BK-Books.eu » Besprekingen » Ketters en Katharen

Bespreking van...

Ketters en Katharen: Tragiek en triomf van het geweten: De glorie van Occitanië/De Ariège, zoektocht naar de Katharen/Manicheïsme als oerketterse stroming, PRANA Nr. 140, dec./jan. 2003/2004, Deventer (Ankh-Hermes),104 pp.

Bijzonder nummer over de Katharen (vooral dertiende eeuw, bijna uitgeroeid in 1243) en de manicheese wereldkerk (vooral derde tot vijfde eeuw in Europa en Azië). Beide onderwerpen staan in de belangstelling maar over beide is – of was tot voor kort – moeilijk goede informatie te krijgen. Dat is aan het veranderen door een positiever klimaat ten opzichte van wat vroeger veelal bij voorbaat als ketters afgedaan werd. En tevens doordat sensationeel nieuwe bronnen van historische informatie beschikbaar komen; in het geval van de manicheeërs zijn dat nieuwe direct manicheese bronnen, in het geval van de Katharen zijn dat vooral veel oudere verwante bronnen (de gnostische geschriften van Nag Hammadi). Ik laat eerst kort de verschillende artikelen de revue passeren en maak aan het eind een enkele algemene opmerking. We maken in dit nummer zowel kennis met de inspiratie van de twee stromingen als met grondige informatie erover. En wat we vooral moeten bedenken: het gaat hier om twee stromingen die hoe dan ook geheel en al deel uit maken van het christendom en zijn geschiedenis, en niet een aparte godsdienst (manicheïsme) of een onchristelijke ketterij (Katharen) zijn.
Zo maken we in dit nummer in vertaling kennis met enkele Franse auteurs over de Katharen; bijvoorbeeld Jean Blum van wie een kort artikel is opgenomen. Een tekst van Antonin Gadal (1877-1962), een van de nestoren van de Katharen-revival in de twintigste eeuw, geeft diens deels op historische deels op inhoudelijke parallellen gebaseerde geheel eigen visie op de wortels en de actualiteit van de Kathaarse beweging, met de liefde als centraal punt van leer en optreden, in flagrante tegenstelling tot die van haar kerkelijke en wereldlijke tegenstanders. Gadal is ook van betekenis voor de Internationale School van het Rozenkruis (het Lectorium Rosicrucianum) waar Joost Ritman, stichter van de vermaarde Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam, nauw mee verbonden is. Enkele werken van Gadal zijn in het Nederlands vertaald.
Joost Ritman biedt een geïnspireerd artikel over de Katharen als voorbeeld van een vreedzame samenlevingsvorm en democratische cultuur, van een klassieke inwijdingsweg, die leidt tot de wedergeboorte van de mens. “De geboorte van de gnosis is er dus niet één die in het verleden lag, of die nog komen moet, of opnieuw moet terugkeren. De geboorte van de gnosis is het betreden van de Al-Ene levenswerkelijkheid zelf, die niet begrensd is door verleden, heden en toekomst.” (10)
Marcel Messings lange artikel vertoont sporen van de druk waaraan hij zich blootgesteld voelt. Hij verontschuldigt zich dat hij eigenlijk liever met publiceren zou wachten tot hij zijn grote boek over de Katharen klaar heeft waaraan hij denkt binnenkort te kunnen beginnen. Ik weet niet wat hem ertoe gebracht heeft toch maar dit lange artikel op papier te zetten maar hij had misschien beter kunnen wachten, mijns inziens. Weliswaar weten we nu dat zijn boek er aan komt! Hij verhaalt uitgebreid van zijn persoonlijke ervaringen tijdens zijn intensieve zoektocht naar de betekenis en intensieve speurtocht naar de overblijfselen van de Kathaarse beweging in de Ariège waar hij jarenlang woonde. Hij lijkt zeer goed op de hoogte van zowel de literatuur als van de historie en wat er nog aan herinnert, zoals hij laat zien aan diverse interessante feiten die hij boven water haalt. Jammer is dat hij in dit artikel persoonlijke wederwaardigheden en feiten over de geschiedenis vaak in één adem aan de orde stelt, zo niet door elkaar haalt. Weliswaar brengt dit het verhaal soms dichter bij de lezer maar het wordt zodoende minder het verhaal van de Katharen en (hoe interessant en waardevol op zichzelf ook) meer het verhaal van de mens Marcel Messing. Ik zou namelijk als lezer graag zelf kunnen nagaan waar die samenvallen en waar niet. Want ik ben ook heel erg in historisch-wetenschappelijk betrouwbare informatie geïnteresseerd; er zijn al zoveel onbewezen en onjuiste gegevens over de Katharen verschaft!
