BK-Books.eu » Besprekingen » Geroepen door het wereldhart; Die Geistesschule des Goldenen Rosenkreuzes; Symposion Geroepen door het wereldhart

Bespreking van...

… Peter Huijs, Geroepen door het wereldhart: Een beschouwing over het ontstaan en de ontwikkeling van de Geestesschool van het Gouden Rozenkruis en haar stichters J. van Rijckenborg en Catharose de Petri, [met illustraties, register, algemene bibliografie en – uitgebreide – bibliografie van stichters en school en verwante uitgeverijen, Woord vooraf door J. Ritman, en Naschrift van de auteur, ] Haarlem (Rozekruis Pers) 2009, 455 pp.;
Konrad Dietzfelbinger, Die Geistesschule des Goldenen Rosenkreuzes: [-] Lectorium Rosicrucianum [-]: Eine spirituelle Gemeinschaft der Gegenwart, Andechs (Dingfelder) 1999, 227pp.
Symposion Geroepen door het wereldhart: gehouden op het conferentieoord Renova op 23 mei 2009, [eindredactie Peter Huijs, met inleiding, zeven lezingen en slotverklaring, ] Haarlem (Rozekruis Pers) 2009, 80pp.

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onder meer op deze pagina:

Inleiding

Het boek van Peter Huijs biedt een prachtig geschreven overzicht, in de vorm van een geïllustreerd gedenkboek, van het ontstaan van de Rozenkruisersbeweging die in Nederland groeide uit het werk van Jan van Rijckenborg (Jan Leene) en Catharose de Petri (Hennie Stok-Huizer) en anderen. Ik moet bij voorbaat toegeven dat ik gezien het bijzondere onderwerp en de bijzondere taal – alleen titel en ondertitel bevatten al enkele in onze omgangstaal weinig gebruikte woorden – bijna zou denken dat het bijzondere waarom het in dit boek gaat met omvangrijke ‘filosofische’ althans ‘geesteswetenschappelijke’ kennis te maken heeft, en dus niet zomaar voor iedereen bereikbaar is; maar daarover meer …

Deze ‘bespreking’ is ontstaan als een commentaar bij dit boek en de beweging die het beschrijft. Dat commentaar is ontstaan uit een serie losse aantekeningen die in mijn hoofd opkwamen; de vorm van deze bespreking is daarom rommeliger dan ik had gewild, al heb ik er achteraf zoveel mogelijk ordening in aangebracht. Omdat het geheel nogal is uitgedijd, is het bijna een ‘beschouwing’ geworden, allereerst in de zin van het naar voren komen van een thematiek die wellicht even veel naar aanleiding van het boek of het onderwerp ervan is ontstaan dan thematiek van het boek zelf is – hoewel?! Uiteindelijk heeft deze thematiek geleid tot een ‘terzijde’ aan het eind waarin ik mijn tijdens het maken van deze bespreking ontstane visie kort samenvat: over de dialektiek van innerlijk en uiterlijk. Ik hoop dat deze beschouwing – ook al bestaat zij uit vele afzonderlijke stukjes – toch een eenheid vormt.
Toegegeven, het een (uitwerking van bepaalde thema’s) volgt soms wel eens direct op het ander (aansluiting bij de besproken boeken). Omdat het woord ‘beschouwing’ voorlopig nog teveel pretendeert, stel ik voor om deze bespreking liever het woord ‘werkstuk(je)’ te gebruiken.
In deze bespreking geef ik namelijk steeds aan hoezeer enerzijds steeds de nadruk ligt op de wens tot innerlijke – en vervolgens uiterlijke – verandering van mensen vanuit de (opdracht van de) hogere, goddelijke wereld, hoezeer anderzijds alles wat van deze beweging zichtbaar is, tot en met de woorden van dit boek, steeds bekeken kan worden met de ogen van de zorgvuldige, geoefende waarnemer, volgens de methoden die daarvoor in de wetenschap geaccepteerd zijn. Daarmee wil ik overigens niet beweren dat de wetenschappelijke methode de hoogste waarheid in alles is. Een van de punten die aandacht vragen is dan ook de verhouding van de wetenschappen tot die innerlijke werkelijkheid of liever hun inkadering erin of gebruik ervoor, zowel vanuit het standpunt van het individuele als van het alomvattende bewustzijn gezien, een complexe vraag als je bedenkt dat ook de wetenschap als een vorm van bewustzijn gezien kan worden, als een manier van kijken.
Dit enerzijds-anderzijds bepaalt deze bespreking, en wordt des te complexer en belangrijker waar de beweging altijd een onderscheid heeft gemaakt tussen haar openbare en haar verborgen of interne kant, waarvan de laatste ook nu nog niet voor buitenstaanders toegankelijk is, en waarschijnlijk nooit zal kunnen worden omdat het doel nu eenmaal innerlijk is. Een van mijn vragen zal zijn of je überhaupt wel iets kunt zeggen over dat innerlijke (voorlopige antwoord: ja maar alleen zo ver je daarbij beseft en in rekening brengt dat de werkelijkheid altijd verder is en meeromvattender dan dat spreken).
Een ander punt is dat tijdens het maken van deze bespreking behoefte ontstond om ook nog andere lectuur ter hand te nemen. Zodoende kwam ik op het boek van Konrad Dietzfelbinger, dat in wezen over precies hetzelfde onderwerp gaat maar een heel andere vorm heeft. Hoewel ik dat boek hier niet uitgebreid bespreek maar het op zichzelf en in het kader van de bespreking van het boek van Peter Huijs toch erg waardeer, noem ik het ook in de titel van deze bespreking. Het heeft mij op tal van punten geholpen een meer systematisch overzicht en beeld te verkrijgen van een aantal zaken die mij uit het boek van Huijs nog niet zo helder waren als ik wenste. Dat heeft ook geleid tot een aanvullend “Terzijde 2” waarin ik kort in ga op nog enkele punten die mij van bijzonder belang lijken om zo mogelijk te verhelderen.

Op 23 mei 2009 werd een symposium gehouden op Renova in Bilthoven, het conferentieoord van het Lectorium Rosicrucianum, het inmiddels wereldwijd vertakte Rozenkruisergenootschap van Nederlandse oorsprong (verder: LR; in de titel van het boek treft u de meest uitgebreide en actuele naam aan: Geestesschool van het Gouden Rozenkruis; hoewel dezelfde organisatie aanduidend, kan gezegd worden dat de laatste benaming meer de interne werkzaamheden vooropstelt en de eerdere, LR, meer de naar buiten gerichte, althans volgens Dietzfelbinger in zijn hieronder nog te vermelden boek). Hierop presenteerden de Nederlandse takken van zeven verwante stromingen of bewegingen achtereenvolgens en gezamenlijk hun visie voor wereld en mensheid. Het begon met de Theosofische Beweging, de Vrijmetselarij, de Antroposofie en de Soefibeweging, en het eindigde met drie Nederlandse Rozenkruisergenootschappen. Aan het slot werd een gezamenlijke verklaring voorgelezen, waarin de gedeelde visies verwoord werden en een oproep gedaan werd gericht op de toekomst van mens en wereld in deze tijd. De teksten van deze voordrachten en de slotverklaring zullen nog in druk verschijnen en kan ik bij voorbaat aanbevelen. De dag was uitstekend georganiseerd (en verzorgd met medewerking van vele vrijwilligers). De voordrachten werden zeer deskundig en boeiend ingeleid door Peter Huijs, dagvoorzitter en kenner van deze tradities, en afgewisseld met werkelijk prachtige muzikale voordrachten.

Ik vertel dit omdat het – kloeke – boek dat ik hier voorstel, past bij deze feiten. Het boek verscheen niet alleen enkele weken voor het symposium, de titel van het boek was ook dat van het symposium en de auteur van het boek was dezelfde Peter Huijs.

Toch heeft dit boek niet (precies) hetzelfde onderwerp. In het boek staat de geschiedenis van het LR centraal, en niet alleen de visie maar ook het ontstaan en de opvallend bewogen groei van deze beweging, waarin aanvankelijk de broers Wim en Jan Leene (van wie de eerste al vroeg overleed) en later Jan Leene en mevrouw Hennie Stok-Huizer centrale rollen spelen, naast anderen, onder wie de Fransman Antoine Gadal, door wie een speciale verbinding met de traditie van de Katharen werd gelegd.
Dit boek doet voor het eerst een alomvattende poging dat werk in kaart te brengen, en wel – wat de historische feiten betreft – op een historisch verantwoorde wijze. En meer dan dat, zoals ik hieronder zal proberen te verduidelijken.
In het eerste slaagt het mijns inziens uitstekend, zover een eerste poging daartoe bij een zo omvangrijke en complexe geschiedenis altijd een opstap blijft: op de schouders van deze auteur kunnen anderen verder en wellicht scherper kijken. Wel heb ik een aantekening ofwel vraag bij de methodiek (zie onder).
Wat betreft het meerdere vraag ik u eerst door te lezen tot het einde van de bespreking! Het gaat namelijk (ook) in dit gedenkboek uiteindelijk niet om het overbrengen van kennis – al is dat zonder meer een vooralsnog geslaagd onderdeel – maar om nog iets anders. Ik hoop dat ik u nieuwsgierig maak. Ik schrijf deze bespreking dan ook niet vanwege het kennisaspect alleen – dat doe ik er als mede-liefhebber en enigszins gestudeerde op dit gebied overigens graag bij (bekend met Jacob Boehme, diens voor- en nageschiedenis en diverse andere spirituele tradities van het Westen en het Oosten, en liefhebber op het gebied van spiritualiteit en religie: zie deze website), al is het niet zonder te vermelden dat ik momenteel de voorkeur geef aan ontvankelijkheid en stilte boven woorden – maar ook vanwege dat ‘andere’ waarop ik terug zal komen.

