BK-Books.eu » Besprekingen » Het Evangelie van Thomas

Bespreking van...

Het Evangelie van Thomas: Uit het Koptisch vertaald en toegelicht door Gilles Quispel, [met een voorwoord van Joost R. Ritman, ]Amsterdam (In de Pelikaan) 2004, 379pp.

Mijn promotor, professor Gilles Quispel, heeft met dit boek een rijke vrucht neergelegd van zijn levenslange studies. Het verscheen in het jaar dat hij 88 werd. Nadien verscheen van hem en zijn leerling professor Hans van Oort nog de Nederlandse vertaling, met inleiding en uitvoerig commentaar, van De Keulse Mani-Codex die een biografie van Mani en het ontstaan van zijn wereldreligie bevat. Samen bieden deze beide boeken een goudmijn aan verwijzingen over het belang van het Joodse (West-)Aramese christendom en de Syrische of (Oost-)Aramese tak van het christendom die er uit voortkwam. Ook over het Alexandrijnse christendom dat voortkwam uit het Joodse (West-)Aramese. En dat na een stempeling met Alexandrijns enkratisme (het streven naar zelfbeheersing, askese en onthouding van het huwelijk) op zijn beurt ook invloed uitoefende op dat Syrische of (Oost-)Aramese christendom. Ook het Manicheïsme en de Islam ontlenen veel aan het Joodse en Syrische christendom, evenals aan de Joodse en christelijke gnostiek.
In dit boek laat de auteur zien dat het sterk asketische christendom van Alexandrië onder meer via het Evangelie van Thomas sterke invloed uitoefende op het Syrische christendom. Dit Alexandrijnse christendom was ontstaan door zendingsactiviteit vanuit Jeruzalem en beïnvloed door Joodshellenistische esoterie van Joodse gnostici en hermetici. Want het Evangelie van Thomas geeft de woorden van Jezus weer uit een Judeese bron van omstreeks het jaar 40, die zodoende het oudste christelijke geschrift is, en uit een Alexandrijnse bewerking daarvan van voor het jaar 100. Vele woorden komen namelijk in tweevoud voor: in verschillende bewerkingen. Het Alexandrijnse asketisme huldigde het ideaal van de ongehuwde staat. Zij verbond dit met het ideaal van de terugkeer uit het onderscheid van de geslachten (dat tot geboorte en dood leidt) naar de eenheid van de oorsprong in God.
Mijns inziens kunnen we uit het voorkomen van beide bronnen – de Judeese en de Alexandrijnse – in één geschrift, het Evangelie van Thomas, afleiden dat er volgens de redacteur geen tegenspraak tussen beide teksten was maar dat zij qua betekenis in elkaars verlengde lagen. Verder dat als er al onderscheid geacht werd te bestaan tussen de lezers die meer de ene of meer de andere bron zouden waarderen, dit onderscheid niet zo fundamenteel geacht werd dat men de groepen als twee aparte kon of moest beschouwen. Het bleef immers één evangelie, en de groep die het vereerde en las waardeerde kennelijk beide achtergronden zonder grote conflicten, sterker, zag ze in één lijn.
In ieder geval behield de samensteller naast de Alexandrijnse bewerking de Judeese bron. En voor ons betekent dat dat die kennelijk gezag had, en een functie. Het bijzondere is natuurlijk dat het beeld van Jezus en zijn boodschap hier een heel andere kleur krijgt dan door de bril van de heidenschristelijke evangeliën die in het Nieuwe Testament terecht zijn gekomen. Paulus legde de Messias Jezus uit als de verlosser Christus. In navolging van zijn uitleg zijn de woorden van Jezus in de evangeliën van Matteüs en Lukas namelijk gecombineerd met een in dramavorm gegoten verhaal van het leven en optreden van Jezus. Daardoor werd het accent gelegd op een boodschap over Jezus en minder op die van hem. Een boodschap over Jezus die paste in het schema van de verlosser, de “godmens” die in de hellenistische religies grote bekendheid genoot en vereerd werd. Wiens dood een belangrijke rol speelt als offer, en die herrijst. (Zie mijn uitvoerige bespreking van enkele boeken ‘Jezus volgens zijn volgelingen in de eerste eeuwen’.)
De bron die Matteüs en Lukas hadden voor de woorden van Jezus was niet de Judeese bron van Thomas maar een andere die Q wordt genoemd (van ‘Quelle’ ofwel Bron). Het grote verschil tussen de Judeese bron en de evangeliën van Matteüs en Lukas is dat Jezus’ lichamelijke dood en opstanding er geen rol in spelen, evenmin als het kruis. En de Judeese bron van Thomas wijst op Jezus als wijsheidsleraar, dat van Q op een groot sociaal bewustzijn, om enkele van de meest in het oog springende zaken hier al te noemen (zie ook mijn lezing over Jezus en Thomas elders op deze site). Voor mij is dit nieuwe beeld van de historische Jezus uit bronnen die kort na zijn dood op schrift zijn gesteld (de Judeese bron van Thomas omstreeks het jaar 40 en Q omstreeks het jaar 50 dus tien respectievelijk twintig jaar na Jezus’ dood) dat het aparte aandacht waard is. Elders heb ik al getracht de oorspronkelijke lessen van Jezus te formuleren vanuit de oudste laag van Q, op basis van de reconstructie daarvan door Mack. Het ligt voor de hand dat combinatie met de Judeese bron leidt een nog correcter, nog scherper beeld.

