BK-Books.eu » Besprekingen » Licht op licht

Bespreking van...

… Roemi, Licht op licht: Dichterlijk dansen met God: Bloemlezing uit de Diwan-e Sjams-e Tabrizi en de Masnawi van Djelal od-Din Roemi vertaald uit het Perzisch door Sipko A. den Boer met medewerking van Aleid C. Swierenga en Fraidoon Waraste, [ met een zeer uitgebreide Inleiding en dito Toelichting, verder een Woordenlijst, een Lijst van geraadpleegde werken en een Register, ] Rotterdam (Synthese) 2010, 360 pp.

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onder meer op deze pagina:

Hoogtepunt in de reeks vertalingen van Roemi

Roemi is een dichter die precies weet waar hij al dichtend mee bezig is. Nadat hij de lof heeft gezongen van de liefde die de heiligen ervaren, eindigt hij: “Wees stil, deze woorden zijn een teken van afgescheidenheid. Wie dapper brood aan het kauwen is, heeft geen tijd om over brood te praten.” (Ode F. 541; p. 57)

Sinds de dichter Sjams heeft ontmoet, die zijn leermeester wordt, is hij helemaal van de kook. Of liever aan de kook. Hij was rechtsgeleerde en leraar aan de hoogste opleiding in de hoofdstad van het land waar hij met zijn vader, ook een beroemd rechtsgeleerde, naar toe getrokken was (uit Perzië naar Turkije). En sinds hij Sjams had ontmoet – het verhaal is bekend uit de eerdere bundels die deze vertaalploeg heeft geproduceerd en uitgegeven bij uitgeverij Synthese, speciaal Waar Twee Oceanen Samenkomen – was zijn aandacht alleen maar meer gericht op het delen in en doorgeven van de liefde die door hem heen was gaan stromen. Waarvan hij de aard en de consequenties alleen al doende leerde kennen, het zette zijn hele leven op zijn kop. Zo begon ook zijn dichtader volop verzen te produceren, om die ervaringen weer te geven. In grote variatie omdat al zijn kennis en alle nieuwe ervaringen er in samen kwamen. Hij besefte niet alleen dat de vormen waarin Gods liefde zich uitdrukt, onuitputtelijk zijn maar dat dat ook geldt voor de dichterlijke uitdrukking daarvan die steeds nieuwe perspectieven ontdekt en weergeeft in steeds nieuwe combinaties van letters, beelden, zinnen en versvormen. En hij beseft ook dat de eindigheid van iedere vorm en de oneindigheid van hun bron voortdurend in elkaar overlopen. En dat er geen begrip of reactie van de geest of handeling of niet-handeling van de mens is, waarvoor niet geldt dat altijd ten diepste de relatie van de mens met God, in ieder geval met de actuele kern van zijn bestaan, er bij op het spel staat en aan de orde is.

Elke dag vers

1 Mijn poëzie lijkt op Egyptisch brood –
De nacht gaat eroverheen en het is oneetbaar.
2 Eet het wanneer het vers is, vóór het stof erop neerslaat.
3 Het hoort thuis in het warme klimaat van het hart,
In deze wereld sterft het van de kou.
4 Het spartelt een ogenblik as een vis op het droge,
Het volgend moment is het koud.
5 Zelfs als je het net eet en net doet of het vers is,
Moet je je allerlei beelden voor de geest halen.
6 Wat je drinkt is eigenlijk je fantasie –
Het is geen oud verhaal, beste man.”

Ode F. 981 (p. 61)