Ik dank allen die bijdroegen tot de ervaringen en inzichten die in deze bespreking verwerkt zijn (zowel qua opvoeding, inspiratie en begeleiding als mentale en economische ondersteuning; zij zijn niet terug te betalen dan met dank en inzet om het ontvangene vruchtbaar te maken en door en zo terug te geven). Niet te vergeten alle vogels, die hun vrienden en – direct of indirect – ook mij hun altijd indrukwekkende lied en boodschap van dichtbije en verre werelden en bewustzijnstoestanden brachten. Alle resterende gebreken en omissies in deze bespreking – ik ontvang er graag melding van, zie het emailadres linksboven – neem ik uiteraard voor mijn rekening.

Back to top

Het Lectorium Rosicrucianum in een breder perspectief

Dit boek van Peter Huijs plaatst de beweging en het werk van beide Nederlandse ‘grootmeesters’ in een breder perspectief (want zo worden J. Leene en mevrouw H. Stok-Huizer genoemd, verder ook wel de ‘stichters’; zij zijn tegenwoordig beter bekend onder hun geestelijke en auteursnamen, te weten Jan van Rijckenborg en Catharose de Petri). Namelijk het perspectief van de Westerse genootschappen die in het spoor van of verwant aan de Theosofische Beweging van mevrouw Blavatsky ontstonden en op gevarieerde wijze de Westerse esoterische traditie nieuw leven inbliezen. Daarbij hadden zij aandacht voor de Egyptische en latere hermetische bronnen, de Griekse en hellenistische mysteriescholen, de Westerse Gnosis in diverse verschijningsvormen waaronder soms ook de – spirituele – alchemisten van alle tijden en de Rozenkruisers uit de zeventiende eeuw. Zij verbonden die aandacht met een eenheidsvisie en spiritualiteit die evenzeer Oosterse als Westerse bronnen kon omvatten, van het boeddhisme tot tot het taoïsme tot het soefisme, en natuurlijk alle met een overigens sterk verschillende eigen verwerking van de drie verwante monotheïstische godsdiensten die in Oost en West een rol spelen, te weten jodendom, christendom en islam.
Deze Westerse genootschappen verschilden van elkaar in de keuze van de bronnen of de visies die ze eraan ontleenden en de praktijken die ze in samenhang ermee beoefenden, maar er was overeenstemming dat het om innerlijke verandering ging, hoe ook bezien of geformuleerd.
Ook de waardevolle aspecten van oudere en jongere tradities van magie en alchemie kwamen in deze bewegingen opnieuw in het blikveld, al was het alleen al omdat zij een visie nastreefden waarin wetenschap en religie elkaar aanvulden en niet alleen bestreden. De beweging van mevrouw Blavatsky was een duidelijke reactie op het onbegrensde wetenschappelijke positivisme van de negentiende eeuw, dat de betekenis van religie sterk reduceerde. En tegelijk werden in de erop volgende genootschappen oude tradities opgepakt die wetenschap – zowel in moderne als in voormoderne vorm – en religie met elkaar verbonden, zij het dat de verhouding tussen die twee meestal niet systematisch werd uitgewerkt in een voor de moderne wetenschap en filosofie begrijpelijke en acceptabele vorm. De nadruk lag duidelijk op het spirituele, en dan verder op het praktische, inclusief wat daarbij paste van moderne wetenschap en techniek of oudere ‘magie’ (want daar zijn moderne wetenschap en techniek immers de opvolgers en voortzetters van!).

Voor de verwantschap met deze bewegingen en hun historische bronnen vraag ik aandacht omdat zij mede het taalveld – net als trouwens de sociologie – van deze groeperingen sterk mee bepaald hebben en nog steeds mee bepalen (die taalvelden veranderen overigens uiteraard ook nog mee met de tijd). Want net zo als in de grondleggende geschriften van de zeventiende-eeuwse Rozenkruisers, de Fama, de Confessio en De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis, veel alchemistische taal werd gebruikt, zo spelen in al deze bewegingen, zowel die van vroeger als die van nu, vaak nog vele begrippen een rol die pas bij nadere kennismaking een zinvolle betekenis beginnen te krijgen. Dat heeft er zeker mee te maken dat die genootschappen hun kennis soms ook voor nieuwsgierige of vijandige blikken van de buitenwereld moesten bewaren – het ging bovendien om innerlijke veranderingsprocessen, en die zijn per definitie niet volledig in woorden te vatten, omdat het niet om de woorden maar om de verandering zelf en de beleving, of in bredere zin de gevolgen, ervan gaat: het herstel van eenheid met de Bron, of het Al, of “God”.
– Natuurlijk, dit zijn namen die door mensen gegeven zijn voor werkelijkheden die die mensen als groter dan henzelf ervoeren maar niettemin als aanduiding of symbool dienden te functioneren voor die werkelijkheden die hen belang inboezemden, inspireerden, en door hen als sterk verwant ervaren werden. Zal ooit iemand kunnen beweren klaar zijn met het verwoorden van deze eenheid? –
Tegelijk vereist het kennis en inzicht om die woorden en de geschiedenis ervan toch te kunnen begrijpen – want er ís vaak een duidelijk terugverwijzen in het spel – al worden ook voortdurend nieuwe begrippen toegevoegd, hetzij voor bekende zaken en werkelijkheden, hetzij voor nieuwe. Het is niet alleen maar psychologie van de innerlijke verandering, er wordt ook veel beweerd over de buitenwereld, de kosmos, de beweging zelf, de omgeving enzovoort. Een kunst om daarin thuis te geraken! En het heeft ook een bijna onoverzienbaar geheel aan teksten, folianten, boeken, en langzamerhand ook meer en meer video- en geluidsbanden opgeleverd (bovengenoemd symposium is ook helemaal op video opgenomen, als ik me niet vergis). Op het omgaan met deze kennis – van niet geringe omvang – hieronder meer.

Een opmerkelijk punt van verwantschap tussen de genoemde bewegingen – die vaak internationaal zijn, met takken in afzonderlijke continenten, regio’s en landen – is ook dat zij (overigens niet in dezelfde mate) gebruik maken van een terminologie van ‘graden’ voor de verschillende soorten leden, namelijk onderscheiden naar ervaring en niveau. In het proces van ontwikkeling en groei van deze bewegingen was het kennelijk van betekenis, dat duidelijke geestelijke leidsters en leiders zichtbaar waren, die het voorbeeld konden zijn voor de ontwikkeling van leden en volgelingen. En naarmate er een beweging met meer organisatiestructuren ontstond, kregen zowel die structuren als de verschillende niveaus van de leden en de leiding onderscheiden namen. Hoewel dit boek zich beperkt tot het LR (maar hetzelfde is bekend van de theosofische beweging en op het genoemde symposium werden meerdere sprekers aangekondigd als grootmeester!), valt het op dat in dit opzicht voortdurend nieuwe initiatieven genomen zijn, van het vroegste begin tot nu toe, om de organisatiestructuur te hervormen, en telkens een nieuw perspectief en een nieuwe voorhoede aan te wijzen. Dat had – zo wordt duidelijk gemaakt – de betekenis dat het vuur hoogvlammend gehouden kon worden, of zelfs verder opgestookt. Want de beoogde innerlijke transformatie kan volgens de uitdrukkelijke boodschap van de stichters van het LR dan wel niet op eigen kracht bewerkstelligd worden maar of iemand meewerkt om belemmeringen uit de weg te helpen, en of uit iemands inzet blijkt of zij of hij werkelijk diepgaand door de beweging is geraakt, zijn natuurlijk in zekere opzicht wel meetbare zaken.
Daarbij blijkt ook in deze religieuze bewegingen de mens niets vreemd, en daar draait dit boek niet om heen (dat lijkt mij een belangrijke ontwikkeling voor het LR, want religieuze bewegingen die niet met sociologische blik naar zichzelf kunnen kijken, lopen het gevaar in de valkuil van het sektarisme terecht te komen waaronder ik hier even versta, dat men wereldse zaken van de groep meent te kunnen regelen en oplossen door spirituele onderscheidingen werelds te gebruiken). En ook in religieuze groepen spelen zaken als geld, macht en persoonlijke relaties natuurlijk een niet onbelangrijke rol. Om dan zuiver te blijven is een extra uitdaging. Het mag dan ook geprezen worden in dit boek dat de auteur kritieke perioden in de geschiedenis van de beweging niet overslaat, zoals splitsingen voorafgegaan door wat ik hier maar ‘meningsverschillen’ zal noemen (waarbij de zoon van Van Rijckenborg, Henk Leene, met een aantal anderen afscheid van het LR moesten nemen), of gebrek aan communicatie en daardoor van afstemming en overleg, met eveneens langdurige communicatiestoornissen als gevolg (de contacten met Antoine Gadal en zijn Franse leerlingen), zij het deels ook na verloop van lange tijd hersteld. En ik vermoed dat de auteur daarin nog lang niet volledig is geweest, wat er op neerkomt dat hij niet de vuile was heeft buiten gehangen maar de schone was, waarom hij eveneens te prijzen is. (Hierover is ongetwijfeld meer te vinden in de bovengenoemde boeken die een overzicht van de moderne Rozenkruisbewegingen geven.)
Een vraag is of hij de structurele aspecten van de omgangsvormen voldoende heeft door laten klinken, zoals die in de loop der jaren werden ontwikkeld. Bijvoorbeeld in de zin van de manieren waarop leerlingen in deze geestesschool lessen krijgen aangereikt, zoals we dat bijvoorbeeld kennen uit de dialogen van Hermes met zijn leerlingen in het Corpus Hermeticum. Er wordt verder veel gesproken van moeilijke tijden en enorme inzet, maar hoe zag dat er concreet uit en hoe ervoeren al die leerlingen dat in de achtereenvolgende perioden? En wat motiveerde de vaak ook enorme inzet van die leerlingen zelf?

