BK-Books.eu » Besprekingen » Jezus en de verloren godin; De lachende Jezus; De lachende Jezus; De lachende Jezus

Bespreking van...

… Timothy Freke / Peter Gandy, Jezus en de verloren godin: De geheime leringen van de oorspronkelijke christenen, [met aanhangsels, uitgebreide noten en bibliografie, websites en register, ] Den Haag (Uitgeverij Synthese)2007 (EN 2001), 383pp.;
Idem, De lachende Jezus: Religieuze leugens en gnostische wijsheid, [met noten, aanbevolen literatuur, register, ] Den Haag (Uitgeverij Synthese)2006 (EN 2005), 301pp.

Wie een waardevolle inleiding wil in datgene van de eerste eeuwen wat later het christendom is geworden, kan geen betere boeken wensen dan deze twee, samen met het eerder verschenen boek De Mysterieuze Jezus, ook van deze auteurs. Over de gnostische en andere geschriften uit die eeuwen, die omstreeks 1945 in Egypte gevonden zijn en een heel nieuw beeld opriepen, is veel verwarrends geschreven. Niet alleen omdat de theologen die geschriften als onzin of gevaarlijke ketterij afdeden maar veel meer omdat het lang duurde voor de bijzondere taal ervan begrepen werd. De lachende Jezus is van de drie overigens meer een uiteenzetting van wat de ontdekkingen uit hun eerste twee boeken voor henzelf betekenen. De drie boeken zijn stuk voor stuk een genot om te lezen. Scherpe formuleringen, uitdagende stellingen, goede documentatie op hun kerngebied, plezierige leesboeken met een hoog informatief gehalte; dat alles en nog meer maakt ze belangwekkend en de moeite meer dan waard om ze aan te schaffen en hun inhoud te leren kennen. Na het lezen van deze boeken zal de geschiedenis er voor u anders uitzien!
De samenhang van beide hier besproken boeken met De Mysterieuze Jezus is te groot om ze los van elkaar te beschouwen, iets wat de auteurs zelf ook duidelijk aangeven. Door de verschijning van De lachende Jezus is de wonderlijke anomalie dat het derde boek in Nederland eerder verscheen dan het belangrijke tweede, gelukkig opgeheven en kunnen we de vertaalde boeken in de oorspronkelijke volgorde lezen.
Nadat ik over de inhoud ervan en over de samenhang met het vorige iets verduidelijkt heb, zal ik mijn voorlopige bevindingen geven ten aanzien van de kwaliteit van de twee nieuwe boeken, en van de insteek van beide auteurs in het algemeen. Ik probeer dat – in het verlengde van de lange vorige bespreking – ditmaal kort te doen, omdat ik mij bewust ben dat latere ontdekkingen nog veel licht op deze onderwerpen kunnen werpen, anders gezegd: mijn kennis is ook maar beperkt en mijn vooroordelen derhalve waarschijnlijk al snel groot. Nog preciezer: het gaat om gebieden waarop de visie eeuwenlang bepaald is door de overwinnaars, te weten de centristische of ‘katholieke’ stroming onder de christenen die uitmondde in de staatskerk en het christendom vanaf de vierde eeuw, waarom een zeker voorbehoud van belang kan zijn ten aanzien van de mate waarin men daarvan zelf al los is of kan zijn. De onderwerpen zijn deels buitengewoon fascinerend en de nu geboden inzichten beslist verreikend maar – zoals ook de auteurs zich steeds duidelijker bewust worden – het laatste woord erover is noch in historisch-wetenschappelijke noch in spirituele zin gezegd. Ook niet door deze, op hun gebied beslist kundige auteurs.