Back to top

Overzicht

In de meeste van zijn werken lopen psychologie, knappe dichterlijke constructies, mystieke ontboezemingen, kolderieke verzen met een leerzame inhoud, korte verhaaltjes met een morele of spirituele pointe en nog veel meer gewoon door elkaar. Daarom is het begrijpelijk dat in de achtereenvolgende bundels die zij in vertaling produceerden, door deze vertaalploeg selecties gemaakt zijn die min of meer thematisch zijn, zodat de lezeres en lezer telkens ook iets van grote lijnen en inzicht proeven zonder te hoeven wachten op het laatste deel als alles vertaald zal zijn. Ik weet overigens niet of dat zal gebeuren of zelfs maar beoogd of voorzien wordt. Het is een erg veelomvattend werk, dat van Roemi.
Voor ons Nederlandse lezers, die nog niet het hele werk in het Engels of een andere taal gelezen hebben, is het in ieder geval iedere keer spannend om te zien welke nieuwe aspecten er nu weer toegevoegd worden aan het rijke palet dat we van Roemi kennen. En al zijn ze in sommige opzichten minder vergelijkbaar, in veelzijdigheid en dichterlijke expressiviteit kun je Roemi toch minstens vergelijken met iemand als Goethe, wie de gedichten ook zomaar uit de pen leken te vloeien in enorme variatie van inhoud en vorm. Zonder iets aan zeggingskracht te verliezen bovendien, want steeds aansprekend, zelfs memoriseerbaar. Jammer om geen Perzisch te kennen (over het belang van de kennis van onder meer Perzisch zie je onderaan deze pagina in het “P.S.” enkele notities in bijdragen aan een aan Roemi gewijde discussiegroep) en hem in de originele taal te kunnen lezen!
Deze bundel heeft als globaal thema de opstijging van de ziel tot God door verschillende sferen heen. Achtereenvolgens leidt dat tot zeven afdelingen:

  • ‘De wereld van de materie en de natuur’,
  • ‘De wereld van de vorm en de illusies’,
  • ‘De wereld van betekenis en spirituele perceptie’,
  • ‘De wereld van de engelen en de verbeelding’,
  • ‘De wereld voorbij de vormen’ en
  • ‘De wereld van de goddelijke eigenschappen’.

Tweehonderd bladzijden van prachtige gedichten, waarvan ik er zoveel van heb aangestreept als heel waardevol, dat er geen eind aan lijkt te komen. Behalve gedichten die de lof van zijn leermeester Sjams bezingen, zijn er ook veel over de ‘dronkenschap’ die de mystieke vervoering verbeeldt en die te maken heeft met de verdwijning van het zelfzuchtige ego.

Steeds weer een andere kleur

1 Dronkenschap doet je de groeten
En brengt heimelijk een boodschap aan je over.
Iemand die jij van zijn hart beroofd hebt,
Maakt ook zijn ziel tot jouw slaaf.
2 Hij maakt het bestaan niet-bestaand.
Luister naar wie dronken is.
Die dronkaard zit met handen en voeten vast
In jouw valstrik.
3 Dit, ziel van de ziel van de minnaars,
Is de hemel van de minnaars,
Door jouw schoonheid midden tussen de minnaars
Is hun wens vervuld.
4 Jij, die de smaak bent van elke lip,
De gebedsrichting van elke stroming binnen het geloof.
De maan draait rond boven het dak
En houdt elke nacht over jou de wacht.
5 Jij met je lichaam van leem en je hart vol rook,
Kijk hoe hij jou afwisselend nu eens dit,
Dan eens dat laat zijn.
6 Het ene moment schenkt Hij je een vleugel,
Het andere moment een anker.
Het ene moment maakt Hij je tot een ochtend,
Het andere moment verandert Hij je dag in een nacht.
7 Het ene moment laat Hij je trillen,
Het andere moment laat Hij je lachen.
Het ene moment maakt Hij je dronken,
het andere moment maakt Hij je tot een beker.
8 Je bent als een dobbelsteen in Zijn hand:
Nu eens wijn, dan weer dronken van Hem.
Maar eens breekt Hij die dobbelsteen, en dan – bij God! –
Maakt Hij je tot niets.
9 Nu dit, dan dat, het kan verkeren,
Maar uiteindelijk heb je jezelf in de hand.
Hij laat je door al die veranderingen heen gaan
Opdat je tot acceptatie en transformatie komt.
10 Jij was een tijdlang als Noach
Met snelle stappen altijd druk in de weer.
Nu heeft hij je tot een schip gemaakt
En laveer je zonder voet, zonder stappen.
11 Zwijg en ga zitten van verbijstering,
Verbijsterd door Hem die je verbijstert.
Je bent een man van wijze woorden,
Maar Hij neemt je die wijsheid af.”