Een ander punt van verwantschap is vervolgens de gelegenheid die deze bewegingen voor hun leden vormen om zich – zonder dat dat een opzettelijk doel is of hoeft te zijn – individueel en maatschappelijk te ontplooien. Er is een spanningsveld tussen basisopvoeding en economische zelfvoorziening van individuen enerzijds, en hun spirituele ontwikkeling anderzijds. Daarover hebben al deze bewegingen trouwens zelf sterke en soms enigszins uiteenlopende ideeën, maar dat er een spanningsveld bestaat tussen het leven in de wereld en het leven van de groep, is bij religieuze groepen altijd een belangrijk punt van aandacht, niet alleen voor buitenstaanders. (Tussen haakjes: een interessant en leerzaam boek dat dit uitwerkt voor de verhouding tussen de maatschappelijk meer aangepaste kanten van godsdiensten en de meer als ideaal optredende kanten is Virtuosity, Charisma and Social Order van Silber).
Zonder in algemeenheden te vervallen, kan gezegd worden dat ook op het gebied van deze ontplooiing natuurlijk door het LR een rol is gespeeld, en daar vinden we ook de sporen van terug in dit boek. Men is blij als de overheid juridische erkenning biedt, of meewerkt aan vergunningen of het ondersteunen van het voortbestaan van cultureel belangrijke instellingen (zoals de in persoonlijk opzicht nauw aan het LR gelieerde Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam, dat ongelooflijk veel kennis op dit gebied heeft bijeengebracht en ter beschikking stelt, en tegelijk een persoonlijk initiatief is van een van de prominente leden van het Lectorium en zijn leiding, en niet van het Lectorium zelf). In dit boek blijkt dat de beweging van voor de Tweede Wereldoorlog, klein en improviserend, uiteindelijk een belangrijke plaats is gaan innemen, want als in Nederland (en internationaal nog meer) bekende organisatie, ook buiten haar eigenlijke werkveld, vanwege het aan haar gelieerde historische en culturele bezit. Ik die dit schrijf en u die dit leest, zijn daar de getuigen van: we hebben de prachtige conferenties mee kunnen maken die sinds een tiental jaren voor leden en niet-leden zijn gehouden over bekende filosofen en religieuze auteurs of thema’s, en waarvan het symposium waarmee ik deze bespreking begon een voortzetting was. Net als de inleidende cursussen die door plaatselijke of regionale afdelingen gegeven worden valt dit onder het openbare werk van het Lectorium. Het eigenlijke, innerlijke werk, vindt natuurlijk niet in de openbaarheid plaats.
Na het lezen van het boek van Dietzfelbinger maak ik hierbij de kanttekening dat hij in zijn boek juist uitvoerig ingaat op de structuur, de werkwijze en andere belangrijke aspecten van de binnenkant van de geestesschool. Naast beknopte historische informatie – veel beknopter dan bij Huijs – vinden we uitgebreide beschrijvingen van wat er in het innerlijk van de school gebeurt, zover dat uiterlijk te beschrijven is. Ik kom daar later op terug. Want hij bespreekt daarbij niet alleen een aantal problemen en mogleijke misverstanden die tussen ‘binnen’en ‘buiten’ zouden kunnen ontstaan (en dat kennelijk in het verleden ook wel gedaan hebben!) maar ook de oplossingen ervoor en de visies zoals die er in de school over gegroeid zijn, dan wel vanaf het begin door de principes van de school en haar stichters zijn gevestigd en gehanteered. En dat biedt een waardevolle kans om er enkele opmerkingen bij te maken of vragen over te stellen. Net als in het eerste terzijde zullen die – deels! – betrekking hebben op de verschillen en overeenkomsten met Oosterse spirituele opvattingen en bewegingen.

En deels vooruitlopend op nog volgende opmerkingen noem ik hier alvast twee niet al te complexe boekjes die deze bewegingen in hun context behandelen (ik heb ze niet gelezen maar ze maken een boeiende indruk op mij als ik ze via Google Books doorblader) en die zo te zien veel interessante informatie bevatten: Peter Huijs en Kees Bode, Rozenkruisers, Kok (Kampen) 2007; en Harald Lamprecht, Neue Rosenkreutzer: Ein Handbuch, in 2003 (2004?) uitgegeven bij uitgeverij Vandenhoeck & Ruprecht in Göttingen (Duitsland), 350 pp. (oorspronkelijk een dissertatie maar zeer leesbaar). Ik voeg daaraan twee webpagina’s toe in verband met Henk Leene: “Geschiedenis der Rozenkruiserstraditie” (onderdeel van een grotere website van Henk Leene’s leerling Robertus Persaud), en “De Henk en Mia Leene Bibliotheek”.

Back to top

Inhoud en kwaliteiten: wat biedt dit boek voor welk lezerspubliek?

Dan nu iets meer over de inhoud van het boek, en de kwaliteiten ervan. Uiterlijk is het een perfecte uitgave, met een mooie letter en bladspiegel en kantlijnverwijzingen naar de noten onderaan de bladzijden (beide laatste in een aparte kleur). Ook band en stofomslag zijn mooi. Het boek bevat diverse boeiende illustraties. De leestekst is helder en leest buitengewoon prettig, ook al is het vaak geen alledaagse taal die geciteerd of uitgelegd wordt. De opbouw is helder, in hoofdlijnen chronologisch en systematisch. Het boek is een knap stuk werk, intelligent opgezet en buitengewoon doelmatig uitgevoerd. Als we constateren dat het gezicht van het LR de laatste twee decennia – niet het minst door de gememoreerde symposia, de regionale cursussen en de andere vormen van het openbare werk, ook door de activiteiten van de Bibliotheca Philosophica Hermetica – anders is geworden dan in de tijd toen de stichters nog leefden en zelf leiding konden geven aan de beweging, dan is het een groot voordeel dat juist nu iedereen kan kennis nemen van een boek dat zo mooi het eerdere werk van die stichters en van de beweging weergeeft. Je zou het in die zin een herdenkingsboek kunnen noemen, zoals ook bij jubilea van grote bedrijven dergelijke overzichten van de opkomst en voorgeschiedenis van het huidige bedrijf gepresenteerd worden. De precieze juistheid van de gegevens en de volledigheid en afweging en beoordeling van de verschillende momenten in deze historie zal ongetwijfeld punt van overweging zijn en blijven. Maar de toon en de opzet van dit boek zijn zodanig dat eventueel commentaar er eerder door in een perspectief komt te staan dan dat het dat bij voorbaat onmogelijk zou maken. Dit is het boek van deze auteur en anderen kunnen daar op verder bouwen, er hun voordeel mee doen, of er iets anders naast zetten.

Methodisch heb ik wel een vraag. Is het zo dat alle bronnen die de auteur tot zijn beschikking stonden, ook andere onderzoekers tot hun beschikking staan? Dat zal waarschijnlijk wel het geval zijn voor de documenten die voorkomen in de uitgebreide bibliografie aan het eind, die van de gepubliceerde teksten en tijdschriften. Maar geldt dat ook voor de archieven, of van persoonlijk materiaal? Is dat al verzameld, en is dat dan toegankelijk? Hierover wordt niets meegedeeld, en dat is voor een precieze geschiedschrijving die controleerbaar is voor iedereen die dat met zorgvuldigheid wil doen, natuurlijk wel een vanzelfsprekende voorwaarde. Ik ben me overigens bewust dat alleen al het bijeen brengen van het materiaal, inclusief interviews, waarop het voorliggende boek is gebaseerd, al een groot werk is geweest. Het gaat mij er slechts om een vraag te stellen die te maken heeft met wat in de geschiedschrijving het bronnenonderzoek heet. En daarover is in het algemeen een bijzondere opmerking te maken: zoals bij vele bewegingen en organisaties waar een sterk onderscheid tussen binnen en buiten een rol speelt – en vaak ook een hiërarchie om dat onderscheid in goede banen te leiden -, geldt ook voor deze beweging dat zij een duidelijk openbare kant heeft, en een duidelijk verborgen of interne of innerlijke kant. En die laatste is dan meestal niet toegankelijk voor buitenstaanders. Dit geldt bijvoorbeeld – niet schrikken! – voor het Vaticaan, voor vele politiek geprofileerde regimes in strak geleide landen (denk aan het vroegere Moskou), voor de Mormoonse kerk enzovoort. Zelfs hebben de meeste gewone landen, ook democratisch geleide en ook bijvoorbeeld Nederland, en ook grote bedrijven, delen van overheids- of bedrijfsrapportages die geheim moeten blijven, om maar niet te spreken over geheime diensten en dergelijke. Gewoon een simpele sociologisch aanwijsbare karaktertrek, maar met een bijzonder gevolg voor de geschiedschrijving: voor sommige van die bewegingen of organisaties, voor sommige van die landen en bedrijven, is volledig objectieve geschiedschrijving in zover niet haalbaar dat niet alle onderzoekers vrije toegang hebben tot het bronnenmateriaal. Geldt dit nu ook voor het ‘materiaal’ van dit boek? Ik overdrijf toch niet? Natuurlijk zou ik geen ogenblik willen beweren dat er sprake is van of zelfs maar denken aan kwade trouw. Dat is niet wat ik bedoel. Waar het mij om gaat is simpel de vraag of alle bronnen voor dit boek voor iedere onderzoeker toegankelijk zijn (een vraag die allereerst inhoudt of alle bronnen ook al geregistreerd en eventueel bij elkaar gebracht en toegankelijk gemaakt zijn!). En dan kom ik op een interessant punt: om het onderwerp van dit boek te begrijpen moet je een goede verstaander zijn, iemand die eigenlijk al weet waar het bij Jan Leene en mevrouw Hennie Stok-Huizer en hun beweging om gaat. Dit is de bekende hermeneutische cirkel waarin de geesteswetenschappen zich bevinden, en waarvan het goed is dat geschiedschrijvers zich de vraag stellen hoe zij ermee omgaan. Welnu, mijn indruk is dat Peter Huijs zich van die cirkel uitstekend bewust is, en er juist op uit is om te openen waar geopend kan worden. Wat zou daar immers op tegen zijn? Aan de andere kant kunnen er terechte redenen zijn om voorzichtig te zijn met het naar buiten brengen van gevoelige gegevens, niet alleen – en misschien juist daar ook niet altijd om volledig terechte redenen! – bij bekende machtige organisaties of landen of bedrijven met een gesloten structuur, maar ook bij bewegingen die niet op macht uit zijn maar die een kwetsbare inhoud en doelstelling – of liever, de kwetsbare beleving daarvan – hoeden, zoals die van de Rozenkruisers en andere spirituele bewegingen (dat bewegingen soms ontsporen en hun spirituele doel verkwanselen – de geschiedenis van mensen en bewegingen die met spiritualiteit te maken hadden, is er vol van – is weer een geheel andere zaak, al is het voorkómen daarvan nooit gegarandeerd door afscherming tegen de buitenwereld). Zowel bij de stichters van deze beweging als bij de beweging zelf als bij deze auteur en zijn boek erover staat het spirituele doel voorop. Maar de methodische vraag mag gesteld worden, en is ook van spiritueel belang lijkt het, als we zien hoe de auteur zijn boek eindigt.