In het Nieuwe Testament dat (daarmee!) de basis werd voor het Griekse en Latijnse christendom, werden dit evangelie en vele andere geschriften uit Joodschristelijke en ook uit gnostische kring niet opgenomen. Het Nieuwe Testament was voornamelijk gebaseerd op de heidenschristelijke stroming die Paulus vanuit Antiochië stichtte. De vier nieuwtestamentische evangeliën zijn geschreven door heidenschristelijke auteurs en bevatten een visie op Jezus die niet strookt met die van het Judeese en later Syrische christendom. In dat laatste spelen lijfelijke dood en opstanding van Jezus aanvankelijk geen enkele rol! (Later wel door invloeden vanuit het Westen.)
Dit nieuwste boek van Gilles Quispel bevat een nieuwe visie op Paulus’ verhouding tot Apollos en op Paulus’ Eerste brief aan de Korinthiërs. Die houdt in dat Paulus zich verzette tegen de zijns inziens te streng asketische en te sterk door het Alexandrijnse denken over de wijsheid beïnvloede optreden van Apollos. En zelfs oppert hij voorzichtig dat Apollos of een sterk op hem lijkende persoon de auteur van de Alexandrijnse bron van het Evangelie van Thomas of van het Evangelie van de Egyptenaren kan zijn, gezien de opvallende overeenkomst in ideeën. Maar dit is slechts een van de vele rijkdommen aan inzicht, suggesties en waardevolle interpretaties in het boek. Het valt niet mee om het boek in een adem uit te lezen want daarvoor is het eenvoudig te rijk aan gegevens, die allemaal verwerkt moeten worden met de nodige concentratie. De auteur schrijft nog steeds even gemakkelijk over Hegel en Shankara (een filosoof uit India uit de eerste eeuwen van onze jaartelling) als over Novalis en Goethe. Over Nederlandse poëzie als over de berijmde psalmen en de gezangen van de Nederlandse kerken. En over de nieuwste literatuur betreffende Syrische en Arabische bronnen als over varianten op de tekst van het Nieuwe Testament en de vele parallellen in Joodse en hellenistische geschriften. Hij wijst op vele parallellen met het Eerste Testament (de Joodse bijbel ofwel het christelijke Oude Testament) en licht de teksten toe vanuit hun directe economische en sociale context. En zo schetst hij een beeld van de historische Jezus en zijn opvattingen dat tot nadenken stemt. Zoveel inzicht bevat het. En niet alleen tot nadenken, er blijkt ook alle aanleiding tot vervolgstudie. Over Jezus en zijn volgelingen en de weg die hun invloed historisch gesproken aflegde. En vooral ook over welke beelden zij daarbij gebruikten en hoe zij hun boodschap vertaalden in nieuwe omgevingen, dan wel hoe hun boodschap werd opgevat en in verschillende omgevingen varieerde.

