BK-Books.eu » Besprekingen » Het nieuwe boeddhisme

Bespreking van...

David Brazier, Het nieuwe boeddhisme: Suggesties voor een andere leefwijze, Rotterdam (Asoka) 2003, 316pp.

Dit boek is mijns inziens om meerdere redenen uiterst waardevol. De auteur toont aan dat het (ook) in de religie dient te gaan om het goede handelen, en dat het boeddhisme van Boeddha daarvan zijns inziens het beste voorbeeld is. Hij laat zien hoe Boeddha’s verlichting gevolgd werd door handelen dat op verbetering van maatschappelijke omstandigheden gericht was (en dat verlichting juist om die reden belangrijk is). En dat de training die hij organiseerde voor zijn leerlingen eveneens daarop gericht was. Ook laat de auteur zien dat het boeddhisme al snel in conservatiever vaarwater verzeild raakte maar ook dat er altijd impulsen bleven bestaan gericht op maatschappelijke verbetering. Hij staat zeer kritisch tegenover het streven naar verlichting als een individueel bezit zonder het erop volgende maatschappelijke handelen. Hij wijst in dit verband op de conservatieve opvatting van religie en verlichting als doelen op zichzelf zonder enige maatschappelijke verplichting; dat verfoeit hij om ethische redenen. Zijns inziens dienen we tegen geweld te zijn, voor het ondersteunen van de armen, en tegen iedere onderdrukking. Behalve op een basaal niveau – daar waar het niet onderdrukkend is en men zich er niet aan hecht – vindt hij eigendom en territorium gevaarlijk (denk aan internationals en aan naties die al gauw te ver gaan in hun verdediging ervan). Organisaties moeten niet werken aan de zekerstelling van hun eigen voortbestaan of bezit of overhead maar uitsluitend aan hun maatschappelijke doeleinden. Hij pleit voor aandacht voor verscheidenheid in plaats van uniformiteit. Hij sluit aan bij de boeiende discussie die in Japan op gang is gebracht door wat het ‘kritische boeddhisme’ is gaan heten.

Een vraag die bij mij opkwam, is de volgende. Als het waar is wat de auteur zegt – en ik ben geneigd dat met hem eens te zijn – dat de veiligheid, zekerheid en rust die natie, traditie, economische doeleinden als huizenbezit en pensioen, en ‘wet en orde’ aan mensen bieden om te leven vaak maar schijn zijn en dat ze in ieder geval ook vaak veel onvrijheid met zich meebrengen (de auteur zegt ook ergens dat het toch wel erg gemakkelijk is om in plaats van bewust en verantwoordelijk gedrag te vertonen bij het kiezen van een godsdienst, te kiezen voor het lidmaatschap van een godsdienstige groep die nauw verbonden is met een lokale gemeenschap), dan heb ik toch het gevoel dat de voorwaarden om een dergelijke keuze bewust en goed te maken bij een kleine groep mensen die de hulp en steun van anderen erg nodig hebben, nauwelijks aanwezig zijn. Met andere woorden: hoe zorg je voor die mensen die afhankelijk zijn op een zodanige wijze dat de verzorgers daar zelf geen overbodige macht aan ontlenen? En hoe kun je vermijden dat lokale groepen – bijvoorbeeld godsdienstige of economische of politieke – intern en extern macht ontwikkelen die verder gaat dan hun directe activiteit? En hoe kun je al helemaal vermijden dat groepen dat op een regionale, landelijke of wereldschaal doen? De banier waaronder traditionele groepen hun idealen maar ook hun machtsaspiraties en soms hun bekrompenheid aanprijzen is nu eenmaal vaak die van de traditie, dat wat zijn waarde in het verleden al bewezen heeft enzovoort, denk aan kerken, politieke stromingen enzovoort. De auteur geeft terecht aan dat in dit perspectief boeddhisme per definitie ‘behoren tot de oppositie’ is. Het is echter een feit dat wat het beste is, steeds opnieuw in de nieuwe situatie bepaald dient te worden en dat waarheden vaak maar een beperkte geldigheid hebben. En dat dan voor sommigen de traditie dan toch meer steun en richting biedt dan voor diegenen die het in hun mars hebben om nieuwe richtingen te ontdekken en uit te proberen. Anders gezegd: de traditionele groepen hebben de oppositie en de vernieuwing hard nodig, maar omgekeerd moet de oppositie en de vernieuwing niet te gauw alles van de traditie op de ene hoop van de onvrijheid, de schijnzekerheid en het machtsmisbruik gooien: de maatstaf blijft of en hoe mensen die het nodig hebben er het beste mee geholpen zijn, op lange en op korte termijn, en dat afgewogen tegen het risico dat hun helpers aan hun positie meer ontlenen dan de zekerheid dat ze echt helpen, bijvoorbeeld een eigen machtspositie. De ‘macht’ van de oppositie is trouwens ook een riskant punt, lijkt me, want oppositie slaat gauw om in betweterij en slecht naar anderen luisteren. De auteur pleit overigens steeds voor dialoog. Ik kom zelf uit een traditioneel kerkelijk en plattelandsmilieu en heb ook ervaring met alternatieve groepen in grote steden, en ik vind dit een belangrijk punt. Ik heb bovendien het vermoeden dat de auteur ook zowel in traditionele als in alternatieve groepen ervaringen heeft opgedaan. Misschien had hij hier nog meer over kunnen zeggen.