Back to top

De auteur zelf komt tot de terechte constatering dat het natuurlijk wel heel bijzonder is dat de stichters van het LR, speciaal Jan van Rijckenborg, in een tijd dat maar weinigen het enorme belang en de reikwijdte ervan inzagen, niet alleen studie maakten van de hermetische gnosis van Egypte, van het taoïstische Het boek van de weg en de deugd van Lao Zi, van de hierboven al genoemde geschriften van de zeventiende-eeuwse Rozenkruisers, en van de Pistis Sophia, een belangwekkend christelijk-gnostische geschrift – om vele andere werken uit de geschiedenis van de innerlijke wijsheidsbewegingen verder maar niet te noemen -, maar er ook nog over publiceerden en ze integreerden in een eigen mystagogie (d.i. een leer bedoeld om transformatieprocessen op gang te brengen, mensen in te wijden in de mysteriën als onderdeel van een mysterieschool, zoals bijvoorbeeld het vroege christendom na Jezus die ook vele kende). Behalve deze bijzonderheid en de mogelijke redenen van van Rijckenborg om deze keuze te maken, is een mogelijke vraag hier natuurlijk hoe die eigen leer er nu precies uitzag in de verschillende fasen van haar ontstaan. Daarover ontsluit dit boek nog niet alles.

Toch is het voor mij lange tijd een vraag geweest of het geschreven werk van Jan van Rijckenborg op zichzelf een zo inspannende studie en overzicht als dit boek biedt, wel waard is. Alleen wie de taal ervan door en door kent en kan vertalen in voor de gemiddelde mens van onze tijd begrijpelijke taal – want dat is die taal beslist niet zonder meer – kan het werk van Jan van Rijckenborg lezen, begrijpen en het ook inhoudelijk op zich laten inwerken. Ik weet dat er zeker personen te vinden zijn die dat wel zouden kunnen – daarvoor is dan behalve een grote vertrouwdheid met het betreffende werk en de betekenis ervan wel een goed thuis zijn in de leefwereld en de denkwijzen van mensen van nu nodig alsmede een knappe dosis vertaalvaardigheid. Aan de andere kant is het werk van Van Rijckenborg erg uiteenlopend: qua beoogde lezers, qua beoogde toehoorders, qua soort vertoog (lezing, verhandeling, opwekking, commentaar op een spirituele tekst, uitleg over de geestelijke achtergronden van de tijd of over de ontwikkeling van het eigen werk), qua tijd van ontstaan, enzovoort. En de grote lijnen van zijn eigen beeld van mens en kosmos ontwikkelden zich geleidelijk daarin, al zijn bepaalde werken daarin meer bepalend dan andere, en soms ook bedoeld als een nieuw overzicht biedend. Peter Huijs biedt ook handvatten om bepaalde werken van Van Rijckenborg te interpreteren in hun context. Aanvankelijk waren de gebroeders Leene sterk gecharmeerd van de sociale en geestelijke noden van arbeiders en spraken zeker hun wat eenvoudiger taal, net als Max Heindel, de rozenkruiser tot wiens beweging zij ooit behoorden voordat zij om zo te zeggen ‘voor zichzelf begonnen’, althans in hogere zin want zij bleken uiteindelijk een eigen weg te gaan, die verwant was maar een duidelijke eigen vorm aannam (ook speelde een rol dat de Nederlandse afdeling niet partij wilde kiezen in een conflict dat bij de internationale leiding van de beweging van Heindel speelde, zoals Dietzfelbinger in zijn boek meedeelt). En van verschillende latere werken van Jan van Rijckenborg schetst Huijs welke context en achtergrond de vorm ervan mede bepaalde (de situatie van de beweging waarop hij wilde reageren, de taal van een maatschappelijke of culturele discussie in een bepaalde periode, of de nog herkenbare omzetting van artikelen of lezingen in boekvorm). Qua vorm en dus ook qua inhoud is het werk van Jan van Rijckenborg – dit mag niet ontkend of verdoezeld worden – voor iemand die dit alles niet weet, en evenmin zelf herinneringen heeft aan Jan van Rijckenborg en aan de transfiguratie zoals hij die voorleefde, entameerde en met de andere leerlingen besprak, in eerste instantie qua taalgebruik érg ontoegankelijk. Omgekeerd betekent dit dat zijn commentaren op oudere teksten eveneens sterk bepaald zijn door dat sterke taaleigen en die sterk eigen context en ik kan lezers die via zijn werk toegang tot bijvoorbeeld Het boek van de weg en de deugd zouden willen zoeken – maar zeker niet alleen dat werk -, beslist adviseren om daarvoor minstens ook andere originelen en andere toelichtende werken te gebruiken (ik mag hier niet generaliseren, want ik heb niet al deze werken gelezen net zo min als die van van Rijckenborg). Dat gezegd zijnde, is het natuurlijk des te waardevoller dat Peter Huijs er in dit boek in slaagt de pennenvruchten van beide stichters en latere grootmeesters van de beweging in een duidelijk historisch overzicht in te kaderen en er bijna een intellectuele geschiedenis van te bieden – met een prachtig deel over de invloed op de broers Leene van de levenshouding en visies van professor de Hartog van wie zij zeer vele lezingen bijwoonden en die hen ongetwijfeld ook met Jacob Boehme bekend maakte -, zonder dat die echter aan de lezer die niet met het gedachtegoed bekend is, al veel houvast biedt. Daarvoor is het werk eenvoudig te esoterisch van aard, helaas niet alleen in de betekenis van ‘op het innerlijk betrekking hebbend, op innerlijke inwijding gericht’, maar ook in de betekenis van moeilijk toegankelijk behalve voor de gelouterde kenner.

Wat ik vooral mis, en denk ik terecht mis, is de simpele uitleg ervan in gewone mensentaal: want die uitleg is heel gewoon te geven, zowel als het om zaken gaat met een ingewikkelde context als met een alledaagse. Het vereist alleen het uitleggen van die context en het neerzetten van de betekenis van de tekst daarbinnen. Zo simpel als wat. En buiten zo’n begrijpelijke uitleg – om welk verschil in niveau of welk verschil in diepgang of in onderwerp het ook gaat – heeft communicatie weinig inhoudelijke zin, en moet ook niet gepretendeerd worden (tenzij het doel bereikt zou zijn als ieder de taal van van Rijckenborg zou horen en spreken of zijn teksten zou reciteren, begrepen of niet, of tenzij – zoals in het zen-boeddhisme – het scheppen van verwarring en het spreken in raadsels als middel gebruikt worden om mensen wakker te schudden voor datgene waar zij zich nog voor afsluiten). Wat mij betreft, is het in ieder geval heel belangrijk dat bij het huidige gebruik van teksten van Van Rijckenborg wordt aangegeven welk doel dat gebruik heeft. Gelukkig is er ook een boek dat een prachtig – ook in heldere logische termen geformuleerd – systematisch overzicht van de visies en het denken van Van Rijckenborg in hun ontwikkeling biedt, zij het op dit moment alleen nog in het Duits. Ik doel op het boek Die Geistesschule des Goldenen Rosenkreuz van Konrad Dietzfelbinger, dat ook een veel korter (en niet minder helder) overzicht van de ontwikkeling van de beweging biedt als dit boek van Peter Huijs. Zo’n overzicht is er dus wel, en kan gebruikt worden! Wie overigens bedenkt hoeveel er op dit terrein gebeurt binnen het openbare – en ongetwijfeld ook het interne – werk van het LR, die begrijpt dat er op dit punt de komende tijd ook nog meer zal kunnen gebeuren, wellicht ook vertalingen en overbruggingen die een aantal jaren geleden nog niet denkbaar leken of voorstelbaar waren.

