BK-Books.eu » Besprekingen » Schatgraven in Nag Hammadi

Bespreking van...

Bram Moerland, Schatgraven in Nag Hammadi: Een inleiding tot de gnostiek, Den Haag (Synthese-Mirananda) 2002, met index en bibliografie, 194pp.

Bram Moerland heeft een prachtige inleiding in de gnostiek geschreven. Vooral zijn uitleg van de beeldentaal van de gnostiek is erg verhelderend en inspirerend. Hij is er echt in geslaagd van het ruwe goud van de Nag-Hammadi-teksten passende munt te maken. Dat kan alleen dank zij een groot inlevingsvermogen en een imposante hoeveelheid werk. Ik ken op dit moment geen nederlandstalige inleiding die de gnostiek van binnen uit – van de persoon uit – dichterbij brengt en actualiseert dan deze. De taal is fascinerend helder en aangrijpend; de lezer wordt direct aangesproken en uitgenodigd om spiritueel ‘op te staan’, LEVEND te worden.
Een addertje onder het gras is misschien dat de historische verbanden en verschillende oordelen over de betekenis ervan weliswaar erg helder zijn maar soms zo kort door de bocht, zo stellig, dat naar mijn gevoel enig gevaar bestaat dat voorbij gegaan wordt aan sommige dieper liggende vraagstellingen (historisch en filososofisch en psychologisch) en ook allerlei mogelijke gevoeligheden van sommige lezers (overigens ben ik op deze gebieden zelf ook geen full-time specialist, hoogstens een geïnteresseerde die in de loop der jaren het voorrecht heeft gehad zich hierin enigszins te kunnen verdiepen en op een aantal valkuilen geattendeerd te zijn). De geschiedenis, ook die van de godsdiensten, wordt nu eenmaal geschreven door de overwinnaars, en dat betekent dat de geschiedschrijving een mijnenveld en een toernooiveld tegelijk kan zijn. Deze inleiding maakt er weinig werk van dat duidelijk te maken, wat zijn voordelen heeft maar ook zijn nadelen. Van de hevige wetenschappelijke discussies is in dit boek niets te merken. Van een verwijzing naar de rol van antisemitisme in de geschiedenis en de godsdiensten (en de oorzaken ervan) evenmin. En ook niet van een breed gefundeerde visie op de verhouding van religie(s) en samenleving – want spiritualiteit is nu eenmaal een onderdeel daarvan en geen vlucht daaruit. En evenmin op de rol van filosofieën bij het ontstaan en vergaan van culturen (ik doel op de golfbeweging tussen vernieuwing en verstarring), waaruit we kunnen afleiden dat filosofieën vaak tegelijkertijd zowel de grondslagen als de vooroordelen van een cultuur weerspiegelen (voor dit laatste aspect verwijs ik graag naar de op deze pagina besproken artikelen van David R. Loy, zie boven, speciaal dat over de vooral in het Westerse denken problematische dualiteit van natuur en cultuur, en de daarin verscholen liggende dualiteit van vrijheid en veiligheid). En Moerland tipt – diep gravend en zijn vondsten uitleggend – al deze vraagstukken minstens impliciet aan. Weliswaar geeft hij een bibliografie maar die is nauwelijks toegelicht; of bedoelt hij dat alles wat in de door hem genoemde werken staat, zijns inziens ondubbelzinnig klopt? Natuurlijk ben ik mij bewust dat al deze zaken niet in één boek volledig behandeld kunnen worden, maar je zou zo graag willen dat er in ieder geval iets doorklonk van de worsteling ermee.

