BK-Books.eu » Besprekingen » Non-dualisme

Bespreking van...

Philip Renard, Non-dualisme: De directe bevrijdingsweg, Cothen (Felix Uitgeverij) 2005, 333pp.
Shunryu Suzuki, Niets is zo, Deventer, Ankh-Hermes, 2002

Ik kan het nog niet geloven! Hier is een boek van een Nederlandse auteur die in heldere taal – en dat wil bij dit onderwerp wat zeggen! – uitlegt waarom de traditie van non-dualisme zo belangrijk is. En meer, veel meer. Tot nu toe kende ik de auteur voornamelijk – ik wist niet dat hij inmiddels meer vertalingen op zijn naam had staan – van zijn in 1985 bij uitgeverij Karnak verschenen vertaling van het Evangelie van Philippus die mij trof door een treffende intuïtie voor en knappe weergave in woorden van de gnostische spiritualiteit die in dit Evangelie zo treffend naar voren komt.
Met de traditie van non-dualisme wordt – in mijn eigen woorden – bedoeld de leer van de identiteit van het relatieve en het absolute alsmede van de volledige verwerkelijking van het absolute in het relatieve, ieder moment opnieuw (ik zal verderop aanduiden waarom het non-dualisme zo relevant is). Kort samengevat: wat onderscheiden kan worden, is in de grond toch één. Het absolute is de grond van alles maar kan niet door ons als object worden waargenomen, niet als vast te leggen los feit. Het is tegelijk wel (als – impliciete! – mogelijkheidsvoorwaarde van alle mogelijke verschijnselen) en niet (niet als – expliciet! – ‘losstaand’ object) waar te nemen: de waarnemer neemt altijd tegelijk ‘zichzelf als een relatieve met het absolute samenvallend’ waar in dit geval. We moeten wel concluderen dat we er alleen één mee kunnen zijn: ons kleine bewustzijn verbonden met, uitgaand van, uitdrukking gevend aan het grote Bewustzijn, of ook het Niets zo u wilt. Deze traditie is vooral tot uitdrukking gebracht, als waardevolle praktische levensleer en levenspraktijk, vanaf het vroege Mahayana Boeddhisme, in de Advaita Vedanta (zich baserend op de niet-boeddhistische Upanishads – de kroon op de Indiase Veda’s – die het non-dualisme niet expliciet maar wel in nuce bevatten, maar beïnvloed door het genoemde boeddhisme), en in de latere Mahayana-boeddhistische tradities van Ch’an (Zen) en Dzogchen, respectievelijk Chinees (Japans) en Tibetaans; ten slotte ook in meer recente uitlopers van deze tradities. Maar dat wil niet zeggen dat het non-dualisme een typisch Oosters verschijnsel is, of alleen tot deze tradities beperkt is gebleven. Het non-dualisme – letterlijk: de traditie van niet-tweeheid – heeft vooral in genoemde tradities een meer expliciete theoretische aandacht gekregen, en tot een ononderbroken traditie van leraren en leerlingen geleid. Maar het niet-dualistische besef komen we net zo goed in alle andere culturen tegen, ook in het Westen.

