BK-Books.eu » Besprekingen » Ketters en rechtgelovigen

Bespreking van...

Elaine Pagels, Ketters en rechtgelovigen: De strijd om de ware leer in het vroege Christendom, [met register en uitgebreid notenapparaat, ]Utrecht (Servire) 2003-2e druk, 192 pp.

Elaine Pagels geeft in dit beknopte maar rijke boek een samenvatting van belangrijkste motieven die een rol speelden in de ontwikkeling van de ‘leer’ in het vroege christendom. Dat was voortgekomen uit de Jezusbewegingen, gebaseerd op de inspiratie van de Joodse leraar Jezus uit de eerste eeuw van onze jaartelling en van de visioenen waarin hij na zijn dood nog verschenen was. Speciaal gaat het om de ‘leer’ in de gevarieerde kerkelijke gemeenten en andere christelijke groepen in de tweede en derde eeuw en in hun gevarieerde spirituele opvattingen en geschriften tot en met de vaststelling van de samenvatting van het “algemeen ongetwijfeld christelijk geloof” op het concilie van Nicaea in het jaar 325.

Zij laat overtuigend zien dat het evangelie van Johannes geschreven is in oppositie tot het evangelie van Thomas, waarbij beide evangeliën groepen representeerden met hun eigen opvattingen. ‘Johannes’ en ‘Thomas’ verschillen samen opvallend van de evangeliën van Marcus, Mattheüs en Lukas doordat zij verwijzen naar ‘het begin’ van de wereld als referentiepunt: verlossing is terugkeer tot de eenheid van het begin, terwijl de genoemde drie evangeliën voor de verlossing naar ‘het einde’ van de wereld verwijzen waar Jezus’ optreden en dood en opstanding op vooruitlopen en naar verwijzen.

Het grote verschil tussen ‘Johannes’ en ‘Thomas’ is echter dat bij Johannes alleen Jezus als God wordt beschouwd en bij Thomas iedere mens een goddelijk beginsel heeft, en zich met zijn goddelijk licht kan verbinden, en dat kan laten schijnen. Pagels laat ook helder de – zeer grote – verschillen zien tussen de evangeliën van Markus, Mattheüs en Lukas enerzijds en dat van Johannes anderzijds: bij Johannes staat vanaf het begin centraal dat Jezus zich zelf als Zoon van God ziet en dat in Jezus als Zoon van God geloofd moet worden om het eeuwig leven te verkrijgen, terwijl dat (volgens niemand minder dan Irenaeus die het Johannesevangelie propageerde, zie onder) bij de andere drie nieuwtestamentische evangeliën niet het geval is – tenzij we ze lezen vanuit het oogpunt van het Johannesevangelie! Achteraf gezien kunnen we zeggen dat – met behulp van Irenaeus’ steun – de visie van de groep van het Johannesevangelie heeft gewonnen, en er in geslaagd is het evangelie van Thomas en de daarin vervatte visie buiten de lijst van erkende geschriften te houden. Maar historisch moeten we aan het evangelie van Thomas om meerdere redenen een zeer hoge waarde toekennen: de oorspronkelijke vorm van de uitspraken van Jezus, de hoge ouderdom, de Joodse achtergrond enzovoort. Saillant is dan wel dat volgens Thomas alle mensen, Jezus – die niet als unieke Zoon van God of verlosser wordt voorgesteld! – inbegrepen, het licht van God herbergen! Voor de geïnteresseerde: zie mijn lezing “Jezus, Thomas en het latere christendom: spirituele verlichting en maatschappelijke solidariteit. Een zoektocht naar de oorspronkelijke boodschap van Jezus – en hoe daar vele uiteenlopende boodschappen over Jezus van gemaakt zijn”.

