BK-Books.eu » Besprekingen » Hoe een klein rotgodje God vermoordde

Bespreking van...

Guus Kuijer, Hoe een klein rotgodje God vermoordde, Amsterdam (Atheneum – Polak & Van Gennep) 2006, 167pp.

Iedereen die meer wil weten over Bijbel en Koran moet dit spannende boek lezen: een onmisbare uitleg van de achtergronden ervan. En een kleinood dat in een notedop de geschiedenis van de Westerse cultuur weergeeft als het gaat om de verhouding van geloof en rede bij Joden, christenen en islamieten, die volgens zichzelf en elkaar alle drie ‘kinderen van Abraham’ zijn.
De titel van dit boek maakt nieuwsgierig. Wie is dat rotgodje? En wat weet de beroemde kinderboekenschrijver meer over de moord op God, dus over God zelf, dan wij eenvoudige mensen die het gewoon van veel lezen en horen zeggen moeten hebben?
Aan het eind van het boek is duidelijk dat Kuijer van mening is dat God niet alleen een idee is van ons mensen – dat heeft hij dan al lang en breed uitgelegd – maar ook dat de verhalen van onze voorouders over God zoveel tegenstrijdige (of complementaire?) elementen bevatten dat het wel zo moet zijn dat ieder die iets in God ziet een God voor ogen heeft die past bij haar- of hemzelf. En ook vindt hij dat ongelovigen (die net als hij niet in het bestaan van God geloven) om die reden God en de discussies over God niet aan de gelovigen over moeten laten, want dat zou rampzalig zijn. Hij is namelijk van oordeel dat God teveel uitsluitend in handen gekomen is van de verkeerde mensen, namelijk de gelovigen die God voor hun karretje van het makkelijke gelijk en van impliciete onderdrukking zijn gaan spannen, en nog erger: van de mannelijkheid, de macht en het stoerdoen (159vv.). Terwijl aan God veel belangrijke discussiepunten vast zitten: de verhouding tussen rechtvaardigheid en barmhartigheid in het bestuur van de samenleving en in de rechtspraak bijvoorbeeld. En nog veel meer, te belangrijk om hier alleen maar op te noemen. Zo constateert Kuijer dat het er op lijkt dat het geweten en God identiek zijn of in ieder geval een vergelijkbare functie hebben (bij respectievelijk ongelovigen en gelovigen; 158). Ook (!) een kwestie van namen of woorden, zou ik zeggen.
Kuijer biedt ook een visie hoe de God van de Israëlieten van voor de Babylonische ballingschap leefde in de voorstelling van Abraham – althans volgens de verhalen die zijn overgeleverd – en hoe die voorstellingen later zijn veranderd toen er profeten optraden namens die God. Jezus en Mohammed bijvoorbeeld, die eigenlijk belangrijker werden dan God in respectievelijk het christendom en de islam. Kuijer schrijft ook over het Jodendom als de religie waarin het discussiëren een belangrijke plaats heeft, in tegenstelling tot die andere twee – eruit voortgekomen – die niet of in ieder geval nog veel minder houden van tegenspraak.
Kuijer behandelt een aantal van de mooiste verhalen uit de Bijbel en de Koran – Abrahams offer van Isaac, de beproeving van Job, het boek Prediker, de profeten Elia en Jona uit het Oude Testament; vele uitspraken van en over Jezus in het Nieuwe Testament; de opvattingen over het dodenrijk en de latere christelijke en islamitische over hel en hemel; de rol van de profeten Jezus en Mohammed. En legt die werkelijk schitterend uit. Kuijer ziet dwars door de mensen heen, van vroeger en van nu. Van gelovigen en ongelovigen. Van heilige boeken en dichters uit latere tijden. Ziet grote redelijkheid waar wij die vergaten te lezen. Maar ook de rol die geloof en godsdienst ten kwade kunnen spelen. Uiterst actueel niet alleen, ook uiterst vermakelijk. Want hoe menselijk zijn al deze verhalen! Bovendien is Kuijer een scherp waarnemer, een schrijver met veel humor en bovendien in dit boek niet alleen op dreef als begaafd schrijver maar ook als iemand die eindelijk zijn hart kan luchten en kan laten zien hoeveel hij van dit onderwerp af weet en hoezeer hij zich erin verdiept heeft. Ja je kunt met dit boek veel lachen én leren.