Het non-dualisme is belangrijk als de verwoording – in Oosterse terminologie – van een universeel inzicht, en een fantastisch waardevolle tegenhanger van fundamentalisme van welke soort dan ook. Het vormt een verwerking van de ervaring dat we zowel onderscheiden zijn van (alle) ‘andere’ verschijnselen als ermee verbonden, en probeert iets uit te drukken over de wijze waarop dat onderscheid en die verbondenheid zijn gebaseerd of waar ze in bestaan. Het inzicht is dat ieder moment opnieuw door ons als individuen een net gelegd wordt over de werkelijkheid: zodra we waarnemen (steeds weer opnieuw), hebben we bewust en onbewust maatstaven in werking gesteld die de dingen die we zien, “inkaderen” in voor ons begrijpelijke vormen. Dat net, die vormen, die kaders geven ons een interpretatie van de werkelijkheid waar we wat mee kunnen, anders zou het te vormeloos voor ons blijven, te ongrijpbaar. Er is een directe samenhang tussen onze taal en die kaders: door de dingen te benoemen blijken ze de betekenis te krijgen waarmee of waarbinnen wij ze kunnen hanteren. Onze taal hangt op haar beurt weer nauw samen met onze cultuur, de gewoontes van onze groep, van onze taal- en leefgemeenschap. Toch is er ook de ervaring dat we van het ene taalspel, de ene leefwereld, over kunnen stappen naar de andere, die met elkaar kunnen vergelijken en ze verder ontwikkelen vanuit steeds nieuwe perspectieven. Het aantal mogelijke interpretaties is (theoretisch) oneindig. Non-dualisme vestigt de aandacht op het feit dat alle verschillende ‘taalwerelden’ of ‘netten die ons bewustzijn over de werkelijkheid legt’ kennelijk een universele mogelijkheid veronderstellen die iedere nieuwe ‘wereld’ of iedere nieuwe ‘bewustzijnsvorm’ dan wel het overstappen van de ene naar de andere mogelijk maakt. Daarbij vraagt het zich af wat het zelf is van ons mensen, en denkt na over wat je van die universele grond die alles mogelijk maakt (door de een het universele Zelf of Bewustzijn genoemd en door de ander het Niets of de Grond van alles) zou kunnen zeggen – of is dat onmogelijk? Wat is werkelijk, wat is schijn?
Non-dualisme heeft daarbij tegelijk aandacht voor vooronderstellingen die – bewust of onbewust – gehanteerd worden en voor taal en praktische gedragingen en culturele gewoonten die daarmee precies samenhangen. Het is daarom een begrijpelijke tegenhanger van fundamentalisme (tenzij je het op zijn beurt als een dogma gaat opvatten!). En daarom aantrekkelijk voor allen die gevangen hebben gezeten in dogmatische gevangenissen van welke aard dan ook, psychisch, fysiek, spiritueel. En ook erg geschikt als hulpmiddel in (of ter voorbereiding van) gesprekken tussen verschillende culturen en religies, of tussen mensen met verschillende achtergronden. Non-dualisme staat overigens niet een relativisme voor, het heeft alleen wel een scherp oog voor wat betrekkelijk is in onze vooronderstellingen, maar zonder die bij voorbaat te veroordelen. Non-dualisme biedt ruimte om de dingen goed te leren zien, maar het vestigt ook aandacht op de praktische kant van dat zien, en op de in ons gedrag en alle andere praktische verschijnselen verborgen patronen met al hun consequenties. Hoewel in dit boek de Oosterse verwoording centraal staat – die is het best ontwikkeld – wil dat niet zeggen dat het inzicht niet ook elders voorkomt. Ook in het Westen zijn vele voorbeelden aan te halen van aandacht voor bijvoorbeeld polariteit en evenwicht, voor de grenzen van de taal in verband met de patronen van gedrag en cultuur, enzovoort. Ook in de sfeer van godsdienst, filosofie en psychologie en kunst en letteren. Maar in het Westen heeft dit niet geleid tot een ontwikkelde traditie of tradities, al moeten we de diverse onderstromen in de Westerse cultuur niet onderschatten die intuïtief besef hadden voor het feit dat er meer ‘waarheden’ mogelijk zijn, en voor de wijze waarop zij dat uitdrukten, zij het vaak meer impliciet dan expliciet. Het Westen is toch vaak gekenmerkt door wat fundamentalistischer stromingen dan het Oosten, vermoed ik. Al blijft dit altijd een kwestie van hoe er mee wordt omgegaan. Zogenaamde fundamentalisten kunnen heel ethisch handelen, en zogenaamde non-dualisten of open mensen kunnen enorme egoïsten blijken.