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onder meer op deze pagina:

Inleiding

Het christendom – als generalisatie oftewel in hoofdlijnen! – is naar algemeen erkende opvatting een samengaan van joodse elementen en hellenistische elementen. Samengevat in een grof beeld: van “Jeruzalem”, de christelijke religie met haar joodse wortels enerzijds, en “Athene”, de Griekse filosofie en klassieke cultuur anderzijds. Wie nadruk wilden leggen op het religieuze aspect in de Westerse cultuur verwees naar de ene, wie dat wilde op het filosofische en wetenschappelijke aspect verwees naar de andere.
In de tweede helft van de vorige eeuw werd aan de continuïteit met de Joodse wortels opnieuw en extra aandacht gegeven. Parallellen met de rabbijnse geschriften werden nader onderzocht, en de geschiedenis van de Joden in en buiten Palestina werd veel duidelijker waardoor zowel over het ontstaan van diverse Joodse stromingen als over verbindingen ervan met hellenistische cultuur veel meer duidelijk werd. Religie is, hoezeer het daar ook een eigen dimensie aan toevoegt die dat kader in de beleving en opvatting van de aanhanger(s) overstijgt, nu eenmaal altijd (ook) ingebed in een historisch kader. En dit kader kan relevant zijn om spirituele claims over de historie te relativeren, omdat er een meer voor de hand liggende verklaring is dan een spirituele, al is die laatste nooit bij voorbaat uitgesloten.
Maar ook werden de gnostische en andere geschriften van Nag Hammadi ontdekt, en dat leidde tot een volkomen nieuwe visie op het ontstaan van het christendom en de stromingen erbinnen in de eerste eeuwen. De Joodse wortels bleken voor een groot deel te lopen via Joodse emigranten in Alexandrië (aan de Egyptische Middellandse-Zeekust) en andere wereldsteden in de eeuwen voor en na het begin van onze jaartelling toen de klassieke Griekse cultuur het Middellandse-Zeegebied overstroomde en zich mengde met allerlei invloeden van buiten, van Perzische tot Egyptische en Joodse, om er enkele te noemen. En de Griekse bleken niet alleen betrekking te hebben op de rationele filosofie en wetenschap maar ook op de gevarieerde uitwerkingen van mythen en rituelen als aansporing tot en weerspiegeling van spirituele bewustwording van stromingen als de mysteriegodsdiensten, zowel Griekse als door andere herkomst gekenmerkte en zich op allerlei wijzen in het hellenisme ontplooiend en tot bloei komend. De gnostische christenen baseerden zich mede op die stromingen.

Back to top

De Mysterieuze Jezus

In De Mysterieuze Jezus toonden de auteurs aan dat de verhalen over Jezus uit de evangeliën in feite een inkleding zijn van de Joodse Messiasfiguur met de mythen en gestalte van de hellenistische god Osiris-Dionysus. Dit valt inderdaad goed te onderbouwen, en ook de nieuw ontdekte gnostische geschriften (die zij waardeerden) passen goed in dit kader. Omdat zij het idee van een historische Jezus zo zeer met de latere letterlijke opvatting van de evangeliën vereenzelvigden (die zij verwierpen), ontkenden zij vervolgens dat er van een historische Jezus sprake is geweest. Bovendien lieten zij zien dat de geschiedenis van het kerkelijke christendom die is van een strijd met de gnostische christenen van het eerste uur, die het verloren van de staatskerk met haar letterlijke interpretatie van de evangeliën. Dit laatste is weer heel goed te onderbouwen.
Eenvoudig gezegd ben ik het niet alleen niet eens met het ontkennen van de historische Jezus, maar nog meer met het negeren van de hele traditie van (niet-gnostische) christenen van Joodse identiteit. Want buiten Alexandrië en dergelijke grote centra van hellenistische cultuur (waar de gnostiek bloeide) waren er ook kleinere centra en meer landelijke plaatsen in de Oostelijke provincies van het Romeinse rijk waar de invloed van de Joods-etnische tradities en van het Aramees minstens even groot waren als van het hellenistische Grieks van de grote steden en de handelsvestigingen. In deze gebieden bloeide het Rabbijnse Jodendom hier en daar, en kwam naast diverse christelijke groeperingen en stromingen het Manicheïsme tot bloei. (Ook de Islam – die mede ontstond uit kruisbestuivingen met diverse Joodse en christelijke stromingen – schoot hier wortel toen zij deze Oostelijke gebieden met geweld overnam. Momenteel staat deze overgang weer in de belangstelling, want zij verklaart allerlei parallellen tussen – minstens het vroege Oostelijke – christendom en de Islam.)