Ode F. 539 (pp. 173v.)

Back to top

Beoordeling

Door de grote wendbaarheid en lichtvoetigheid in taalgebruik en beeldgebruik, altijd tegelijk uitdrukking van het universele in het bijzondere en verwijzing van het bijzondere naar het universele, varieert het genoegen van het lezen van Roemi van peilloze werveling in gezichtspunten en ervaringen tot raken aan de ervaring van het ongeziene, onzegbare Ene.
Dat Ene krijgt bij hem soms directe namen uit de islamitische traditie, verwijzingen naar dé Ene, naar Diens profeet, Zijn heiligen, de Koran enzovoort. Aan de andere kant is zijn dichtkunst en voorstellingswereld in zekere zin universeel, want voor velen toegankelijk.
Natuurlijk wordt Roemi gekenmerkt door het idioom van de patriarchale Midden-Oosterse cultuur en de islamitische godsdienst waar hij in gedrenkt was. Er is veel verwantschap met het al even patriarchale christendom en jodendom, vooral ook in sfeer en taal. Maar net als in vele poëtische en mystieke uitingen daar is het dichtwerk van Roemi één grote evocatie van de eenheid met het vrouwelijke, met de Geliefde die God is, met de onuitputtelijke stromen die van God uitgaan en tot Hem terugkeren. Een studie naar de verschillende manieren waarop het vrouwelijke en het mannelijke zich bij Roemi verhouden (in een bredere context van zijn godsdienstige en culturele omgeving en in vergelijking met andere culturen en godsdiensten) zou zeker aanbeveling verdienen en vruchtbaar kunnen zijn.
En tegelijk is Roemi uniek. Het ontdekken van wat die uniekheid uitmaakt, blijft een uitdaging.

Back to top

Ten slotte

Of het komt doordat deze bundel zo prachtig is ingedeeld en opgebouwd, ik zou het niet zeker durven zeggen, maar voor mij is deze bundel, mee door de uiterst ter zake zijnde noten, een hoogtepunt in de reeks tot nu toe verschenen vertalingen van deze vertalers. Sipko den Boer lijkt vooral uit te zijn op de weergave van het mystieke proces, Aleid Swierenga heeft zo’n fijn gevoel voor cadans en inhoud dat het lezen iedere regel opnieuw een fijnproeven is. Zij zullen ongetwijfeld een eigen stempel op hun reeks vertalingen gedrukt hebben (de inhoud en de stijl vertonen een eenheid die ik voor het uitgebreide werk van Roemi bijna onwaarschijnlijk acht) maar dat is kennelijk zo stimulerend – want gebaseerd op grote zorgvuldigheid en met een groots en informatief resultaat – dat ik voorlopig benieuwd blijf naar meer.
Te zijner tijd hoop ik ook nog eens aan een vergelijking met de completere vertalingen in het Engels en misschien Duits toe te komen. Op den duur zou ik het landschap van Roemi zelf ook wel eens preciezer in kaart gebracht willen zien, nagaan waar hij overeenstemt en verschilt met andere mystici uit Oost en West. Hoe hij omgaat met de overstijging van tegenstellingen in de alomvattende eenheid: in welke opzichten dat overeenkomt dan wel verschilt met de “niet-dualistische” benadering die we in het Oosten aantreffen (op deze site vele malen ter sprake gebracht). Zie als voorbeeld in het P.S. hieronder enkele berichten uit de discussiegroep over Roemi’s werken op de ‘Google Groups “Dar-al-Masnavi” Group’. Interessant voor Roemi-liefhebbers om af en toe te kijken of er iets interessants bij de – gevarieerde – nieuwe berichten staat!
Overigens bevat deze vertaling ook een prachtige literatuurlijst.
In de tussentijd kunnen we ons verlustigen in de prachtige vertalingen die we inmiddels van Roemi in Nederland hebben. Met dank aan uitgever en vertalers.

Back to top

P.S.

Enkele berichten ter illustratie uit de discussiegroep over Roemi’s werken op de ‘Google Groups “Dar-al-Masnavi” Group‘.
Te weten achtereenvolgens:
1. Vier opvolgende berichten, waarvan de laatste bovenaan en de eerste onderaan
2. Mijn bericht dat hierop poogde aan te sluiten.

