BK-Books.eu » Besprekingen » Het geloof der vaderen

Bespreking van...

Gertjan van Dijk, Het geloof der vaderen: De denkwereld van de bevindelijk gereformeerden, Nijmegen (Sun) 1996, [met lijst van geraadpleegde literatuur]263pp.

In het voorwoord van zijn boek vertelt de auteur dat hem aanvankelijk een journalistieke impressie voorstond van de wereld waarin hij opgroeide, die van de bevindelijke gereformeerden. Bevindelijk staat voor de hoge waardering die deze hebben voor wat zij beschouwen als tekenen van de innerlijke verandering die God aan sommigen van hen ‘genadig’ schenkt, namelijk de ervaring dat zij niet alleen zondig en verdoemd waren maar dat zij door Hem aangenomen zijn en niet in de hel maar in de hemel zullen komen.
In plaats van die journalistieke impressie van de culturele eigenaardigheden van dat betrekkelijke kleine Nederlandse volksdeel (zo’n 2 % als je kijkt naar de stemmen die de Staatkundig Gereformeerde Partij bij verkiezingen verzamelt; en verwant aan enkele eveneens kleine groepen in landen als Schotland, Noord-Amerika en Zuid-Afrika) merkte de auteur dat zijn vraagstelling al interviewende en schrijvende toch sterk bepaald werd door zijn persoonlijke betrokkenheid. Hij is immers in die wereld opgegroeid en hoewel geen gelovige meer, werd het boek toch meer een antwoord op de vraag: Wie is die God van de oude waarheid, waarom heeft Hij de mensen gemaakt, wat wil Hij van ons? Want hij bemerkte dat daar de wortels liggen van de beknelling die hij meende kwijt geraakt te zijn maar die opnieuw bij hem opspeelde: de zware last van het bestaan die samen met de donkere visie er op die wereld bepaalt en die ook inhoudt dat je er zo moeilijk aan ontsnapt. Het lukte hem met andere woorden minder om afstand te nemen dan hij had gedacht. Hij had graag sociologische en culturele verschijnselen willen koppelen aan bepaalde ideeën en opvattingen en zo hun onderlinge samenhang duidelijker willen maken of zelfs verklaren. Daar is hij nu niet helemaal aan toe gekomen.
Wat zijn boek wel is geworden is een weergaloos verslag op basis van interviews en literatuuronderzoek (ook veel tijdschriften, kranten en boeken) van de belevingswereld van de bevindelijke gereformeerden en hun opvattingen over het leven in onze wereld en maatschappij, met alle dilemma’s die daarin aanwezig zijn. Zijn zegslieden hebben hem zonder reserves hun opvattingen meegedeeld en die zijn soms bizar voor wie niet tot deze groepering behoren. Zij laten vooral ook zien dat er binnen deze groepen wel allerlei nuances zijn over van alles en nog wat maar dat de grens tussen wat zich binnen en wat zich buiten de groep afspeelt zo belangrijk is dat het de leiders van deze groep mogelijk is om met een beroep op hun gezag in zaken van de leer alle andere aspecten van het leven van de groepsleden te overheersen en wel zo dat die dat meestal blijven accepteren. (Een vergelijkbaar en aanvullend beeld – hoewel in heel andere vorm – schetst de inmiddels verschenen weergaloze roman Knielen op een bed violen van Jan Siebelink.)
Daar moet direct aan toegevoegd worden dat deze rigiditeit en rigoureuze afwending en afscherming van de wereld gecompenseerd worden door levenswijzen en aanpassingen die het leven toch aangenaam kunnen maken, ook al worden die door de in leer en leven strengere gelovigen afgewezen. Hierbij moet opgemerkt worden dat binnen de eigen groep een zo eigen taal is ontwikkeld dat daardoor zowel veel verhuld als subtiel uitgedrukt kan worden. Het problematische van deze afgescheiden leefwereld is hoe dan ook een van de grootste problemen ook voor de mensen in de groep zelf. Want als je nooit meer naar buiten kijkt, waarom ben je dan ooit apart komen te staan of gaan staan? En gelden die keuzes voor eeuwig? Aan een analyse van de cultuurfilosofische vooronderstellingen van het denken van deze groep is de auteur dus niet meer toegekomen, zeker niet in een breder sociologisch en sociaalpsychologisch kader.

