BK-Books.eu » Besprekingen » Portret van een jongeman

Bespreking van...

J.M. Coetzee, Portret van een jongeman, Vertaald door Peter Bergsma, Amsterdam (Rainbow Pockets) 2004, 217pp.

De hoofdpersoon van deze roman – nu in pocketvorm te koop – is een ongeveer twintigjarige jongeman die uit Zuid-Afrika naar Londen gaat om daar het geluk te beproeven. Hij heeft een aantal relaties, korter of langer durend, hij vindt werk als computerprogrammeur dat niet echt bij hem past, en hij is vooral nog op zoek naar zichzelf. Hij beschouwt zich als dichter in spé.
Ook deze roman van Coetzee vind ik weer dicht bij komen. Zeker ook vanwege het tijdsbeeld maar natuurlijk vooral vanwege verschillende dilemma’s die hij schetst.
Hoe afstand nemen tot een moeder die je in haar brieven nog steeds omhult met haar oude verwachtingen – en geen enkele behoefte toont om afstand te nemen tot de Zuid-Afrikaanse apartheid – terwijl je zelf met heel andere zaken bezig bent, of tot een – mislukte – vader op wie je in een heleboel zaken beslist niet wilt lijken? Hoe evenwicht vinden tussen in je brood voorzien en jezelf verwerkelijken als de kunstenaar die je denkt te (willen of moeten of alleen maar kunnen) zijn? Hoe evenwicht vinden tussen eenzaamheid ofwel snakken naar menselijk contact en dat contact tegelijk weer uit de weg gaan omdat het je niet genoeg raakt, omdat het niet voldoende oproept aan wat je voelt dat je diepste wensen zijn? Hoe vermijden dat je anderen gebruikt? En zo zit deze roman vol niet opgeloste en misschien ook niet oplosbare dilemma’s terwijl er toch geleefd moet worden. Behalve de innerlijke dialogen zijn de observaties indringend en boeiend. Van mensen, van de stad, van de werkomgevingen, de huurkamers, appartementen en woonhuizen waar de hoofdpersoon komt. De terug- en vooruitblikken op Zuid-Afrika en op de internationale politieke verhoudingen (koude oorlog, Vietnam-oorlog). In al deze zaken zit veel unieks van de auteur maar ook veel dat voor andere minstens herkenbaar is.
Tussen haakjes: de vertaling leest alsof je je in de huid van de auteur voelt zitten, dus dat zit wel goed.
Coetzee beschrijft zijn leven met indringende eerlijkheid. De eenzaamheid van de grote stad, de moeite van het doorkomen van de stille zondagen, zijn mislukkingen in relaties met vrouwen, zijn onzekerheid over wat hij nu eigenlijk wil en hoe groot zijn inzet daar voor zal zijn. Hoe ver Coetzee er mee gekomen is? Hij ziet al nadenkend wel in dat hij er met spitsvondigheid ook niet uitkomt. En aan zich neerleggen bij de feiten, aan toegeven dat innerlijke vrede al heel wat is, was hij in die tijd nog niet toe (nu ook nog niet vrees ik). Als je jong bent denk je immers dat je nog iets aan de wereld toe te voegen hebt, ook al weet je nog niet heel helder wat. Je weet alleen dat je krachten een keer in dienst zullen staan van het unieke doel dat jij gaat realiseren, niet zo iets dufs en burgerlijks als dat van de meeste mensen om je heen. Daarmee stel je jezelf natuurlijk buiten de werkelijkheid van de bestaande orde, maar dat mogen jonge mensen. Als je volwassen wilt worden, zul je die fase door moeten maken. Misschien dat daarna de fase van de wijsheid komt, dat je zowel de beperktheden van jezelf als van de anderen en de hele ervaarbare wereld ziet, en er je weg mee leert vinden, niet definitief maar met begrip en welwillendheid. In plaats van je vreselijk druk te maken om alles wat nog niet klopt gemeten aan jouw wensen en idealen, accepteer je de feiten van nu en waardeer je ze, en ga je niettemin door met werken aan wat je wilt en kunt.
Coetzee is later verder gegaan met lesgeven en schrijven. En hoe! De voorboden ervan dienen zich bij de hoofdpersoon in dit boek al aan die veel schrijvers van poëzie en proza – Pound, Elliot, James, Brodsky, Herbert, Beckett – leest en afweegt op hun kwaliteit, ook hun kwaliteit als voorbeeld voor zijn eigen toekomstig werk als schrijver.

