BK-Books.eu » Besprekingen » Mystagogie

Bespreking van...

Tjeu van den Berk, Mystagogie: Inwijding in het symbolisch bewustzijn, Zoetermeer (Meinema) 1999, 180 pp.

De auteur laat in dit boek onder meer zien dat hij een belezen man is, en wat meer: iemand die er in slaagt dat gelezene in perspectief te zetten, de essenties samen te vatten en de lezer tegelijk een goed verhaal voor te schotelen en in te wijden in zijn bronnen. In minstens één opzicht wil ik de auteur navolgen: hij deelt af en toe complimentjes uit aan auteurs, en doet aanbevelingen over het lezen en bestuderen van hun boeken. Welnu, ook zijn boek is een knap boek, vind ik. Niet dat het zonder meer gemakkelijk is maar het is de moeite meer dan waard. Ik streef er dan ook niet naar het hier uitvoerig samen te vatten.
Religie, stelt hij, heeft alles te maken met de rol die symbolisch bewustzijn voor mensen speelt bij hun transformatie van onwetenden tot ervarenen in de diepste wijsheid en werkelijkheid. Er is een samenhang tussen de verwerking van crisissen die mensen doormaken en deze transformatie. Van den Berk geeft het symbolisch bewustzijn en de transformaties ervan de ereplaats terug die zij verdienen. En laat heel knap zien dat die ereplaats weliswaar uit het oog verloren was in grote delen van de westerse cultuur, maar ook dat dat in het algemeen in onze westerse geschiedenis niet zo was. Hij citeert vele auteurs voor wie het symbolisch bewustzijn de essentie van religie en geestelijke transformatie was en is, en ook hoe het functioneerde. Dat is een genoegen om te lezen.
Dit boek is een mooi vervolg op zijn door mij buitengewoon gewaardeerde De wijsheid van de hersenstam, dat iets eenvoudiger is, en een andere invalshoek had. Daar ging het om de menselijke basisfuncties, en hoe we daar beter maar rekening mee kunnen houden (inmiddels is van dit boek een herzien uitgave verschenen onder de titel Het mysterie van de hersenstam). Wel preludeerde de auteur daar al op thema’s waarnaar hij nu terugkeert, zoals de socratische verloskunde als agogisch model (in feite neemt hij hier een hoofdstuk over). Maar hield hij zich in dat boek nog niet specifiek bezig met de kern en de inhoud van onze westerse religie, dat doet hij hier veel meer – en hoe.