De auteur is zoals hij in de inleiding vertelt, zelf een lange weg gegaan om zich in deze theorie en deze praktijk te scholen, vooral bij leraren in de Advaita Vedanta traditie, of daardoor geïnspireerd. Maar hij heeft dat zo diepgaand gedaan dat hij in dit boek veel meer doet dan de mogelijkheid vertellen die voor hem is opengegaan. Hij omschrijft diepgaand wat de kern van deze tradities en deze opvattingen is, hoe ze misverstaan kunnen worden en wat ze niet zijn. En spreidt daarbij een diepgaande kennis van de menselijke psyche ten toon, en van de manier waarop wij onszelf met woorden voor het lapje kunnen houden. Met andere woorden dat het in deze traditie uiteindelijk om de praktijk gaat. Ook dat het er vooral om gaat, op te houden met zoeken omdat het Uiteindelijke al gegeven is in de ervaring die ons van moment tot moment wordt aangereikt. Het gaat er dus ook om niets tussen de werkelijkheid en onze ervaring in te stoppen, geen vooroordelen, geen concepten, geen onwrikbare doeleinden. Maar vooral 100 % een zijn met onze Grond en met wat Zich aandient, te weten (in) alle zaken die ons veranderlijke bestaan van moment tot moment vullen.

In de eerste twee delen van zijn boek geeft hij voor wie hier nog niet goed van op de hoogte waren, maar ook voor degenen die dachten dat ze er al heel wat van wisten, een buitengewoon mooi overzicht van de hierboven al genoemde tradities. Hun overeenkomsten, hun verschillen enzovoort. Daarbij maakt de auteur gebruik van vele goede recente literatuur. Die hij dus allemaal gelezen, verwerkt en nu ook voor anderen inzichtelijk gemaakt heeft! Hij behandelt ook vele praktische en theoretische vragen die bij vele lezers en lezeressen wellicht al waren opgekomen, en die de afgelopen decennia, maar ook nog recent, zijn gerezen over de theorie en de praktijk van deze Oosterse religies, en onvermijdelijk deels ook over de verhouding van Oosterse en Westerse cultuur, zover we die al voortschrijdend in de geschiedenis nog verder blijven onderscheiden (en dat in het verleden op basis van meer beperkte kennis al onderscheidden).
Ook behandelt hij in een korter derde deel de bekendwording in het Westen van genoemde Oosterse tradities.
Nogmaals, wat de auteur hier biedt, is nog in geen enkel werk zo goed gedaan, nergens ter wereld, zo ver mij bekend althans en dat zegt mogelijk niet zo veel als ik zou willen. Inhoudelijk is het enige vergelijkbare – ook door de auteur verwerkt – het boek van David Loy, Non-duality, dat de thematiek filosofisch uitwerkt en dieper op de schijnbare aporieën let die in halfslachtig non-dualisme voorkomen, maar die in het volledige non-dualisme in het juiste perspectief komen te staan.

De eerste twee delen, tot en met bladzijde 162, acht ik van een zeer hoog niveau. Zowel spiritueel, vanwege de zuiverheid van benadering, als vanwege de erin neergelegde reflectieve verwerking. De auteur is geen vakfilosoof in de academische betekenis (zeer geoefend in een nauw omschreven gebied van academische filosofie en toch ook op de hoogte van de verschillende mogelijkheden en scholen van filosoferen) maar zijn analyses zijn steeds grondig en verhelderend, ook van taalgebruik, en bieden meer diepgang en subtiliteit bij dit onderwerp dan je bij veel geoefende (academische) vakfilosofen zult vinden. Er zullen in de toekomst ongetwijfeld vele nieuwe filosofische studies mogelijk zijn op de in de in dit boek beschreven terreinen, bijvoorbeeld taalanalytisch. Maar wat de auteur hier aan inzichten op een rijtje zet, geeft blijk van diepgaande verwerking van het belangrijkste materiaal, en wat nog meer is, het biedt aanknopingspunten aan de geschoolde en niet-geschoolde lezer. Ik moet wel zeggen dat het boek van Renard niet een “page-turner” is voor wie niet al een beetje in deze tradities of in Oosterse levensbeschouwing geïnteresseerd zijn. Het is anderzijds ook goed opgebouwd en niet al te moeilijk.
Dit boek is een prestatie van de eerste orde, zonder meer van wereldklasse, zeer informatief, zeer overzichtelijk, evenwichtig in de verhouding van theorie en praktijk. Het boek verdient mijns inziens onmiddellijk een vertaling in het Engels, zij het dat het tweede en derde deel dan wellicht in een kleiner lettertype als aanhangsel gedrukt zouden kunnen worden.

