou ik nog iets helderder willen krijgen wat de verhouding is tussen de vroomheid van deze tradities en hun maatschappelijke rol en inzet. Zoals anderen dat gedaan hebben voor de middeleeuwse christelijke orden in verhouding tot de opvattingen en de positie van de parochiale kerkelijke organisatie, bijvoorbeeld de sociologe Silber.
Wat Jezus betreft zij nog opgemerkt dat deze er niet op uit geweest lijkt te zijn om voor langere tijd een nieuwe vorm van virtuoze beoefening van spiritualiteit te vestigen. Zoals je die in tradities van monniken en nonnen aantreft in alle culturen. Jezus lijkt veel meer op de directe en spoedige verwerkelijking van het Koninkrijk van God gericht te zijn geweest. Dat hield ongetwijfeld een spiritueel leven van gewone mensen in de omgeving van Jezus in. En daarin speelde de omkering die Johannes de Doper ook al preekte, een grote rol in. Van lijden en onbewust leven naar bevrijding en het feestelijk vieren daarvan, zowel spiritueel als sociaal. Niet door gewapende revolutie maar door het ontwaken voor de werkelijkheid van het Koninkrijk. Het blijft intrigerend te zien hoe lang en in hoeveel vormen zijn inspiratie levend is gebleven tot in onze tijd. Voor Jezus begon de ommekeer met alles innerlijk los te laten, en vanzelfsprekend dan vaak ook uiterlijk. Zodat er ruimte komt voor het nieuwe en het wezenlijke, en alle ballast overboord kan. Daar is Tauler ongetwijfeld ook van overtuigd.
Wat lijkt de essentie van deze Westerse traditie in het spoor van Jezus toch op de vergelijkbare tradities in andere religies, zoals het boeddhisme. De manieren waarop mensen in het leven vast komen te zitten, zien er op detailniveau in verschillende culturen en verschillende tijden verschillend uit. Maar de wijsheid en het inzicht dat het van groot belang is om niet vast te zitten maar ruimte te vinden voor spiritualiteit en solidariteit is overal terug te vinden. De voorbeelden uit het verleden blijven beschikbaar voor ons om ons te helpen ook die weg te gaan in de vormen te vinden die in onze tijd en omgeving passen. Wordt voorbijgangers ten opzichte van zaken waar je aan kunt hechten, zei Jezus, maar nodig ieder uit tot het feestmaal van het koninkrijk van God die er in mee wil doen. Wordt ‘zwervers’ om het Koninkrijk Gods te onthullen aan steeds nieuwe mensen.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens, en studeerde vanaf 1965 in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en een inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en buiten alle tegenstellingen", te verschijnen in 2020.