Pagels laat ook zien dat zo ver wij nu kunnen nagaan, bisschop Irenaeus – misschien in de lijn van het standpunt van het Johannesevangelie, dat hij in ieder geval aan de andere evangeliën vooropstelde als voorbeeld waarnaar ze uitgelegd dienden te worden! – als eerste openlijk pleitte voor meer uniformiteit in de leer en in de organisatie, in een tijd waarin vanwege zware vervolgingen christenen veel aan elkaar konden hebben, en maar beter niet te verdeeld konden zijn. Daarmee is hij de eerst bekende vertegenwoordiger van een beweging die culmineerde in de uitzetting van de aanhangers van vrijere opvattingen – lees een meer op ervaring gebaseerde en gerichte beleving van de spirituele ontwikkeling zoals onder andere in de diverse bewegingen en geschriften van gnostische leraren – uit de ‘ene ware kerk’, in de formulering van één voor allen herkenbare geloofsbelijdenis, één lijst van heilige geschriften, één kerkelijk gezag en één voor allen herkenbare vorm en uitleg van de belangrijke riten en sacramenten. Eén van de interessantste mogelijkheden die door de ontdekking van Nag Hammadi zijn ontstaan, is de vergelijking van deze geschriften met degene die Irenaeus bestreed in zijn grote werk “tegen de ketterijen”. Deze vergelijking is uitermate leerzaam.

Door de ontdekking van zo’n 70 meest onbekende geschriften uit de eerste eeuwen – de geschriften van Nag Hammadi – wordt momenteel de geschiedenis van de eerste vier eeuwen van het (vroege) christendom helemaal opnieuw geschreven. Pagels combineert daarvoor deze nieuwe bronnen met het al bekende materiaal en laat vele nieuwe verbanden zien. Zij die geloven in één ware kerk kunnen nu weer weten dat zij zich in ieder geval niet op de meest oorspronkelijk tradities baseren, die tot Jezus teruggaan, althans niet in de zin dat de opvatting dat er zo iets bestaat of hoort te bestaan iets anders is dan een keuze, die men ook kan nalaten en die altijd betrekkelijk is (en daarom altijd een ‘geloof’ blijft, dat niet door de historie wordt voorgeschreven). We kunnen immers vaststellen dat vele opvattingen – ook wat we nu de gnostische noemen! – binnen de jonge beweging van “christenen” naast elkaar leefden zonder dat een bepaalde groep de andere als ketters brandmerkte die niet paste in de “ware kerk”.

Duidelijk wordt dat vele christenen in die eerste eeuwen belevingen en opvattingen hadden die veel meer varieerden dan bekend was, en dat die vele varianten ook nu nog inspirerend kunnen zijn, als voorbeeld van het gaan van wegen van spirituele groei, en als inspiratie daarvoor. (Zie voor dit laatste ook het uitgebreidere boek van J. Slavenburg, De oerknal van het christendom.) Zo schetst Pagels in dit boek ook geschriften als het Evangelie der Waarheid, het Evangelie van Philippus en de Rondedans van het Kruis.

Toch is Pagels’ boek allereerst dat van een historica. De kracht ervan ligt ook en vooral in de uiterst zorgvuldige en doordachte ‘historisch-wetenschappelijke’ behandeling van het uitgebreide bronnenmateriaal, zowel de weergave als de uitleg ervan – waarbij de lezer vrijgelaten wordt het met de conclusies van de auteur oneens te zijn en wellicht tot andere conclusies te komen, maar dan toch niet zonder diepgaande confrontatie met het materiaal. Omdat tot enkele decennia geleden deze informatie in de opleidingen voor theologen en christelijke geestelijken ontbrak, beschouw ik haar als uiterst belangrijk. Dit boek is onder andere van groot belang omdat het in de noten verwijst naar een zeer groot – men mag aannemen vrij compleet – aantal meestal nieuwe studies van haarzelf en inmiddels een groot aantal anderen over die eerste eeuwen, en die het inzicht in en de studie van deze eeuwen enorm kunnen vergroten, inspireren en op gang kunnen brengen. Het zou mijn wens zijn dat een nieuwe generatie van spiritueel geïnteresseerden en gestudeerden, zij die een theologische opleiding volgen inbegrepen, het nieuwe beeld van deze periode leren kennen en er hun voordeel mee doen, zowel in concrete spirituele activiteiten als in informatieverstrekking of lessen aan anderen. Voor verdere studie biedt het notenapparaat in ieder geval een enorme schat aan verwijzingen.