1. Vier opvolgende berichten, waarvan de laatste bovenaan en de eerste onderaan

(4)

Dear Reema,

Wa `alaykuma ‘s-salâm,

Thank you for quoting the verses that you questioned, which contain good examples of the consequences of sloppy versions of Rumi; how, by being made “more radically mystical” they can be attractive to Westerners–yet such versions can cause Muslim readers to have a bad impression of Rumi’s poetry. The book you have quoted from is a collection of popularized versions of Rumi claimed to be “An Anthology of Translations.” However, none of the authors you quoted can read Persian or have translated from Persian texts; rather their renderings are re-Englishings based on the real translations from Persian by scholars (none of whom are credited–such as Nicholson and Arberry); rather, the version-makers take credit as the “Rumi translators.” And their distortions can be very offensive to Muslim readers (for examples, see: http://dar-al-masnavi.org/corrections_popular.html).

1) You quoted from p. 103, which is not from the Mathnawi, but was re- Englished from an unreferenced translation from Turkish by Ergin of a ghazal poem:

This universe, which resembles a flag,
Moves all the time.
Your heart sees only the flag,
Your soul thinks air is moving it.

But the one who knows
How air is a helpless creature,
Accepts that everything is nothing but God.

–translated (from Turkish) by Nevit Ergin, “Mevlana Celaleddin Rumi:
Divan-i Kebir Meter 3,” 1995, pp. 114-115

shuqqa-ye `alam `âlam har chand ke mê-raqS-ad chashm-e tô `alam bîn-ad, jân-e tô hawâ dân-ad

w-ân kas ke hawâ-râ ham dân-ad ke che bê-châra-st joz HaZrat-e illâ ‘llâh, bâqî hama lâ dân-ad

Although the world is dancing (like) the rag of a flag, your eyes see
(only) the flag (but) your soul knows the wind (is moving it).

And the person who also knows the wind, how helpless it is, knows that all (is) not permanent except the majestic presence of “except God”.*

–Mawlana Rumi’s ghazal no. 616

*A reference to “(There is) no divinity except God” (Qur’ân 47:19) [lâ ‘ilâha ‘illâ ‘llâh]. Also a reference to “All that is upon (the earth) will pass away, but the Face of your Lord will abide, full of Majesty and Glory” (Qur’ân 55:26-27). Equivalent to “(There is) no permanence except God” [lâ bâqî ‘illâ ‘llâh].

COMMENTS:
What the translator from Persian to Turkish (Golpinarli) wrote is not known to me, but clearly someone changed “all (is) not permanent except God” to “everything is nothing but God.” But “laa baaqii” means “not enduring, lasting, remaining.” Here is “sufi pantheism”–injected into the poem by the versioner.

2) You quoted from pages 104-5 (correct citation missing–Mathnawi V: 2020-49, I: 1126-27):

“In its inmost consciousness, not through any doctrine, it is one with the light.” (Math. V: 2038)

Here is an accurate translation by Nicholson: This “I,” O presumptuous meddler, was “He” (God) in the inmost consciousness, through oneness with the Light, not through (belief in) the doctrine of incarnation.” [în anâ hû bow-ad dar sirr, ay fuZûl/ z-ittihâd-e nûr, na az râ’y-e Hulûl]

COMMENT:
Here you can see that the version, by omitting the word “incarnation”, dilutes Rumi’s meaning. Here, Mawlana Rumi is careful about his justification of the ecstatic utterance attributed to the sufi master Mansur Hallaj: “I am God” [anâ ‘l-Haqq–“Haqq” was used to mean “God,” especially in Persian sufism]. Mawlana denies the heretical doctrine of incarnation of God into human form [Hulûl], but says it was God’s “I” speaking from the deepest level of consciousness. This is not as radical as it sounds: “for We are nearer to him [man] than (his) jugular vein” (Qur’ân 50:16) has been interpreted by sufis to mean, by extension: “for We are closer to him than (his) very self.” And the Hadîth, “And when I [= God] love him [= My (saintly) servant], I am his hearing with which he hears, his seeing with which he sees, his hand with which he sees, and his foot with which he walks”–has been interpreted to mean, by extension, “and his speech by which he speaks.” Although Mawlana may appear to be saying that a created form of light can be one with Divine Light, he is speaking through poetic metaphors that should not be interpreted too literally as indicating “pantheism”.