Volgens de auteur is het waardevol om ons te laten inspireren en leiden door onze visioenen van een nieuwe wereld. In het Westen zijn wij gewend die af te doen als utopieën die niet realiseerbaar zijn. In het boeddhisme zijn er de visioenen van het Zuivere Land die weliswaar nog niet bereikt zijn maar wel over een voor ons bewoonbare en bereikbare wereld gaan.
Veel wat de auteur zegt is herkenbaar voor christenen met een kritische aandacht voor ethische en sociale vraagstukken.
Het grote verschil is dat Brazier laat zien dat de verlichting in boeddhistische zin – althans de daarop gericht training – leidt tot het sterke karakter dat nodig is om door te gaan met maatschappelijke verbetering terwijl ik de indruk heb dat veel christenen toch in een vergelijkbaar vaarwater terecht zijn gekomen als de conservatieve boeddhisten die hij beschrijft (waarbij het spirituele doel een doel op zich geworden is), en hij maakt het interessante punt dat de training van de Boeddha zowel op de verlichting als op het ethische en dus maatschappelijke handelen is gericht. Interessante vraag: geldt dit in oorsprong ook niet voor wat Jezus met zijn leerlingen op het oog had, namelijk een combinatie van spiritueel ontwaken en maatschappelijke verbetering? Ook bij de geschiedenis van wat uit de impuls van Jezus groeide is duidelijk op te merken dat de conservatieve ‘kerk’ die enkele eeuwen later ontstaan was – nota bene nauw verbonden met de staat – een deel van Jezus’ oorspronkelijke inspiratie overboord had gezet door de maatschappelijke verbetering onder de hoede van traditionele instellingen van kerk en staat te brengen, iets wat Jezus zeker niet bedoeld heeft. Maar hoe ontwikkelen wij een sterk karakter, moed en doorzettingsvermogen om de goede weg te blijven volgen?! En hoe houden wij onze visie helder als het om de weg gaat waarlangs wij kunnen helpen het lijden dat voorkomen kan worden, daadwerkelijk te voorkomen?!
Een van de buitengewoon sterke kanten van dit boek is dat Brazier vervolgens laat zien welke risico’s en onevenwichtigheden op de loer liggen bij het samenwerken van mensen die hun leven leiden in dit perspectief. Onder meer een heel hoofdstuk over de spannende verhouding tussen leraar en leerling in het boeddhisme. En hij geeft buitengewoon helder aan hoe we valkuilen kunnen vermijden en dat er wegen open staan om door te gaan zonder in illusies en moedeloosheid te vervallen. Ook biedt hij een scherpe kritiek op het economische en maatschappelijke systeem dat in de wereld is gaan heersen. Persoonlijk ervaar ik de rol van de media als een van de gevaarlijkste factoren in de inkapseling van velen van ons in dit wereldsysteem – dat Brazier terecht als een nieuw kastensysteem omschrijft waardoor velen onderdrukt worden. Zij die naar onze landen komen om hier een bestaan te vinden, legaal of illegaal, weten dat onze mate van vrijheid en rijkdom alleen kan bestaan door een minstens zo grote mate van economische en maatschappelijke onderdrukking in andere gebieden. Maar beide maken deel uit van hetzelfde systeem. Daar moeten we net zo min voor weglopen als de Boeddha dat deed.

