BK-Books.eu » Besprekingen » Leven in aandacht

Bespreking van...

Thich Nhat Hanh, Leven in aandacht: Commentaar op het Satipatthana-Soetra, Nieuwerkerk a/d IJssel (Asoka) 2002, 181pp.

[Zie de opmerkingen vooraf bij deze collectieve bespreking.]
De vier velden van aandacht die in dit soetra behandeld worden zijn het observeren van achtereenvolgens het lichaam in het lichaam, de gevoelens in de gevoelens, de geest in de geest en de objecten van de geest in de objecten van de geest, waarmee alle mogelijke vormen van meditatie gegeven zijn. Met ‘in’ is bedoeld dat het observerende subject niet verder komt als het buiten blijft staan. Het gaat om het één worden van subject en object als onderdeel van het mediteren; dan wordt pas het volledige effect bereikt. ‘Effect’ mag hier niet misverstaan worden: het doel wordt niet aan het eind van de weg bereikt maar al gaande ontdekt de mediterende dat het doel al bereikt wordt (is), sterker dat alles wat een hinder op de weg lijkt, juist het doel dichterbij brengt omdat het één is daarmee, en omdat mediterende en object van de meditatie al één waren voordat ‘zij’ het beseften. Beide wortelen in de ene alomvattende geest.
De auteur behandelt drie versies van dit al oude soetra, een in het Pali en twee Chinese versies.
De kern van het boekje is de toelichting op een twintigtal aandachtsoefeningen die de auteur aan het soetra ontleent (47-128). Daaraan gaan vooraf: de tekst van de oudste versie van het soetra (13-32) en korte inleidingen in het ontstaan, de naam en de inhoud ervan (35-46). Na zijn toelichting op allerlei afzonderlijke thema’s en problemen bij de behandeling van de afzonderlijke aandachtsoefeningen biedt de auteur een zeer waardevol overzicht van algemene uitgangspunten die gelden voor elke aandachtsoefening (129-140). Aan het eind behandelt hij ook de verschillen tussen de drie versies van het soetra, en wat we hieruit kunnen afleiden. Tot slot gevolgd door de tekst van de tweede en derde versie ervan. Alles met voorbeeldige eenvoud en helderheid, en maximale informatieve waarde.
Na enkele inleidende opmerkingen – de oefeningen zijn niet alleen te doen voor monniken en nonnen maar voor iedereen – behandelt de auteur het aandachtig kijken naar het lichaam en behandelt daarbij tien oefeningen (49-76).
De eerste aandachtsoefening is het bewuste ademhalen, de tweede het volgen van de ademhaling (49-51). Door bewust adem te halen keren we terug naar onszelf en komen we in contact met het leven in dit moment. We ontspannen ons en ontwarren knopen van spijt en angst, en vrede en vreugde komen in ons naar boven (50v.).
De derde oefening is lichaam en geest in evenwicht brengen. We vinden dan de eenheid van lichaam en geest. Hier gaat de auteur in op het volgen van de adem in het hele fysieke lichaam, in tegenstelling tot de concentratie op het puntje van de neus (zie mijn opmerkingen bij het boek Adem is bewustzijn, pp. 41-43). Het gaat de auteur niet om methoden die helpen vluchten uit de realiteit maar om het onder ogen zien en transformeren ervan! De titel van het soetra is samengesteld uit twee woorden, samatha-vipassana ‘stoppen gadeslaan’, ‘kalmeren en verhelderen’, ‘concentreren en inzien’. ‘Juiste concentratie’ – samyaksamadhi – een fase van het ‘Edele achtvoudige pad’ – is: de problemen van het lijden en het bestaan onder ogen zien en transformeren; ze ontvluchten noemt de auteur ‘onjuiste concentratie’.