Juist omdat het gaat om het opdoen van ervaringen die inzicht verruimend en stimulerend zijn voor het leven, dus met het oog op de praktijk, is het vierde deel van het boek over ‘de geleidelijke integratie van het directe’ interessant. Daarin komen nog specifieker de eigen kwaliteiten en inzichten van de auteur als praktische leraar naar voren. Ook dit deel maakt de indruk rechtstreeks uit eigen ervaring voort te komen, zover ik vergelijkbare ervaringsmogelijkheden heb verkend. Een oordeel geven over de auteur als praktisch leraar valt buiten mijn competentie, dunkt me, al lijkt me een interessante vraag of het laatste deel van zijn boek en zijn werk als praktisch leraar voldoen aan de “vijf kenmerken ofwel criteria” (hij noemt ook ergens de mogelijkheid van een zesde) die de auteur zelf in de eerste delen als essentieel naar voren brengt. Maar het begint met luisteren, luisteren, en blijven luisteren, vermoed ik … Niet alleen naar leraren uiteraard, net zo lang tot we mede dank zij hen naar “alles” (hebben leren) luisteren.
Nederland, gefeliciteerd met zo’n fantastisch boek en zo’n inzichtrijke leraar!

Voordat ik afsluit met enkele verwijzingen en vragen over seksualiteit, vermeld ik ook het waardevolle notenapparaat alsmede de lijsten met uitstekende primaire en secundaire literatuur. Er zijn daarbij heel wat boeken die ik nog niet gelezen heb, maar ik wijs ook graag op een auteur die een prachtig voorbeeld (in dit geval uit de Zen-traditie) is van iemand die spreekt vanuit een non-dualistisch omgaan met bewustzijn, taal en werkelijkheid, namelijk de twintigste-eeuwse Shunryu Suzuki van wie ik enkele boeken al op deze site (zie de literatuurlijst Zen en Oosters en Westers denken) noemde, en hier voeg ik daar graag zijn Nederlandse uitgave Niets is zo (Deventer, Ankh-Hermes, 2002) toe waarin de lezingen uit zijn laatste jaren zijn verzameld. Om een aanbeveling van de uitgever te citeren: “Suzuki’s woorden lijken niet van buiten te komen maar maken de stem in jezelf wakker.” Instemming!

Enkele verwijzingen en vragen in verband met seksualiteit, naar aanleiding van de tekst van Renard.


Natuurlijk gaat het om de praktijk en om hoe het nu met deze tradities en met het non-dualisme als zodanig, juist ook hier in het Westen, en nog specifieker in Europa (van Oeral tot Atlantische Oceaan) en Middellandse-Zeegebied verder gaat. Ik noteer dat de auteur in de inleidende tekst op zijn website (eveneens goed geschreven, informatief en evenwichtig van inhoud en benadering) seksualiteit en seksuele energieën als oefengebied niet uit de weg gaat, eerder nadrukkelijke aandacht geeft. Dat is in het Westen niet zo gebruikelijk en valt daarom op. Misschien kan ik ook zeggen dat het Westen zich daarmee tekort doet. Feit is overigens dat het Westen – zacht uitgedrukt – moeite heeft gehad met een plaats geven aan seksualiteit (speciaal los van het belang van fysieke voortplanting). Denk alleen maar aan Westerse geestelijken (overigens niet de enigen in de wereld) die helaas regelmatig het nieuws halen vanwege grensoverschrijdingen “in functie”, waarbij bovendien meestal vrouwen en kinderen slachtoffer zijn. En derhalve is het belangrijk dat iemand het eens anders benadert. Ik citeer het volgende gedeelte uit genoemde inleiding:

Integratie, ook in het seksuele

Wat hiervoor beschreven werd over het tweede niveau komt in feite neer op de noodzaak tot integratie. Een van de gebieden waar integratie misschien wel het meest nodig is is seksualiteit, de verhouding tussen de beide geslachten.
Waarom het meest nodig? Omdat er waarschijnlijk geen kracht is die meer klevend of hechtend is dan de seksuele, of liever gezegd de seksueel-emotionele, het hele gebied waarin wij ons emotioneel en lichamelijk toevertrouwen aan een ander persoon. Dit toevertrouwen, in welke mate dit ook maar wordt aangedurfd, gebeurt vanuit de behoefte om een einde te maken aan een diep gevoel van iets te missen, van eenzaamheid en pijn. Bij dit toevertrouwen, met alle kwetsbaarheid die dit met zich meebrengt, kun je het meest intense genot beleven, maar ook de diepste psychische pijn. Juist de combinatie van genot en pijn maakt dat het seksueel-emotionele zo’n bindende factor vormt; het is misschien wel de grootste obstructiemogelijkheid voor bevrijding. Vandaar dat in veel tradities totale onthouding van seksualiteit aangeraden of zelfs voorgeschreven wordt.
De drie genoemde non-dualistische tradities, Advaita, Dzogchen en Zen, schrijven niet perse celibaat voor, maar ze zijn geen van drie bepaald uitgesproken over de seksuele kant van het bestaan (en als ze het wel zijn, is dit vaak in negatieve zin). Dit heeft tot gevolg dat juist waar de identificatie met de persoon het sterkst is, op de kwetsbaarste plek, waar je met lichaam en psyche geraakt kan worden door een ander persoon en waar je je kinderlijke patronen van afhankelijkheid en machtsdrift kan tegenkomen, de aanwijzingen ontbreken om ook hier Besef te hebben van Non-dualiteit, van je wezenlijke natuur.
Om deze reden wordt er bij de persoonlijke begeleiding in de stichting wel aandacht gegeven aan het seksueel-emotionele, om in ieder geval de mogelijkheid te bieden dat een oprechte blik geschonken wordt aan iets dat geneigd is in het verborgene een eigen leven te leiden. Als persoon ervaar je jezelf altijd als ‘man’ of als ‘vrouw’: altijd is dit het uitgangspunt bij de dualistische identificatie met het lichaam. Dit kan niet genegeerd worden. Het man- of vrouw-zijn moet ten volle omarmd worden, en verbonden met waarheid en liefde.
De seksuele ontmoeting is op zich niet een hindernis voor vrijheid; alleen het denken en fantaseren maakt dat deze iets onzuivers kan zijn, iets dat mogelijk met macht en leugen gepaard gaat, waardoor vrijheid bedekt blijft. Vandaar de noodzaak om in de intieme ontmoeting alle gedachten en emoties over te geven aan de Allerhoogste Levenskracht, zodat ze gezuiverd kunnen worden.
Zo kun je terugkeren naar werkelijke onschuld. Dan hoeft er niets meer bedekt of verborgen te blijven, en straalt ook hier het natuurlijke dat je bent. Dan kan er een bereidheid optreden, of zelfs een enthousiasme, om alle geneigdheden aan te kijken, ook in de gebieden die privé zijn en vaak nog aan het eigen oog onttrokken.”