Ik heb me afgevraagd – dat kon ik als iemand die ervoor heeft doorgeleerd niet laten – waar Kuijer zijn opmerkelijk adequate kennis over de geschiedenis van de Joodse, christelijke en islamitische geschriften vandaan heeft. Hij noemt in zijn boek maar enkele moderne auteurs, beide over de islam. Maar op een enkele kleinigheid na is zijn werk historisch meer dan voldoende betrouwbaar (ik zou over de Essenen wel meer willen weten dan hij ten beste geeft; en over de betekenis en geschiedenis van de naam JHWH – mijns inziens: “Hij-doet-zijn” – is hij ook wel erg kort, en zo zijn er nog wat puntjes). Dat kan alleen maar omdat hij (ook deze) teksten heel goed weet te lezen, met een groot menselijk en groot (zelf-)kritisch inzicht. Maar omdat veel gelovigen helaas minder gemakkelijk toegang tot een zelfde lezing of tot de goede historische informatie hebben, zou het veel waard geweest zijn als hij wat meer goede boeken had genoemd over de achtergronden van de boeken uit de Bijbel en de soera’s in de Koran. Soms is zijn visie als het om de historische achtergronden gaat, net een beetje te weinig genuanceerd, een heel klein pietsje te eenzijdig (niet voor zijn schitterende betoog maar voor een begrip van de meestal nog net iets interessantere en complexere historische achtergrond). Bijvoorbeeld over de rol van fictie en waarheid in het Nieuwe Testament schrijft hij weinig. Hij dicht aan Jezus ontwikkelingen toe die van ver na diens leven stammen, enzovoort. Want een bepaalde ontwikkeling die hij ziet, is dan misschien niet al bij Jezus of Mohammed begonnen, maar eerder of later, en misschien niet bij de historische Jezus maar bij diens door anderen ingevulde beeld. Dit doet weinig af aan de strekking van zijn betoog. Dat klopt gewoon! (Ik geef onderaan nog een suggestie voor literatuur inzake een omissie die ik signaleer.)

Al met al dus een waardevol boek. Want het laat ook zien wat je wél kunt met teksten uit de heilige boeken van gelovigen. En dat het zinnig is je daar mee bezig te houden, en erg leuk! Omdat je er goed aan doet je eigen standpunt niet te verabsoluteren, en niet al te zwaar te nemen!
Dat rotgodje is een zelfbedacht eng wezentje dat fundamentalisten voor de echte God houden, en op grond waarvan ze enge dingen menen te moeten doen, en die dan ook nog rechtvaardigen. Zoals het voeren van heilige oorlogen of het ombrengen van tegenstanders van het eigen geloof of liever van het eigen gelijk (concrete voorbeelden kennen we uit ons recente Nederlandse verleden). En Kuijer – zelf ook niet vies van het innemen van stevige standpunten – laat zien dat er toch ook andere mensen zijn, en een andere God van wie hij suggereert dat die wel bestaat, maar dat nog niet weet. (104v.)
Dat Kuijer duidelijke standpunten en visies ten beste geeft, is overigens verklaarbaar tegen de achtergrond van het feit dat hij zo duidelijk laat zien dat spreken ex cathedra – alsof je bij voorbaat gelijk hebt – dwars staat op iedere mogelijkheid van groei naar volwassenheid. Hij nodigt inderdaad uit tot gesprek, tot nadenken en tot menselijkheid. Ik vind zelf dat hij op één punt nog wat verder had kunnen en moeten gaan. Misschien had hij op dat punt nog niet de goede literatuur of de goede raadgevers tot zijn beschikking: over de geschiedenis van het patriarchaat waarvan de geschiedenis van God merkwaardigerwijs deel uit maakt. Want de strijd tussen recht en barmhartigheid die hij beschrijft, was er een die paste binnen het opkomende patriarchaat waarin het geschreven recht belangrijk werd, samen met de opkomst van het schrift en de grote rol (en macht) voor schrijvers en schriftgeleerden en schriftuitleggers! Wat dit betreft kan hij terecht bij verschillende teksten die op deze site genoemd worden, zoals die van Annine van der Meer over het ‘moederland’ (de tijd voor het patriarchaat) en van Lisette Thooft (over de verhouding van man en vrouw in achtereenvolgens matriarchaat, patriarchaat en in de toekomst). Die werpen nog meer licht op de geschiedenissen die hij beschrijft, bijvoorbeeld die van de profeet Elia.

Guus Kuijers erg goed geschreven boek sleept je van begin tot eind mee en geeft je ook een steuntje in de rug als het er om gaat wat denken of praten over God, of je nu gelooft of niet, werkelijk kan betekenen in een tijd waarin die vraag actueler is dan we denken. Beslist lezen. En dan gewoon je eigen stappen zetten, dezelfde of andere en verdere!

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens, en studeerde vanaf 1965 in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en een inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en buiten alle tegenstellingen", te verschijnen in 2020.