Bij wat er al gebeurd is kunnen we denken aan bijvoorbeeld de Bibliotheca Philosophica Hermetica die vertalingen initieerde en verzorgde van het Corpus Hermeticum, van werken van Comenius, en aan de uitgeverij De Rozekruis Pers (dat tevens verzendhuis is met een interessante catalogus van actuele boeken die steeds vernieuwd wordt) en verwante uitgeverijen, aan de boekhandels in de hoofdzetel van de beweging in Haarlem en op het conferentiecentrum Renova in Bilthoven die op bepaalde gebieden een buitengewoon interessant en steeds actueel assortiment tonen, en niet minder aan het tijdschrift Pentagram (waarvan Peter Huijs momenteel hoofdredacteur is) dat momenteel zesmaal per jaar een zorgvuldig voorbereid en behoorlijk goed geschreven nummer uitbrengt over allerlei zaken op een zeer breed terrein van innerlijk leven en met gebruikmaking van vele bronnen (soms wordt nogal wat context bekend verondersteld, maar meestal wordt deze verduidelijkt; verder wordt soms naar bronnen verwezen, hoewel bibliografisch vaak onvolledig).
Er moet dus een verwantschap en een verband aan te geven zijn tussen al die bronnen en boeken en verhandelingen en teksten en het werk van de stichters van het LR. Overigens is het zeker een van de kwaliteiten van en in deze beweging dat men pas een stap naar buiten zet als die vanuit een innerlijke impuls komt die kwaliteit beoogt en op degelijke voorbereiding is gebaseerd. Zover er pretenties zijn, en die mogen er immers best zijn als ze terecht zijn, is de omgeving van deze beweging er een waarin veel ruimte is om ze te toetsen op echtheid, betrouwbaarheid, eenvoud, en uiteindelijk ook complexere zaken, zij het dat die dan in verhouding dienen te staan tot de kern. Dat is althans mijn indruk, op basis niet alleen van dit boek, maar ook van deelname aan openbare activiteiten van de beweging, vele symposia en een aantal cursussen, en diverse gesprekken en ontmoetingen met leden van de beweging gedurende ongeveer twee decennia. Een oordeel is dat echter niet, al helemaal niet in wetenschappelijke of in verstandelijke zin. Zo’n oordeel kan op basis van de (bekende) feiten niet gegeven worden, en hoeft ook niet van buitenaf gegeven te worden. Omdat niet alle feiten op dit punt aan de lezer bekend gemaakt worden, omdat feiten niet alles zeggen, en omdat het – althans wat betreft het uiteindelijke doel – om meer dan deze feiten (zij het ook niet buiten deze feiten om!) gaat.
Dietzfelbinger is hierover heel duidelijk: hoewel de Geestesschool van het Gouden Rozenkruis ook een schat aan kennis van traditionele bronnen en hun uitleg behelst en beheert, is die kennis niet een doel ervan. Als historicus en geïnteresseerde in deze literaire en spirituele traditie weet ik dat het een grote aantrekkingskracht van deze beweging is, dat zij zoveel personen herbergt die kenners zijn op het gebied van deze tradities en hun literaire nalatenschap. Maar het gaat niet allereerst om dit soort kennis en het genieten ervan, hoe begrijpelijk het ook is dat men er door aangetrokken wordt, het gaat – uiteindelijk – uitsluitend om de innerlijke processen die de school helpt vergemakkelijken, en die in de vroegere tradities en hun literatuur hun voorlopers en voorbeelden hebben. Overigens een terechte reden om er dus in geïnteresseerd te zijn, en nog meer: om er in duidelijke taal over te spreken! Dan wel: vast te stellen of bepaalde taal door sommige hoorders of lezers al begrepen is of kan worden of niet, zonder dat dat op intellectuele of andere spiritueel niet relevante misverstanden betrekking heeft!

Ook in dat verband is het – zowel in als los van de weergave van de geschiedenis – niet gemakkelijk te zeggen wat de inhoud van het boek nu precies is. Op de achtergrond en zelfs op de voorgrond speelt immers altijd het openlijk beleden doel waarvan alles in dienst staat: de innerlijke verandering van de leerlingen van de geestesschool als onderdeel van het hogere plan van de terugkeer van heel de ‘geschapen ofwel uit haar oorsprong gevallen werkelijkheid’ tot die oorsprong. In die terugkeer past weliswaar ook aandacht voor aardse zorgen en bezigheden waaronder de lichamelijke of materiële omvorming die aan de innerlijke gepaard gaat (en het valt op dat door de auteur opmerkelijk weinig aandacht besteed aan de toch niet onbelangrijke visie van de stichters op het genezen van ziekten). Omdat de eigenlijke ‘transformatie’ of liever ‘transfiguratie’ bovendien plaats vindt op een voor de (nog niet – geheel – getransformeerde) beschouwer onzichtbare wijze, althans nog niet volmaakt zichtbare wijze, valt deze ook moeilijk in ‘gewone’ termen uit te drukken. Of had men hier juist niet zo’n behoefte aan?

De informatie in dit boek is dan ook meestal op meerdere niveaus te lezen. Alle gewone feiten erin zijn naar ik aanneem gewoon controleerbaar. Aan de ene kant zijn sommige gedeelten (meestal in de vorm van citaten van de hoofdrolspelers) echter geschreven als verwijzing naar werkelijkheden en innerlijke processen die in principe niet of amper in woorden zijn weer te geven, terwijl aan de andere kant volop woorden gebruikt worden en degenen die die woorden uitspreken daarmee niet alleen veranderingen pogen op te roepen en te bewerkstelligen maar ze toch ook proberen aan te duiden in min of meer objectief verifieerbare althans voor de goede verstaander verstaanbare taal. Ik duidde dit dilemma hierboven al aan. Het gaat er dan dus steeds om of men een goede verstaander is, zoals uit het boek blijkt, niet alleen als men stichter is of leerling maar ook als men dit boek leest. En zaken als welke regels nu precies gelden voor welke soorten leerlingen, en op grond waarvan, zal men in dit boek niet vinden (dat is uiteraard in zoverre begrijpelijk als de samenhang tussen eventueel zich wijzigende regels – iets wat in het verleden regelmatig heeft plaatsgevonden en kennelijk een onderdeel van de gangbare praktijk is – en innerlijk werk het openbaar maken hiervan ook enigszins heikel maakt, want riskant voor dat innerlijke werk). En wat betekent deze wijze van hanteren van taal en de geschiedenis en kennis ervan nu precies? Waarom worden uitlegbare zaken en begrippen vaak juist niet uitgelegd terwijl dat wel zou kunnen? Deze vraag lijkt niet gesteld te worden en blijft althans voor mij open. Maar zie ook onder!

Back to top

In ieder geval wordt voor mij duidelijk dat ook in deze traditie net als in de andere tradities op wie ze lijkt en met wie ze verwant is, eenvoud en liefde en weldoen hoog op de lijst van waarden staan, zowel in het persoonlijke als in het maatschappelijke. Meermalen wordt gememoreerd dat onzelfzuchtige dienstbaarheid de snelste weg is naar innerlijke transformatie. Al blijft het hierboven gezegde dat in menselijk opzicht noch aan de personen noch aan de bewegingen (in hun psychologisch en sociologisch herkenbare patronen) iets menselijks vreemd is, onverminderd van kracht. Personen uit deze traditie staan er echter in het algemeen beslist niet om bekend dat ze hoog van de toren blazen maar wel dat zij in stilte hun belangrijke, vaak intensieve werk verrichten, zowel het openbare als het verborgene. Naast het eigen beroep en het interne en openbare werk voor de beweging hadden zij vaak nog aandacht voor speciale noden en praktische basisvoorzieningen en nieuwe richtingen op gebieden als gezondheidszorg, economische en ecologische vernieuwing en evenwicht, en wetenschap en cultuur. Er is hier een duidelijke parallel met de Katharen aan te wijzen, die immers ook bekend stonden als ‘bonshommes’ en vaak in tweetallen rondtrokken om zieken te verzorgen en andere diensten te verrichten (hierover zijn overigens gevarieerde verhalen in omloop die wellicht niet allemaal op elkaar lijken of verifieerbaar zijn). Ik neem aan dat vrijwilligheid daarbij voorop stond en staat, anders zou het doel gemist kunnen worden (al herinner ik mij passages uit het werk van van Rijckenborg die niet vreemd zijn aan een klemmend beroep om stand te houden tegenover dreigend onheil – en niet minder aan dreigingen om niet uit de beweging te stappen maar ‘de strijd’ vol te houden -, niet vreemd als je bedenkt dat hij die vormen kende uit de kerk van zijn jeugd, de rechterflank van de Nederlandse Hervormde kerk). Ik merk hierbij overigens nu al op, dat Konrad Dietzfelbinger in zijn boek daar diep op ingaat (zie onder bij Terzijde 2: resterende punten van belang). En in het algemeen staan Rozenkruisers er ook om bekend dat zij – in ieder geval idealiter – oog hebben voor stilte naast woorden, en voor wijsheid naast praktische vaardigheid. En waarbij de ‘energie’ (om het even in mijn woorden te zeggen) in en via de tempels van de regionale groepen een niet onbelangrijk aspect is. Als een ding duidelijk is, is het dat er in de beleving van ieder die bij deze speciale beweging betrokken is een buitengewoon krachtige energiestroom doorheen is gegaan (trouwens allemaal punten die in het boek van Dietzfelbinger structureel veel aandacht krijgen!). Het moet voor de ouderen in de beweging een vreugde zijn de beelden van de gegane weg in dit boek althans in hoofdlijnen terug te kunnen vinden, als een monument voor en herinnering aan het unieke van wat er aan de huidige werkzaamheden van de beweging is voorafgegaan.

Het boek bevat ook een uitgebreide bibliografie van gepubliceerde werken van de stichters en hun beweging, en van verwante uitgeverijen. In de tekst van het boek wordt al aangegeven dat niet alle teksten die er nog zijn, al gepubliceerd zijn. Evenmin of daar plannen voor zijn. Jammer is wel dat (onder meer?) verwezen wordt naar een uitgave die nergens gedocumenteerd lijkt (wellicht heb ik dat over het hoofd gezien), zoals de Brieven van Catharose de Petri, op p. 344.