Back to top

Jezus en de verloren godin

De stellingen uit De Mysterieuze Jezus zijn in Jezus en de verloren godin verder uitgewerkt en onderbouwd. Door een prachtige uitleg wordt helder hoe de gnostische mythen in elkaar zitten en hoe niet alleen de evangeliën van het Nieuwe Testament maar ook de tot voor kort bijna onbekende niet in het Nieuwe Testament terecht gekomen evangeliën en andere geschriften deze mythen weergeven. Vaak met hun eigen pointe en vormgeving. Maar ook met een verbazingwekkende grote samenhang en vergelijkbaarheid die op vele zaken nieuw licht werpt, iets wat de auteurs gretig en met grote inzet en kwaliteit doen. Een geheel nieuw aspect van dit boek is dat zij de samenhang laten zien van Jezus met zijn partner Sophia die een uiterst belangrijke rol speelde in deze samenhangende mythologie. Afgezien van het opnieuw afwijzen van enige relatie met een historische Jezus kan dit boek met recht een prachtige inleiding in de gnostische mythologie genoemd worden, goed geschreven en vol puntige uitspraken.

Back to top

De aanpak van de auteurs en De lachende Jezus

Dat laatste brengt mij even op een bezwaar dat ik tegen deze boeken heb: soms genieten de auteurs wel erg van het negatief afschilderen van de visies die zij al achter zich hebben gelaten (althans dat suggereren ze), of waarvan ze vinden dat niemand ze zou moeten aanhangen (te weten literalistische en fundamentalistische standpunten). En in directe samenhang daarmee een ander nog groter bezwaar: wat niet echt op het eigen terrein van de auteurs ligt, laten ze niet alleen te gemakkelijk liggen maar wordt vaak niet eens vermeld. Dat er nog veel meer aan de hand zou kunnen zijn, historisch gesproken, verdwijnt achter de polemiek tegen verouderde inzichten. Daarmee wordt niet altijd recht gedaan aan andere historische wetenschappelijke ontdekkingen en vakgebieden, die op sommige aspecten minstens aanvullende inzichten kunnen bieden. En dat dat niet in beeld komt, vind ik beslist jammer. Ik denk dan aan de genoemde niet-gnostische christenen van Joodse identiteit en hun buitengewoon invloedrijke en interessante religieuze en culturele geschiedenis, en invloeden die ook ver reiken, net als de gnostische.
Trouwens in één opzicht doen zij dat wél enigszins: zij zien in dat het ontstaan van de islam sterk door bepaalde Joodse en christelijke stromingen is beïnvloed. En zij besteden daar de nodige aandacht aan. Al moet gezegd dat zij vervolgens alle ruimte gebruiken voor een afbranden van alles wat in de islamitische traditie naar letterlijk opvattingen en verabsolutering wijst, en dat is inderdaad veel. Maar polemiek en aandacht voor de gevaarlijke fundamentalistische kanten wint het van waardering voor en beschrijving van de gnostische kanten van Jodendom, christendom en islam die zij aanvankelijk terecht naar voren hadden gehaald. Gelukkig valt dat te interpreteren als een aanzet tot discussie. Dus laten we het dan maar zo opvatten, en niet alleen als een definitieve afrekening met iets dat met polemiek alleen niet te bestrijden valt. Of schrijven de auteurs alleen voor eigen parochie?
Positief is dat de auteurs hun eigen alternatief voor de afgewezen visies ontwikkelen en ten beste geven. Zij komen in de genoemde boeken maar vooral in De lachende Jezus met hun voorstel voor en uitwerking van een visie op spirituele ontwikkeling waarin zowel aan de ontdekte gnostiek als aan de inzichten van de moderne tijd recht wordt gedaan. Althans daar doen ze een doordachte en helder geformuleerde ‘gooi’ naar, en de moeite waard om ervan kennis te nemen is die interessante visie zeker.