De vierde oefening is tot rust komen. Als je moe bent, is het goed de deuren te sluiten en tot rust en tot jezelf te komen. Dat is één aspect van het leven, en van deze aandachtsoefening. Het andere is dat door zo weer contact met onszelf te krijgen, we weer in contact met het leven – ook ‘buitenshuis’! – kunnen komen. Het heel zijn van onszelf is de basis voor ieder waardevol contact. We kunnen dan onze aandacht ook weer daarheen uitbreiden, zowel in als buiten de aandachtsoefening (die in het gewone leven voortgezet wordt). (55-58)
Vervolgens (58-66) enkele oefeningen om ons van onze lichaamshoudingen, onze lichamelijke handelingen en van delen van ons lichaam bewust te zijn. Het belang hiervan is dat we volledig in contact zijn met ons lichaam en geen scheiding tussen ons en ons lichaam ervaren; in het laatste geval blijft ons lichaam een vreemde voor ons. Een tweede belang is dat elk deel van ons lichaam de toegangspoort tot bevrijding en ontwaken kan zijn wanneer je gaat inzien dat ieder haartje of iedere cel of welk deel ook niet los gezien kan worden van het hele universum, en dat het universum zo begrepen kan worden. Dit laatste is ook het onderwerp van de achtste oefening, die de onderlinge afhankelijkheid van ons lichaam en het universum tot onderwerp heeft. Bij de negende is dat de vergankelijkheid van het lichaam (lijk). Zo ervaren we de kostbaarheid van het leven. “(De negen oefeningen) leren ons licht en fris te leven, zonder in gehechtheid en afkeer verstrikt te raken.” (66)
Dan maakt de auteur een uitweiding (67-73) om dit toe te lichten. Door ons van ons lichaam bewust te worden leren we het proces van geboorte en dood zien, het karakter van niet-zelf (vergankelijkheid) en onderlinge afhankelijkheid van ons lichaam (en van het hele universum). Zo leren we de drie fundamentele uitgangspunten van het boeddhisme: vergankelijkheid, zelfloosheid, onderlinge afhankelijk ontstaan. Zo worden ze ook direct in de aandachtsoefening verwerkelijkt. De negen oefeningen bevrijden ons, maken ons bewust van de dingen zoals ze zijn.
Boeddhisme voorstellen als een pad dat het leven ontkent en de wereld ontvlucht, is hetzelfde als beweren dat het doel van deze oefeningen zou zijn het niets te bereiken of de afwezigheid van leven. Voor de auteur gaat het er juist om de kostbaarheid van het leven te zien. De oefeningen leiden niet tot afkeer van het leven, maar tot het zien en ervaren van de vreugde en van het lijden ervan. En van het transformeren daarvan, zoals we nog zullen zien. Want de basis van ons lijden is volgens Boeddha niet onze gehechtheid maar onze onwetendheid, namelijk van het feit dat niets blijvend is ofwel alles voorbijgaand, veranderlijk. De ware aard van het leven houdt vergankelijkheid, zelfloosheid en onderlinge afhankelijkheid in: zij maken alles mogelijk, alle wonderen die we kunnen ervaren en kennen, maar ook brengen zij de tijdelijkheid van alles met zich mee. We hoeven noch aan het bestaan noch aan het niet-bestaan gehecht te zijn. Alle tegendelen die we in de werkelijkheid ervaren of onderkennen, veronderstellen elkaar en gaan permanent in elkaar over, via steeds nieuwe vormen. Er is ten diepste niets om ‘eeuwig’ bang voor te zijn. Boeddhisme is wel gepropageerd als het vernietigen van de begeerte, een sterk asketische opvatting. We kunnen het ook anders aanduiden: het pad van bevrijding is wanneer we (bijvoorbeeld) eten en drinken voor een sterk en gezond lichaam, en is daarmee in strijd wanneer we eten en drinken op een manier die ons lichaam en anderen doet lijden. De mooie dingen en wonderen van het leven genieten en op waarde schatten, kan begeerteloos plaatsvinden. Namelijk als we vrij blijven, ons er niet door laten vangen, er geen overwegingen bij hebben. En wel steeds blijven observeren (aandacht blijven geven). Vrede en vreugde mogen wij volop toelaten, en alleen als we er niet aan hechten zullen ze dat zijn.