Dit lijkt mij van groot belang. Wel vraag ik me – zonder enige praktische pretentie te hebben op dit voor mij voornamelijk uit de Westerse context bekende gebied – ten eerste af hoe dan rekening gehouden wordt niet alleen met individuele aspecten, maar ook met culturele. Met andere woorden, seksualiteit is nu eenmaal iets wat in iedere cultuur met voor die cultuur specifieke gewoontes, opvattingen, rituelen, taboes enzovoort omgeven is. Bovendien is de relatie tussen seksualiteit en (non-)dualisme bepaald niet onbelangrijk, als we het Westen met het Oosten vergelijken (zie mijn lezing ‘Verlichting en het niet-dualistisch omgaan met tegenstellingen’). Simpel gezegd: seksualiteit is in veel culturen een ideologisch minder zwaarbeladen – zij het niet met minder, maar met andere zorg en specifieke aandacht en regels omgeven – onderwerp dan in het christendom, en minder in onwrikbare regels gefixeerde praktijk dan in de islam of het jodendom (om ons tot deze drie godsdiensten te beperken, want ik vermoed dat dit geldt voor de meeste godsdiensten naar hun fundamentalistische kant bekeken). Over de geschiedenis van de seksualiteit, zeker als het gaat om eenzijdige klemtonen bijvoorbeeld in het Westen terwijl er meerdere accenten en evenwichten mogelijk zijn (zie onder andere de in mijn Voorbij het Patriarchaat aangeduide problemen), valt net zo’n uitgebreid boek te schrijven als over die van het non-dualisme en dualisme op andere gebieden.
Bekend is ook dat seksueel misbruik of een dubbele moraal (ook) in het Westen grote vormen heeft aangenomen, niet het minst onder geestelijken, en ook onder Westerse leerlingen van twintigste-eeuwse leraren met Oosterse inspiraties zijn gevallen bekend dat dit tot problemen heeft geleid. Verantwoordelijkheden die aan seksuele relaties vast zitten hebben nu eenmaal per (culturele of maatschappelijke of persoonlijke) definitie een mogelijke impact die (eventueel veel!) groter is dan de individuele verantwoordelijkheid kan dragen – het hangt natuurlijk af van de betekenissen die eraan gehecht en de praktische implicaties die ermee verbonden kunnen zijn. Hoe wordt gekeken naar seksualiteit in relatie tot het eventuele resultaat (de vruchten) ervan, kinderen, of juist los daarvan? Wat zijn spirituele en materiële aspecten en mogelijke vruchten in beide gevallen, en hoe verhouden zich die tot elkaar? Hoe worden deze zonodig sociaal van enige waarborgen voorzien? Zijn dit punten die in de bedoelde oefeningen ‘meegenomen’ zijn? Zoja, hoe, en zonee, met welke gevolgen?

En – als tweede punt – wanneer de auteur in diezelfde inleiding met nadruk als doel van zijn stichting aangeeft het voorkomen van sektarisme in welke vorm dan ook, lijkt het me belangrijk dat dit niet alleen opgevat wordt als betrekking hebbend op inhoudelijke leerstellingen maar ook op de vaak onbewust optredende onderscheiden die men al gauw in groepen maakt tussen binnen- en buitenstaanders en en de uiterlijke vormen die men daar ongemerkt aan geeft: taalgebruik, soorten kleding, de eigen vrijheden of taboes hoger achten dan die van anderen, enzovoort. De stap van seksualiteit als ideologisch zwaarbeladen onderwerp of als in onwrikbare regels gefixeerde praktijk naar speerpunt van bewustwording zal bijvoorbeeld voor veel christenen en joden – en Westerlingen in het algemeen en islamieten – nogal groot en dus zorgvuldig moeten zijn! Over non-dualisme gesproken!
Ik wijs er aanvullend nog op dat juist de laatste decennia duidelijk is geworden dat in het oudste christendom, dus nog voorafgaand aan de dominantie van de kerkelijke vorm ervan sinds de vierde eeuw, de houding ten opzichte van seksualiteit flink in discussie is geweest, zie bij voorbeeld het in zijn eindredactie asketische Thomas-evangelie dat terugkeer naar de onschuld (ook bij Renard een belangrijk thema!) bepleit en het – aan Renard bekende! – Evangelie van Philippus (dat seksualiteit juist als polariteit waardeert, zij het als lagere afspiegeling van hogere spirituele eenwording). (Een heel leesbaar en waardevol boek dat op veel verwante zaken ingaat, is – zie mijn recensie via de link – Jezus & Maria Magdalena van Lisette Thooft.)
Een ander cultureel verschil tussen Oost en West is het verschil in maatschappelijke verankering van spiritualiteit, die is in het Westen veel meer bepaald door de actuele maatschappelijk-politieke rol van de godsdienst (zie mijn bespreking van een boek van Silberer.) Zover Duintjer (zie onder) terecht vraagt naar de maatschappelijke aandacht van de Advaita-traditie, zal een bewuste stellingname van de auteur op dit punt wellicht ook een behulpzame verduidelijking kunnen geven.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.