Hij is in dit boek vooral in gesprek met boeddhistische stromingen in het Westen. En veronderstelt zeker enige bekendheid met de geschiedenis van het boeddhisme. Maar zijn opmerkingen zijn vaak ook in andere contexten interessant dus voor een veel grotere groep lezers, zeker ook christenen die geïnteresseerd zijn in het boeddhisme, en zeker ook alle mensen die geïnteresseerd zijn in het ontwikkelen van maatschappelijke verbetering die verscheidenheid en een rol voor spirituele inspiratie toelaat. De auteur is naar zijn zeggen in zijn jonge jaren zowel in christelijke groepen actief geweest als in maatschappelijke bewegingen, en dat is nog goed te merken al weidt hij daar nauwelijks over uit.
Waarschijnlijk is het zo dat zelfs dit rijke boek nog vele vragen onbeantwoord laat. De auteur geeft aan dat hij zelf ook steeds in ontwikkeling is geweest. Het boek bouwt ook zeker voort op en zet de lijn voort van zijn eerdere zeer sterke boek The Feeling Buddha, hieronder besproken. Het perspectief en de vele richtinggevende opmerkingen bieden rijke stof tot overweging en discussie. En – voor wie eventueel wil – tot het maken van weloverwogen keuzes. De ondertitel van het boek geeft dat terecht aan: suggesties voor een andere leefwijze.
Het boek leest bovendien als een trein. Zeer aanbevolen. Niet het laatste woord, en ook niet de uiteindelijke verwoording, zoals de auteur in het voorwoord al schrijft. Maar een enorme stimulans voor wie daaraan behoefte heeft.

