BK-Books.eu » Besprekingen » Schwarzbuch Helmut Kohl; Westwärts und nicht vergessen; Drinnen und Draussen; Kulturschock Deutschland

Bespreking van...

… Bernt Engelmann, Schwarzbuch Helmut Kohl: oder: Wie alles begann, Unter Mitarbeit von Eckart Spoo, Mit einem Vorwort von Klaus Staeck, Göttingen (Steidl) 2000, herdruk, 141 pp.
Daniela Dahn, Westwärts und nicht vergessen: Vom Unbehagen in der Einheit, Reinbek bei Hamburg (Rowohlt) 1999 (Berlin 1996), 208 pp.
Fritz Klein, Drinnen und Draussen: Ein Historiker in der DDR: Erinnerungen, Frankfurt a.M. (S. Fischer) 1999 of 2000, met register, 376 pp.
Wolf Wagner, Kulturschock Deutschland: Der zweite Blick, Hamburg (Rotbuch) 1999, 198 pp.

[Opmerking: Vergelijk ook de dagboeken van Victor Klemperer; die vallen mijns inziens uit dit rijtje omdat zij een zo eigen en veel ingrijpender karakter hebben en dus van een andere orde zijn. En vergelijk ook de biografie van Erich Kästner, allebei over dezelfde periode.]
Het gaat in alle gevallen om boeken die de geschiedenis van Duitsland in de 20e eeuw betreffen, van de tijd tussen de beide wereldoorlogen, de Nazitijd en de tijd van de twee Duitslanden tot de tijd na de hereniging. Wagner en Dahn zijn daarbij voor de gevolgen van de hereniging interessant, Engelmann voor de maatschappelijke verhoudingen in West-Duitsland onder Kohl en Klein over die in Oost-Duitsland voor de hereniging.

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onder meer op deze pagina:

Een historicus in de DDR

Terwijl Klemperer in zijn dagboeken een beklemmend beeld schetst van de achteruitgang van het politieke en maatschappelijke klimaat vanaf het aan de macht komen van Hitler tot en met het dieptepunt van de jodenvervolging en de Tweede Wereldoorlog, het einde daarvan en de eerste maanden erna (alles in de omgeving van Dresden) behandelt Klein – net als Klemperer uiteindelijk hoogleraar in het steeds partij-dictatorialer wordende Oost-Duitsland – het geheel van zijn herinneringen van zijn jeugd en familieverhoudingen en van zijn werk als historicus met veel inside-kennis over Oost-Duitsland (vanuit Berlijn met relaties naar Oost en West). Als kind van een uitgesproken nationalistische vader van Roemeens-Duitse afkomst, hoofdredacteur in de jaren twintig en begin dertig van een belangrijke rechtsnationale krant, en van een Duitse moeder. Na het overlijden van die beiden in 1936 en 1938 – de vader toch wellicht geknakt door de Nazi’s die hij formeel steunde en ondertussen van kritiek voorzag – het verder opgroeien in een sociaal-democratisch intellectueel milieu (Heinrich Deiters, in 1933 ontslagen idealistische onderwijsman, later hoogleraar in de DDR, en diens praktische vrouw; Klein trouwde met een dochter van hen), en vervolgens na zijn diensttijd aan het Oostfront in 1946 zijn bewuste keus voor de communistische partij, als partij die zijn idealen het best zou realiseren, naar hij dacht. Vervolgens de lange weg door de instituties van de DDR-samenleving-in-ontwikkeling tot en met de val van de Muur en het overgenomen worden van Oost-Duitsland door West-Duitsland. Klein besteedt veel aandacht aan ethische vragen, althans aan achtergrondvragen van de Duitse geschiedenis: zowel omdat hij wetenschappelijk specialist werd in die geschiedenis, speciaal de periode voorafgaand aan en tot en met de Eerste Wereldoorlog, als omdat hij daar voortdurend zelf tegenaan loopt. Zijn vader was prominent nationalist in de jaren twintig en dertig; hijzelf maakte de partijdictatuur in de DDR vanaf het prille begin als partijlid mee en moest daarbij steeds laveren tussen (realistisch) positie verwerven en handhaven enerzijds en die positie zo vruchtbaar mogelijk (idealistisch en en niet onethisch) gebruiken anderzijds, zowel voor de wetenschap waarin hij als DDR-man toch een grote naam verwierf als in zijn meer persoonlijke contacten (familiair binnen en buiten de DDR, en door congresbezoeken en dergelijke).
Klein schrijft helder, geeft goed de dilemma’s weer waarvoor hij stond en de keuze’s die hij daarin maakte. Hij beschrijft uitgebreid de context van de wetenschapsgeschiedenis van het vak (Duitse geschiedenis, later in steeds ruimer context) en de confrontaties daarbinnen tussen vakgenoten van Oost en West sinds het begin van de kloof in de vijftiger jaren via het uiteenlopen van een Westduitse (of Westelijke) en een Oostduitse (of Oosteuropese) richting – met al hun tussen- en persoonlijke varianten – tot en met de komst van steeds meer openheid (afgezien van het starre regime in de DDR zelf). Zelf vond ik de beschrijving van zijn jeugdjaren tot en met het einde van de Tweede Wereldoorlog en de beginjaren van Oost-Duitsland daarna het boeiendst: heel concreeet en inleefbaar over een intrigerende tijd. Het vakhistorische gedeelte is dat ook maar – achteraf – toch voorspelbaarder, al moet daarbij gezegd worden dat het voor mij toch niet helemaal inleefbaar is welke prestaties in de DDR onder welke moeilijke omstandigheden geleverd zijn. Boeiend is natuurlijk toch de rol van de partij bij de bepaling van de ‘juiste’ visie op de geschiedenis en de manier waarop zij die controleert, de rol van de Stasi (staatsveiligheidsdienst) enzovoort. En zeker boeiend is dat Klein kritische vragen over zijn eigen gedrag niet uit de weg gaat maar helder en zakelijk behandelt.