Een aanzet om te begrijpen hoe de binding aan de groep en de opvattingen van de groep bij individuen plaats vindt – het gaat om individuele of persoonlijke psychologie en therapie, niet om sociologie – is bijvoorbeeld te vinden in Hulpeloos maar schuldig van Aleid Schilder, dat weliswaar over vrijgemaakt en synodaal gereformeerden gaat (d.w.z. over een grotere groep van niet bevindelijke gereformeerden) maar zeker ook op de bevindelijke gereformeerden van toepassing is.
En een ander gedeeltelijk antwoord op deze vragen ligt ook in de verwantschap van vergelijkbare situaties en probleemstellingen bij andere godsdienstige formaties, protestantse en christelijke en zelfs joodse, islamitische en nog andere. Daar kunnen verwante structuren van godsdienstige opvattingen en culturele vooronderstellingen gesignaleerd worden die sommige structuren binnen deze groepering helpen verduidelijken. Bijvoorbeeld over de evolutie, of over man en vrouw en seksualiteit, in combinatie met bepaalde bijbelopvattingen, en nog breder met bepaalde sociale en psychologische en filosofische (vaak onbewust geworden) conditioneringen enzovoort. Dat is allemaal in dit boek nog niet te vinden. Al is de manier waarop binnen de groep de rangorde wordt bepaald en gehandhaafd met behulp van religieuze en niet-religieuze criteria wel heel opmerkelijk. Hoe bijzonder – zo’n cultuur van elkaar de maat nemen! Overigens te vergelijken met alle groepen (en personen) die ik ken en die op een of andere wijze de mate van spirituele groei als criterium hanteren met bedoelde of onbedoelde gevolgen ook op niet-spirituele gebieden.

Hoe dan ook vinden we in dit boek een ook voor niet tot deze groep behorende lezers zeer herkenbaar en inleefbaar beeld ervan. Ik heb al het woord bizar genoemd om sommige eigenaardigheden aan te geven. Daar wil ik echter naast zetten dat ik komend uit een jeugdomgeving waarin deze groep een relatief grote plaats in het religieuze palet innam (Walcheren na de Tweede Wereldoorlog) niet alleen veel herken van zaken die in die groep zelf voorkomen maar ook omdat ze een sterke verwantschap vertonen aan denkpatronen die ik bij mijzelf aantref, en die ik misschien via mijn ouders of via hun en mijn toenmalige kerk heb leren kennen. Mijn moeder behoorde in haar jeugd tot de groep van de bevindelijken. De uiteindelijke kerk van mijn ouders en de meeste familieleden was de synodaal gereformeerde (in een enkel geval de Nederlands Hervormde), die kortgeleden is opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland. Vooral het idee dat de kerk en de christenen toch vooral niet mee moeten doen aan de wereld (dit heette de antithese tot de wereld) was ook in mijn jeugd heel sterk, waarbij de wereld dan stond voor het gevaar van opgaan in vermaak, en verlies van het eigen geloof c.q. verlies van het deelnemen aan de kerkgemeenschap.
Kortom, over de verstrengeling van praktische en religieuze zaken in deze en andere religieuze groepen en personen is nog wel meer te zeggen dan in dit boek. Dan kan misschien duidelijker aangewezen worden waar de voordelen van de concentratie op de eigen waarden en gedragspatronen en spiritualiteit opwegen tegen de gevaren van het isolement en de bekrompenheid (en waar niet). Maar het is in zijn directe blik in de keuken van een bijzondere wereld onthullend en daar zal iedere lezeres en lezer haar of zijn eigen emotionele reactie op hebben. Zij die zich nog deels of geheel herkennen in de beknelling die hier geschetst wordt, wens ik volledige bevrijding toe.
Het boek bevat een uitgebreide literatuurlijst die misschien niet helemaal volledig is, bijvoorbeeld een op pagina 209 genoemde ‘schets’ van het niet helemaal zuivere oorlogsverleden van een der voormannen ontbreekt daarin. Ook zijn wellicht sinds 1996 al weer meer boeken verschenen over hetzelfde onderwerp. Maar dit boek is zeer informatief, leest prettig en gebruikt duidelijk respectabele bronnen op een respectabele wijze. Dat vind ik knap en van blijvende waarde.