Messing suggereert bovendien (daarnaast?) duidelijk een eigen lijn met een andere wereld te hebben – althans informatiebronnen te kennen die maar weinig anderen ter beschikking staan. Die suggestie lijkt me zowel de moeite van het overwegen als van het testen waard. Het lijk echter onmiskenbaar de moeite waard in zijn teksten te speuren naar vele interessante feiten die alleen hij op het spoor gekomen is. Om een voorbeeld te noemen vermeldt hij de relatie van Antoine Gadal met de SS-er Otto Rahm als punt van nader onderzoek; Messing is dus ten aanzien van anderen niet onkritisch. Zal Messing er in slagen een nieuw historisch licht op de Katharen te werpen? Of ligt zijn kracht meer in het perspectief voor onze tijd dat hij vanuit zijn betrokkenheid bij de Katharen neerzet? In dat geval lijkt me toch prettig om te weten wat van de vroegere Katharen is en wat van hem of liever van ‘zijn proces’ zelf, wat gebaseerd op historisch-wetenschappelijk betrouwbare bronnen en wat meer op subjectieve of speculatieve bronnen. Hij zou ongetwijfeld velen een grote dienst bewijzen als hij in zijn toekomstige grote boek de precieze bronnen van zijn beweringen geeft zodat we de verhouding tussen feiten en fictie zelf kunnen nagaan. Dat hoeft immers niet per definitie in mindering te komen op de betekenis die de meer subjectieve delen van zijn tekst voor de lezers heeft.
Dan de meer historisch-wetenschappelijke (‘objectief’ informerende) artikelen.
In het heldere artikel van John van Schaik wordt uitgelegd wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen de Katharen en het manicheïsme; hij promoveerde er kortgeleden op. De verschillen zijn overweldigend maar er is een belangrijke overeenkomst: beide vormden gnostische systemen waarin het boze als reële kracht een plaats had in het ‘plan’, in tegenstelling tot de katholieke en protestantse orthodoxie waarin het kwaad geen substantiële betekenis krijgt. Beide zien de weg tot kennis van God, schepping en mens als een weg van toenemend inzicht, in tegenstelling tot het katholicisme en protestantisme die deze weg zien verlopen via het verdiepende geloof. De gnostische systemen worden wel aangeduid als dualistisch vanwege deze realiteit van het kwade, maar de uitwerking van dit dualisme bij manicheeërs en Katharen verschilt zo aanzienlijk dat je kunt spreken van geheel verschillende systemen. [Tussenopmerking: helaas wordt de term dualisme (letterlijk: systeem – of visie op een deel of een geheel van de werkelijkheid -, hoofdzakelijk bestaande uit twee polen of tegenovergestelde aspecten) in andere verbanden ook voor andere dualiteiten gebruikt zodat de term dualisme in dit verband niet erg onderscheidend is. Tenzij men bedenkt dat de term hier slaat op goed en kwaad als polen in het systeem, zeg maar God tegenover de duivel en licht tegenover de duisternis, om de belangrijkste aspecten te noemen.]
Terug naar de verschillen. De Katharen leren dat de goede God de onzichtbare geestelijke wereld schiep en de boze God de zichtbare stoffelijke wereld (“verticaal dualisme”) en dat de manicheeërs een vermenging van licht en duisternis door alle tijdperken van de wereldgeschiedenis heen leren (“horizontaal dualisme”). Dit heeft vergaande consequenties; ook hun verschillende visie op de oertijd en eindtijd hangt hiermee samen, evenals verschillende opvattingen over hoe wij mensen geestelijk en stoffelijk in elkaar zitten en hoe wij met de werelden van geest en stof omgaan. Behalve veel meer concrete informatie biedt het artikel waardevolle literatuurverwijzingen.
Jacob Slavenburg maakt in een interessant artikel een begin met de vergelijking van de Kathaarse geschriften met hun parallelle voorlopers uit de tijd van de oudere gnostische systemen, met duidelijke literatuurverwijzingen. Behalve met de manicheeërs kunnen de Katharen immers ook met de andere gnostische stromingen uit de oudheid vergeleken worden, en van deze laatste is Slavenburg een uitnemende kenner. Op deze weg is nog veel onderzoek te doen. Er kunnen mijns inziens veel resultaten verwacht worden. Niet alleen in de zin van directe parallellen maar ook in de zin van dieper gaande overeenkomsten en verschillen. Volgens John van Schaik in zijn eerder vermelde artikel (68-69) verschillen de manicheeërs niet alleen van de Katharen maar ook van de vele gnostische systemen in de geschriften uit Nag Hammadi. De laatste beschouwen de schepping van de mens als het ware als een ‘foutje’ dat eigenlijk niet had mogen gebeuren en de Katharen zeggen zelfs letterlijk dat de mensen kinderen van de duivel zijn. Terwijl de manicheeërs de mens wel zien als een schepping van de heersers van de duisternis maar met vele lichtelementen zowel bij zijn scheppers als in zijn ziel als in de stof waaruit hij geschapen is.
