BK-Books.eu » Besprekingen » Het numineuze

Bespreking van...

Tjeu van den Berk, Het numineuze, Zoetermeer (Meinema) 2005, 300pp.

Magnifieke inleiding op de ervaring van het numineuze, een door de auteur aan Rudolf Otto ontleend begrip, en door de auteur ook omschreven als illuminatie of verlichting. In de eerste hoofdstukken benadert van den Berk deze ervaring vanuit de moderne literatuur en cultuur en geeft een aantal zijns inziens kenmerkende voorbeelden. Deze ervaringen zijn alle buitengewoon aansprekend. Auteurs die aan de orde komen zijn bijvoorbeeld Hella S. Haasse, Harry Mulisch, Godfried Bomans, Cesare Pavese (over de laatste een prachtig hoofdstuk).
Hij gaat dan verder met het zoeken naar een interpretatiekader ervoor. Allereerst geeft de auteur dan de visies weer van de theoloog Rudolf Otto en van de psycholoog Carl Gustav Jung, met daarbij zijn eigen buitengewoon verhelderende commentaar. Over Jung las ik nog niet een tekst die zo helder Jung weergeeft en verheldert vanuit de motieven van Jung in een breder cultureel perspectief. Een nieuwe inleiding in Jungs psychologie in het bestek van twee hoofdstukken (pp. 153-208)! Deze hoofdstukken zijn iets theoretischer maar steeds buitengewoon helder en leesbaar.
Bij de weergave van Jung corrigeert de auteur ook allerlei mogelijke misverstanden en vooroordelen over diens aanpak. In dit verband verwijs ik naar het eerder door mij besproken werk “Psyche en werkelijkheid: Perspectieven en grenzen van C.G. Jungs visie” van P. van Soest, dat dit uitgebreid en filosofisch onderbouwd doet. Daaruit blijkt enerzijds dezelfde grootheid van Jung die graag tegenstellingen wilde laten rijpen door ze te omvatten en zich te laten ontwikkelen, anderzijds dat hij op sommige punten in theorievorming tekort schoot en wel moest schieten door het enorme bereik van zijn probleemgebieden. Van Soest gaat daarbij nog verder en ontwikkelt ook een visie op hoe sommige van die theoretische problemen wel opgelost zouden kunnen worden, waarbij hij ook Wittgenstein en de boeddhistische filosofie betrekt op een vaak verhelderende en steeds stimulerende manier. In zekere zin komt hij daarbij mijns inziens verder dan Jung, die ook cultuurvergelijking nastreefde maar daarbij toch meer binnen uitsluitend Westerse begripskaders leek te blijven opereren (mijns inziens net als van den Berk).

Van den Berk benadert de numineuze ervaring dus vooral vanuit de moderne tijd en vanuit de moderne Westerse theologische en psychologische traditie. Voordeel daarvan is dat hij ook de moderne vooroordelen – het rationalisme zowel in de wetenschap als in de kerkelijke theologie – tegen deze ervaring behandelt en die laatste ijzersterk verdedigt. Hij laat buitengewoon helder zien dat in de ervaring van het numineuze de werkelijkheid of onderdelen ervan een, voor degene die deze ervaring ondergaat, alles veranderende betekenis krijgen. In hoeverre die betekenis verder reikt dan het moment, en wat die fundamentele verandering inhoudt, is iets waarover Van den Berk weer minder uitweidt, zeker wanneer je daar de vergelijkbare verhalen uit de Oosterse, vooral boeddhistische psychologie naast zet. Wel is duidelijk dat hij de numineuze ervaring zo waardevol en fundamenteel vindt dat zij het waard is dat iedere belemmering ervoor wordt weggenomen, iets waarop hij verderop nog terugkomt.

Ten slotte wijdt van den Berk dan uit over wat hij als kenmerkende eigenschappen van de numineuze ervaring beschouwt: openheid of regressie in positieve zin (1), verbeelding of illusie in positieve zin (2) en volledigheidservaring (3). Een belangrijke constatering is dat het illusionaire karakter van de ervaring – naar traditionele rationele maatstaven gemeten – juist een positieve voorwaarde of karaktertrek is. Iets wat ook in andere boeken van de auteur sterk naar voren komt (en terecht). Ik ben persoonlijk overigens geneigd dit ook werkelijk te noemen, zij het een andere werkelijkheid dan de wetenschappelijke inzover die zich verabsoluteert als het enig ware criterium voor werkelijkheid. Maar van den Berk maakt wel gebruik van filosofische inzichten, zelf is hij geen filosoof maar blijft dicht bij de praktijk van de ‘mystagogie’ (titel van een eerder boek van de auteur). Waarvan hij hier buitengewoon waardevolle elementen naar voren brengt. Een rijpe vrucht naast en voortkomend uit zijn andere werken (zie behalve diverse andere links in deze bespreking ook mijn bespreking van Het mysterie van de hersenstam) en zijn grote ervaring. Hier integreert hij veel. Zelf heb ik de neiging deze ervaring onder te brengen in een soort filosofie of psychologie van de illuminatie. Voordeel daarvan is de overzichtelijkheid en een duidelijk inzicht in waar je mee bezig bent. Maar op die manier loop je snel uit de pas met de werkelijkheid van de actuele ervaring. Van den Berk lijkt zijn theorie altijd te verweven in een verhaal en verhalen die de bedoeling hebben die ervaring op te wekken, zoals hij schrijft. Dat houdt dus enerzijds in dat hij sterk op de ervaring gericht blijft, wat mij een voordeel lijkt. Aan de andere kant ervaar ik zijn verhalen ook soms als een excursie van de ervaring vandaan, omdat ook hij er niet aan ontkomt toelichtingen, theorieën, illustraties enzovoort te geven van dat waar hij op uit is. Dat levert de kans op van de grote ervaring en het grote inzicht van de auteur kennis te nemen maar leidt ook tot de vele woorden waarop de auteur op p. 299 terloops de aandacht vestigt. Voor degenen die op inzicht uit zijn, zal dit geen grote hinder zijn, integendeel een welkome meiregen. Maar is inzicht gelijk aan een numineuze ervaring? Nee dus (tenzij je dat er in herkent, dan valt het samen!). En er valt dus nog meer te doen … of te laten.

