BK-Books.eu » Besprekingen » Het Grote Boek der Apokriefen

Bespreking van...

… Jacob Slavenburg (red.), Het Grote Boek der Apokriefen: Geheime vroegchristelijke teksten, [ met lijst van geraadpleegde literatuur, en register van vooral de vele namen en enkele hoofdzaken, ] Deventer (Ankh-Hermes) 2009, 1170pp.

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onder meer op deze pagina:

Inleiding

Opnieuw verrast uitgeverij Ankh-Hermes ons via zijn top-auteur Jacob Slavenburg met een bijna 1200 dundrukpagina’s grote verzameling van teksten uit de eerste eeuwen van het christendom. Ditmaal niet de gevarieerde geschriften gevonden op één plek, Nag Hammadi*. Maar een – als ‘vrijwel kompleet’ aangekondigde en omschreven – verzameling “apocriefe” geschriften uit de eerste eeuwen. “Apocrief” wil letterlijk zeggen “verborgen” (ofwel “geheime”) geschriften maar het is vooral de naam die later – grofweg vanaf de vierde eeuw waarin de ‘katholieke’ (op uiterlijke eenheid en bestuurbaarheid van de zeer diverse kerken in het Romeinse Rijk gerichte) selectie tot stand kwam die het Nieuwe Testament ging heten – gegeven werd aan de geschriften die hier niet in pasten. Op zichzelf zegt deze benaming dus weinig over de visies van de auteurs zelf, omdat de meeste van deze geschriften (of hun schrijvers en oorspronkelijke lezers) er nooit voor gekozen hebben om onder deze noemer verzameld te worden; het waren zeker ook niet minder populaire geschriften. En een eventueel verband met de mogelijk bewust geheimzinnige inhoud van een of meer van de teksten, zegt in ieder geval niets over de verzameling teksten als geheel.

* Door Ankh-Hermes eerder uitgegeven als De Nag Hammadi-geschriften, in de vertaling van Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans. Een verzameling ketters verklaarde maar populaire – en niettemin vaak diepgravende – werken die waarschijnlijk omstreeks het einde van de vierde eeuw verstopt werd door monniken van een klooster dat gemaand werd zich aan de dan nog maar kortgeleden vastgestelde canon van heilige geschriften te houden die wij als het Nieuwe Testament kennen. Hiervan maken deel uit het beroemde Evangelie van Thomas met uitsluitend spreuken van Jezus en het Evangelie van de waarheid, toegeschreven aan Valentinus; verder onder andere het Geheime boek van Johannes en andere gnostische en hermetische werken. Het kan goed verdedigd worden dat deze geschriften ook onder de noemer ‘apocriefen’ vallen, als men dat zou willen.

Met de geschriften van Nag Hammadi heeft deze bundel gemeen dat zij laat zien dat het Nieuwe Testament een selectie is uit een veel grotere verzameling van teksten. De noemer ‘gnostiek’ – vanwege de nagestreefde ‘gnosis’ (ofwel hogere spirituele kennis en bewustzijnsverandering) – wordt als te breed en te algemeen inmiddels niet meer goed bruikbaar geacht, en dus ook niet voor de Nag Hammadi teksten. Zij kan beter alleen gebruikt worden voor een afzonderlijk kenmerk van teksten, opvattingen of groepen, niet als benaming van stromingen als geheel (zo werden ze in de oudheid ook niet genoemd), juist omdat dat kenmerk in steeds nieuwe vormen van tijdperk tot tijdperk opduikt. In die zin komt het woord gnostisch min of meer overeen met het woord esoterisch zij het dat gnostisch meer op de inhoud (hogere kennis) slaat en esoterisch meer op het naar binnen gericht zijn (in beide gevallen meestal – maar niet noodzakelijkerwijs! – in combinatie met complexiteit die slechts voor een beperkte groep realiseerbaar is, en die als hoger gezien wordt dan geringere, voor meer personen realiseerbare complexiteit).