Als laatste artikel over de Katharen vermelden we hier het prachtige artikel van Bram Moerland over de Occitaanse Renaissance, de Gouden Eeuw van het Franse Zuiden waarvan het Katharisme deel uit maakt. Daaruit blijkt heel duidelijk dat we het Katharisme niet op moeten vatten als een geïsoleerde religieuze beweging maar als een beweging naar vrijheid die in een culturele renaissance was ingebed. Een culturele renaissance die onder meer een vreedzaam samenleven van katholieken, moslims, joden en katharen omvatte. De uitmoording van de Katharen bezegelde het lot van deze opleving van vrijheid (ook Ritman is zich dit blijkens zijn artikel bewust). Dit artikel is een prachtige aanvulling van Moerlands onvolprezen boek De katharen en de val van Montségur, inclusief aanvullende literatuurverwijzingen.
Dan de artikelen over de manicheeërs. Om te beginnen het informatieve en interessante overzicht van Hans van Oort over de herontdekking van manicheese teksten en de nieuwe inzichten die dat – na veel werk – opleverde en nog zou kunnen opleveren. Allerlei dwarsverbanden worden zichtbaar tussen deze tweede grote stroming van het christendom (naast de katholieke stroming, onder te verdelen in byzantijns, rooms-katholiek en protestants) en andere tradities. Zoals het oorspronkelijke joodse christendom en de gnostische stromingen in de eerste christelijke eeuwen, maar ook de Perzische en verdere Aziatische omgeving van het manicheïsme (niet in de laatste plaats de Perzische en boeddhistische religies). Dit alles met waardevolle literatuurverwijzingen. Simpele feiten maar wat liggen er behalve veel verder werk ook veel resultaten te wachten! Zo noemde van Oort kortgeleden nog de verbanden tussen de vroege islam, het oudere christendom en de joodse tradities van Merkabah(troonwagen)-mystiek en Kabbalah die aan de orde zullen komen in de in 2005 te verschijnen – inmiddels verschenen – eerste Nederlandse uitgave van Mani’s biografie (opgetekend in de zogeheten Keulse Mani-codex) van de hand van Hans van Oort en Gilles Quispel. Ik twijfel er niet aan of vele interessante thema’s zullen zo een nieuw hoofdstuk aan hun geschiedenis toegevoegd krijgen, zowel in de mythologie, bijvoorbeeld het thema van de androgynie – de manvrouwelijkheid van God en mens, om te beginnen van Adam (en Christus) – in jodendom, christendom en islam, als in de sociale geschiedenis waarmee al deze zaken nu eenmaal nauw verweven zijn. Vooral over de laatste ben ik tot nu toe weinig tegengekomen, op bijvoorbeeld een losse opmerking van Hans van Oort – in ander verband – na over het betrekkelijk elitaire karakter van de manicheese godsdienst.
Het waardevolle en informatieve artikel van John van Schaik noemde ik al.
Ten slotte biedt Ronald van Vliet, auteur van een lijvig overzicht van de manicheese religie, een buitengewoon overzichtelijke en interessante samenvatting van de manicheese kosmologie. Hieruit wordt veel duidelijk over de rol van het toegelaten kwaad in de wereldontwikkeling, over de verhouding van licht en duisternis en hoe het goed het kwaad kan omvormen, want dat is de bedoeling. Over de verschillen tussen Augustinus’ latere opvattingen en de manicheese ideeën die hij in zijn jeugd aanhing: “De idee van de erfzonde is de vervanging van de idee van karma – dat in de tweede hoofdstroom geleerd werd – in de historische ontwikkeling van het christendom!” (82) De auteur van dit artikel is ook zeer goed thuis in de geschiedenis van de Westerse esoterie, waaronder de geschriften van de Rozenkruisers en de antroposofie van Rudolf Steiner, evenals de verwante denkers en thema’s in de filosofie. Waardevol is dat hij sterk is in het noemen van zijn bronnen en het documenteren van zijn feiten en parallellen – zie ook zijn uitgebreide literatuurverwijzingen -, zodat de lezer zelf een oordeel kan vormen. Zo ver ik kan nagaan, kloppen de parallellen. Dat wekt vertrouwen. Lastig is dan wel weer dat de auteur heel af en toe de neiging heeft wel erg uitgebreid parallellen te willen tonen. Wanneer de auteur zich kan beperken tot het tonen van de belangrijkste samenhangen en die goed illustreert zoals in dit artikel, dan bewijst hij mijns inziens velen grote diensten. In de beperking toont zich de meester. Uit dit artikel blijkt hoe ongelooflijk waardevol de manicheese religie geweest is en nog kan zijn. Niet alleen omdat we de katholieke stroming van het christendom – door de vergelijking ermee – beter leren kennen maar vooral omdat er zoveel waardevolle elementen aan te ervaren en wellicht te ontlenen zijn. Ook uit dit artikel blijkt bijvoorbeeld dat aan het thema van de androgynie in het christendom – naast een uitbreiding van de bestaande hoofdstukken over de gnostiek in de eerste eeuwen en de veel ruimere achtergronden daarvan dan welke tot nu toe beschreven zijn – een nieuw hoofdstuk toegevoegd kan worden nu we het manicheïsme eindelijk beter in beeld krijgen (aan te vullen met een boek over de androgynie in het christendom in relatie tot die in andere godsdiensten en culturele tradities). Het manicheïsme is een inspirerend geheel geweest. En zal dat mogelijk in andere vorm opnieuw worden.