Hoewel dat sterk voor de hand zou liggen, behandelt hij hier niet de – mijns inziens uiterst sterke – overeenkomsten met wat de zogenaamde oosterse culturen, religies, psychologieën en filosofieën over dezelfde ervaringen zeggen. Bijvoorbeeld de boeddhistische psychologie, of die van de Advaita Vedanta, kan hier goed naast gelegd worden. Dan zouden wel allerlei diepergaande problemen aan de orde moeten komen, en die kunnen best subtiel zijn. Zoals de verschillende grondhoudingen die in het Oosten en het Westen aangenomen lijken te worden ten opzichte van het omgaan met begripsmatige en ervaringsmatige tegenstellingen. De kwestie van het niet-dualistisch omgaan met begrippen en ervaringen dus. Daarbij gaat men uit van de dimensie van bovengenoemde derde eigenschap, de volledigheid die alle tegenstellingen omvat, en die ook in het Westen haar belangrijke rol speelt zoals bij Jung waar de auteur ook even op ingaat. Men probeert dan niet om die dimensie in een kader onder te brengen. Maar alleen uitspraken te doen die met de betrekkelijkheid van alle kaders – gezien, gevoeld, ervaren vanuit die dimensie – rekening te houden. Ja dit boek raakt aan veel fundamentele zaken, en is daar evenwichtig op ingegaan. Zij het enkel vanuit onze Westerse context. En dat gebeurt grandioos, zij het dat een aantal verder voerende filosofische en theologische problemen wel evenwichtig aangeraakt worden maar niet uitgewerkt. Speciaal de verhouding tussen de noodzaak om af te wachten en die om de goede voorwaarden te scheppen – dus tussen een vorm van passiviteit en een van activiteit – komt regelmatig aan de orde, tussen de regels door of expliciet. Maar zij vindt nog niet echt een bevredigende ‘oplossing’ naar mijn gevoel. Misschien vind ik dat zo omdat de auteur wel veel brokstukken levert voor een theorie uit één stuk maar het daarbij laat, om de eerder genoemde reden die in zijn verhalende of evocerende aanpak ligt. Ik blijf die samenhangende heldere theorie kennelijk missen.
Het levert wel prachtige bladzijden op. Bijvoorbeeld waar van den Berk de huidige Nederlandse auteur en essayist Willem-Jan Otten citeert die in enkele voordrachten en publicaties heeft uitgelegd welke ervaringen hem – na een intensieve worsteling – geleid hebben tot zijn bekering tot het katholicisme.
Dit werk getuigt van de grote eruditie van de auteur, van zijn rijpe vertel- en uitlegkunst, en biedt het ene waardevolle inzicht na het andere. In de slotzinnen van de epiloog constateert de auteur dat hij voor iets dat toch niet in woorden uit te drukken valt, wel erg veel woorden gebruikt. Dat geeft inderdaad te denken. In de Zentraditie is het woord helemaal niet allesoverheersend maar kan verlichting even goed uit gedrag blijken als uit een verlichte uitspraak. Toch gaat van den Berk ver in het relativeren van Westerse verabsoluteringen, alleen noemt hij ze niet zo. Dat leggen anderen dan nog eens uit, hoop ik.