De tiende oefening sluit daarbij aan: wonden helen door bewustzijn van vreugde (73-76). Daarbij leren we ook loslaten!
Vervolgens gaat de auteur over op het aandachtig observeren van de gevoelens en behandelt daarbij twee oefeningen (76-84).
De elfde oefening: het herkennen van gevoelens, impliceert dat we geen enkel gevoel ontkennen. Onze gevoelens dat zijn we zelf. Noch gehecht zijn aan gevoelens noch afwijzen van gevoelens, zijn de regels. Zo leren we ook gelijkmoedigheid, upekkha, een van de Vier onmetelijke verblijfplaatsen [van de geest] naast liefde, mededogen en vreugde.
De twaalfde oefening is het leren zien van de wortels van gevoelens, ongelooflijk belangrijk! Want we leren onderscheiden tussen oppervlakkige of schijnoorzaken en echte of diepere oorzaken, en dito gevolgen. Uiteindelijk zien we dat alles wat we nodig hebben om gelukkig te zijn, al in ons bezit is. Ook als we ons afgescheiden voelen van anderen en van het geheel, zijn we toch ermee verbonden. Alles is deel van elkaar. “Vrede, vreugde en geluk zijn vooral het gevolg van het bewustzijn dat we alles hebben om gelukkig te zijn. Zo is bewuste aandacht een heel belangrijk basiselement voor geluk. Als je niet beseft dat je gelukkig bent, betekent dit dat je niet gelukkig bent.” “Als onze ademhaling licht en kalm is (een natuurlijk gevolg van onze oefening), zullen ons lichaam en onze geest geleidelijk weer licht, kalm en helder worden …” Door onze gevoelens te herkennen en te erkennen brengen we ze tot rust. We leren oppervlakkige en diepere wortels ervan onderscheiden en waarin ze hun basis en rust vinden. Ook onze onaangename gevoelens en wijzelf zijn één. We moeten ermee in contact zijn en ze accepteren voordat we ze kunnen omzetten in heilzame vormen van energie die ons kunnen voeden – want dat kan nadat we ze erkend en ervaren hebben omdat we er dan ‘vrij’ (los) van zijn. Van onze onaangename gevoelens kunnen we ongelooflijk veel waardevols leren. We moeten ze mild behandelen, veel genegenheid bieden en met zorg omringen om ze te transformeren!
Dan het derde veld van aandacht: het observeren van de geest (85-89). Hieronder vallen de vele soorten mentale voorstellingen die de geest construeert, in dit boek vertaald als mentale constructies. Verschillende scholen hebben die onderzocht en opgeteld, en kwamen zo tot bijvoorbeeld 59, 50 of 51 verschillende. Als we aandacht (zelf ook in de geest opkomend uit de oceaan van alle onbewuste dingen, het diepe bewustzijn dat in de Vijñanavada-school alaya of ‘voorraadbewustzijn’ heet) geven aan een dergelijke constructie wordt die aandacht de vriend ervan die haar koestert en neutraliseert en vanzelf omvormt in een heilzame richting.
De bijbehorende dertiende oefening gaat over het oberveren van de begerende geest. We kunnen zo bijvoorbeeld leren onderscheiden tussen verlangen (begeerte) en geluk. Want voor wie genezen is, is het geneesmiddel niet meer nodig. “Waar geluk is een leven met weinig verlangens, weinig bezittingen en de tijd om te genieten van al de wonderen in en om ons heen, (88)” wordt de Boeddha geciteerd die in zijn leven geprobeerd had de vijf begeerten te bevredigen. “In waar geluk moeten de elementen vrede, vreugde en kalmte aanwezig zijn (89).” Heb ik goed en hoor ik hier een medicijn voor de opgekloptheid – het jagen achter de emotionele kick en het opheffen van iedere zogenaamde schaarste – van de Westerse maatschappij en cultuur, die zoveel vooruitgang in haar vaandel draagt en zoveel rusteloos nastreven van financiële toegevoegde waarde kent?