Het accent in het wetenschappelijk onderzoek ligt tegenwoordig meer op het in kaart brengen van de verschillende stromingen waaruit de teksten voortkomen, stromingen die soms meer van elkaar verschillen dan op elkaar lijken, en dat laatste niet altijd. Pas langzamerhand wordt een nieuw beeld van de eerste eeuwen van het christendom zichtbaar, en dat proces is zelfs bij de meest gevorderde onderzoekers nog niet voltooid. Eenvoudig omdat het om teveel materiaal gaat dat teveel voor vast gehouden vooronderstellingen en opvattingen over het ontstaan van het christendom omver werpt. Allereerst wordt duidelijk dat het een voortzetting van het jodendom was – en dit niet als monolithisch blok maar als een veelvoud van ‘takken van een boom’. Waaruit mede tegen de achtergrond van de verwoesting van de tempel omstreeks het jaar 70 het nieuwere vormen van jodendom ontstonden waaronder – al gauw in scherpe tegenstelling tot elkaar – het jonge christendom en het rabbijnse jodendom. Dat jonge christendom kende binnen de kortste keren ook vele takken en takjes, gebaseerd op verschillende mengingen met inspiraties uit verschillende geografische en culturele en religieuze omgevingen (Alexandrië in Egypte; Palestina en Syrië; Klein-Azië en Griekenland; Noord-Afrika; Rome; Spanje en Gallië). En van alle stromingen die we kennen geldt, dat we ze voornamelijk kennen uit hun geschriften of uit brokstukken daarvan.

Alleen al omdat er nu langzamerhand een begin gemaakt wordt met het publiceren daarvan in de moderne talen, waaronder ik hier ook het Nederlands reken, is deze nieuwe bundel een uiterst waardevolle verschijning. Ik kom verderop nog terug op datgene wat er nu nog niet is: een nieuwe visie in hoofdlijnen op de geschiedenis van jodendom en christendom in de hellenistische tijd, en een volledige publicatie van alle daarvoor relevante teksten.

Back to top

Overzicht

De nieuwe bundel – waarmee alle lezers maar zeker ook de vertalers, de redacteur en de uitgever te feliciteren zijn – is ingedeeld langs op het eerste gezicht voor de hand liggende lijnen. Zo blijkt dat na een kleine honderd ‘uitspraken van Jezus’ (25-42) – een logisch begin – en een overzicht van fragmenten van verloren gegane evangeliën (43-80) een vijftal wel min of meer volledig overgeleverde ‘evangeliën’ volgt (81-174), waaronder het recent ontdekte van Judas.

Daarna komen ‘verhalen over de jeugd van Jezus’ (175-206) aan de orde, en dan een verzameling verhandelingen en brieven op naam van apostelen (207-290) gevolgd door een aantal ‘Handelingen’ – boeken over de daden – van diverse apostelen of apostelen samen (291-520). Van de nieuwtestamentische volgorde ‘evangeliën – handelingen – brieven’ is hier dus iets afgeweken omdat eerst de ‘brieven’ en dan de ‘handelingen’ worden opgevoerd. Logisch volgens hetzelfde stramien is dan wel dat vervolgens ‘openbaringen en visioenen’ (521-588) aan de orde komen. Het stramien wordt min of meer verlaten wanneer daarna achtereenvolgens ‘orakelspreuken’ (589-716) en ‘vroege kerkgeschiedenis’ (717-726) volgen.

Min of meer los van de rest zijn aan het eind dan ‘vroege teksten uit Edessa’ (727-824), ‘gnostische teksten’ (825-900) en ‘de roman van Pseudo-Clemens’ (901-1144) geplaatst.

De teksten worden voorafgegaan door op de afzonderlijke geschriften gerichte inleidingen met vaak nuttige informatie en gevolgd door enkele aantekeningen en noten. Er is een lijst van geraadpleegde werken (waaronder ook recente en waar mogelijk Nederlandstalige); en een nuttig register van namen (en enkele zaken).