Back to top

Evaluatie

De aanpak van de auteurs leidt niet onverwacht tot allerlei interessante paradoxen voor wie ze wil zien, de auteurs zelf niet altijd uitgezonderd. Zo leggen de auteurs er nadruk op dat ook zij niet de definitieve waarheid formuleren ‘omdat die nu eenmaal van moment tot moment mee verandert met de werkelijkheid’. Ten diepste ben ik het daar mee eens, zij geven daar ook een goede uitleg van. Maar het kan niet ontkend worden dat zij met het onderzoek naar het eerste christendom, speciaal naar de gnostiek, toch een gooi hebben gedaan naar die waarheid, en dat zij – vaak terecht maar soms voorbarig – in feite claimen dat zij ‘de’ historische ‘waarheid’ in beeld gebracht hebben. Dat zal er ongetwijfeld mee te maken hebben dat de eerdere visie die zij op die historie hadden, bepaald werd door de als absolute waarheid gepresenteerde kerkelijke en theologische visie van de kerkelijke overwinnaars in de strijd met de gnostische christenen. Toen die visie terecht n iet meer houdbaar bleek, voelden zij zich niet alleen ertoe gezet het juiste alternatief te geven in historische zin, maar ook het spirituele ‘gat’ te vullen dat die verouderde visie had achtergelaten, kennelijk ook bij hen.
Dat heeft niet alleen deze geweldige onderzoeksresultaten en deze prachtige boeken opgeleverd, zelfs ook een nieuwe visie op waar het in spiritualiteit om gaat, laat ik zeggen: bewustwording (in het boeiende tweede deel van De lachende Jezus). Het levert ook op dat zij een toon hanteren alsof alles wat zij behandelen een absoluut gewicht heeft: ” Als je dit niet aanneemt of beseft of weet, ben je reddeloos verloren”. Zij zeggen vooral in het derde boek uiteraard dat zij alles niet zo absoluut bedoelen. Daar heb ik echter nog wel een enkele opmerking en vraag bij.
Allereerst valt mij de paradox op dat zij niet malen om de historische Jezus en zelfs niet om de historie als zodanig als die letterlijk wordt gebruikt als grond voor een religieus geloof maar hun alternatieve beschrijving van het oudste christendom toch duidelijk presenteren als de best mogelijke weergave van de historie. Kennelijk is die historie toch wel van enig belang. Het valt mij wel op – en dat vind ik een duidelijk gemis naast het boven genoemde ontbreken van de hele Oostelijke, vaak Arameestalige, traditie van (ook niet-gnostische) christenen van Joodse identiteit – dat de auteurs weinig aandacht schenken aan de sociale en politieke kanten van de geschiedenis van de spirituele bewegingen, zowel van die zij bestrijden als van die zij waarderen. Ik kan er hier niet uitvoerig op ingaan maar over de sociale posities van de verschillende stromingen in het christendom valt toch wel meer te melden dan hun verschillende houding tegenover vrouwen of tegenover het martelaarschap. Vooral de economische en culturele rollen zijn interessant, in samenhang met de verhouding tot de politieke, en daar lees ik maar weinig over. Die rollen zijn vaak erg belangrijk in de zich ontwikkelende historie van religieuze bewegingen. Het is niet toevallig dat de latere staatskerk minder elitair bedoelde te zijn dan haar gnostische voorlopers – ook al lukte dat niet altijd omdat zij met handen en voeten aan politieke machthebbers vast bleek te zitten. Het gevolg voor de stellingen van de auteurs lijkt mij dat zij al snel lijken te gaan in de richting van spiritualiteit zonder ‘body’ in de maatschappij, tenzij ik me erg vergis. Veel woorden besteden ze in ieder geval niet aan realistische sociologische analyses van de groep waar zij op mikken met hun spirituele filosofie, die mij overigens op heel wat onderdelen aanspreekt.