De resterende oefeningen betreffen, gezien de citaten uit het soetra, het vierde veld van aandacht, de objecten van de geest (de andere drie velden zijn met een apart kopje aangegeven, dat van het vierde veld ontbreekt duidelijk boven oefening veertien). Zij gaan achtereenvolgens over boosheid, liefde, onderzoek naar hoe dingen samenhangen en zich van elkaar onderscheiden, innerlijke constructies ofwel blokkades, het omvormen van onderdrukte innerlijke constructies, het te boven komen van schuld en angst, en het zaaien van vrede. Het zijn prachtige teksten. (89-128).
Het gaat vaak om heel simpele maar daarom niet minder belangrijke dingen (juist niet!). Zoals wat het constateren van het verschil tussen de aanwezigheid en de afwezigheid van boosheid aan inzicht oplevert. En hoe belangrijk het is om zonder (voor-)oordeel te observeren, sterker nog: met mildheid. Zoals een tuinman in het afval al het gewas, de bloem of de vrucht ziet dat uit het compost zal groeien, en omgekeerd in de bloem al het afval. Hij kent de wetten van de omzetting. Onze aandacht werkt net als zonlicht: het zorgt ervoor of draagt er toe bij dat gestaag alle processen voortgang vinden. Zo zien we dat ondanks welke aanleiding dan ook, boosheid een deel van onszelf en een veld van energie is. Dit veld van energie kan na waargenomen en erkend te zijn, omgezet worden in voedende energie, los van haar negatieve oorzaak of lading. Dat doen we door die lading los te laten die we er zelf aan hechten. Genezing vraagt hier altijd eerst om herkenning van de wortel van boosheid in onszelf, en van acceptatie ervan. En die laatste is er niet altijd zo maar, zij begint met neutrale, milde aandacht, onder ogen zien. Als dat er is, is er al iets van verandering begonnen. Door zo allereerst met onszelf bezig te zijn, zullen we ook anderen minder lastig vallen. Zij waren hoogstens een aanleiding of een middel voor onze onaangename gevoelens, niet de hindernis die ons van onze genezing afhoudt – want dat is de lading die we zelf toevoegen (89-97).
De volgende oefening behandelt liefde (metta of liefdevolle vriendelijkheid, welwillendheid) en mededogen (karuna), twee andere van de Vier onmetelijke verblijfplaatsen [van de geest]. “Liefde is het vermogen om vreugde te schenken. Mededogen is de macht om lijden te verlichten” is een klassiek gezegde. Invoelend vermogen is een belangrijke basis.
Het beschouwen en beoefenen van mededogen zal meebrengen dat we ons zelf veel beter voelen, zelfs het gevoel hebben dat we beschermd worden door alles en iedereen om ons heen. Dat geldt ook voor de mensen waaraan we daarbij denken. Na begonnen te zijn met fysieke ongemakken en lijden, kunnen we subtielere vormen onderscheiden zoals verborgen verdriet en dergelijke zaken. Zelfs kunnen we doordringen in het lijden van hen die ons doen lijden, en merken dat dat een wonderbaarlijk geschenk is. “We hebben geen twee personen nodig om verzoening tot stand te brengen.”
De beschouwing van liefde brengt net als die van mededogen veel vrede, vreugde en geluk. Volledig contact met onszelf krijgen we niet alleen door het observeren van lijden, we moeten dan ook openstaan voor de bronnen van vreugde, verschaft door alle mooie dingen en ervaringen. Mededogen en liefde zijn niet alleen bestemd om objecten van onze aandacht te zijn, het gaat ook om de verwerkelijking ervan in ons uiterlijk leven. Daartoe hebben we niet meer rijkdom en invloed nodig dan we nu hebben. Zij beginnen vanuit ons hart; en een enkel woord of een enkele gedachte of daad kan een wonder teweegbrengen. Begrip is de basis van liefde; dan vermijden we het soort liefde dat de ander – en uiteindelijk ook onszelf – meer kwaad dan goed doet (97-103).
De zestiende oefening maakt bewust van de onderlinge afhankelijkheid van alle dingen en wezens. Iedereen is daartoe in staat. Het is de weg naar het overstijgen van de grenzen van geboorte en dood (103-110).