Back to top

Beoordeling

Het is een feit dat deze bundel uiterst belangwekkende en interessante geschriften bevat die met deze uitgave in vertaling voor een groot Nederlands publiek beschikbaar komen in een tot nu toe ongekende omvang. Boeiend is dat min of meer tegelijk de vertaling van een aantal vergelijkbare teksten van andere vertalers gereed is gekomen, niet zo compleet als de voorliggende, maar het is natuurlijk een grote luxe om dezelfde vroeger nauwelijks te vinden of moeilijk te verkrijgen tekst – en dan nog alleen in de grondtaal of in een vertaling naar een niet-Nederlandse taal – nu in tweevoud ter beschikking te hebben en de twee vertalingen met elkaar te kunnen vergelijken. Dat betreft BUITEN DE VESTING: een woord-voor-woord vertaling van alle deuterocanonieke en vele apocriefe Bijbelboeken: vertaald door Pieter Oussoren en Renate Dekker, Vught (Skandalon) 2008,[ met diverse inleidingen en diverse bijlagen,] 680pp.**

** Geschriften die in beide nieuwe verzamelingen voorkomen zijn: Het voor-evangelie van Jacobus (of: De geboorte van Maria), Het evangelie van Tomas de Israëliet (of: De jeugdvertellingen van Thomas), Het evangelie van de Ebionieten, Het evangelie van Petrus, Het evangelie van Nicodemus, Het evangelie van Judas, De Handelingen van Petrus, De Handelingen van Paulus en Tekla, De Handelingen van Johannes, De openbaring van Paulus, en De Sibillijnse Orakels. Dit zijn geen van alle omvangrijke geschriften. Qua percentage zijn de overeenkomsten tussen Het Grote Boek der Apokriefen en BUITEN DE VESTING slechts gering. Hoewel BUITEN DE VESTING voor ongeveer de helft bestaat uit de deuterocanonieke Bijbelboeken (op zichzelf eveneens een waardevolle basis voor vergelijking met de diverse andere Nederlandse vertalingen daarvan), vullen Het Grote Boek der Apokriefen en BUITEN DE VESTING elkaar – vanwege die andere helft – wel aan, zij het dat de resterende teksten van BUITEN DE VESTING meestal deel uit maken van de Nag-Hammadi geschriften en dus een interessante parallel vormen met de eerdere Ankh-Hermes uitgave! Erg leuk is de opmerking van de vertalers van BUITEN DE VESTING over de inhoud van hun ‘aprociefe’ teksten: “Ten slotte, maar slechts ten slotte, hopen we dat onze vertaling van ‘populaire’ apocriefen als de evangeliën van Tomas, Judas, Filippus en Maria Magdalena ontnuchterend zal werken op de gedachte dat ‘de officiële kerk’ de mensheid een aantal grote geheimen heeft onthouden die in deze geschriften onthuld zouden worden; de aandachtige lezer merkt dat er niet zoveel onthuld wordt en waarschijnlijk ook niet zoveel verborgen is. Sam Janse is daarin onze gids voor een van de nieuwe mythen; zie de bijlage achterin dit boek [gedoeld wordt op het opstel ‘Was Jezus getrouwd?’ op de pp. 659-663]. Er is meer ‘Bijbel’ dan er is, dat moge duidelijk zijn. God zegene dat.” (11) Hoewel hier zeker een andere instelling en een andere voorkeur spreekt dan in Het Grote Boek der Apokriefen, vermoed ik dat de redacties en uitgevers van beide bundels met elkaars publicaties erg tevreden zijn. Zij kunnen elkaars werking – en verkoopcijfers – versterken. Vergeet trouwens niet dat voorafgaand aan het citaat juist wordt gezegd dat de ‘apocriefe’ teksten inderdaad vaak om te smullen zijn. Dat geldt inderdaad van die in beide bundels. En in Het Grote Boek der Apokriefen wordt een eerdere vertaling (de zogeheten Naardense Bijbel zonder de deuterocanonieke boeken; ook BUITEN DE VESTING is dus een vervolg op een eerder groot en groots werk) van Pieter Oussoren een ‘absoluut meesterwerk’ (20) genoemd.