Maar misschien kunnen we nog dieper zoeken naar de beweegredenen van de auteurs, en de gevolgen die deze hebben. Hun wetenschappelijke hartstocht en kwaliteit is onmiskenbaar groot, adembenemend soms. Zij doen er bovendien alles aan om hun presentatie zo expliciet en prikkelend en duidelijk mogelijk te laten zijn: geen misverstanden, iedere onduidelijkheid bij voorbaat de kop inslaan, en door middel van handige samenvattingen en overzichten aan het eind van de hoofdstukken de lijn van de redenering buitengewoon helder houden en telkens opnieuw expliciteren. Die rationaliteit heeft zijn grote voordelen. Een nadeel ervan is echter dat rationaliteit bestaat bij de gratie van de uitgangspunten die gekozen zijn. En daarover schrijven zij weinig, behalve dan dat zij tegen fundamentalisme en literalisme zijn. In plaats daarvan bieden zij hun spirituele filosofie in het tweede deel van De lachende Jezus. Uitermate waardevol, boeiend en helder opgeschreven. Dus meer dan de moeite waard. Ik wil bij hun rationalistische methode echter op dit moment twee bedenkingen plaatsen.
De eerste is dat rationaliteit nu eenmaal vaak is samengegaan met een waardeoriëntatie van onze Westerse cultuur waarin ratio boven emotie gesteld wordt. De auteurs passen geheel in die traditie. Emotie heeft echter bepaalde functies die niet teveel ontkend of zelfs onderdrukt mogen worden want dan blijkt de ratio moeilijk corrigeerbaar en blijft maar doorgaan in één richting: het kader waarbinnen de ratio functioneert wordt dan wel eens teveel vergeten. Dat kan nog erger worden als twee parallelle waardeoriëntaties (van een overkoepelend standpunt uit zou je ze ook vooroordelen kunnen noemen) in het spel betrokken blijken: man staat boven vrouw (en God staat boven mens). Rationaliteit kan even fundamentalistisch gebruikt worden als religie!
Omgekeerd kan verdedigd worden dat religie – vooral indien functionerend als houvast voor het dagelijks leven, dus voor het sociale verkeer en het innerlijk leven van eenvoudige gelovigen die tevreden zijn met de religieuze symbolen en teksten als eenvoudig ‘waar’ – ook positief kan functioneren, zelfs als tegenwicht tegen onevenwichtige – bijvoorbeeld dogmatisch op rationaliteit en wetenschap gefundeerde – maatschappelijke hiërarchie en overheersing. Dat mag bij alle uiterst terechte betogen tegen fundamentalisme en literalisme – zeker als daarmee geweld gelegitimeerd wordt – ook wel opgemerkt worden. In hun schets van de gnostische opvattingen over de ‘gewone gelovigen’ – de ‘psychici’ – besteden zij aan dit mijns inziens niet onbelangrijke aspect weinig of geen aandacht.
Een vergelijkbare mogelijkheid stellen de auteurs zelf aan de orde in hoofdstuk 12 van Jezus en de verloren godin. Zij betogen daar dat het geen pas geeft om de oude gnostiek nu zij herontdekt is als oorspronkelijke vorm van christendom zomaar in ere te herstellen en het bestaande christendom te vervangen door een herleving van die oude gnostiek. Zij pleiten eerder voor een nieuwe aan de tijd aangepaste vorm die echt kans van slagen heeft (vandaar uiteraard hun eigen aanbod van een nieuwe spirituele visie in De lachende Jezus). Maar dan gaan zij daar verder over de noodzaak om eeuwen van ‘patriarchaal chauvinisme’ te corrigeren, eveneens niet door oude mythen tot leven te brengen nadat het leven eruit verdwenen is. Dus stellen zij voor niet opnieuw de godin te gaan aanbidden – evenmin trouwens als de mannelijke God -, die zoals bekend een grote rol gespeeld heeft. Net als de stervende en herrijzende godmens mag die wat hen betreft naar het museum. Dus kiezen zij voor het combineren van de moderne (objectieve) wetenschap met een nieuwe eigentijdse vorm van subjectieve gnosis.
In noot 6 bij dat hoofdstuk stellen zij niet te geloven in het ‘matriarchaal chauvinistische’ (mijn woorden, BK) sprookje van een gouden “tijdperk van waarin de godin het toneel beheerste en alles vrede en licht was”. En zij eindigen die noot, na een even sterke afwijzing van de “domweg stompzinnige idee dat er één God is en dat hij een man is” zelfs met de zin: “Het wordt werkelijk tijd de strijdvraag van de geslachten volledig uit de spiritualiteit te bannen.” Nota bene! (Ik kom hierop terug, zie onder.)