Het is belangrijk bij de gnostiek om te weten dat zij van oorsprong en in wezen net als het kerkelijke christendom en het rabbijnse jodendom een sterk joodse beweging is. Alle drie zochten ze in de hellenistische smeltkroes van het Romeinse Rijk naar nieuwe vormen, waarbij ze in meerdere of mindere mate de beperktheden van het voor-hellenistische jodendom probeerden om te zetten in breder bruikbare vormen en inhouden, daarbij gebruik makend van invloeden uit de omgeving, hetzij Griekse filosofie, hetzij Egyptische godsdienst, of nog andere, of zich daar juist tegen afzettend en zich terugtrekkend op een als onaantastbaar ervaren kern. Het christendom ontwikkelde de visie van het oude en het nieuwe verbond, ook wel opgevat als wet en evangelie (of wet en liefde, een model dat Moerland nog lijkt te hanteren), terwijl christendom en gnostiek beide een serie modellen van godsopvatting ontwikkelden waarin het karakter van de etnische stamgod Jahwe (verder) veranderde in een universele God van de kosmos, Vader(-Moeder) van alle mensen, en waarin plaats was voor Jezus als Gods aangenomen zoon of een andere hoge positie (en voor andere figuren zoals de Wijsheid, Sophia). Veel te ingewikkeld om hier te beschrijven (voor een eerste indruk zie bijvoorbeeld enkele boeken en nog enkele andere boeken van Jacob Slavenburg).
Enerzijds bleef de continuïteit met de voor-hellenistische joodse tradities onmiskenbaar, anderzijds zette men zich flink af tegen wat als te beperkt werd gezien. Zo nam de gnostiek stelling tegen de joodse god Jahweh die tot onder-god werd gedegradeerd, schepper van een slechte schepping. Maar de gnostiek was zelf wel door en door joods!
Wanneer Moerland op overigens verhelderende wijze laat zien hoe stammencultuur en individuele verantwoordelijkheid een dilemma vormden dat in de voorgeschiedenis van de gnostiek een rol speelde, vind ik het daarom jammer dat hij niet ook de waardevolle universalistische en sociaal-kritische elementen noemt die in de joodse profetieën een rol speelden. Nu wordt het accent wel erg op de tekortkomingen gelegd. Deze zijn in ieder geval niet (alleen en) typisch joods (en zover ze dat zijn, zijn ze ook het probleem van de gnostiek en het kerkelijk christendom). Leve het inclusieve denken!

Moerland heeft terecht niet veel op met dogmatische orthodoxe fundamentalistische wetticistische geloofs- en waarheidsfanatici die er alleen op uit zijn hun positie veilig te stellen. Hij zegt duidelijk dat gnostici niet het monopolie op de waarheid willen hebben omdat de spirituele waarheid alleen door ieder mens apart ontdekt kan worden. Door ervaring. Maar het lijkt me goed te beseffen dat we allemaal die dogmaticus en fanaticus in ons kunnen hebben, en dat het altijd gaat om hoe we omgaan met die dingen. Alleen benoemen wat we willen of wat we inzien, is nog maar het begin. Ik verwijs in dit verband ook graag nog naar de oosterse visie op het omgaan met dualiteiten in ons denken (het is opvallend dat Moerland aan het eind van zijn boek ook op enkele belangrijke dualismen uit komt, maar er zijn er uiteraard nog veel meer). Daar kunnen we veel van leren, evenals van de westerse tradities van spiritualiteit waarin gezocht is naar niet-dualistische vormen van denken en omgaan met de werkelijkheid.
In dit verband zou ik bijvoorbeeld het voorstel willen doen om de uitdrukking op blz. 165 van Moerlands boek, ‘verbinden met de wezenskern’, in gedachten eens te vervangen door ‘realiseren van de wezenskern’ (onderstrepingen van mij, BK). Dan komen er nog meer mogelijkheden in het spel dan de rijkdom die Moerland nu al biedt, bijvoorbeeld boeddhistische gedachten over de kern van de werkelijkheid en van de persoon.