Back to top

Engelmann en wat achter de era Kohl stak

Hebben we zo al een bepaald zicht gekregen op het uiteenvallen van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog, dat beeld wordt deels verder uitgebreid in het boekje van Engelmann. Om aan te tonen hoe de Duitse groot-industriëlen hun stempel op West-Duitsland hebben gezet, behandelt hij een aantal aspekten van hun geschiedenis in de tijd voor de Nazi’s, tijdens de Nazi’s en samen met hen, in en na Tweede Wereldoorlog. Zoals de steun aan Hitler, het profiteren van de dwangarbeid van gedeporteerden, en de overbrenging van kapitaal en goederen naar het Westen na de oorlog om daar een nieuw begin te maken. Engelmann laat zien dat de carrière van de politicus Kohl gepland is door een van deze grootindustriëlen, en vertelt een aantal gebeurtenissen uit de geschiedenis van hun netwerk. De verwevenheid van politici en onzichtbare maatschappelijke lobby’s op de achtergrond wordt goed duidelijk, evenals het vaak ondemocratische karakter van hun gedrag. De industriëlen kopen als het ware grote economische voorrechten (wetgeving, belastingen) door hun politieke vrienden in het zadel te houden. Hoe Kohl zelf zijn gunsten verdeelde en de wind er in zijn eigen clan onder hield, wordt minder duidelijk dan op de omslag gesuggereerd wordt. Verder moet bij een beoordeling van dit boekje natuurlijk gezegd worden dat iedere politicus zich nu eenmaal moet verhouden met bestaande netwerken met diverse macht en invloed, en dat dat binnen bepaalde grenzen heel prima kan werken. Dat achteraf gebleken is (het boekje stamt al uit 1994) dat Kohl het nog veel bonter maakte dan Engelmann beschreef (hij ging de wet verre te buiten in het aannemen en doorsluizen van giften) pleit voor de neus van de auteur. Tegelijk moet ook gezegd worden dat Engelmann erg met de vinger naar één richting wijst (politiek rechts en industrieel grootkapitaal) en wellicht teveel buiten beschouwing laat dat democratie juist leeft van het naar jezelf willen kijken. Lezers en auteur van het boekje blijven erg gemakkelijk buiten schot als bron en middel voor het inslaan van nuttige wegen naar de toekomst. We zijn er lijkt mij niet als Kohl (ondanks al zijn grootheidsmanie) of zijn opvolgers verder alles goed doen, er moet van iederéén iets verwacht worden.
Niettemin een prettig leesbaar en toch wel onthullend boekje.