Nu heb ik mij daar wel eens in verdiept en zo simpel als zij dat “voorhistorische” tijdperk hier voorstellen zal het wel niet geweest zijn. Maar dat het zinnig is de feiten erover goed te bestuderen is de laatste decennia onmiskenbaar duidelijk geworden uit het werk van onder andere Heide Göttner-Abendroth en hier te lande Annine van der Meer en Lisette Thooft. Als je de ontwikkeling naar bovengenoemde patriarchale waardeoriëntaties eenzijdig noemt, dan hoeft een correctie niet per se tot het tegendeel van een matriarchale eenzijdigheid te leiden. Het zou wellicht ook kunnen zijn dat er zo iets als balans of balansen mogelijk zijn in een heleboel opzichten. Dat is het waar de studie van de androgynie ook enige aanknopingspunten voor biedt, althans in de zin dat daarin het verlangen naar die balansen wordt uitgedrukt. Op dit punt waag ik het de auteurs te vragen of zij bewustwording niet eenzijdig als ongeslachtelijk voorstellen en beleven … Of hanteren zij op dit punt maar één waarheid, namelijk die welke bij hun rationele of liever rationalistische voorkeur (vooroordeel?) past? Misschien – laat ik een grapje maken dat deze auteurs als zodanig vast wel kunnen waarderen – een verabsoluteerde, dus fundamentalistische of zelfs literalistische waarheid? De auteurs spreken hier overigens zelf ook nog over “het vrouwelijke archetype” dat “de geest van partnerschap en samenwerking is”. Als dat niet een hoop implicaties heeft! Met andere woorden, hier liggen mijns inziens mogelijkheden om op bepaalde zaken eens wat dieper in te gaan. (Waar staat het mannelijke archetype bij de auteurs voor – als ze zich dat bewust zijn tenminste – en waarom bespreken ze dat niet?!!!) Wellicht ook toe te passen op hun eigen spirituele filosofie. Al is het wellicht voor ons allen nog belangrijker om naar ons zelf te leren kijken en met ons zelf te leren omgaan: op zo’n wijze dat we “lichten blijven of (ook of opnieuw) worden”, in deze context een veelvoorkomende beeldspraak. We leren – door schade en schande – nu eenmaal juist veel van de confrontatie met (ook) onze donkere kanten. Ik durf dit te schrijven omdat ik mij in veel van de genoemde karaktertrekken van de presentaties van de auteurs goed herken …
Niettemin blijf ik erbij dat deze boeken een fantastische aanwinst vormen, mede dank zij de scherpte van blik, de zorgvuldigheid van documentatie en formulering en de intellectuele, culturele en persoonlijke zelfs spirituele uitdaging die deze boeken bieden. Daar betuig ik de auteurs mijn diepe respect voor.
We zullen zien welke ontdekkingen over de geschiedenis nog meer te doen zijn, welke (spirituele) bewustzijnsvormen wij in de toekomst zullen tegenkomen en zelf zullen hebben, maar op weg daarheen vormen deze boeken een erg belangrijk baken, zij het – wat de auteurs zich overigens bewust zijn – niet het enige of volledige. Zij bieden ons een indrukwekkende combinatie van kennis, inzichten, aansporingen, inspiraties en zelfs oefeningen. Kies wat bij u past, zou ik zeggen. Zonder verabsolutering van het een of het ander. Dat betekent wel meegaan – en de eigen wegen vinden – in de eeuwig veranderende zich zelf bewuste werkelijkheid waarvan wij deel uitmaken.

Back to top

Naar inhoudelijk meest verwante eerstvolgende pagina

Naar chronologisch eerstvolgende pagina

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

Sint Laurens op Walcheren is mijn geboortedorp (1947); mijn ouders waren † Leen Koole en † Suzan (San) Huibregtse; mijn zus is Jopie en mijn broers zijn Wibo en † Rien. Mijn jeugdvrienden waren † Peter Karstanje en Wim Wattel. Nel Knip is mijn levenspartner. Wij wonen in Driebergen na Amsterdam en Tiel. Wij kregen twee kinderen en vier kleinkinderen. Ik werkte als wetenschappelijk medewerker filosofie in Amsterdam, cursusleider religie en samenleving in Driebergen, universitair bibliotheekmedewerker in Amsterdam, Utrecht en Den Haag (KB). Uiteindelijk als vertaler en auteur. Na het gymnasium studeerde ik in Amsterdam theologie (was vier jaar student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik vertaalde en schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Na onze pensionering zijn Nel en ik onder meer bezig met: onze kleinkinderen, andere contacten, diverse activiteiten en lezen.