Het boek gaat niet direct over de huidige uitdagingen voor het werk van deze beweging. Ook niet wat nu precies de veranderingen zijn die het werk na het verscheiden van de stichters (sinds 1990) heeft doorgemaakt en dus nu nog doormaakt. Het biedt allereerst een helder beeld van wat velen uit het LR dierbaar is, het werk ván deze ‘grootmeesters’ – en samen mét hen -, dat hen gevormd heeft en geïnspireerd tot de dag van vandaag. Dat hun ook een bijzondere plaats in de wereld en de maatschappij van nu heeft gegeven, waarin ze van dag tot dag hun weg dienen te zoeken om hun opdracht te volbrengen. Het boek is – zoals past bij een historische beschrijving – duidelijk meer een terugkijken dan een vooruitkijken.
Minstens impliciet lijkt de auteur zich van de vraag naar de toekomst van de beweging – en van haar gestelde doel – zich overigens goed bewust te zijn. En zo stelt hij zeer zuiver en mijns inziens terecht dat in de toekomst nieuwe en andere visionaire en geestelijk ontwikkelde personen en nieuwe en andere perspectieven en impulsen van groot belang en van grote betekenis kunnen en wellicht ook zullen zijn. Ook al waren de grootmeesters het begin en hebben zij een groot stempel gezet dat vruchtbaar is geweest, de toekomst zal zich niet beperken tot een louter commentaar op hun werken: zo werkt de geestelijke wereld niet, zo werken alleen van vrijheid en creativiteit gespeende tradities. En al kunnen die soms een groot wereldlijk succes hebben (te denken valt aan de Rooms-katholieke kerk en aan andere kerken in zover die met een streng regime mensen soms zo in gewetensnood gebracht hebben dat mensen daar voor hun leven een trauma aan overhielden dan wel zich ‘dan maar’ schikten naar de dwang die op hen werd uitgeoefend), dat is ook volgens de auteur niet de weg van de Rozenkruisers, als ik het goed heb. Maar niet alleen voor anderen waaronder mij, ook voor hen zal dit ongetwijfeld een uitdaging blijven. Zoveel is wel zeker. Zoals verderop zal blijken vindt de auteur immers dat de kern van het werk van de stichters was dat “zíj hun school niet met woorden bouwden, niet met diensten en conferenties, maar met ménsen, en met leven. Het leven, en het daarbij horende bewustzijn van een andere natuur, dat zij bij zich droegen. Of beter: waaraan zij deel hadden en hebben”. Wie die opdracht durft aanvaarden, moet inderdaad uit sterker – dan sterk – hout gesneden zijn. Dat de stichters een bijzonder charisma hadden, wordt uit dit boek duidelijk; een vraag blijft hoe dit charisma in de praktijk voor de mensen in de beweging concreet werkte, naast de lezingen, cursussen en boeken bijvoorbeeld in persoonlijke contacten, tempeldiensten, vergaderingen. Wel horen we dat Jan Leene een gewone vader was die op zondagmiddag ook lekker met zijn kinderen kon voetballen: gelukkig! Er moet echter ook een sterke positieve uitstraling geweest zijn van de interne bijeenkomsten – welke soort dan ook – en het zou waardevol zijn geweest van de aantrekkingskracht iets te horen. Of je zou via de gegeven kanalen van het openbare werk die aantrekkingskracht zelf kunnen proberen te voelen en ervaren. Op dit punt en op vele andere is eenvoudig geen kennisname of vergelijk mogelijk op grond van dit boek alleen. Of dat bewust zo is weet ik evenmin.

Het mag ten slotte ook gezegd dat de auteur met dit boek een grote stap heeft gezet – zoals ook uit het symposium van 23 mei 2009 is gebleken – op weg naar een gemeenschappelijk forum en gemeenschappelijk optrekken waar dat kan, van de hierboven al genoemde verwante bewegingen in het kader van wier geschiedenis hij het ontstaan en de realisering neerzet van het werk van dit bijzondere Rozenkruisers Genootschap en zijn beide stichters. Want het gaat hun, deze Rozenkruisers, om iets speciaals, om een werk dat te volbrengen is, zij het niet uit eigen kracht, maar ook niet daar buitenom. Dat is niet alleen hoopvol voor die bewegingen samen en voor hun wijdere omgeving, maar ook voor de verdere doorwerking van de impulsen die tot die bewegingen hebben geleid en van de krachten en intenties die erin liggen opgesloten. Die opsluiting was wellicht soms letterlijk omdat er behoefte aan afgrenzing was. De veiligheid die door die afgrenzing werd geboden, kan wellicht in de toekomst omgezet worden in vernieuwde visie en daadkrachtige samenwerking. Dat betekent uiteraard een relativering van wat binnen de afzonderlijke beweging aan ideeën en centrale of ‘vaste’ waarheden bestond en bestaat, en de vernieuwde contacten betekenen wellicht enerzijds dan ook een zeker verlies of opgeven van het eigene, maar daar staat anderzijds tegenover dat er nieuwe vruchten te verwachten zijn, zoals dat met ieder wezenlijk contact het geval is, of dat nu op korte of op lange termijn zichtbaar wordt. Niet alleen heeft niemand de waarheid in pacht, een leerzame constatering, maar sterker, het delen van de eigen inzichten met elkaar is verrijkend voor iedereen. Ik voeg hieraan toe dat Dietzfelbinger in zijn boek uitdrukkelijk wijst op het feit dat Jan van Rijckenborg in zijn teksten enerzijds sterk wees op het eigene van de boodschap van transfiguratie, anderzijds echter wars was van bewegingen die het gelijk voor zich alleen opeisten. Dietzfelbinger laat zien dat dit verklaarbaar is: waar het accent ligt op de unieke boodschap en weg, wordt daarheen verwezen, maar waar het om open contact met andere verwante personen en bewegingen gaat, staat niets dat open contact in de weg.
Een voorval op het genoemde symposium schiet me te binnen waaraan ik een van de thema’s van deze bespreking kan illustreren. Op een gegeven moment sloot een van de sprekers zijn voordracht af met een klemmende wens om bij te dragen aan de vrede, om oorlog in deze wereld te voorkomen (ik weet niet precies meer waar het om ging, maar het verband is er niet minder om). De dagvoorzitter reageerde onmiddellijk met een opmerking in de trant van “U bedoelt uiteraard de innerlijke vrede”. Daarover heb ik later nog nagedacht: zijn dat nu echte tegengestelden? Mijn gedachten gaan nu in deze richting dat innerlijke vrede en uiterlijke (politieke) vrede uiteraard heel goed samen kunnen gaan, waarbij het belang dat de dagvoorzitter op het oog had waarschijnlijk zou kunnen zijn dat de innerlijke vrede daarbij de leiding zou dienen te hebben. Want – en daar hebben we het thema – ik veronderstel dat leden van de bewegingen op dit symposium vertegenwoordigd, natuurlijk niet buiten de wereld leven maar daar een echte – ook een politiek relevante – rol in spelen. Het geeft geen pas om zich uit de wereld terug te trekken en de wereld haar eigen problemen te laten opknappen. Sterker, het zou een illusie zijn te denken dat men zich uit de wereld zou kunnen terugtrekken. Daarom is het des te meer te waarderen dat de beweging die in het boek beschreven wordt, zich heeft ontplooid te midden van zulke gevarieerde omstandigheden als de twintigste eeuw heeft laten zien, niet de gemakkelijkste en ook niet de aller-onmogelijkste. Want we komen er de periode rond de Eerste en de Tweede Wereldoorlog tegen, en de economisch moeilijke dertiger jaren. Een tijd waarin de innerlijke kracht die door de stichters werkte enorm groot was. En we komen de tijd tegen van de groeiende welvaart en de culturele openheid voor religieuze en spirituele vernieuwing die eigen was aan de laatste decennia van de twintigste eeuw, een klimaat waarin alle genoemde bewegingen verbaasd stonden over de nieuwe mogelijkheden om hun vleugels uit te slaan, althans wat het culturele klimaat betrof. Ook nu we weer een nieuwe periode in lijken te gaan waarin de basis voor economische groei gedurende langere tijd gering zal zijn, maakt dit nieuwsgierig hoe impulsen tot innerlijke vrede (die voorrang dient te hebben) gevolgd kunnen worden door en beantwoord met impulsen tot uiterlijke vrede. Zij die in deze tradities stonden, niet alleen in de vorige eeuw die zo bepalend voor deze bewegingen is geweest maar ook gedurende alle eeuwen daarvoor, zijn zich daarvan meestal sterk bewust geweest. Hoe kan het ook anders, veranderingen in de spirituele tradities zijn immers altijd weerspiegelingen van ontwikkelingen op andere niveaus, zowel hogere als lagere, die bovendien vervlochten zijn. Bewuste mensen kunnen bijdragen aan het vinden van openingen waar (nog) onbewuste mensen – soms net als de bewuste radeloos of angstig of zonder middelen – geen wegen meer zien. En tevens – dat is de andere zijde van bewustzijn – kunnen zij laten zien dat met uiterlijke vrede nog niet alles gewonnen is …
Om deze uitweiding van mijzelf af te ronden: Dietzfelbinger gaat in zijn boek – tegen het eind – eveneens in op deze zaken, en wel helder en gestructureerd! Dat roept bij mij dan wel de vraag op wat nu precies de innerlijke transformatie is die in deze beweging doel is. Ook daar schrijft Dietzfelbinger uitgebreid en helder over, en ik wil er in Terzijde 2: resterende punten van belang daarom op terugkomen.

Betrokken op het in de tijd terugkijkende aspect van het boek, zou je kunnen zeggen dat het een waardevol en aangenaam leesbaar overzicht biedt van wat in antwoord op de “roep door het wereldhart” in bijna honderd jaar gegroeid is, zij het allereerst voor een beperkt publiek van bekenden van binnen en speciaal geïnteresseerden van buiten, en een basis biedt waarmee de lezer zelf verder aan de gang moet: hier is een weg gebaand die bruggen slaat naar allerlei zijden. Te bezien valt op termijn welke accenten de auteur nu precies heeft gelegd, welke zaken hij wellicht enigszins onderbelicht heeft (het moet gezegd dat dit boek toch al fors uitvalt, met bijna 500 bladzijden, dus ik mag ook niet teveel vragen) bijvoorbeeld de beschrijvingen van het proces van transfiguratie (ofwel innerlijke en uiterlijke transformatie) dat zo centraal staat. Dan had wellicht ook meer duidelijk kunnen worden over van Rijckenborgs specifieke opvattingen over de verandering van het bloed in samenhang met het herstel van onvolkomenheden van ons huidige lichaam in een volkomen lichaam (en de samenhang met de genezing van ziekten). Tussen haakjes: alweer een punt waar Dietzfelbinger duidelijke informatie over verschaft en uitspraken over doet, ik kom er op terug! En het is misschien juist goed dat de auteur dit aspect (en ongetwijfeld andere, mij onbekende) juist heeft weggelaten? Misschien waren sommige elementen uit van Rijckenborgs visie immers passender in zijn eigen tijd en omgeving – want zo gaat dat nu eenmaal – dan in de onze? Opnieuw vragen, zie ik: ik laat het er bij (want je zou geneigd kunnen zijn te gaan denken over het verschil tussen beeldspraak en ‘werkelijkheid’: waar houdt het een op en begint het ander?!). Maar een sterk punt van dit boek en van van Rijckenborgs werk is dat het mensen aanspreekt op een essentieel punt: op het heimwee dat zij voelen naar een tijd dat, of een plaats waar, alles nog goed was of nog is, een tijd of een plaats die zelfs opnieuw te bereiken is – zo is de roep. Dit werk doet dat verlangen herleven, bewerkt het, maakt het levend en krachtig en brengt zodoende een proces op gang van onvoorstelbare veranderende kracht, impulsen, energie. Wat een enorm krachtveld is door deze mensen heen gegaan en heeft zich ontwikkeld tot een bruggenhoofd in deze wereld!
Betrokken op het vooruitkijkende aspect van dit boek en de nieuwe openheid die erin te proeven is, zou ik geneigd zijn te zeggen: “Bruggenhoofd van het wereldhart: wat wordt in de huidige, duidelijk andere en nieuwe, situatie de nieuwe formulering van het doel (ofwel het nieuwe doel) en hoe reizen de reizigers daar – in welke samenstellingen en hoe samenwerkend met welke anderen buiten de eigen kring – straks heen?” Op die vraag wordt door de huidige openbare activiteiten uiteraard al het begin van een openbaar antwoord gegeven. En het zou vreemd zijn als dat niet met het intern bekende antwoord erop zou corresponderen.
Ik kom toe aan enkele slotopmerkingen.