Ik heb nog enkele vragen bij dit boek. In de eerste plaats zijn dit opnieuw letters en woorden, terwijl het om het levende voorbeeld, de ervaring en het handelen zelf gaat. Wanneer we voor een weg kiezen en keuzes maken, zal dat een eigen weg zijn voor ieder van ons. Deels vergelijkbaar – en in zoverre kunnen we ons laten inspireren – maar deels ook uniek, en dan is het belangrijk alleen of samen met anderen om ons heen toch door te gaan en die eigen weg verder te gaan, vol te houden en door te zetten. De auteur is buitengewoon helder en inspirerend maar soms denk ik toch wel eens dat hij nog gelooft dat er één juiste theorie is die alles kan formuleren (hij noemt dit als een vroeger standpunt van hem, toen hij meende dat alle waardevolle opvattingen tot één visie zouden kunnen worden samengevat). Natuurlijk zal hij dat niet meer willen maar het is misschien goed dit nog eens te zeggen, ook al staat de praktische waarde van dit veelomvattende boek met zijn vele waardevolle visies en op de praktijk gerichte opmerkingen voor mij buiten kijf. Het is nodig altijd zo duidelijk mogelijk te zijn, maar geen uitspraak over de werkelijkheid kan definitief zijn omdat de werkelijkheid, taal incluis, steeds verandert. Het is heel erg belangrijk steeds opnieuw uitspraken te doen en te toetsen. Dat is ook wat de auteur zegt na te streven, trouwens. Maar het blijft vaak op unieke praktische situaties aankomen, en dan zijn de letters en woorden soms ineens maar een onderdeel van het beslissingsproces, hoe belangrijk ook als referentie. Onze persoon hoort er dus heel erg bij. Ik wil hier overigens ook graag verwijzen naar de Amida Trust, de actieve beweging die de auteur stichtte en die past bij wat hij in dit boek naar voren brengt. Op Internet heeft de auteur een eigen site waar diverse informatie te vinden is.
In de tweede plaats heb ik een opmerking bij de weergave van een van de conservatieve opvattingen van verlichting die de auteur beschrijft, namelijk de non-dualistische opvatting. De auteur legt er nadruk op dat in het verleden met deze opvatting van verlichting – dat je ‘met woorden alle kanten uit kunt’ ofwel ‘dat alles verlichting is’ – veel recht is gepraat wat krom is, en dat deze opvatting dus ethisch niet door de beugel kan. Maar hij refereert nergens aan een veel fundamentelere, andere non-dualistische opvatting van verlichting die zich beperkt tot het zich bewust zijn van het relatieve karakter van taal. Namelijk dat al onze begrippen nooit absoluut opgevat mogen worden maar altijd (ook) slechts namen zijn. (Voor een eerste indruk van non-dualisme zie bijvoorbeeld Thich Nhat Hanh’s uitleg van het Diamant-soetra; of mijn lezing over ‘Verlichting en het niet dualistisch omgaan met tegenstellingen’, met name tegen het eind.) Ik vind de kritiek van David Brazier op het onethische gebruik van de non-dualistisch opgevatte verlichting heel terecht als je non-dualisme uitlegt zoals hij doet (overigens in navolging van vele anderen, en dat maakt zijn standpunt des te begrijpelijker en waardevoller). Dat is inderdaad gevaarlijk als je het niet ethisch opvat of uitwerkt. Maar wat ik jammer vind is dat hij de basis van de non-dualistische opvatting van taal – zoals je die bijvoorbeeld in het Diamant-soetra (zie ook het boek van Mu Soeng erover) tegenkomt – niet noemt. Want dat is naar mijn indruk een heel waardevol gegeven in filosofisch opzicht, om overeind te houden dat er meerdere culturele kaders en talen zijn dan die waarin we op een bepaald moment en in een bepaalde omgeving verkeren. Niet alleen ons handelen vereist steeds opnieuw keuzes, maar ook ons spreken en denken vindt steeds opnieuw plaats in nieuwe omgevingen en moet steeds opnieuw geijkt worden aan het criterium of we elkaar nog wel begrijpen. Waar ik het met de auteur van harte eens zou zijn, is dat hij wellicht zou stellen dat dit dan niet aan onderdrukking mag bijdragen. Precies, daarom is het zo belangrijk op taal te letten. En daarom blijft open discussie altijd belangrijk.
Ik merk graag op dat de taal van de auteur niet alleen oproept tot keuzes en tot handelen maar ook getuigt van respect voor tegenstanders en van zorgvuldige afweging. Buitengewoon stimulerend en een groot plezier om te lezen.

Van dit boek kunnen heel veel mensen heel veel leren, denk ik. Ook wie het niet (helemaal) eens zijn met de auteur, of wie er nog verder over na willen denken. Want de auteur schrijft over al zijn onderwerpen zo helder dat je, ook als je het niet met hem eens bent, je eigen mening aan de zijne kunt toetsen of ontwikkelen.
Ik zou graag veel uit dit boek willen citeren maar ik raad aan het boek zelf te lezen. Het is te rijk dan dat een citaat of wat die rijkdom kan samenvatten. Toch eentje dan: “Het woord boeddhisme betekent ‘de weg naar verlichting’. Je kunt het een religie noemen, of een manier van leven, of een visie op menselijke vervolmaking. Vijfentwintighonderd jaar lang is het een licht geweest voor hen die graag een beter leven wilden leiden en een betere wereld wilden scheppen, zonder toevlucht te zoeken in bijgelovig escapisme (wegvluchten uit de realiteit BK) aan de ene kant en gewelddadige dwang aan de andere. Verlicht zijn betekent meedogend, tolerant, redelijk, moreel en betrokken zijn in een leven dat ten dienste staat van de mensheid – dat bijdraagt aan de emancipatie van alle levende wezens van lijden en uitbuiting die te vermijden zijn.” (11) Ook als het boeddhisme – zelfs als aanduiding voor een historische en actuele werkelijkheid – niet het laatste woord over ‘de’ waarheid is maar ‘slechts een naam’ – en dat is mijn opvatting – dan vind ik ook dat als die naam verwijst naar een betere wereld waarvan hij het visioen in zich herbergt, er heel wat minder belangrijke namen zijn om de betekenis ervan tot ons door te laten dringen.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.