Stof te over voor geïnteresseerden om zich er eens goed in te verdiepen. Zij het liefst wel met deskundige informatie over diverse historische achtergronden van de teksten er bij. De lezer die gaat vergelijken zal op sommige punten grote verschillen ontdekken, niet alleen in de vertalingen (dat komt niet alleen door het verschil in taalgebruik maar ook door de voor de vertaling gebruikte originele teksten, deels vertalingen in andere moderne talen!) maar ook in de toelichtingen (omdat er nogal wat verschillende opvattingen en onzekerheden zijn en iedereen eigen zegslieden gebruikt of een eigen standpunt voor de hand vindt liggen!). Overigens is de grootste waarde van de vertaalde en beschikbare teksten mijns inziens allereerst dat er een begin gemaakt kan worden met het zelf lezen ervan door mensen van nu, en vervolgens met het stellen van allerlei vragen naar aanleiding ervan, of met welke andere reacties dan ook. Sommige teksten zullen direct aanspreken of aanleiding tot vragen of reacties geven, andere zullen bijvoorbeeld allereerst interessant zijn in historisch opzicht of door de variante kijk of lezing die ze bieden. Al blijft ook dan goede informatie over de historische context uiteraard van grote waarde.

Back to top

Zonder ook maar iets op de betekenis van andere teksten in de bundel af te dingen, is het mijns inziens van grote betekenis dat bepaalde geschriften voor een grote groep mensen nu direct in het Nederlands beschikbaar zijn gekomen. Ik noem:

  • Het Geheime evangelie van Marcus (omdat de opgewekte Lazarus hierin geschetst wordt als een in een nachtelijk ritueel ingewijde, en er een zekere aanspraak op oorspronkelijkheid van deze aanvulling op het evangelie van Marcus is)
  • De evangeliën van de Egyptenaren, de Hebreeën, de Nazorenen en van de Ebionieten en de Roman van Pseudo-Clemens (omdat dit zeer belangrijke verwijzingen zijn naar de nog eeuwenlang bestaande groepen Joodse christenen en hun geschiedenis)
  • De Handelingen van Thomas, en Bardaisan: Het boek der wetten in verschillende landen, en De Oden van Salomo, en nog een aantal vroege teksten uit Edessa (omdat die net als het Evangelie van Thomas voortkomen uit en verwijzen naar het belang van de nog eeuwenlang bestaande Syrische christelijke stromingen die een zeer authentieke en grote invloed hebben gehad op het Oosters-orthodoxe christendom, en indirect dus ook op het West-Europese dat daarmee tot de elfde eeuw officieel helemaal een was, en waarschijnlijk ook op het manicheïsme en op de islam die onder andere in die gebieden vanaf de derde respectievelijk vanaf de zevende eeuw een grote rol gingen spelen)
  • Diverse openbaringen en visioenen (omdat dit een historisch veel belangrijker categorie is dan meestal wordt aangegeven, vergelijk de Openbaring van Johannes die wel in het Nieuwe Testament is terechtgekomen; zij bouwen voort op een belangrijke traditie openbaringsgeschriften in het Jodendom die hieronder genoemd wordt en waarvan ook weinig in Nederlandse vertaling beschikbaar is, met uitzondering van het deuterocanonieke boek Henoch en verschillende teksten van de Dode-Zeerollen)
  • Het evangelie van Mani (als getuige van het zichzelf als christelijk beschouwende manicheïsme)
  • Excerpten uit het werk van Theodotus, de Brief aan Flora en twee Gnostische teksten uit de Bruce-Codex: de Gnostische verhandeling en de Gnostische hymne (omdat die zeer belangrijk zijn voor de geschiedenis van de Valentiniaanse respectievelijk Sethiaanse stromingen)

De redacteur van deze nieuwe bundel in het Nederlands vertaalde teksten geeft terloops aan dat dit niet de complete verzameling van boeken is die niet in het Nieuwe Testament terecht gekomen zijn. Hij verwijst immers naar de al eerder verschenen Nag Hammadi geschriften die uiteraard vallen onder de noemer van de boeken ‘die niet in het Nieuwe Testament terecht kwamen’, en bovendien vaak een duidelijk bewust ‘geheim’, althans voor leken verborgen, karakter hebben. In die zin is deze bundel een vervolg op die van de Nag Hammadi geschriften.