En zo rijgen zich de mooiste passages van dit boek aaneen, de een na de ander. Een paar noem ik speciaal.
“Wat hem zal genezen, als het er ooit van komt, zal de liefde zijn. Hij mag dan niet in God geloven, hij gelooft wel in de liefde en in de krachten van de liefde. De geliefde, de voorbestemde, zal onmiddellijk door het vreemde en zelfs saaie uiterlijk heen kijken dat hem aankleeft en het vuur zien dat in zijn binnenste woedt.” (10v.)
“Het komt tot een uitbarsting als Jacqueline, terwijl hij niet in de flat is, zijn dagboek zoekt en leest wat hij over hun leven samen heeft geschreven. Bij zijn terugkomst is ze haar spullen aan het pakken.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt hij.
Met opeengeklemde lippen wijst ze op het dagboek dat open op zijn bureau ligt.
Hij ontsteekt in woede. ‘Je kunt me er niet van weerhouden om te schrijven!’ bezweert hij.” … “Is dat de moraal van het verhaal van hemzelf en Jacqueline: dat het maar het beste is voor kunstenaars om alleen een verhouding met kunstenaars te hebben?” (16-20)
“Normale mensen vinden het moeilijk om slecht te zijn. Als normale mensen slechtheid in zich voelen oplaaien, beginnen ze te drinken, te vloeken, geweld te plegen. Voor hen is slechtheid als koorts: ze willen het weer uit hun lichaam bannen, ze willen weer normaal worden. Maar kunstenaars moeten met hun koorts leven, wat de aard ervan ook is, goed of slecht. Juist de koorts maakt hen kunstenaar; de koorts moet brandend gehouden worden. Daarom kunnen kunstenaars nooit ten volle in het leven staan: één oog moet altijd naar binnen gericht zijn. … Daarom moet je je tegen vrouwen verweren, ook al houd je van ze. Ze mogen niet zo dicht bij de vlam worden gelaten dat ze hem kunnen uitknijpen.” (45)
“Hoe langer hij met de computerbranche te maken heeft, des te meer lijkt het in zijn ogen op schaak: een eng, uit verzonnen regels bestaand wereldje dat jongens die er op een bepaalde manier gevoelig voor zijn opslokt en halfgek maakt, net zo halfgek als hij, zodat ze al die tijd dat ze in de waan verkeren dat zij het spelletje spelen, het spelletje in werkelijkheid hén speelt.” (193)
“Ervaring. Dat is het woord waarop hij zou willen terugvallen om zichzelf tegenover zichzelf te rechtvaardigen. De kunstenaar moet alles ervaren, van het edelste tot het laagste. …Het is een rechtvaardiging die hem geen moment overtuigt. Het is spitsvondigheid, meer niet, verachtelijke spitsvondigheid. …Er valt niets voor te zeggen; en evenmin, om genadeloos eerlijk te zijn, valt er iets voor te zeggen dat er niets voor te zeggen valt. Wat genadeloze eerlijkheid aangaat, genadeloze eerlijkheid is niet moeilijk te leren. Integendeel, het is het gemakkelijkste wat er is. Zoals een giftige pad nooit zichzelf zal vergiftigen, zal men heel gauw eelt ontwikkelen tegen zijn eigen eerlijkheid. Dood aan de rede, dood aan het praten! Het enige wat telt is dat je het juiste doet, of het nu om de juiste of de verkeerde reden is of om geen enkele reden.
Het is niet moeilijk om er achter te komen wat het juiste is om te doen. Hij hoeft niet lang na te denken om te weten wat het juiste is. Hij zou., als hij een keus maakte, met welhaast onfeilbare precisie het juiste kunnen doen. Wat hem doet aarzelen is de vraag of hij dichter kan blijven als hij het juiste doet. Als hij zich probeert voor te stellen wat voor poëzie er zou voortkomen uit keer op keer het juiste doen, ziet hij alleen maar ijle leegte. Het juiste doen is saai. Zodoende verkeert hij in een impasse: hij is liever slecht dan saai, hij heeft geen respect voor iemand die liever slecht is dan saai, en evenmin heeft hij respect voor het vernuft om zijn dilemma keurig onder woorden te brengen.” (211v.)
“Natuurlijk weet hij in zijn hart dat zijn lot hem alleen zal bezoeken als hij het daartoe dwingt.” (213)
“Hij beseft heel goed dat zijn mislukking als schrijver en zijn mislukking als minnaar zo nauw verwant zijn dat ze misschien wel één en hetzelfde zijn. Hij is de man, de maker, het actieve beginsel, en de man wordt niet geacht te wachten op de toenadering van de vrouw. … Als hij niet de wilskracht bezit om het heft in handen te nemen, zal er niets gebeuren, in de liefde noch in de kunst. Maar hij vertrouwt de wilskracht niet. Net zoals hij zichzelf niet kan dwingen om te schrijven maar op de hulp van een of andere kracht van buitenaf moet wachten, een kracht die vroeger Muze werd genoemd, kan hij zichzelf niet zomaar dwingen om een vrouw te benaderen zonder een voorgevoel (waarvandaan? – van haar? vanuit hemzelf? van boven?) dat zij voor hem is voorbestemd. … Er is een andere, boudere manier om hetzelfde te zeggen. … Maar de boudste manier is wel zeggen dat hij bang is: bang voor het schrijven, bang voor vrouwen.” (214v.)