3) You quoted a poem of 21 lines from page 110, a version by Harvey that appears to be an amplification of three verses from Mathnawi I:
678-79, 681: “If ten lamps are present in (one) place, each differs in form from another. To distinguish without any doubt, the light of each, when you turn your face towards their light is impossible…. In things spiritual there is no division and no numbers; in things spiritual there is no partition and no numbers.” (trans. by Nicholson)

COMMENT:
Almost all of the words in this “translation” are by Harvey, an example of what he has called (more honestly than most version-makers) “re-creations of Rumi”. Mawlana does not teach here that physical light equals Divine Light, but that there is unity in the spiritual world that differs from what we experience in the physical world of multiplicity.

Ibrahim

(3)

Salam alaikum,

Thank you for your response.

The verses I’ll be quoting now come from The Rumi Collection edited by Kabir Helminski and it contains random selections of Rumi’s poetry and prose translated by diverse authors, him being one of them. I am overall very satisfied with this book. There’s a particular chapter in this book titled “The Only One” and the essay contained in that chapter seems to contain traditional Islamic definitions of God’s relationship to His creation. However, some of the poetry attributed to Rumi after this essay in this chapter seem to give me the impression that they speak of pantheism or monism, probably due to the reasons you just stated or maybe due to a misunderstanding on my part.

Here are two selections of verses from Mathnawi I, 1126-1127, the first is translated by Nevit Ergin & Camille Helminski:

“Do you know who stitches that cloak of joy, that cloak of grief?
Why does this cloak
think himself different than the one who sews?”

My thoughts: however, from the way the previous verses (which aren’t quoted here) are translated in this poem, I think this seems to be kinda out of context.

Here’s part of a poem from the same source:

“This universe is a banner
that keeps fluttering.
Your heart sees the banner;
your soul thinks it’s the air that makes it move.
But the one who knows
how helpless air is
recognizes that everything
is nothing but God.”

Here’s a poem from the same source again translated by Kabir Helminski:

“A breakfast tea a beloved asked her lover, ‘Who do you love more, yourself or me?’

‘From my head to my foot I have become you.
Nothing remains of me but my name.
You have your wish. Only you exist.
I’ve disappeared like a drop of vinegar
in an ocean of honey.’

A stone which has become a ruby
is filled with the qualities of the sun.
No stoniness remains in it.
If it loves itself, it is loving the sun.
And if it loves the sun, it is loving itself.
There is no difference between these two loves.

Before the stone becomes the ruby, it is its own enemy.
Not one but two exist.
The stone is dark and blind to daylight.
If it loves itself, it is unfaithful: it intensely resists the sun.
If it says: ‘I’, it is all darkness.

A pharaoh claims divinity and is brought down.
Hallaj says the same and is saved.
One I is cursed, another I is blessed.
One I is a stone, another a crystal.
One an enemy of light, the other a reflector of it.
In its inmost consciousness, not through any doctrine, it is one with the light.

Work on your stony qualities
and become resplendent like the ruby.
Practice self-denial and accept difficulty.
Always see infinite life in letting the self die.
Your stoniness will decrease; your ruby nature will grow.
The signs of self-existence will leave your body, and ecstacy will take you over.
Become all-hearing like an ear and gain a ruby earring.
Dig a well in the earth of this body,
or even before the well is dug,
let God draw the water up.”

Here’s one last one which is from Furuzanfar #511 translated by Andrew Harvey:

“The lamps are different,
But the Light is the same.
So many garish lamps in the dying brain’s lamp shop, Forget about them.
Concentrate on essence, concentrate on Light.
In lucid bliss, calmly smoking off its own holy fire,
The Light streams toward you from all things,
All people, all possible permutations of good, evil, thought, passion.
The lamps are different,
But the Light is the same.
One matter, one energy, one Light, one Light-mind
Endlessly emanating all things.
One turning and burning diamond,
One, one, one.
Ground yourself, strip yourself down,
To blind loving silence.
Stay there, until you see
You are gazing at the Light
With its own ageless eyes.”