Ik eindig met de vragen waarop wellicht in de toekomst duidelijker en wellicht meer toegespitste antwoorden gegeven kunnen worden dan in dit boek te vinden zijn. Van de ene kant: als deze wereld zo gekenmerkt wordt door beknelling en benauwenis, wat is dan de reden dat mensen er toch voor blijven kiezen? Is dat onmacht? Zijn het de bedreigingen of de onderdrukking die daarmee samenhangt, de macht die door de leiders wordt uitgeoefend en de mensen in hun greep houdt? Of zijn er ook aangenamere redenen om in deze groep, in deze wereld te blijven? Heeft deze cultuur voor de dragers ervan haar eigen sterke punten? Het zal niet de historische fundering van de leer zijn want die is uitermate zwak. Weliswaar zijn er elementen van het Godsbeeld te herleiden tot elementen van het Godsbeeld van het voorchristelijke Jodendom maar men kan moeilijk zeggen dat de ‘tale Kanaäns’ die in deze groep gebezigd wordt ook maar enigszins lijkt op echt bestaan hebbende oude culturele tradities. Evenmin is het zich baseren op één vertaling van de bijbel, namelijk de Statenvertaling, historisch of wetenschappelijk te funderen. Het is uiteraard andersom: de eigen groepscultuur en leer wordt gelegitimeerd met een keuze voor die ene vertaling. Samengevat niettemin: waarom blijven mensen voor deze traditie kiezen, uit dwang of om bepaalde – al dan niet openlijk erkende – voordelen?
Een tweede vragencomplex hangt samen met het ontstaan van deze traditie. Wat zijn de historische culturele, sociale en psychologische factoren geweest die aan het ontstaan en het voortbestaan van deze groep hebben bijgedragen? Wat is daarbij van doorslaggevend belang geweest bij het vormen van de eigen identiteit? Zijn er verwante ontwikkelingen aan te wijzen bij andere religieuze groepen? Waarom hebben dié niét tot dit resultaat geleid en wát is dan wél de belangrijkste factor in dit resultaat? Natuurlijk kunnen wetenschappelijke en historische analyses nooit de actuele ontwikkelingen vervangen maar zij kunnen wel meer zicht geven, en meer (zelf-)verstaan. En ook dat zijn onderdelen die voor de actualiteit en voor de toekomst van belang kunnen zijn, zowel voor de groep en de individuele leden ervan, als voor hen die er geen deel van uitmaken maar zeker verwant zijn of zich in sommige opzichten verwant voelen. Vaak worden verschijnselen die andere mensen betreffen vanzelf interessant voor degene die zich er met aandacht in verdiept. Als het om mensen gaat, is wetenschap zelden zonder betrokkenheid. In dat opzicht zijn de bevindelijke gereformeerden – als ‘object’ en/of ‘subject’ van dit onderzoek – geen uitzondering, vind ik. Ik neem aan dat bijvoorbeeld analyses te maken zijn van standpunten en stemgedrag van de SGP ten opzichte van die van andere politieke partijen en dat daar het nodige uit te leren valt over deze zaken. Wat zijn de voordelen van dit conservatisme voor de kiezers? Wanneer gaan conservatieven overstag in samenlevingsveranderingen zoals gelijke rechten van vrouwen? Staan de factoren die deze groep begunstigd hebben onder druk zodat zij voor hun toekomst moeten vrezen? Of zijn er voldoende aanpassingen – of het vermijden ervan – mogelijk om gedurende langere tijd een eigen identiteit vol te houden? Die ongetwijfeld interessante geschiedenis is in dit boek ook nog niet geschreven. Maar naar dit alles worden we door dit boek wel nieuwsgieriger, en de toenemende intellectuele ontwikkeldheid binnen de groep lijkt daar een niet onbelangrijke factor in.