De redactie noemt van de overige niet in het Nieuwe Testament terecht gekomen geschriften terloops wel de – door de latere orthodoxie als acceptabel beschouwde – Apostolische Vaders (een benaming uit de achttiende eeuw van teksten van een aantal eerste kerkvaders uit de tweede eeuw), de Pastor (eigenlijk “beschermengel”) van Hermas, en een aantal geschriften van wat later de kerkvaders zijn gaan heten (die meestal uit later tijd stammen maar er zijn er ook heel wat uit de tweede en derde en vierde eeuw). Van deze allen geldt dat ze standpunten hebben die minstens een tijd lang als orthodox erkend – of gedoogd, zoals de kerkvaders Clemens van Alexandrië en Origenes – zijn door de katholieke kerk. Van deze geschriften treft men vrijwel niets aan in deze verzameling op een enkele uitzondering na, namelijk in het deel ‘vroegchristelijke verhandelingen en brieven’. Ook de beroemde kerkgeschiedenis van Eusebius ontbreekt dus, op enkele belangrijke citaten na van Papias en Hegesippus in het deel ‘vroege kerkgeschiedenis’.

Back to top

Gelukkig is wel een mooi begin gemaakt met de vertaling van teksten uit de oostelijke gebieden waar nog Aramees en Syrisch werd gesproken en geschreven, met belangrijke authentieke, maar op dit moment veelal nog te weinig bekende vormen van christendom die weliswaar later voornamelijk werden opgeslokt door de islam (en daarop ook de nodige invloed uitoefenden!) maar die toch een eigen karakter hadden, dat ook – en nog steeds – sterk doorklinkt in het oosters-orthodoxe christendom.

Dat geldt echter evenmin nog voor diverse andere schrijvers die vanaf de laatste eeuwen voor Christus tussen Jodendom, Hellenisme en – uiteraard pas vanaf de stormachtige ontluiking daarvan – Christendom hun plek probeerden te vinden zonder dat ze in het rabbijnse jodendom of het orthodoxe, katholieke christendom onder te brengen zijn, al zijn ze er in veel opzichten mee verwant: schrijvers uit de eerste eeuw als de Joodse filosoof Philo van Alexandrië (voorloper van Clemens van Alexandrië en Origenes), de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus, en een aantal bijzondere Joodse stromingen zoals de Essenen, de troonwagenmystici en apokalyptici (alle deels verwant aan Jezus en een groot aantal geschriften in en buiten het Nieuwe Testament) of de opkomende verbindingen van joodse en griekse voorstellingswijzen of cultische praktijken (waaruit niet alleen de Nag Hammadi-geschriften voortkwamen inclusief filosofische werken maar die ook invloed hadden op de geschriften van het ontluikende christendom). Al moet geprezen worden dat diverse openbaringen en visioenen uit de eerste eeuwen zijn opgenomen die hier op voortbouwden.

Dit alles maakt nieuwsgierig naar een beredeneerde verklaring waarom dit “grote boek der Apokriefen” vrijwel compleet zou zijn: het bevat (lang) niet alle geschriften die onder die noemer zouden kunnen vallen (wie trouwens weten wil om hoeveel en welke geschriften het zo al gaat, kan uitstekend op internet terecht, waar niet alleen vele vertalingen van de teksten voorkomen – wel vaak oudere, dus opletten geblazen! – maar ook hele sites met verzamelingen van al deze niet in canons terecht gekomen maar daarom inhoudelijk niet minder interessante dan wel historisch niet minder belangrijke geschriften). Gesteld al dat de noemer duidelijk en handhaafbaar zou zijn. Dat blijkt ook heel duidelijk uit het feit dat in de hier besproken bundel immers ook teksten opgenomen zijn die niet door de latere orthodoxie verketterd zijn, evenals teksten die niets apocriefs hebben behalve dat ze niet in het Nieuwe Testament terecht gekomen zijn. Kortom, hoe moeten we de keus voor dit criterium opvatten?