De zeventiende oefening leert het ontstaan van blokkades in onze geest te herkennen, hier innerlijke constructies genoemd ofwel ‘knopen’ in onze geest (samoyana). De knoop onwetendheid of avidya (verwarring, gebrek aan helder inzicht) is de basis voor iedere andere knoop. We kunnen daarin ook onachtzaamheid, vergeetachtigheid, onoplettendheid horen. Ook merken we op dat dergelijke knopen ontstaan doordat we er aanvankelijk aangename gevoelens mee verbinden die dan in een later stadium – doordat we ons eraan zijn gaan hechten – omslaan in onaangename. In plaats van de knoop te ontwarren proberen we vaak een herhaling van het aangename gevoel te bewerkstelligen door telkens opnieuw het zintuigobject op te zoeken dat ons het eerste aangename gevoel bezorgde.
Vervolgens komen gevoelens van verliefdheid en verdriet aan de orde. Als we er goed mee omgaan kunnen we ze vanaf het begin gadeslaan en ze hun plek laten innemen zonder ons er aan te hechten. Net als bij haat, begeerte of twijfel kunnen we proberen te voorkomen dat ze te sterk worden en ons overheersen. Hoe vroeger in het ontstaan, hoe gemakkelijker dat is. Dit proces kunnen we ook met anderen delen en elkaar zo helpen (maar ook ongemerkt belasten). Door de wortels van de constructies te herkennen kunnen we ze loslaten en transformeren. (110-114).
Een speciaal geval zijn de constructies die we verdrongen hebben (afweermechanisme). Zo hebben zij zich vast in onze geest kunnen nestelen en een verborgen maar grote rol spelen. Allen via symptomen aan de oppervlakte zijn zij nog naspeurbaar. Zeg maar de neuroses en psychoses van de Westerse psychologie. Dit gebeurt vaak waar personen vanuit onmacht te zware verantwoordelijkheden op zich hebben genomen of gedwongen te grote lasten van verwerking hebben moeten dragen zonder zich te kunnen verweren. Hier helpt het wanneer we de patronen kunnen gaan herkennen die bepaalde gevoelens bij ons veroorzaken, gedrag van anderen of situaties die ons onbewust aan iets herinneren, enzovoort. Soms is de hulp van anderen hierbij erg welkom of zelfs onvervangbaar. Zo worden we bewust van de verborgen oorzaak, de onverwerkte constructie diep in onze geest. We kunnen weerstand hebben om deze gevoelens onder ogen te zien omdat we bang zijn voor het lijden dat we ermee verbonden zien. Toch is het onder ogen zien de enige heilzame weg, ook al is voorkomen beter dan moeten genezen in een later stadium. Het is dan ook erg belangrijk om dit onder de beste voorwaarden en omstandigheden te doen. De boeddhistische aandachtsoefening schept zelf een behulpzaam kader. Bewuste adem, zeer welwillende aandacht ‘als die van een moeder voor haar kind’, geen oordelen. De constructies zullen we na ze eerst gezien te hebben en hun wortels herkend en geaccepteerde te hebben, uiteindelijk kunnen omzetten in bruikbare, effectieve energie. Ons leven zal er diepgaand door kunnen veranderen. In plaats van onrust, angst en depressies kunnen we dan lichtheid en vreugde tegemoet zien. Niet het minst in onze contacten met anderen, in ons werk en onze verdere relaties (114-120).
Oefening negentien gaat over schuld en angst, erg boeiend. Spijt en berouw kunnen in het boeddhisme zowel een positieve als een negatieve rol spelen. Onze fouten uit het verleden kunnen we uitwissen door in het heden bewuste aandacht uit te oefenen, want bewust staande in het heden zijn we ook verbonden met het verleden, met onze voorouders en verdere familie. “Als we onszelf kunnen transformeren, kunnen we ook hen transformeren.” “Het heden aangrijpen om het te transformeren is de ongeëvenaarde weg om vrede, vreugde en bevrijding te geven aan hen die we liefhebben en de schade te herstellen die we in het verleden hebben aangericht.” Om te beginnen om de verlamming op te heffen die onze eigen schuldcomplexen ons bezorgen. Dat kan door echt in contact te zijn met onszelf, inclusief die complexen, en ze te erkennen en om te vormen. Het begint met er de verantwoordelijkheid voor te nemen. En vervolgens zelf uit die gevangenis te stappen.
