BK-Books.eu » Besprekingen » Mysteriescholen

Bespreking van...

K. Dietzfelbinger, Mysteriescholen: Van het oude Egypte via het oerchristendom tot aan de rozenkruisers van deze tijd, Deventer (Ankh-Hermes) 2000,[vert. uit het Duits,] 317pp.

Zie de opmerking vooraf.
Prachtige beschrijving van de basisidee?n van de Egyptische religie, de school van Pythagoras, die van Socrates en Plato, het hellenistische christendom van de school van Paulus, de gnostieke scholen, de katharen, de graal (met name ook het epos Parcifal van Wolfram von Eschenbach; N.B. dit deel over de graal ontbreekt in het Duitse origineel), de rozenkruisers. Als rode draad hanteert de auteur de inwijdingsweg als terugkeer tot de goddelijke oorsprong, herstel van alle geestelijke en materi?le onevenwichtigheden die ooit zijn ontstaan. Dit blijkt een haalbare en boeiende interpretatie. Of de auteur daarmee aan alle beschreven verschijnselen historisch recht doet, kan ik niet beoordelen maar ik heb geen reden om zijn weergave te wantrouwen, al schrijft hij wel naar zijn rode draad toe, en geeft (overigens niet in het Duitse origineel van dit boek) aan dat hij ge?nspireerd is door het Lectorium Rosicrucianum, speciaal de geschriften van J. van Rijckenborg, die zich als een moderne variant in deze traditie beschouwt. Maar dat hindert mijns inziens op geen enkele wijze de leerzaamheid van dit boek, dat bovendien uiterst prettig leest voor zo’n soms in eerste instantie complex lijkend onderwerp.
Iets anders is of ik mij in de mythe volledig kan herkennen. Ja, als het gaat om het beeld en het ideaal van de transformatie van de mens (de menselijke geest). Niet helemaal, als het gaat om de houding tegenover de tastbare wereld en de wereld van de demonen en lagere geesten (de geestelijke wereld in zover zij niet samenvalt met de goddelijke wereld). Want het ideaal van de transformatie houdt weliswaar in dat ook deze werelden weer in evenwicht komen – vanuit het hernieuwde evenwicht op het hoogste niveau – maar de veronderstelling lijkt toch nogal platonisch in de zin dat het materi?le en lagere geestelijke voortvloeit uit en secundair is ten opzichte van het goddelijke, en in de huidige vorm geheel vernietigd moet worden. Mijn vermoeden is dat geest en materie twee aspecten zijn van ??n werkelijkheid, en dat de transformatie ook in de materi?le en lagere geestelijke wereld haar beslag moet krijgen, sterker nog, dat materie en lagere geestelijke wereld net zo goed ‘voorwaarde voor’ (en onderdeel van) de transformatie zijn als de goddelijke wereld. Ik beschouw ziekte en dood niet uitsluitend als gevolgen van misstappen maar ook als minstens gedeeltelijk natuurlijke processen. Voor wie heimwee hebben naar een wereld waar alles goed is, is deze mythe een fantastisch mooie uitwerking van en herinnering aan dat heimwee. Al kunnen we niet beweren dat de mysteriescholen en hun mythen op dit punt exclusief zijn – wat de auteur ook niet doet. Misschien is mijn interpretatie van het ideaal van de transformatie volgens dit boek wat te negatief. Zolang het ideaal de bewegingen in positieve zin op gang kan brengen, is het waardevol, en natuurlijk komt het nieuwe slechts door de dood van het oude tot stand. Maar waarom dan niet gewoon zeggen dat het nieuwe een nieuwe vorm van het oude is? Het ideaal moet geen dogma worden, zegt de auteur zelf al. En de wereld van de geest niet alleen tegengesteld aan de concrete wereld maar een subtiel-energetische verbindende en vormgevende ‘kracht’ waaraan wij en de hele kosmos deel hebben en waarvoor wij open kunnen staan.

Mythen worden steeds hernieuwd. Ik beschouw dit boek als het zichtbaar maken en wellicht daarmee vernieuwen van een belangrijke maar vaak slecht gekende westerse mythe, of samenstel van mythen. Belangrijk om te kennen, alleen al om historische en culturele redenen . Voor sommigen daarenboven ongetwijfeld een persoonlijke leidraad. De vraag is vervolgens hoe deze mythen gerealiseerd en overgedragen kunnen worden in deze deels – maar niet volledig – zinnelijke en demonische wereld, zonder de universele strekking van de mythe tekort te doen en zonder andere wezens en elementen in deze wereld te schaden c.q. zonder de betrokkenheid op deze kwijt te raken. De waarde van mysteriescholen ligt immers juist in hun aanwezigheid in deze wereld, en die is dus kennelijk van het hoogste belang. Zelfs de schijn van wereldmijding past daar niet bij – benadruk ik graag, al lees ik nergens dat de auteur of de mysteriescholen zelf deze wereldmijding propageren. Bij het Lectorium Rosicrucianum wordt wel nadrukkelijk gesteld dat gerichtheid op de wedergeboorte altijd prioriteit heeft boven aardse solidariteit, of welke aardse doeleinden dan ook; de vraag is natuurlijk wat dit in de praktijk inhoudt. Vraagt men ruimte vragen voor afstemming op de goddelijke wereld, wat mij legitiem lijkt, of ontlenen zij daaraan de aanwijzing om zich aan de verantwoordelijkheden van het leven in deze wereld te onttrekken (overigens, uiteraard zonder dat omgekeerd anderen hun de wijze van in praktijk brengen mogen voorschrijven)? Overigens geeft de auteur veel aandacht aan de valkuilen zowel voor de beginners op het pad als voor de gevorderden en voor de scholen zelf. De voornaamste zijn de ‘waterproef’ en de ‘vuurproef’. De waterproef houdt in dat men de symbolen niet als beschrijving van de goddelijke werkelijkheid moet opvatten (die men dan vervolgens als dogma kan hanteren) maar als verwijzing ernaar. Wie het hogere verloochent uit angst voor verlies van zijn eigen zekerheden (de groep waartoe hij behoort bijvoorbeeld), zoals Petrus toen hij ontkende bij Jezus te horen, slaagt niet voor de waterproef. De vuurproef houdt in dat men als men eenmaal krachten ontwikkelt heeft op de weg van de wedergeboorte, deze niet voor zichzelf aanwendt of met het oog op een effect in deze lagere wereld – zoals bij het verraad van Judas – maar alleen met het oog op het realiseren van het hoogste goddelijke plan. Dit gaat alle aardse doeleinden te boven (al is het niet met alle aardse doeleinden in strijd; het gaat er echter om dat dit niet in onze handen ligt). De auteur laat niet na bij voortduring te herhalen dat degene die het pad wil bewandelen, er zelf niet beter van moet willen worden omdat dit een grote hindernis wordt op het pad.

Samenvattend, dit is een prachtig boek vol waardevolle informatie. Maar het is meer. Het is impliciet ook een boek dat verwijst naar en oproept tot een weg van geestelijke en materi?le wedergeboorte. En daarbij bevat het vele praktisch en psychologisch belangrijke aanwijzingen en kritische kanttekeningen. Zeer aanbevolen. P.S. Wie de moeite wil nemen, kan zichzelf belonen door naast het hoofdstuk over Socrates en Plato in dit boek het (achtste) hoofdstuk over Socrates in het boek Mystagogie van Tjeu van den Berk te lezen, dat een magnifieke en inspirerende interpretatie van Socrates’ optreden bevat die die van Dietzfelbinger bevestigt en waardevol aanvult.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.