Zonder volledig te willen zijn noem ik enkele concrete detailvragen die ik aan de lezing overhield. Ik vraag me af of de rol van de liefde en het mededogen die Moerland in de gnostieke teksten leest, daar ook werkelijk die (centrale) rol hebben; en zou daar graag meer over weten. Ik vraag me af of de verbanden van de gnostiek met haar Egyptische achtergronden niet nog een heel nieuw (aanvullend) licht op de gnostiek zullen werpen als daar meer over bekend wordt (wat het geval zal zijn, heb ik uit enkele wetenschappelijke publicaties begrepen). Ik vraag me af of Moerlands visie op de ideeën van zijn tegenstanders (wettische christenen en joden) hem er niet toe brengen Mozes een wetticistische pet op te zetten (p. 94) die in die kleuring pas van na de verwoesting van de Tweede Tempel in plm. 70 na Christus dateert. Is de bibliotheek in Alexandrië inderdaad door orthodoxe christenen aangestoken (ik dacht dat dit nog vermoedens waren)? Worden met psychici inderdaad stoïcijnen bedoeld of zouden het ook “katholieke” (lees: kerkelijke, orthodoxe) christenen geweest kunnen zijn? Verder zou ik graag meer weten over de Zarathoestra-invloed op de gnostiek en het jonge christendom (Johannes-evangelie).
Ik mis eigenlijk ook een verwijzing naar de overgang van matriarchale naar patriarchale samenlevingen en de rol die deze overgang gespeeld zou kunnen hebben bij de verandering in het gebruik van beelden van goden en mensen zoals de “vader-moeder”, mijns inziens mogelijk ook samenhangend met variatie in de waardering van vrouwen en hun sociale en religieuze rol. Eveneens mis ik een visie op de samenhang tussen de verstrakkende organisatie van de typisch westerse samenleving in Griekenland na de vernieuwende ontwikkelingen rond 600 voor Christus met de verstrakkende tendensen in de westerse filosofie (de systematiek van met name Plato), vooral in sociaalfilosofisch opzicht. De spanning tussen vrijheid en orde (veiligheid!) in het Westen is niet alleen een religieuze of spirituele maar zeker ook een politieke en economische kwestie!

Zinnetjes als “De maatschappelijke vrijheid die de geallieerde soldaten bevochten stemt naadloos overeen met de innerlijke vrijheid die de kernboodschap is van de gnostische teksten die ik in dit boek bespreek” (11) of “Naastenliefde is het innerlijk gezag van een vrij mens” (131) zijn natuurlijk erg pregnant. Ze worden in hun context ook wel uitgelegd – Moerland ziet de gnostiek vooral als beweging tot innerlijke bevrijding – maar blijven niettemin allerlei vragen oproepen waarvan de beantwoording door de auteur aan de lezer wordt overgelaten. Dat lijkt me goed als het om hun innerlijke weg gaat. Maar als het om uitgebreidere historische informatie of om logische redeneerhulp gaat die de lezer daar soms absoluut bij nodig heeft, dan staat de lezer hier toch nog met lege handen en waren meer verwijzingen waardevol geweest. Innerlijke bevrijding staat immers niet los van de uiterlijke context in de meest nabije en de meest ruime zin? Ik verwijs nogmaals naar het genoemde artikel van Loy over de dualiteit van natuur en cultuur (die hij niet in verband brengt met die tussen natuur en ‘bovennatuur’ maar daar zeker mee in verband te brengen is). Vergelijk ook een aantal samenhangen van de gnostiek en maatschappelijke ontwikkelingen bij Elaine Pagels.
Wat de innerlijke weg betreft, wil ik echter verwijzen naar de volgend prachtige zin (het boek eindigt met een vergelijkbare uitspraak):

“De kern van de gnostische levensovertuiging is dat liefde alleen kan opbloeien in totale openheid voor al wat is. Alleen iemand die vrede met zichzelf sluit, de strijd tegen zichzelf staakt, kan deze openheid bereiken. Dat betekent in de praktijk van het leven dat men zichzelf ontwapent, zijn pantser aflegt, en bereid is geraakt te worden, ook door pijn en verdriet. In de vrije ruimte die deze openheid schept zal liefde zichzelf aandienen als een reële menselijke mogelijkheid.” (83)

Een boeiend boek dat ik van harte aanbeveel. Er is buitengewoon veel waardevols in te vinden mits het goed – laat ik zeggen: niet-dualistisch en niet-exclusivistisch – gebruikt wordt. Laat u treffen en genezen, niet alleen door dit boek maar door uw eigen weg te vinden. (En inzake mogelijke historische of verstandelijke eenzijdigheden: zoek die zo mogelijk uit, los ze op, vermijd ze.) En ook: spiritualiteit is natuurlijk niet de oplossing voor ieder probleem, hoewel zeker een voorwaarde daarvoor. Ieder moment kunnen we vanuit de geciteerde openheid pogen te werken aan wat ons te doen staat, al is het maar zo goed mogelijk naar de situatie (inclusief eventueel elkaar) te luisteren. Dat moet ik ook maar eens leren, in alle bescheidenheid.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.