Ik denk dat het een juiste opvatting is dit niettemin indrukwekkende boek te betitelen als “een nieuwe verzameling onbekende teksten uit de eerste christelijke eeuwen” – maar dan kan er ook beter aan toegevoegd worden: “nog lang niet compleet”. Het eigenlijke criterium is wellicht meer als volgt door de redacteur omschreven: “inspirerende en ontroerende geschriften, getuigen van een indringende spiritualiteit” (11). En op dezelfde pagina: “bont gekleurde verzameling van geschriften uit verschillende richtingen binnen het vroege pluriforme christendom”. Of nog duidelijker in de algemene inleiding enkele pagina’s later: “Opzet is hierbij een zo prettig mogelijk lezende vertaling van de bonte verzameling van vroegchristelijke geschriften die niet in het Nieuwe Testament van de Bijbel zijn opgenomen. Het is geen wetenschappelijke uitgave met veel annotaties, woord- en naamsverklaringen en talloze verwijzingen naar Bijbelplaatsen, maar een wetenschappelijk verantwoord leesboek.” (19)

Ik zie dat wetenschappelijke zeker hier en daar terug in deze vertalingen en hun toelichting, maar op één punt niet: in het verwerken of aan de orde stellen van belangrijke ‘systematische’ vragen die allerlei historische ontwikkelingen raken (welke patronen er regelmatig terugkeren en welke niet). Preciezer: ook deze uitgave laat – eindelijk (en soms voor het eerst) aan een groter publiek, dat wil zeggen aan ons allemaal! – veel mooie bladeren en bloemen aan de boom zien, maar nog heel weinig over het takkenstelsel, over de wortels en over de omgeving, alles in historische zin. De bladeren (“mooie en ontroerende spiritualiteit”) zijn nog geen takken en wortels (de historische ontwikkeling van samenhangende stromingen en hun oorsprongen).

Het christendom is immers net als het rabbijnse jodendom dat tegelijk met het orthodoxe christendom ontstond, een vertakking van een en dezelfde boom, waaraan enkele eeuwen later ook nog eens de islam zou ontspruiten, allemaal met veel bladeren en bloemen met “mooie en ontroerende spiritualiteit”. En we kunnen die ene boom echt niet los zien van de hellenistische omgeving met bomen als de mysteriereligies, het hermetisme, de wijsheidsscholen en zo meer waaruit takken als het Valentinianisme, het Sethianisme en diverse andere christelijke gnostische stromingen ontstonden, soms op hun beurt weer van invloed op het christelijke en gnostische manicheïsme. Dat daar later een laag filosofie bovenop is gelegd, vanwaaruit een dogmatiek is ontwikkeld, die vervolgens die hele bomenwereld heeft pogen te doen vergeten (met geweld en al) dat komt daar als verhaal nog bovenop (door de nieuw ontdekte geschriften blijkt onmiskenbaar ook de geschiedenis van joodse, christelijke en islamitische filosofie en ‘dogmatiek’ soms ingrijpend te kunnen worden herschreven).

Kortom, ook voor dit (dus niet complete) boek is een keuze gemaakt waar we het even mee zullen moeten doen. Gelukkig maar! De grote historische lijnen, en de daaruit voortvloeiende spannende nieuwe vragen, komen hopelijk vanzelf ook een keer aan de orde. Bijvoorbeeld: wat hebben we aan deze teksten en aan de geschiedenis van de – zeer uiteenlopende! – groeperingen en personen achter deze teksten voor ons leven nu, individueel en samen, in de context van onze samenleving en tijd? En misschien kunnen we het dan ook omdraaien en onze vragen van nu stellen aan die teksten en de mensen er achter, wellicht ook andere vragen dan die van de redacteur en zijn team, hoe bekwaam en veelzijdig ook. Want waarom zouden we gebonden zijn aan een criterium als ‘niet in aanmerking gekomen voor het Nieuwe Testament’, terwijl wij die keuze opnieuw hebben als we ons in de verschillende mogelijkheden zouden (kunnen) verdiepen? Dat wordt nog spannend! Deze vertalingen en deze uitgave draagt zeker aanzienlijk bij aan het leggen van een basis daarvoor.