Helaas heeft het boek geen register van (auteurs-)namen en behandelde begrippen. Ook verder zijn er wellicht details waarop aanmerkingen gemaakt kunnen worden. Zo citeert de auteur op blz. 158 Jungs uitleg van het religiebegrip (en met krachtige instemming nog een keer op p. 178) waaruit blijkt dat deze het terecht afleidt van het Latijnse religere en de kernbetekenis daarvan: ‘zorgvuldig en gewetensvol aanschouwen’, zeg maar: zorgvuldige aandacht. Dus niet het Latijnse religare dat terugbinden betekent en dat door de kerkvaders werd gebruikt om het christendom te rechtvaardigen. Namelijk als de godsdienst die terecht de mensen zou terugbinden aan hun oorsprong, wat vooral neerkwam op een verplichting betekent en oplegt: terugbinding in de orde van kerk en maatschappij. Want die oorsprong was de God die door de kerkvaders en de kerkelijke ordening gerepresenteerd werd en waaraan zij de mensen graag zagen gehoorzamen. De oudste kern van het religiebegrip is dus ‘aandacht’ en niet ‘gehoorzame terugbinding aan de oorsprong’. Dit wordt behandeld in bijvoorbeeld E. Benveniste, Indo-European Language and Society (vertaald uit het Frans), Coral Gables (University of Miamiing gerepresenteerd werd waaraan zij de mensen graag z Press) 1973. Maar als Van den Berk dan zelf zijn visie op religie geeft (pp. 274vv.) verdwijnt deze heldere uitleg als ‘aandacht’ uit het gezicht. De aanpassing aan ‘iets’ Geheel Anders buiten de mens lijkt dan voorop te staan ook al zegt hij nog zo duidelijk dat het om iets gaat waar de mens al mee verbonden is. Naar de vorm is de numineuze ervaring dan wel illusionair (in positieve zin) en zuiver menselijk. Maar naar de inhoud lijkt zij nog steeds erg op de Godservaring van de traditionele christelijke kerken, die vooral gekenmerkt wordt door het uitgaan uit en relativeren van de menselijke ervaring. Ik zou zelf graag zoeken naar een ervaring die midden in het leven blijft staan, en het gewone anders ziet.
Mijns inziens kun je dit alleen omschrijven als een vorm van je bewust worden van iets dat er altijd al is maar dat de meeste mensen meestal niet ‘zien’ (ervaren, zich bewust zijn). Het gaat immers, zegt ook de auteur in navolging van Jung, om ‘anders’ zien. Dit sluit ook aan bij de gedachte dat alles – iedere ervaring, en niet alleen een speciale ‘hogere’ of ‘geestelijke’ ervaring – numineus kan blijken voor een mens. Ik noem dit omdat het ook in het Chinese en Japanse boeddhisme speelt: doe je het zelf of wordt het je aangedaan, die verlichtende daad of ervaring? En nog sterker, bijvoorbeeld bij iemand als de Japanse Zenauteur Dogen Kigen (12e eeuw): in de verlichtingservaring is alle tijd, verleden en heden en toekomst, opgenomen. En als ergens iemand verlicht wordt, wordt op dat moment de hele kosmos verlicht.
Of is dit uitlegprobleem meer een spel van woorden dan een echt probleem? Het is ook van belang omdat Van den Berk suggereert dat er een methode zou kunnen zijn om naar die ervaring toe te werken. Het lijkt mij van belang op te merken dat dat nooit een automatisme kan zijn, dus een methode in de zin van de moderne experimentele natuurwetenschappen, maar altijd een ‘ruimte maken (of laten!) voor’. Wat opnieuw neerkomt op aandacht (geven en … loslaten). Zoals de auteur overigens ook fijn het onderscheid tussen concentratie en meditatie aangeeft.
Kortom, nog vragen en gesprekspunten te over. Maar dat geeft wel aan hoe vruchtbaar de thematiek is die hier aangesneden is door de auteur.
De voorstelling dat de numineuze ervaring of verlichtingservaring een geslaagd ‘huwelijk’ impliceert van ratio en onbewuste (en andere paren tegenstellingen die hier een rol spelen) acht ik bij voorbeeld uiterst waardevol. Als zodanig komt dit ‘huwelijk’ al voor in het oudste christendom, en in de voorlopers daarvan, maar ook uitgebreid bij bijvoorbeeld Jacob Boehme, bij Mozart en bij Jung die zijn laatste grote werk daarover Mysterium Coniunctionis noemde. En die voorstelling lijkt mij tevens een vruchtbare basis voor alweer een dialoog met vergelijkbare aspecten van de Oosterse ervaring, speciaal met betrekking tot het hierboven al genoemde non-dualisme.

De door de auteur kwijtgeraakte referentie van het gedicht op de voorlaatste pagina zal die zijn naar het gedicht ‘Woorden’ van Jacqueline van der Waals, vertaald en herdicht naar het gedicht ‘Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort’ van de jonge Rainer Maria Rilke. Ik zou overigens ook graag weten waar het intrigerende citaat van Wittgenstein dat het motto van de epiloog vormt, precies vandaan komt.
Kortom, dit is een in vele opzichten aanstekelijk boek van Tjeu van den Berk. Althans voor geïnteresseerden in een waardevolle (Westerse) visie op spirituele ervaringen in de (Westerse) wereld. Misschien dat het met wat meer voorbeelden uit andere taalgebieden – ter vervanging van te uitsluitend Nederlandse? – een interessante uitgave voor het Engelse taalgebied is. De taal is zo helder dat het vertaalwerk goed te doen moet zijn.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.