However, I do find it very interesting how there are some selections of poetry in that same chapter, and even that essay I just told you about in the chapter’s opening that really make me wonder whether any of these verses I just quoted for you were either blown out of context or not translated right.

I would highly appreciate your reply and I thank you in advance, Reema

(2)

On Sep 29, 9:41 am, Ibrahim wrote:

> Dear Reema,
> Wa `alaykuma ‘s-salâm,

>
> Can’t give a complete reply unless you share the translations or
> versions that you are questioning (book titles and page numbers, and
> source references please, if possible–to make it easier to find the
> original Persian verses). Otherwise, all that can be offered is my
> assurances that there is no pantheistic monism in Mawlana Rumi’s
> works, and that his mystical theology is firmly based on traditional
> Islamic principles. The issue of pantheism in sufi poetry is really an
> outdated view of Orientalist scholars between the 18th century and the
> mid-20th century. These Orientalists viewed Islam as incapable of
> developing it’s own mystical dimension, so they concluded that Islamic
> cultures imported what they viewed as pantheistic doctrines from
> Hinduism, Neoplatonism, etc. Modern authorities on Rumi such as
> Schimmel, Chittick, and Lewis don’t even mention pantheism. It is
> possible that some recent popularizing Rumi translators or versioners
> were influenced by older Orientalist books on sufism (which includes
> the works of Nicholson), so that they also projected pantheism into
> their renderings.

>
> Ibrahim

(1)

>

On Sep 19, 6:10 pm, “Reema B.” wrote:

> > Salam alaiakum wa rahmatu Allah,

>
> > Mashallah, I really admire your website and work here and I have
> > also recently purchased the Kindle version of Rumi & Islam.

> > I have so far only read a few translations (or rather versions) of
> > Rumi’s poetry as I unfortunately do not know how to read Farsi. I
> > was always amazed by how much I was learning about Maulana and I
> > especially observed how the West tends to depict him as separate
> > from Islam which is really far from the contrary…

> > However, I still have a question that bothers me and it maybe based
> > on a huge misunderstanding on my part. There are times when I find
> > the poems (or rather the translations and versions) speak of Allah’s
> > relationship to creation in traditional Islamic manner and at other
> > times in the manner of pantheism or monism.

> > The way I have personally understood a lot of Sufi writings is that
> > everything is just a temporary reflection or shadow of God that
> > originates and ends with God and that God is everywhere and also
> > present in our hearts (as He is closer to us than our jugular veins)
> > but at the same time Creation is NOT Him and thus God is beyond
> > everything unlike what pantheism advocates (pantheism claims that
> > everything is God; I personally find such a doctrine quite
> > spiritually destructive as I find that it can justify attachments
> > and submission to things rather than grounding our attachments and
> > submission only to God who is far greater than what we can truly think of).

> > I would highly appreciate any clarification regarding this issue, wa jazakum Allah alf khair, Reema”

2. Mijn bericht dat hierop poogde aan te sluiten

“Dear Reema, dear Ibrahim,

I am just a very interested reader of Rumi and of these messages. … (On) my website BK-Books.eu … I published my few English and mostly Dutch reviews of works and texts in the areas of spirituality and its history. Among them about the Dutch translations of Rumi which recently appeared and which are very good, in the sense that they are well informed with and good explication (mostly from other writings of Rumi!) and that they sound truthfully.

Your question and answer about pantheism is very interesting, not only because of the implications you at first should expect, and which you wrote about already. But also because of further implications implied in them.

To my sincere experience, we cannot adequately describe the difference between ‘God as all-encompassing source and goal of all there is’ and ‘God as different from his creation’ because even as we write this down, we are part of what we try to describe. So what we describe can never be (only) objective. To my sincere knowledge, this is related to a misunderstanding in Western, even in Islamic thinking that there are instances which should be able to decide which is objectively true, or objectively true according to a set of truths of one religion, f.e. Islam or Christianity.