Back to top

Te verwachten toename van onze kennis van de stromingen

Als historicus zou je het liefst een indeling aantreffen die past bij de wijze waarop de verschillende takken aan de stam en elkaar ontspruiten en op elkaar volgen, zodat je goed de ontwikkelingen kunt volgen. Zover is de bestudering van alle nieuw ontdekte teksten echter nog nauwelijks, al zal dat in de eerstvolgende decennia ongetwijfeld wel het geval zijn, als de eerste min of meer algemeen geaccepteerde versie daarvan verschijnt – het eerste nieuwe grote overzichtswerk van de eerste eeuwen van het christendom dan wel enkele uiteenlopende voorlopige versies hiervan. In de voorliggende bundel kun je de verschillende takken nauwelijks van elkaar onderscheiden, en om dat wel te kunnen doen, dien je een grote hoeveelheid van de geschriften die bij die tak horen, in de goede volgorde te presenteren en behandelen, en daarvoor moet je dan putten uit een verzameling die zoals hierboven veel meer omvat dan wat in deze bundel staat. Bijvoorbeeld kun je denken aan het boek De dertiende apostel van Professor April DeConick – een onmisbare gids voor het lezen van het evangelie van Judas – dat een aantal van die stromingen beschrijft en een beredeneerde bibliografie biedt van relevante literatuur op dit gebied.

Daarom heeft de redactie een andere keus gemaakt, namelijk het bij elkaar zetten van geschriften die qua onderwerp of vorm iets of veel gemeenschappelijks hebben. Het geheel is daardoor erg veelvormig en gevarieerd geworden, omdat je steeds van de ene tak van de boom (een bepaalde stroming of traditie) naar de andere springt en dat kan de aandacht erbij houden. Het bevordert natuurlijk niet het overzicht van de historische ontwikkelingen in hun geheel!

Wel is daarbij nog een ander criterium gebruikt, namelijk de overeenkomst met de genres die in het Nieuwe Testament te vinden zijn. Dat is natuurlijk enigszins wonderlijk want die genres hebben daar een theologische volgorde en structuur. Historisch gezien zijn hele andere volgordes denkbaar: althans qua historische volgorde van de ideeën zouden eerst de brieven van Paulus en Jacobus dienen te komen, dan de evangeliën van Markus en Matteüs en de Openbaring van Johannes, en daarna het evangelie van Lukas en zijn Handelingen van de apostelen, gevolgd door het evangelie van Johannes dat duidelijk opvattingen weergeeft die meer in de richting van de latere katholieke wijzen, namelijk een verdere verklaring van Jezus in termen van hellenistische denken zoals dat het Joodse toen beïnvloedde. Jezus verkondigde het koninkrijk van God, niet zichzelf als de Opgestane.

De huidige – niet historische maar theologische – volgorde in het Nieuwe Testament houdt in dat eerst het optreden en de dood en de opstanding van Jezus in de evangeliën aan de orde komt (maar dat zijn geen overwegend historische boeken maar boeken die van echte én verzonnen gegevens over het leven van Jezus gebruik maken om een samenhangend nieuw verhaal te vertellen dat Jezus zelf nooit verteld heeft! Zij veronderstellen deels de brieven van Paulus!), vervolgens de Handelingen van de apostelen alsof die er uit voortvloeien (maar dat is, hoewel het boek deels op historie gebaseerd is, in scene gezet met een heel bepaalde bedoeling namelijk om de groei en overgang van het christendom vanuit Jeruzalem naar Rome te symboliseren!), dan pas de brieven en helemaal aan het eind pas de Openbaring (terwijl de opvattingen van de eerste christenen toch gekenmerkt zijn geweest door een verwachting dat de eindtijd spoedig zou plaatsvinden!).