Iets dergelijks geldt voor onze angst. Het inzicht in de zelfloosheid van alles, ook die van onszelf, brengt mee dat we van angst bevrijd worden. Het Prajñaparamita hartsoetra XXX is een aansporing tot onbevreesdheid. “Als we de onderlinge afhankelijke en zelfloze aard van alle dingen diepgaand onderzoeken, zien we dat er geen geboorte en dood is en overstijgen we alle angst.” “Een ontwaakt persoon blijft onverstoord, meestromend met de rivier van geboorte en dood.”
Eenzelfde iets geldt ook voor gevoelens van onveiligheid. Bijvoorbeeld van hen die uit hun jeugd vele innerlijke constructies hebben meegekregen door tirannieke ouders, verwaarlozing of uitbuiting, zelfs overladen worden met schuld. De aandachtsoefeningen zijn hier een prachtig hulpmiddel en een krachtige ondersteuning om een gevoel van zekerheid te ontwikkelen in het dagelijkse leven. Zeker als we vrienden hebben die met ons mee en wij met hen mee oefenen (120-123).
De twintigste oefening betreft het zaaien van zaden van vrede. Het hele soetra onderkent zowel de positieve als de negatieve, de heilzame als de onheilzame aspecten van bepaalde zaden in ons (onder-)bewustzijn. Maar de kiemen van beide aspecten dragen het tegenovergestelde aspect in zich. Dat geldt voor alles, tot en met lijden en vreugde. Door er contact mee te maken kunnen we het een in het andere helpen omzetten, in positieve richting. Dat is onze kunst, de boeddhistische ‘alchemie’. Onze geest is het veld waar alle zaden gezaaid kunnen worden, wij met onze aandacht zijn als de tuinman die het proces probeert te begeleiden. Vreugde kan daarbij van buiten af komen maar ook vanbinnen uit groeien. Dan spreken we van vreugde (mudita) als een van de Vier onmetelijke verblijfplaatsen [van de geest]. Hoe kunnen we iets met anderen delen als wij zelf geen vreugde kennen? We moeten leren alle mooie dingen in het leven te waarderen, te beginnen met dat er iets is namelijk iets waaraan wij hier en nu deel hebben. Iets dat bovendien volop in wonderbaarlijk veelvormige verandering is, dat voortdurend opgaat, blinkt en verzinkt en dat steeds opnieuw. We kunnen altijd daarnaar terugkeren via onze bewuste ademhaling en die terugkeer naar onszelf versterken door dit met onze vrienden samen te doen. (123-128)

Bij al deze oefeningen en toelichtingen valt mij op de milde, vriendelijke, sterker nog uitdrukkelijk ‘geweldloze’ benadering van de levenswerkelijkheid door de auteur, door hem ontleend aan de boeddhistische traditie. Uitdrukkelijk geweldloos ten opzichte van ons lichaam, ten opzichte van onze geest en ten opzichte van alle verschijnselen, om te beginnen alle levende wezens, zover we maar kunnen zien en hanteren. Verder laat hij zien wat de kern van problemen is, en hoe we ze kunnen oplossen. Zonder omwegen. Ook de meer theoretische aspecten blijken volledig in het kader van de praktische toepassing te staan. Inzicht maakt gelukkig. Geluk is het hoogste aspect van inzicht. Geluk omvat ook het gelijkmoedig aanvaarden van tegengestelde aspecten van het heden in de wetenschap dat alles in verandering is en dat wij daar onze eigen unieke rol in spelen hier en nu. Een rol die ons gelukkig kan maken, want die niemand van ons over kan nemen. We kunnen hem wel aanvaarden en op ons nemen. En onszelf en anderen helpen op de weg naar inzicht, naar bevrijding en vreugde. Vanuit die allereenvoudigste eenvoud, en er in blijvend.