Although this at first seems not a pleasant fact to accept, we may discern that Eastern philosophies and religions, f.e. (Mahayana) Buddhism and parts of Hinduism, Taoism and other Asian streams of thinking like Tibetan, Chinese, Korean and Japanese Zen-Buddhism) have tried to tackle this problem by recognizing the subjectivity of our speaking about the most fundamental realities, including the creation of the world, its future, our roles, etcetera including ourselves as – and about the way in which! – we speak about them. They try to avoid this by avoiding what they call ‘dualistic ways of speaking’ and promote something they call ‘non-dualism’ which is as much a conscious attitude as a prescribed objective, controllable set of rules for language. They speak in metaphors, so to say, and say that we cannot go further than that, apart from where our metaphors are the expression of the reality (but where should be the judge to decide when this is the case?). So they are careful to let the decision to the only acceptable judge which there is, namely reality itself, without in advance naming it or deciding that it is this or that objectively.

To my best knowledge Rumi is very Islamic, but in his great wisdom also shows traces of something of the non-dualism I spoke about. Because very often he says something in very realistic terms and then implicates that they were metaphors and also very often says exactly the contrary of what you would expect, but which we as hearers or readers then experience as confirmation of the depth of his experience of the Most High, or of his Beloved. In this respect to me he seems comparable with other writers within the religions of Judaism, Christianity and Islam, which writers also do show non-dualistic tendencies.

For me this brings with it some more questions to respond to: f.e. the relation between religious and cultural suppositions. Because to me it is clear that when the Christian God is spoken of as male (although according to the Bible also being female, how otherwise could – according to his Gods image! – man be created as man and woman as is written in the Genesis creation story), this has something to do with historical changing cultural situations and views.
Another urgent question to me is the social attitude of Rumi, his views about the social order (relation between rich and poor, relation between rulers and people) about which I have not been able to find and read much until this moment.
But it is not my goal here to pose just my questions, but first of all to express my sincere estimation for Rumi and his readers. I am touched by Rumi’s jest for love.

If I have other questions, I will not hesitate to ask them. For example, do you know if the Schimmel, Chittick and Lewis or other commentator already have written about what I asked and wrote here above?
Isn’t there some forms of Islamic poetry which shows more traces of this ‘non-dualism’ like poets in India and Pakistan or Indonesia? Kabir f.e.?
What are your own thoughts about the aspects I wrote about above? Do you have comparable questions or knowledge or do you know if there are publications about these?
Perhaps, if you would be so kind, you can help me in these respects, even little information will be most welcome to me.

I thank you for your kind attention to my words, and wish you all a fruitful further reading and interpreting the much loved words of the great Rumi. I learn a lot from the hints about all recent work done to bring them to light still better. Thanks very much for them. I greet you with much respect!

Boudewijn Koole, Driebergen, Netherlands”

Naar inhoudelijk meest verwante eerstvolgende pagina

Naar chronologisch eerstvolgende pagina


myspace visitor counter


© Boudewijn Koole – be free to cite and copy but please refer to this page or to www.bk-books.eu
URL: www.bk-books.eu/bespreking/licht-op-licht | Version 2.001 31 October 2010(version 1.1: 28 October 2010)

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

Sint Laurens op Walcheren is mijn geboortedorp (1947); mijn ouders waren † Leen Koole en † Suzan (San) Huibregtse; mijn zus is Jopie en mijn broers zijn Wibo en † Rien. Mijn jeugdvrienden waren † Peter Karstanje en Wim Wattel. Nel Knip is mijn levenspartner. Wij wonen in Driebergen na Amsterdam en Tiel. Wij kregen twee kinderen en vier kleinkinderen. Ik werkte als wetenschappelijk medewerker filosofie in Amsterdam, cursusleider religie en samenleving in Driebergen, universitair bibliotheekmedewerker in Amsterdam, Utrecht en Den Haag (KB). Uiteindelijk als vertaler en auteur. Na het gymnasium studeerde ik in Amsterdam theologie (was vier jaar student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik vertaalde en schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Na onze pensionering zijn Nel en ik onder meer bezig met: onze kleinkinderen, andere contacten, diverse activiteiten en lezen.