Het wonderlijke van de gekozen indeling in het voorliggende boek is dus dat die in zekere zin gebaseerd is op die van het Nieuwe Testament, terwijl een van de interessante aspecten van de bundel en zijn teksten nu juist is dat zij (deels) andere opvattingen (kunnen) representeren dan dat Nieuwe Testament. Ik hoop dat dit u niet doet duizelen, maar dat heeft het velen voor u ook gedaan: we zullen langzamerhand moeten en gelukkig kunnen wennen aan het idee dat de geschiedenis anders is dan die uit het Nieuwe Testament naar voren komt. Overigens heeft de redactie in deze uitgave de ‘handelingen van apostelen’ na de ‘brieven’ geplaatst, wat al enigszins van de indeling van het Nieuwe Testament afwijkt – het is een feit dat het Nieuwe Testament sterk op de brieven is gebaseerd, vooral natuurlijk die van Paulus.

In meerdere opzichten vertoont de in deze bundel gekozen indeling dus een tussenfase in ons historische inzicht, en die zal in toekomstige verzamelbundels evenredig aan dat hopelijk nog sterk groeiende inzicht kunnen veranderen. We kunnen nu eenmaal niet aan één bepaalde voorstelling van de historische evolutie vasthouden of die er aan opleggen, omdat we daar toevallig al heel lang aan gewend zijn of omdat die het beste bij bepaalde vooroordelen van ons past.

Als dat werk van indeling in stromingen eenmaal op gang gekomen zal zijn, zijn er wellicht nieuwe verzamelbundels te maken per tak en per stroming – vanuit de nieuwe geschetste historische ontwikkeling van die tak of stroming – maar ook daarna zal nog steeds behoefte kunnen zijn aan thematische bundels, zoals in deze bundel teksten per genre zijn weergegeven.

Tot zover over de historische zijde van de inhoud en de betekenis van deze bundel teksten. De meest voor de hand liggende betekenis van de teksten, dat zij ons innerlijk aanspreken en vlam doen vatten, lijkt mij de belangrijkste en daar heeft de redacteur ongetwijfeld allereerst oog voor gehad. Want daar gaat het de teksten allereerst om, jazeker. En dan!

Ten slotte

Ik wens alle lezers van dit boek veel genoegen, leesplezier, innerlijke verrijking en nieuwe inzichten – ook interesse in de historische, ook maatschappelijke en culturele context waarover we nog veel meer te weten gaan komen.

Naar inhoudelijk meest verwante eerstvolgende pagina

Naar chronologisch eerstvolgende pagina


myspace visitor counter


© Boudewijn Koole – be free to cite and copy but please refer to this page or to www.bk-books.eu
URL: www.bk-books.eu/bespreking/het-grote-boek-der-apokriefen | Version 2.001 29 October 2009 (version 1.1: 25 October 2009)

Gepubliceerd door

bk_books

Sint Laurens op Walcheren is mijn geboortedorp (1947); mijn ouders waren ƚ Leen Koole en ƚ Suzan (San) Huibregtse; mijn zus is Jopie en mijn broers zijn Wibo en ƚ Rien. Mijn jeugdvrienden waren ƚ Peter Karstanje en Wim Wattel. Na het gymnasium studeerde ik in Amsterdam theologie (was vier jaar student-assistent bij prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Nel Knip is mijn levenspartner. Wij wonen in Driebergen na Amsterdam en Tiel. Wij kregen twee kinderen en vier kleinkinderen. Ik werkte als wetenschappelijk medewerker filosofie in Amsterdam, cursusleider religie en samenleving in Driebergen, universitair bibliotheekmedewerker in Amsterdam, Utrecht en Den Haag (KB). Uiteindelijk als vertaler en auteur. Onder leiding van prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik vertaalde en schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Na onze pensionering zijn Nel en ik onder meer bezig met: onze kleinkinderen, andere contacten, diverse activiteiten en lezen.