Het Evangelie van Thomas zoals het nu voor ons ligt, ontstond voor 140 na Christus in Edessa. Behalve de genoemde Judeese bron van woorden van Jezus en de Alexandrijnse bewerking ervan bevatte het waarschijnlijk ook wel enkele invoegingen van de redacteur. Door de vondst van de geschriften van Nag Hammadi is hernieuwde aandacht ontstaan voor de vele Joodse stromingen en geschriften – troonwagenmystiek, wijsheidsliteratuur, gnostiek, hermetisme. Die begonnen in de smeltkroes van het hellenisme al enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling te ontstaan. De latere Joodse en latere christelijke orthodoxieën zijn daar een reactie op en hebben wat ze niet recht in de leer vonden, zoveel mogelijk vernietigd. Maar nu kunnen we de oudste geschriften van bijvoorbeeld het orthodoxe christendom opnieuw lezen in het licht van hun eigenlijke achtergrond en context. En dat levert wel heel veel nieuws op. Bijvoorbeeld over de ontwikkeling van de boodschap van Jezus tot een boodschap over hem waar hij zelf nooit toe heeft opgeroepen! Maar ook over de manier waarop sommige ideeën het wonnen van andere, namelijk door openlijke strijd erover, net als over ethische zaken en over vrijheid van organisatie en opvattingen.
De auteur kent die wereld en is zijn leven lang hartstochtelijk op zoek geweest hoe we achter de historische waarheid kunnen komen zonder te vervallen in oude of nieuwe historische of leerstellige vooroordelen. Wie dit boek leest, zal begrijpen dat het werk van deze pionier nog niet af is. Mijns inziens is het niet alleen mogelijk dichter bij het historische leven van Jezus te komen dan ooit, zoals de auteur aangeeft, maar ook de overeenkomsten en verschillen tussen Jezus’ volgelingen in de eerste eeuwen – toen er nog geen “orthodoxe” kerk was! – aan te grijpen als nieuwe inspiratiebronnen. Het materiaal in dit boek – en ook in dat over Mani, hierboven genoemd – is indrukwekkend omdat het laat zien hoe weinig we nog weten en hoeveel we al kunnen weten. Laat staan om te verwerken of rekening mee houden!