De kern van zijn boek, gevormd door de hoofdstukken 2 tot en met 8, zijn juweeltjes die stuk voor stuk diepe inzichten geven in de essentie van religieuze transformatieprocessen, of symboliseringsprocessen. Ik beperk mij tot het maken van enkele kanttekeningen.
Voor mij is een van de opvallendste stellingen van de auteur dat het christendom in wezen een inwijdingsreligie was en is (net als de andere hellenistische mysteriegodsdiensten). Terwijl de meeste christelijke theologen om het hardst hebben bestreden dat gnosis centraal stond in het oudste christendom, of dat de psychologie van Jung en de New-Agebeweging elementen hebben die in de kerken ten onrechte te lang verwaarloosd zijn maar daar wel degelijk in thuis horen, komt hier een zeer deskundig christelijk theoloog met de zeer onderbouwde mening dat de christelijke religie juist het symbolische bewustzijn als kernfunctie heeft, dat wedergeboorte en gnosis altijd centraal zijn geweest, en dat het mystagogisch model van de kerkvaders nog steeds helemaal levensvatbaar is. Geen speld tussen te krijgen. Ook al hebben de bureaucraten het in het christendom uiteindelijk gewonnen, waarom zij ten opzichte van deze kernfunctie afstand namen, het valt eenvoudig niet te ontkennen dat deze spiritualiteit vanaf het begin centraal stond. Gelukkig brengt de auteur zijn standpunt duidelijk naar voren, zonder iemand voor het hoofd te stoten die nog in de gangbare traditie staat waarbij de mystagogie naar de rand of onder de tafel geschoven wordt (vaak genoeg over de rand). De vraag is voor mij – en kennelijk ook voor de auteur – of de heilloze ontwikkelingen binnen het christendom nog terug te buigen zijn. Hoewel dit niet zijn hoofdthema lijkt, blijkt uit de hoofdstukken 1 en 9 (en impliciet ook op andere plaatsen) dat dit een grote zorg is voor de auteur. Hij zegt nadrukkelijk dat het nodig zal zijn om een crisis door te maken, te weten de erkenning van de dorheid en van de goedkoopheid van uiterlijke en rationalistische oplossingen ervoor. Ik ben ervan overtuigd dat het heel erg nodig is dat we de dingen weer echt op ons af durven laten komen, en er van binnenuit, authentiek, op reageren. Uiterst waardevol is de functie van het laagdrempelige bewustzijn die de auteur signaleert en toelicht: zodat het niet-rationele en onbewuste deel van ons bewustzijn mee in het spel gebracht kan worden .
In een bepaald opzicht vraag ik me af of de auteur symbolische en cognitieve kennisverwerving en -verwerking niet teveel tegenover elkaar stelt. Ik kan mij helemaal vinden in zijn bestrijding van de reductie van het symbolische tot het rationele, in deze context. Maar ik denk wel dat in het rationele ook veel symboliek zit, kortom dat rationele kennis en symbolische kennis heel erg in elkaars verlengde liggen en voor een deel samen kunnen vallen. (Zie het boek van Damasio, Descartes’ Error, over hoe hersenen werken en hoe emoties en denken samenhangen. Ook ratio, dus denken, werkt met of maakt gebruik van beelden. Anders gezegd: lichaam en geest hebben standaard veel meer met elkaar te maken dan wij ons op dit moment nog voorstellen.)
Wanneer van den Berk over Jungs symbooltheorie komt te spreken, stelt hij ook de archetypen aan de orde. Ik vraag mij af in hoeverre je van archetypische symbolen kunt zeggen dat zij (waarschijnlijk) universeel zijn. Dat je vergelijkbare patronen terug kunt vinden, akkoord, maar dat wat je vindt dan onmiddellijk universeel zou moeten zijn, liever niet. Ik denk dat ik dit bezwaar ook al tegen Jung had. Misschien zou je kunnen zeggen dat evengoed als je archetypen kunt vinden vanuit het verleden, je ook patronen kunt zoeken in de toekomst, en misschien zijn die dan wel anders, dus niet universeel maar toch archetypisch, want patronen. Ik voel bij archetypen altijd al gauw weer iets dogmatisch om de hoek kijken, terwijl dat wellicht niet hoeft. Misschien zijn archetypen in sommige opzichten toch flexibel. (Damasio maakt ergens de kanttekening dat terwijl veel zaken genetisch vastliggen, culturele vormen juist variabel zijn. De vraag is dan wat de relatie is.) Misschien doelt van den Berk op iets dergelijks als hij (123) aangeeft dat een mogelijk tekort in Jungs opvattingen over archetypen voor hem niets afdoet aan Jungs symbooltheorie.