Aan sociologische en politieke aspecten besteedt Pagels niet alle aandacht die dit onderwerp verdient, omdat zij daaraan in dit beknopte boek geen recht kan doen. Het sociologische aspect van de ontwikkelingen in de eerste eeuwen is in de literatuurverwijzingen echter beter vertegenwoordigd. Ik ben er van overtuigd dat de goede bedoelingen van Irenaeus en zijn ‘katholieke’ navolgers op tenminste één punt gevaarlijk waren en zijn, namelijk daar waar zij verabsolutering dus kortzichtigheid in de hand werken (we spreken niet voor niets van fundamentalisme). En zo iets kan in tijden van nood onmisbaar of althans onvermijdelijk zijn, om met de filosoof Habermas te spreken (die in zijn ‘Theorie des kommunikatieven Handelns’ op dit punt de gebrekkigheid van de communistische “kerk” aan de kaak stelt), maar de laatste bedoelde daarmee dan ook aan te geven dat het juist niet de norm zou moeten of mogen worden (Habermas verwees naar het ideaal van de open communicatie als basis voor menings- en besluitvorming, een ideaal dat in moeilijke omstandigheden zoals onderdrukking of oorlog nu eenmaal niet altijd haalbaar blijkt omdat autoritaire leiding daar vaak praktischer is). Een feit is dat de orthodoxe of katholieke richting in de lijn van Irenaeus en Augustinus – en dat is dus iedere vorm van christendom die uniformiteit in de leer en in de organisatie voorop stelt – de vrijheid en de spiritualiteit die in het spoor van Jezus is losgemaakt, heeft opgeofferd aan zelfhandhaving, hoe zeer wellicht ook met de beste bedoelingen. “Leven” bestaat niet alleen uit zelfhandhaving, toch? Van zelfhandhaving mag nooit een doel op zich gemaakt worden, het kan in het beste geval een tijdelijk middel zijn om erger onrechtvaardigheid te voorkomen, en zelfs dat is moeilijk bij voorbaat vast te stellen, laat staan voor anderen die je daarmee ook nog eens bevoogdt. Maar dit zijn altijd actuele “politieke” kwesties – die niettemin zo zorgvuldig mogelijke aandacht en behandeling verdienen. En die beter niet bij voorbaat (noch achteraf) geregeld kunnen worden door eisen van uniformiteit. Wat is gewonnen aan vrijheid en spiritueel leven als die alleen door onvrijheden en kortzichtigheden tot stand gebracht of in stand gegouden kunnen worden? Vrijheid kun je niet organiseren of afdwingen, alleen toelaten en uitleven. Ook – of zeker – op spiritueel gebied!

Duidelijk is dat ook de samenhang van de ontwikkeling van het vroege christendom met andere culturele en godsdienstige ontwikkelingen voorafgaand aan en aanwezig in het Romeinse Rijk van die tijd in de toekomst nog veel aandacht verdient, althans voor wie net als ik zijn beeld van die eerste eeuwen graag bijgesteld ziet waar dat kan – omdat daartoe gezien de nieuwe ontdekkingen en hun relevantie alle aanleiding is.

Dit boek is niet gemakkelijk, wel uiterst betrouwbaar en informatief. Overigens lijken af en toe wat noten door elkaar te zijn geraakt bij voorbeeld op p. 147, en kende de vertaalster, die over het algemeen goed werk deed, een enkele Nederlandse standaard uitdrukking niet zoals ‘onderscheiding der geesten’. Hier had een theologisch-wetenschappelijk geschoold advies zijn diensten kunnen bewijzen. En de lezer kan natuurlijk altijd het Engelse origineel raadplegen.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.