Vergeleken met Coetzee’s Jongensjaren is hij hier zelfstandiger aan het worden. Zijn strijd is niet alleen meer om een eigen persoon, een eigen identiteit te ontwikkelen ten opzichte van ouders en omgeving. Maar zijn calvinistische achtergrond doordrenkt hem nog tot in zijn botten al neemt hij er met zijn intellect afstand van. Hij blijft een gekwelde ziel, bovendien. “Van geluk, houdt hij zichzelf voor, leer je niets. Ellende, daarentegen, staalt je voor de toekomst. Ellende is een leerschool voor de ziel.” (88) Kenmerk van calvinisten is dat zij aan rationaliteit een hoge waarde toekennen evenals aan de ermee gepaard gaande (veronderstelde) beheersbaarheid van situaties. Het gevaar is dat zij die wil tot macht verabsoluteren, en het intellect isoleren van zijn functie in de wereld, en tot doel in zichzelf maken. Dan gaan mensen in zichzelf rondtollen. Misschien heeft Coetzee daar wel een heel klein beetje van. Toch zijn calvinisten met hun rationaliteit – net als wetenschappers en technici en dogmatici wanneer zij aan reductionisme de voorrang geven boven onderzoek via experiment en ervaring – wellicht een graadje minder riskant dan die fundamentalisten die zich volledig opofferen aan de vertegenwoordigers van een almachtige God en de vestiging van diens rijk op aarde of in de hemel – ik bedoel de situaties waarin de nood van mensen zo hoog is dat zij zich laten gebruiken in fascistische destructieve structuren en programma’s, mentaal en sociaal. Zo ver zie ik Coetzee niet komen, juist niet, zijn worsteling ermee lijkt groot, met name met zijn Zuid-Afrikaanse ervaring en zijn kritische kijk op onze Westerse cultuur. Tegelijk heb ik zeker de indruk dat Coetzee ook op latere leeftijd tot op zekere hoogte een gekweld mens gebleven is, denk aan de vele problemen die het weefsel vormen van zijn prachtige roman Elizabeth Costello – een weefsel dat tegelijk de rijkdom van het bestaan op magnifieke wijze voor ons oproept.
Van de literatuur die dat heeft opgeleverd, valt ondertussen erg veel te genieten, behalve natuurlijk te leren. Ik zou wel eens willen weten hoe Coetzee tegen de psychologie van Jung en tegen het boeddhisme aankijkt – misschien wijzen die wel in de richting van een geneesmiddel voor dat probleem van verabsolutering. Maar dat is een ander verhaal. Ik laat nog enkele citaten volgen die mij persoonlijk aanspreken.

“Ellende is zijn element. In ellende voelt hij zich als een vis in het water. Als ellende zou worden afgeschaft, zou hij niet weten wat hij met zichzelf aan moest.”(88)
“In het begin stelde het hem teleur dat Londenaars maar zo weinig ambities hadden. Nu begint hij net zo te worden als zij. Elke dag wordt hij door de stad gekastijd, getuchtigd; als een geslagen hond leert hij zijn les.” (147)
“Uitgeput vouwt hij op een zondagmiddag zijn jasje tot een kussen, strekt zich uit op het grasveld en valt in een slaap of halfslaap waarin het bewustzijn niet verdwijnt maar op de achtergrond aanwezig blijft. Het is een toestand waarin hij nooit eerder heeft verkeerd: alsof hij het gestage draaien van de aarde in zijn bloed voelt. De verre kreten van kinderen, het gezang van vogels en het gezoem van insecten zwellen aan en versmelten tot een jubelend loflied. Zijn hart juicht. Eindelijk! denkt hij. Eindelijk is het gekomen, het moment van extatische vereniging met het Al! … Hij is naar de grote donkere stad getogen om op de proef gesteld en getransformeerd te worden, en hier op dit stukje groen onder het zacht lentezonnetje, komt het verrassende bericht dat hij vooruitgang heeft geboekt. Hij mag dan geen volledige gedaanteverandering hebben ondergaan, hij is wel gezegend met een teken dat hij thuishoort op deze aarde.”(152v.)
“De eerste film die hij met zijn nieuwe bril op ziet, is Het evangelie volgens Mattheus van Pasolini. Het is een verwarrende ervaring. Na vijf jaar katholiek onderwijs had hij zich voorgoed immuun gewaand voor de verlokkingen van de christelijke boodschap. Maar dat is hij niet. … tranen als gevolg van een vervoering die hij zelf niet begrijpt stromen over zijn wangen, tranen die hij stiekem moet wegvegen voordat hij zich weer in het openbaar kan vertonen.” (199v.)

Zeer aanbevolen.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.