Back to top

Een terzijde: dialektiek van innerlijk en uiterlijk

Een opvallend aspect van de Geestesschool van het Gouden Rozenkruis en het werk van haar stichters is dat zij geheel in de Westerse traditie staat en daarvan zelfs de culminatie wil zijn. Van dat perspectief kan ik alleen zeggen dat ik haar boodschap en weg waardeer en haar ambitie (met de aantekening dat goed zijn in iets me meer een uitdaging lijkt dan een verworvenheid om ermee op zijn lauweren – hoe terecht wellicht ook beoordeeld – te gaan rusten) zonder meer kan onderschrijven en aanbevelen.
Mijn ervaring is echter dat in vergelijking met Oosterse denktradities de Westerse vaak een neiging tot (uiterlijke) verabsolutering hebben, alsof meerdere waarheden niet naast elkaar zouden kunnen bestaan, en bijgevolg vaak ook niet meerdere organisaties of wijzen van organiseren of werken. Deze Westerse tendens werd en wordt door de filosoof Duintjer de ‘dubbelzinnigheid van de Westerse metafyscia’ genoemd, door anderen een neiging tot verabsolutering en tot ‘dualisme’, het beperken van het veld van mogelijkheden tot slechts één standpunt dat waar is of kan zijn tegenover elk ander standpunt dat per definitie dan niet meer ook waar kan zijn (het “dual“-istische zit dan in het tegenover van het ene tegenover alle andere, en het “-istische” ofwel het “-isme” geeft de verabsolutering aan). Als alternatief voor dit aspect van in ieder geval veel Westerse denktradities wordt tegenwoordig door velen het “niet-dualisme” naar voren gebracht. In deze benadering zou meer ruimte zijn voor het niet absoluut stellen van de eigen waarheid, ongeveer om dezelfde reden waarom in het Westen die eigen waarheid juist werd verabsoluteerd, namelijk om haar niet bij voorbaat omlaag te halen tot het eigen beperkte, niet-absolute niveau. Om het nog een keer anders te zeggen: in het Westen bestaat de neiging het hoogste niveau te verabsoluteren tot iets wat buiten iedere discussie of verandering staat dus onaantastbaar en overanderlijk is – met als gevolg niet alleen exclusivisme op het gebied van de leer maar ook van de organisatie -, in het Oosten wordt ingezien – en geleefd ofwel gepraktizeerd – dat het absolute niveau niet voorgesteld kan worden zonder het relatieve niveau, wat er op neer komt dat het absolute niveau en het relatieve niveau er altijd allebei zijn (zelfs in zekere zin in veelvoud) maar dan wel in de vorm (of niet-vorm!) van permanente verandering. Het gaat hier mijns inziens niet om onoverbrugbare verschillen maar om verschillen in vooronderstellingen en beleving van verschillende culturen. Om ze te overbruggen dient men die eerst van elkaar te kennen. En er zij toegevoegd dat terwijl het ene punt bezig is overbrugd te worden, op andere punten verwijdering aan het ontstaan kan zijn. Waarom dan bij voorbaar vanuit het eigen absolute redeneren? Niet dat het absolute ontbreekt, het valt alleen niet altijd per definitie samen met het eigen verabsoluteerde gelijk – misschien alleen en tijdelijk met het eigen relatieve gelijk … Maar zou dat niet betekenen dat …? Precies!
Dit lijkt op het eerste gezicht misschien slechts een woordenspel, maar dat is het niet. Het gaat om een wijze van leven en formuleren die met de beperktheid van ons handelen en ons spreken rekening houdt. Op deze site is daar al veel aandacht aan besteed en ik kan daarvoor verwijzen naar alle plaatsen waar woorden als dualisme of dualistisch (in Nederlands en Engels) of hun tegendelen worden gebruikt of behandeld. Voor een filosofische achtergrond kan ik verwijzen naar het boek van M. Abe, Zen en het Westerse denken, dat laat zien dat het Westen in tegenstelling tot het Oosten weinig aandacht heeft besteed aan de metafysische rol van het ‘niets’ tegenover het ‘zijn’. Daardoor kan het Westen alleen in iets dat is, de grond vinden van alles. Maar het Oosten bedoelt slechts aan te geven dat die grond slechts als zodanig kan functioneren als zij als grond de mogelijkheden voor het zijn om te veranderen in zich houdt. Tijd kan niet zonder eeuwigheid, maar andersom ook niet (zie Jacob Boehme)! De essentie van ons bestaan is geen grijpbare, vastlegbare categorie, maar iets wat ervaren kan worden. Misschien wel zoals de krachten van de hoogste, “niet-dialectische” geestelijke wereld zoals benoemd door Van Rijckenborg, die trouwens niet voor niets gegrepen was door het Tao waarover Lao Zi schrijft, en dat zijn werk altijd en overal doet, vaak zonder opgemerkt te worden (een tekst die Dietzfelbinger niet voor niets enkele malen in zijn boek naar voren haalt om de houding en opvattingen binnen deze school te illustreren!). Boehme wist dan ook als geen ander van de ‘ongrond’ die – ofwel het ‘niets’ dat – aan de ‘grond’ van alles voorafging, en die de permanente openheid en tendens tot beweging en verandering illustreert van alles wat is en wat we kunnen kennen of zelfs (nog) niet kennen (een opvatting die hij deelde met zijn vrienden en die ook in de Kabbala te vinden is). Kortom, een overduidelijke parallel met de Tao van Lao Zi. En beide vormen ze een belangrijke inspiratiebron van Jan van Rijckenborg!
Wie het ervaren heeft, herkent het in vele situaties en woorden uit het verleden. In De Alchemist van Paulo Coelho komt de hoofdpersoon op zijn spirituele queeste aan het eind van het boek (en van zijn queeste) erachter dat datgene wat hij zocht, al vanaf – en in! – het begin te vinden was geweest. Zoals Jacob Boehme ook nooit naliet erop te wijzen dat ‘in het einde het begin en in het begin het einde besloten’ zijn. Daarom leg ik hier graag nadruk op inclusief denken en een inclusieve levenshouding die daarmee gepaard gaat. Die inclusieve houding sluit het absolute niet uit, maar wordt nooit tot exclusivisme dat op – wellicht bij de Westerse cultuur passende maar daarom niet minder eenzijdige – verabsolutering gebaseerd is; met alle risico’s vandien: verabsoluteerde godsdienst, verabsoluteerde wetenschap, verabsoluteerde organisatie, en wat dies meer zij – we kunnen de voorbeelden dicht bij onszelf bedenken en aanwijzen … Een inzicht dat het leven van de ‘verlichten’ in uiterlijke zin overigens niet per se veranderde: ook de ‘wetenden’ of ‘bewusten’ gaan de bij hun unieke geboorte en dood passende weg.

Waar ik naar toe wil, is dat tegen deze achtergrond een bepaalde karaktertrek van omgaan met de uiterlijke kant van organisaties begrijpelijker zou kunnen worden. In organisaties met zeer concrete doeleinden kan een duidelijke taakverdeling en controlesysteem afgesproken worden maar in een spirituele organisatie ligt dat anders (dat geldt even goed voor Oosterse als voor Westerse organisaties op spiritueel gebied). Een uitgeverij of school is nog een mooie tussenvorm, maar aan het ene uiterste ligt wellicht een militaire eenheid of een produktiewerkplaats met sterke scheiding van leidenden en uitvoerenden en aan het andere wellicht een relatie van spiritueel inspirator en moderator tot spirituele leerling. In het laatste geval kan de relatie niet anders dan tamelijk wederzijds zijn, hoewel ook daar het besef groot is dat een derde partij, waarvan beide partners deel uitmaken, een nog grotere rol speelt. Hoe dan ook – dus zonder hier verdere diep op in te gaan -, in de praktijk van het spirituele leven van individuen en groepen is vergankelijkheidsbesef en besef van eigen beperktheid van enorme betekenis. Het uiterlijke is altijd al bezig van vorm te veranderen (zoals Paulus al over de wereld zei toen hij wees op de beperkte betekenis van het maatschappelijke huwen en zorgen en kinderen groot brengen in deze context; zie hoofdstuk 7 van zijn eerste brief aan de Korinthiërs; de mooie Willibrordvertaling van die passage is “De wereld die wij zien gaat voorbij”) en onze energie dient dus niet op de uiterlijke vorm gericht te zijn ten koste van het innerlijke instrument zijn van de diepste en hoogste geestelijke krachten. Wat er natuurlijk op neer komt dat organisaties opgeheven kunnen worden als zij hun werk gedaan hebben, en hun rol gespeeld is, net als elk levend wezen sterft, en alle andere dingen permanent overgaan in iets anders, vlugger of langzamer (want ook onze natuurwetten zijn niet echt eeuwig). Iets wat de kerk wellicht vergeten is toen zij wel de politieke wind mee kreeg onder keizer Constantijn, maar prompt ook haar transformerende en transfigurerende opdracht ging beperken tot wat paste binnen de context van de politieke haalbaarheid en bovendien haar sterke organisatie – handig tijdens de vervolgingen en niet voor niets gevormd naar Romeins model – nog verder uitbouwde tot een structuur waarin voor de allerdiepste veranderingen van binnen en van buiten weinig plaats meer leek.