Ondertussen leven we in een tijd dat de meeste mensen buiten de kerk om hun weg moeten vinden, en dat zo goed en zo kwaad als het gaat, ook doen. Of die ‘gewone’ mensen aan dit boek wat hebben, is de vraag. Het boek is vooral van waarde voor de meer geletterden, voor de religieuze opvoeders en geïnteresseerden; het veronderstelt een behoorlijk (intellectueel) niveau. Wat ik enigszins mis, is een sociologische visie op inwijdingsgenootschappen zoals ook de kerken zijn. Zijn onderscheid tussen volkskerk en privékerk is op zichzelf wat mager uitgewerkt, en lijkt vooral gebaseerd op de rooms-katholieke context. Hoe legitimeren hiërarchieën zich in goed respectievelijk slecht functionerende inwijdingsgenootschappen? Dit is in vele bewegingen een gevoelig punt – in dit opzicht kan veel misgaan en is al te veel misgegaan! Ook mis ik iets over de rol die concurrentie tussen verschillende inwijdingsbewegingen speelt, en hoe wij om zouden kunnen gaan met het bombardement van de media en met de informatie-overload. Impliciet heeft de auteur duidelijk overigens duidelijk stelling genomen: inwijdingsbewegingen zijn er om symboliseringsprocessen te ondersteunen, en die steun kan alleen vroedvrouwkunde zijn, niet indoctrinatie of erger. Dat heeft ook grote implicaties voor de integriteit van de vroedvrouw (respectievelijk begeleider), het gaat om kwetsbare processen (vergelijk hierboven: bij laagdrempelig bewustzijn)!
En het is wellicht ook niet het doel van de auteur geweest om ook de aspecten te behandelen waarover ik graag meer had gelezen. Dat hij het symboliseringsproces zoals dat in religies een rol speelt of – anders gezegd – het symboliseringsproces in zijn religieuze aspect in dit boek zo helder en veelzeggend belicht, is al waardevol genoeg. Maar ik zou graag meer lezen over geslaagde symboliseringsprocessen (hij noemt de beweging van vrouwengroepen over de hele wereld als voorbeeld van de grote en succesvolle rol van het delen en opdoen van onder meer ervaringsweten), of aangeven voor welke (soorten) inwijdingsgenootschappen hij waardering heeft, of wat voor hemzelf belangrijke symbolen zijn (hij geeft al een paar hints). Van mij mag duidelijk gesteld worden: laat de doden de doden maar begraven, ofwel: zij die de vrije geest hinderen, graven hun eigen graf. Misschien was het nuttig geweest aan te geven voor welke lezers hij schrijft: zowel kerkelijke als niet-kerkelijke? Er blijft voor mijn gevoel nu iets teveel zweven wat anders bij beide doelgroepen apart wellicht duidelijker overgekomen was. Maar ik weet het: religies zijn altijd syncretistisch, en altijd hulpmiddelen of voertuigen voor de processen die mensen doormaken. Maar als de auteur hier bewust zaken in het midden liet, vind ik dat niet helemaal geslaagd: hij neemt wel afstand van belemmerende factoren in de kerken maar laat verder wel heel erg veel open. Duidelijk gezegd: ik vind dat ieder mens een eigen (ten diepste ook spirituele) weg gaat en dat godsdienstige instituties daaraan ondergeschikt dienen te zijn, en dat zeker de christelijke kerken in hun geschiedenis vaak te eenzijdig op het uiterlijke gericht geweest zijn, en daaraan de religieuze processen van hun leden hebben opgeofferd. Vanuit de vroedvrouw-rol zou een andere benadering aangewezen zijn! Daarover zou ik meer willen leren.
Dat het de auteur om een open communicatie gaat, blijkt behalve uit zijn praktische aanwijzingen voor het voeren van gesprekken naar aanleiding van symbolische ervaringen (films kijken) ook uit zijn buitengewoon stimulerende aandacht voor het spel-element in het symboliseringsproces (met een beroep op Huizinga en Schiller; eenzelfde waardering van het spel in deze context kwam ik vroeger al eens tegen bij Eugen Fink in diens boeiende boek Spiel als Weltsymbol).
Het is te hopen dat velen de praktische handvatten en de stevige cognitieve steun in de rug die de auteur in dit waardevolle boek biedt, zullen ervaren als een hulp bij hun eigen transformatie en die in en van hun religieuze omgeving. Mij was het trouwens alsof de auteur mij al lezende af en toe ook de wereld van het laagdrempelige bewustzijn binnenhaalde: hij wekte vertrouwen en nam me mee in zijn levendige illustraties. Ik ben de auteur verder speciaal dankbaar voor zijn weergave van wat hij als de kern van de traditie ziet, en als kernauteurs, en voor hun prachtige citaten die hij de lezer voorlegt. Ik herken mij in zijn neiging te zoeken naar wat klassiek is, en wellicht ook zelf klassiek te willen zijn. Ik beschouw de kwaliteit van zijn werk als klassiek; maar hoe anderen en komende generaties dat zullen beoordelen, is iets waarin we ieder haar of zijn vrijheid willen gunnen. Wat klassiek is, kan dat alleen zijn als basis voor vrije verwerking en interpretatie (ook van zijn vroegere werk door de auteur zelf). Ik denk dat de auteur dat met mij eens is.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.