Back to top

Dahn en de schok van de Duitse hereniging

De boekjes van Dahn en Wagner zijn interessant omdat zij expliciet reflecteren op de situatie na de hereniging van de Duitslanden (die feitelijk een overname van het Oosten door het Westen was en is, juridisch en economisch minstens). Bovendien komen zij daarin overeen dat zij beiden hun onderwerpen overal met allerlei groepen in Duitsland besproken hebben in het kader van lezingen, seminars, discussies enzovoort.
Dahn doet dat als Ossi met als uitgangspunt dat er wel wat meer evenwicht in de hereniging had mogen zijn. Zij schrijft uitdagend en intelligent, eist soms nogal wat van haar lezers maar beloont dat met boeiende analyses van een aantal interessante thema’s. Achtereenvolgens behandelt zij onder meer haar ‘onbehagen’ als schrijfster, tegenstandster van het fasjisme (de verwerking van het Naziverleden in beide Duitslanden is een interessant en nog steeds niet voltooid onderwerp uiteraard), in linkse politiek geïnteresseerde, ex-burgeres van de DDR, vrouw en als burgeres van het ongedeelde nieuwe Duitsland. In haar streven naar verdediging van voormalige Oostduitse waarden en situaties gaat zij soms wel eens ver (zo beweert zij dat ‘maar’ 2 % van de bevolking met de Stasi meewerkte), anderzijds documenteert zij goed een aantal zaken uit de Oostduitse tijd die inderdaad wellicht een vruchtbaar vervolg kunnen krijgen, in ieder geval een positiever beeld kunnen scheppen dan dat van de DDR als louter onrechtsstaat waar zich noch economisch noch sociaal noch cultureel iets van waarde voordeed. Zij gaat in op het interessante onderscheid dat bestaan heeft tussen sociaal-democratische en communistische socialisten (vaak ook een onderscheid binnen beide richtingen!) dat te maken lijkt te hebben met de verhouding tussen de idealen van vrijheid en gelijkheid die altijd aan de orde blijft. Zij laat zien dat een werkelijke gelijkberechtiging van vrouwen niet zozeer afhangt van politiek correcte etiketten als wel van een beloning die recht doet aan het feit dat vrouwen nu eenmaal meer ‘ziekteverzuim’ hebben. Zij pleit voor een soort ‘hippocratische eed’ voor journalisten (zelf was zij televisieregisseuse en -producent in de DDR, alvorens ontslag te nemen en zelfstandig schrijfster te worden) waarin zij beloven het voor de waarheid op te nemen in plaats van klakkeloos mee te doen aan een pluralistisch systeem waarin niemand de volle waarheid hoeft te zeggen wat zij te gemakkelijk vindt. Zij wijst er verder fijntjes op dat recht op arbeid een mensenrecht is volgens de betreffende Verklaring van de Verenigde Naties uit 1948, een grondrecht dat in Oostduitsland werd gerealiseerd en in Westduitsland niet in de grondwet kwam; en wijst er vooral op wat dit grondrecht in zou kunnen houden als het (meer) gerespecteerd werd. Tevens signaleert zij het idee om het eigendomsrecht te reduceren tot het recht op door arbeid verkregen eigendom, met interessante en maatschappelijk mogelijk vruchtbare gevolgen. Zij eindigt met de suggestie dat het bedrag dat de Oostduitsers gratis op zich hebben genomen als mededragers van de Westduitse staatsschuld, wellicht opgebracht kan worden door de afschaffing van verkiezingscampagnes waar het niet meer om de inhoud gaat en door de vervanging van oorlogsmiddelen door computersimulaties …
Kortom, een prikkelend boekje van een Oostduitse intellectueel die heel wat in het debat heeft in te brengen. Maar een losstaand individu, niet zozeer representant van een stroming met veel politieke invloed, al zullen er in haar kring mensen zijn met sympathie voor PDS en SPD. Individueel lijkt zij ook in het opzicht dat zij niet in overdreven mate de kenmerken vertoont van het Oostduitse linkse moralisme, een geseculariseerd protestantisme dat heel duidelijk als tendens in de Oostduitse samenleving en cultuur valt aan te wijzen.

Back to top

Wagner en de “kleine verschillen” tussen West- en Oost-Duitsland

Maar dan zijn we bij het boekje van Wagner aangeland. Wagner beschrijft de tegenstellingen die zich in opvattingen en in wederzijdse beeldvorming voordoen (en de verschuivingen naarmate de tijd en het onderlinge proces vorderen). Hij laat zien dat het onderlinge proces vanaf de hereniging zich laat lezen als een ‘kultuurschok’ en de reacties daarop. Daarbij gebruikt hij modellen van sociale daling en stijging met bijbehorende groepen en opvattingen, en eventueel van de belemmeringen die zij ervaren. Gekoppeld aan de uitslagen van opinie-onderzoeken toont hij aan welke verschillen zich inderdaad voordoen, hoe die verklaard kunnen worden en hoe zij verschuiven en hoe die verschuivingen weer verklaard kunnen worden. Ook laat hij zien dat het rechtsextremisme in feite veroorzaakt wordt door gefrustreerde stijgingskansen, niet door gebrek aan opleiding of werk. Terloops gaat hij in op de verschillen en overeenkomsten tussen Oostduitsland en andere ex-communistische Oosteuropese landen (in Oostduitsland is er altijd een sterke moraliserende tendens geweest met marxistiche zelfkritiek, voortbouwend op en in vele opzichten gelijk aan de afgeschafte protestantse moraal, terwijl de oppositie in Tsjecho-Slowakije bijvoorbeeld veel kapitalistischer geïnteresseerd was). De verschillen tussen Oost- en Westduitsland illustreert hij onder andere aan de verschillende opvattingen over het handen schudden, over het carrière maken, over hoe men in het werk staat, over waarover men zijn dagelijkse gesprekjes voert, over zakelijkheid versus nadruk op het persoonlijke, over conflictbereidheid, over waarheid in de politiek en over politiek correcte etikettering van vrouwen. Meest zaken waar veel aan te beleven valt. Wagner doet dat helder en inzichtelijk. Omdat zijn model bovendien op veel menselijk gedrag is toe te passen dat ieder van ons op diverse manieren wel tegen komt in de praktijk, is het onderwerp erg interessant. Wagner heeft ook interessante literatuurverwijzingen.
Wagner is kortom een goede analyticus die veel biedt waar de Duitse politici, welzijnswerkers en burgers veel aan kunnen hebben. En zij niet alleen, wij dus ook.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

Ik werd in 1947 geboren in Sint Laurens, en studeerde in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Mijn laatste op stapel staande publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien van God), 2019, en een inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en buiten de tegenstellingen", 2020.