Een voordeel van dit boek, speciaal van de wijze van presenteren van gegevens, vind ik dat zo helder wordt dat veel zaken van een andere kant bekeken kunnen worden. Ook zogenaamde vaststaande orthodoxe ideeën. De auteur gunt die aan iedereen, ook zichzelf, maar is een meester in het aangeven van historische verbanden en het doen van suggesties voor mogelijk relevante interpretaties. De uitleg is meestal erg duidelijk. Een nadeel zou kunnen zijn dat de tijd en de cultuur zo ver achter ons liggen en zo verschillend zijn van de onze of van ons standaardbeeld erover dat sommige zaken om meer uitleg blijven vragen. Bijvoorbeeld hoe prettig zou het niet zijn om eens een overzichtelijke geschiedenis van ideeën te krijgen die gebruikt worden (Zoon van de Mens, Wijsheid, en vele andere). Temeer daar de auteur niet schuwt moderne (‘socialisme’) en antieke begrippen (‘zelfbeheersing’) op eenzelfde pagina te gebruiken. Of auteurs te citeren die meer dan een millennium na elkaar leefden. Of bronnen te vergelijken die uiterst ver uit elkaar lijken te liggen. Ik ben het met hem eens dat ze inhoudelijk heel dicht bij elkaar kunnen liggen en dat de vergelijking erg verhelderend kan zijn. Maar de spanning tussen historische verduidelijking en persoonlijke uitleg kan wel eens groot zijn. Vergeet dan niet dat de genoemde spanning vaak een beoogde is. Als de lezer er maar toe verleid wordt het onderwerp eens van meerdere kanten te bekijken. De hartstocht waarmee deze buitengewoon gevoelige en erudiete geleerde ons een nieuw beeld van de bronnen van de Westerse spiritualiteit heeft geleverd, kan niet genoeg gewaardeerd worden. Het moet hem buitengewoon goed doen dat de waardering voor zijn ontdekkingen na vele decennia van ontkenning in Nederland ook grote vormen aanneemt. Al mag die in kerkelijke, theologische en academische kringen nog wel iets groter zijn voor een pionier in de wetenschap van wereldformaat. Want daar worden de historische werkelijkheden nog al te graag genegeerd of onder tafel geschoven, omdat zij (laat men het toch gewoon en eerlijk toegeven, dan weten de ongeleerde gelovigen tenminste dat ze in historische zin niet voor de gek gehouden worden) een te grote verandering voor bestaande posities impliceren. Posities die nog gebaseerd zijn op de status quo die in de vierde eeuw gevestigd werd toen het algemeen-kerkelijke christendom zichzelf tot de norm constitueerde, onder bescherming van keizer Constantijn de Grote. We wisten dat al eeuwen. Maar tegenwoordig staan er geen enorme belangen meer op het spel die het zouden rechtvaardigen om de historische waarheid bedekt te houden.
Heel vreemd overigens om te moeten ontdekken dat wat we het Nieuwe Testament noemen pas enkele eeuwen na het begin van onze jaartelling ontstaan is. Namelijk als instrument van kerkleiders in een bepaald taalgebied en van een bepaalde stroming. En dat het niet de enige tekst van spirituele betekenis in het oudste christendom was. Mede dank zij Gilles Quispel – naast velen met wie hij samenwerkte en die van hem leerden – weten velen weer waar ze ook het spirituele voedsel en de inspiratie kunnen vinden die door het algemeen-kerkelijke christendom onder tafel was gewerkt. Sterker, dat kan nu zelf ook weer terugkeren naar die bronnen, en de eigen traditie ermee vergelijken. Dat kan niet anders dan een verrijking zijn wanneer men de eigen traditie of de nieuw ontdekte in elkaars licht waardeert. Men kan opnieuw een keuze maken, zelfs dat. De vele thema’s waarover Quispel in dit boek zijn licht laat schijnen kan ik hier niet allemaal opnoemen, maar ik doe hem zeker geen onrecht als ik nog eens het thema van de androgynie noem – waar hij zijn commentaar op laat uitlopen – dat in die eerste eeuwen een belangrijke rol speelde. Evenals later op diverse wijzen in de geschiedenis van het christendom. Ik kan daarbij voor meer informatie ook verwijzen naar de dissertatie die ik onder zijn leiding over dit thema schreef.
Ook voor wetenschappers zijn daarbij nog grote taken weggelegd, ik denk speciaal aan de geschiedenis van het Joodse christendom die nog niet geschreven is zoals de auteur opmerkt. Dat geldt ook voor de nieuwe verbanden ervan met andere vormen van toenmalig christendom, waaronder het Syrisch-asketische, het Alexandrijns-asketische, het gnostische, het algemeen-kerkelijke waaruit de westerse kerken ontstaan zijn, het (christelijke!) Manicheïsme, en de Islam. Ook met het talmoedische en latere Jodendom zijn er verbanden. Wat mij betreft in besef van beperktheid die ieder menselijk streven eigen is en in respect en waardering voor andere spirituele bronnen met wie we ons verwant kunnen voelen (want dat zijn we). Een andere manier om de universele waarheid of waarheden te leren kennen en erkennen dan via onze eigen beperktheden (die de kennis en waardering van andere tradities niet uit- maar insluit) is er mijns inziens niet. En oorlog is er al genoeg dus die kunnen we er beter ook niet voor voeren. Welk spiritueel doel kan daar mee gediend zijn zonder zichzelf te ondergraven?

Het boek wordt ingeleid door de veelzeggende warme tekst van Joost R. Ritman, uitgesproken bij de presentatie. Joost Ritman werkte met velen intensief samen om projecten als deze te steunen en van de grond te krijgen. Deze uitgave is er het zoveelste prachtige voorbeeld van. Er verschenen al meerdere drukken van.
Een uitgave in het Engels verdient mijns inziens aanbeveling, mits goed vertaald. In zijn inleiding vertelt de auteur dat achteraf nog materiaal van hem zelf aangedragen werd dat hij niet meer verwerkt heeft. Maar wellicht kan hij dat nog doen voor een definitieve uitgave. Want het zou wel eens kunnen gaan om verbanden die maar weinigen gezien hebben zoals relaties met het Eerste Testament of de economische en sociale context van die dagen.

Dit is een boek niet alleen om over te schrijven maar om te lezen en te herlezen. Snel aan de gang zou ik zeggen. Ik wens u er veel plezier mee.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.