Ten slotte licht de auteur in een apart hoofdstuk enkele uitgangspunten toe voor de oefening van bewuste aandacht. (1) Alle verschijnselen (dharma’s, dat wil zeggen objecten en inhoud van de geest) komen voort uit de geest, zeg maar dat ze opkomen vanuit ons individuele en collectieve bewustzijn. In de zuidelijke scholen van het boeddhisme, de oudere Theravada-richting, wordt het gezegde geciteerd: “en de geest is de oorsprong van de vormen”. Binnen het latere Mahayana-boeddhisme vinden we dit in de Vijñanavada-school. Waar het om gaat is dat het object van onze geest niet losstaat van het subject ervan, dus van die geest. “We observeren zoals onze rechterhand onze linkerhand pakt om één te worden.” (2) Aandacht voor een object houdt in: het doordringen en er één mee worden, het doordringen en transformeren. Zo brengt de bewuste ademhaling eenheid van alles en rust. We zien zonder vrees alles onder ogen. Zonder in welke uiterlijke begeerte of innerlijke knoop van onze geest dan ook gevangen te raken. (3) De ware geest en de misleide of verwarde geest zijn één. Zij komen uit elkaar voort. De ware aard van de dingen hoeft nergens elders gezocht te worden; de oefening is een kwestie van het omvormen van de misleide geest. In een vroeg geschrift is doelloosheid de basis voor verwerkelijking, in het Mahayana-boeddhisme is de leer van het niet-bereiken de hoogste uitdrukking hiervan. Wij hoeven niet uit deze wereld of ons lichaam weg te lopen, integendeel, bevrijding en ontwaakt inzicht komen er rechtstreeks uit voort. Nirwana (uitdoving, verlossing) en samsara (deze wereld, het rad van wedergeboorte) zijn één. Dit brengt gelijkmoedigheid mee. Het boeddhisme leert duidelijk dat we niet aan zijn noch aan niet-zijn gehecht moeten zijn, noch aan begeerte noch aan nihilisme ofwel aan verzaking. Van beide worden we bevrijd. (4) Deze opvatting van de non-dualiteit van de werkelijkheid impliceert geweldloosheid en niet-conflict. “Vrede en vreugde komen op wanneer we het onderscheid laten vallen tussen goed en slecht, tussen de geest die waarneemt en het lichaam dat waargenomen wordt (en als onrein wordt gezien), tussen de geest die waarneemt en de gevoelens die waargenomen worden (en waarvan we zeggen dat ze onaangenaam zijn).” “Wanneer we ons lichaam aanvaarden, er vrede mee sluiten, het tot rust laten komen en er geen afkeer van voelen, volgen we de leringen van de Boeddha.” “Bij de meditatieoefening veranderen we ons niet in een slagveld, waar het goede strijdt tegen het kwade.” Als onze meditatiehouding pijn veroorzaaktis er niets op tegen die te veranderen. “Er is niets mis met het veranderen van onze houding. We verliezen er geen tijd mee. Zoalang de bewuste aandacht wordt gehandhaafd, gaat de meditatie door.” “Wanneer we in aandacht zijn, kunnen we de wortels van ons lijden helder zien en ze transformeren.” Ook onze gevoelens behandelen we geweldloos. We sluiten ze liefdevol in de armen van onze aandacht, en zo worden we rustig en evenwichtig. We kunnen de oefening van bewuste aandacht ondersteunen door eenvoudige rituelen. (5) Bewuste aandacht is niet indoctrinatie maar maakt gebruik van de eigen ervaring. Bewuste aandacht ontdekt uiteindelijk dat alle tegenstellingen worden overschreden, ook die tussen zuivere en onzuivere ervaring van het lichaam, van gevoelens, van de geest of van objecten van de geest. Zelfs lijden en geluk zijn onderling afhankelijk. Onbevooroordeelde aandacht leert ons wonderen ontdekken in de permanente verandering van alles (129-140).

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.