Al met al een prachtig nummer van dit tijdschrift. Sommige van de artikelen zijn meer algemeen en inspirerend, andere zijn meer gedegen en soms zelfs veeleisend voor de lezer. Tegenover de aantrekkelijkheid van de gnostische visie – dat ‘verlossing’ niet aan ons inzicht voorbijgaat maar ook dat doet groeien, sterker nog: dat als belangrijkste voertuig gebruikt – staat het risico van het zich verliezen in de verbeelding. Een risico dat aan veel esoterische stromingen – en auteurs – niet is voorbijgegaan, die de inwijding als per individu unieke ervaringsweg soms wellicht al te zeer vervingen door de kennis van een ingewikkelde mythe, of nog erger door een aan een sekte gebonden leer. Deze tegenstelling is echter niet absoluut (verbeelding heeft een belangrijke functie!); zij verdient het op haar verschillende aspecten en merites grondig verder onderzocht te worden. Wellicht kan vastgesteld worden dat de complexe mythologieën van de gnostische stromingen het best gelezen kunnen worden als weergaven van de spirituele ontwikkelingsprocessen van mensen. Zo kan ik manicheese kosmologie die van Vliet zo buitengewoon interessant voor ons ten toon stelt, het beste plaatsen. Zij hoeven met andere woorden niet objectief waar te zijn (in de zin van een objectieve weergave van de kosmos en zijn geschiedenis) maar vormen een kader waarin wij onze eigen spirituele ontwikkeling kunnen begrijpen, althans plaatsen. Naast filosofie, kunst en letterkunde – en fundamentele wetenschap! -, die we vaak als gescheiden terreinen zien maar natuurlijk allemaal dit aspect behelzen. Misschien dat een criterium ook het bereiken van gewone mensen is – dat lukte Mani en de Katharen in ieder geval redelijk goed, al was dat met complexe gnostische systemen moeilijker dan met meer eenvoudige (lees: gesimplificeerde) versies van bijvoorbeeld het boeddhisme en het christendom. Met alleen (in het bijzonder toegepaste) wetenschappelijke informatie zal de cultuur, en speciaal de religie, het niet redden; daar is verbeelding en een behulpzame mythe en mythologie onmisbaar, natuurlijk zonder dat er een verplichte, los van de ervaring staande en slechts van buiten te leren dogmatiek van gemaakt wordt. Inspiratie enerzijds en wetenschappelijk betrouwbare (historische en andere) informatie anderzijds hoeven en dienen niet met elkaar verward te worden; sterker, idealiter vullen zij elkaar aan. De kunst is het goede evenwicht te vinden, en scherp in het oog te houden op welk vlak men bezig is.
In ieder geval is er op dit moment geen betere en meer actuele Nederlandse inleiding in beide stromingen (voor Mani en het manicheïsme zie nu ook de boven genoemde Nederlandse uitgave van “de biografie van Mani”) te vinden dan dit waardevolle Prana-nummer. Uiterst waardevol zijn ook de literatuurverwijzingen, in het bijzonder bij de artikelen van Moerland, Van Oort, Van Schaik en Van Vliet, evenals van Slavenburg. De redactie, in dit geval onder aanvoering van Hans Bienefelt die het voorwoord schreef, verdient lof dat zij deze combinatie van inspirerende en buitengewoon informatieve artikelen in één handzaam nummer bijeengebracht heeft.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.