Wanneer ik bedenk dat bij het beschrijven van deze groeperingen vroeger vooral werd stil gestaan bij het lezen van de ‘oude schrijvers’ van de zogeheten ‘Nadere Reformatie’ (waarin de bevindelijkheid in de Reformatorische stromingen nadruk kreeg), zoals Jodocus van Lodensten, Theodorus en Wilhelmus à Brakel, Bernardus Smytegelt, valt me op dat daar in dit boek nauwelijks aandacht aan wordt besteed (iets meer in de inmiddels verschenen en zeer aan te bevelen roman Knielen op een bed violen van Jan Siebelink). Niet in de interviews in ieder geval. Zijn daar ook overzichtswerken over of is dat uit de tijd geraakt? Bij bijvoorbeeld uitgeverij Den Hertog in Houten worden ze nog uitgegeven; ik heb ze overigens niet zelf gelezen en vrees ook dat dat nogal wat kennis veronderstelt van de taal en de voorstellingen uit die oude tijden. Of heeft de auteur hier een kans gemist op een analyse van wat de mensen bezig houdt – die teksten zijn er immers? Ook speelt hier misschien een rol dat de auteur er nergens melding van maakt dit aspect in zijn jeugd in een bevindelijk gereformeerd gezin te hebben leren kennen of waarderen. Is deze interesse verdwenen of is het bijvoorbeeld een verklaring voor wat de mensen nog aan deze groep bindt? Zou wat deze oude schrijvers over het bevindelijke leven te zeggen hadden nu nog betekenis hebben of zelfs in de toekomst – misschien in aangepaste vorm! – kunnen hebben? Vergelijkbaar bijvoorbeeld met wat aan innerlijke beleving in andere christelijke stromingen aan de orde is, of zelfs veel breder in de onderstromen van onze moderne maatschappij? Ik zou daar wel iets meer over hebben willen horen. Al is de informatie in dit boek onvervangbaar als schets van de moderne ontwikkelingen in de beschreven groep.

Ten slotte nog een herhaling van wat ik het meest bizar vind aan de beschreven wereld. Alles in het leven van deze groeperingen lijkt gericht op het handhaven van de afscheiding tot de wereld. Dat roept de vraag op wat er toch voor aantrekkelijks is voor veel personen binnen de groeperingen om niet weg te lopen. En vooral de vraag hoe voorkomen kan worden dat de grote macht die zo in handen van weinige leiders (de bekeerden, en vooral de predikanten) is komen te liggen, misbruikt wordt op een manier waarvan gezegd moet worden dat het doel deze middelen niet zou mogen heiligen. Want er kan zeker sprake zijn van een benauwend, beknellend juk dat op mensen gelegd wordt, althans in situaties waarin zij niet begrijpen waarom bepaalde moeilijkheden hen overkomen en bepaalde kennis of instrumenten om die te verhelpen hun onthouden worden die in onze maatschappij normaal zijn. Zelfs misschien van gewetensdwang of andere – bijvoorbeeld economische of andere sociale – dwang om in het bestaande groepsgareel te blijven.
Een heel ander punt is dat ik toch niet goed begrijp hoe de auteur zo open heeft kunnen spreken met zijn geïnterviewden. Want zij zullen dan wel niet kunnen zeggen dat hij hen niet juist geciteerd heeft – neem ik aan – maar of zij zich herkennen in het portret dat hier van hen geschetst is vraag ik mij af. Ik sluit het niet uit maar dan zullen er toch ook anderen zijn die vinden dat de auteur en de lezers van dit boek als buitenstaanders toch niet een echt zuiver beeld van een en ander kunnen krijgen. Dat is immers per definitie voorbehouden aan de weinige bekeerden en leiders in deze groeperingen. Of moet je stellen dat de soep in deze groepen meestal niet zo heet gegeten wordt als dat zij wordt opgediend? Dat zou een merkwaardig licht werpen op een verschil tussen leer en leven in deze groepen. Al zouden zij niet de enigen zijn waar dat verschil een belangrijke rol speelt. Opnieuw iets waar verder onderzoek naar gedaan kan worden.
Kortom, een uniek en waardevol boek dat tot verdere vragen aanleiding geeft. Wat gebeurt er bijvoorbeeld wanneer vloeken in het openbaar bij wet verboden wordt, zoals vandaag uit de gemeente Staphorst bericht wordt. Zou in Staphorst veel risico zijn dat deze wet overtreden wordt? En zou een juridische regel de wortel van het vloeken werkelijk raken en bestrijden? Hoe vaak zal een proces-verbaal geschreven worden van een overtreding van deze regel? Wat is dan de (symbolische) betekenis van dit verbod voor inwoners en voor bezoekers van buiten?!

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.