Geldt dit ook de besproken beweging en de visie erop van de besproken boeken? Zeker, er zijn formuleringen en opvattingen van de in de school aangeprezen innerlijke weg aan te wijzen die door hun absoluut karakter op het eerste gezicht in strijd zouden kunnen lijken te zijn met de volstrekte openheid voor wat in geen enkele formulering of opvatting te vangen is en vervolgens voor wat in andere personen en bewegingen daarvan door kan klinken, maar die lijken mij bij nader inzien – en vanwege de uitdrukkelijke openheid bij Konrad Dietzfelbinger en Peter Huijs – niet een fundamenteel kenmerk. Luisteren naar anderen en met hen in dialoog gaan en zo het grote werk – eventueel samen! – voortzetten kan de aanbevolen weg zijn. Is er ook openheid voor wat de Oosterse wijsheid te bieden heeft op deze punten? Dat varieert wellicht of heeft in de loop van de laatste eeuw gevarieerd binnen de verschillende bewegingen. De theosofie van mevrouw Blavatsky was natuurlijk sterk geïnspireerd door het Oosten, onder andere – maar beslist niet alleen – door aanwijsbare boeddhistische invloeden in haar boek De stem van de stilte. Rudolf Steiner greep veel sterker op de Westerse traditie terug en perkte het Oosterse karakter in. Bij het Indiase en Westerse soefisme is deze openheid juist weer erg groot en worden alle religies zelfs in wezen aan elkaar gelijk gesteld, zij het dat het bewandelen van de weg van het innerlijk als kern van de religies wordt opgevat (er zijn ook soefi-tradities die zich tot de islam beperken, maar de soefitradities in de islam hebben meestal ook oudere wortels). Bij Jan van Rijckenborg treffen we ook juist weer aandacht voor Het boek van de weg en de deugd van Lao Zi, en hij is zowel via dit taoïsme als via de oude hermetische en christelijk-gnostische geschriften onmiskenbaar bezig geweest met het overstijgen van de tegenstellingen, zij het zo dat de tegenstellingen slechts via een radikale overgave aan en overname door de werkelijk geestelijke en goddelijke krachten – van boven dus, maar vandaar wel in het innerlijk – worden opgeheven (wat al gauw uitgelegd zou kunnen worden als een nieuwe tegenstelling maar dat is mijns inziens in wezen juist niet de bedoeling). Dietzfelbinger geeft in zijn boek bovendien aan dat in de school geleerd wordt dat andere geestesscholen of spirituele bewegingen eigenlijk hetzelfde kunnen bedoelen met andere woorden die in hun cultuur en omgeving passen, en noemt dan onder andere expliciet het boeddhisme. Er is dus wel degelijk ruimte voor een minder absolute benadering; niet van de absolute noodzaak tot afstemming op de goddelijke wereld, maar met betrekking tot het mogelijk houden van meerdere formuleringen en benaderingen en de vrijheid van het individu om zelf keuzes te maken. Want in de school wordt de nadruk erop gelegd dat ieder lid van de school alleen zelf de keuzes kan maken die haar of hem op het innerlijke pad houden en daarop verder kunnen brengen. Die verantwoordelijkheid kan de school niemand afnemen, zij kan slechts hindernissen pogen weg te nemen en een gunstig klimaat voor innerlijke groei pogen te bewerkstelligen en impulsen daarvoor door te geven of aan te bieden (wat dat betreft was het waardevol en mooi dat in de uitnodiging voor het symposium van 23 mei verwezen werd naar de verantwoordelijkheid die ieder van de deelnemende bewegingen droeg “voor de zielen die aan haar waren toevertrouwd”!). Zoals ook Hans Stolp in zijn boek Tien levenslessen voor deze tijd zo mooi duidelijk maakt: kon vroeger een spirituele discussie of proces nog in wezen bovenindividueel en op groepsniveau beslist worden, in onze tijd kan dat niet meer, ieder van ons mensen gaat een individueel pad van geestelijke bewustwording en draagt daarvoor zelf de verantwoordelijkheid.
Maar laten we als het om dit aspect van de historie van de bewegingen gaat maar vaststellen dat hier een interessant thema voor verder onderzoek ligt. (Ik hoef er niet op te wijzen dat zoals ik elders op deze site aangeef, juist de Westerse esoterische (en sommige andere religieuze en wereldlijke) tradities de ‘eenheid der tegendelen’ – in welke vorm of opvatting dan ook – een plaats geven, in tegenstelling tot de Westerse hoofdstroom van denken).

En dan kom ik op een opmerkelijke waarheid of geheim: bij het LR geldt wellicht niet minder dan bij alle bewegingen met een in principe religieus doel, dat juist wie net als Paulus weet dat – en waarom – het uiterlijk van deze wereld bezig is te veranderen (in ieder geval nu – en in wezen altijd), dat die ook weet dat het innerlijk altijd opnieuw geboren wordt, niet eens en voor altijd maar steeds opniew. En dat is een grote uitdaging en opgave, en een wellicht nog grotere kans en vreugde. Ik zwijg daar verder over (Jacob Boehme schreef er veel over, zie de tekstuitgaven van Jacob Boehme bij uitgeverij De Rozekruispers en verder onder andere mijn boek Man en vrouw zijn een). Al is dat het wellicht waarom ik in deze bespreking steeds zocht naar de betekenis van het onderscheid tussen de binnenkant (en hoe die overgebracht, of doorgegeven, of ontvonkt kan worden) en de buitenkant (en hoe die toch ook gebruikt en omschreven kan worden).

Over die permanente transformatie kunnen wij niet veel meer dan verwonderd zijn. Wat dat betreft had Pico della Mirandola gelijk dat hij de mens een wonderbaarlijk wezen noemde! De individuele mens weerspiegelt de kosmos ook in het opzicht van de voortdurende verandering, een verandering die ten diepste door de goddelijke wereld gestuurd wordt maar die niettemin voor elk individueel wezen uniek is, via het signatuur (de unieke stempeling) dat het van boven meekrijgt. De vergankelijkheid van dat individu (net als van alle verschijnselen, inclusief organisaties, tot en met de hele kosmos) is behalve universeel ook steeds individueel. Wij leven en sterven als individuen op onze unieke manieren. En zelfs van de kosmos weten wij niet anders dan dat zij altijd weer anders is, hoe vergaand wij haar ook bestuderen, in het kleine of in het grote, en ook al herkennen wij dat het ene steeds de grondstof is of de impuls levert voor het andere. Ook al zijn wij het niet altijd gewend te denken (omdat wij graag – of alhans gewend zijn te – denken in voorkeuren), elk einde is een nieuw begin en omgekeerd. En daarom is het verlies dat het einde inhoudt, tegelijk ook een winst of een kans. Dat verlies is geen ‘echt’ verlies van eigenwaarde want het verankert die eigenwaarde in haar eigenlijke grond. Ook hier kan ik het best naar Jacob Boehme verwijzen die in zijn geschriften iedere menselijke, zeker ook iedere individuele hoogmoed aanvocht en wilde omzetten in ootmoed. En niettemin dankbaar was voor het wonder dat de goddelijke wereld zich door ieder verschijnsel, ook ieder menselijk individu, openbaarde van begin tot einde. En dat blijft doen, deels met ons verstand door ons gevolgd en begrepen, veelal slechts buiten- en bovenverstandelijk door ons ontvangen, onszelf en de hele wereld als geschenk en wonder ervarend. Zonder iets uit te sluiten of van zijn kwaliteiten te ontdoen, hoogstens het in het perspectief te zien dat ons als deel van het geheel gegeven is.

Back to top

Terzijde 2: een spiegel mij voorgehouden

Om te beginnen: dit is de laatste toevoeging aan deze pagina. Want zoals ik aan het begin ervan al schreef: het is een werkstukje dat beetje bij beetje ontstaan is op grond van aantekeningen bij de lectuur van beide besproken boeken. En zo weet u dat dit het laatst toegevoegde stukje is.

Mij begint iets te dagen. De min of meer moeizaam althans gefragmenteerde en kronkelende weg die ik bij deze bespreking gevolgd ben, hebben wellicht een bijzondere oorzaak en betekenis. Het zou weleens te maken kunnen hebben met een spiegel die mij voorgehouden wordt, of die ik mij zelfs bewust voor wil houden. Om in de terminologie van Jacob Boehme te spreken, je kunt wel in duizenden boeken van anderen lezen en daar veel kennis aan overhouden, uiteindelijk is het het belangrijkste dat je je eigen boek, het boek in jouw binnenste geschreven, leert kennen en lezen. In dat boek staat welke sleutels jij hanteert om de werkelijkheid te interpreteren en te bewerken, uitgaand van de mogelijkheden die voor jou specifiek gelden, doordat zij uniek aan jou alleen gegeven zijn in een bepaalde combinatie van eigenschappen. Een combinatie waarmee jij zelf vrijelijk aan de slag bent gegaan, om je mogelijkheden te verwerkelijken maar ook met het gevolg dat je eenzijdig wegen opging die afvoerden van je verbondenheid met het geheel, met de grond waaruit je voortkwam. Wie zijn eigen boek leert lezen, leert zowel zijn unieke mogelijkheden als zijn eenzijdigheden en kortsluitingen of blokkades kennen. Blokkades die veelal te maken hebben met de wens van individuen om meer te zijn dan hun past, met hun egocentriciteit kortom.

Enerzijds kan ik in de loop van mijn opgroeien en volwassen worden enorm toenemen in kennis van de buitenwereld en haar onderscheidingen en tegengestelde eigenschappen. Anderzijds kan ik in de loop van mijn leven ook ontdekken welke bijdrage ik zelf lever en welke rol ik zelf speel in het maken van onderscheidingen en tegenstellingen, te beginnen met mijn geest die het een van het ander onderscheidt en die mijzelf onderscheidt van God en de wereld en mijn medemensen. Die ontdekking van mijzelf kan proporties aannemen die dat ego tot een grote luchtballon maken, die gevoed wordt door hechting aan eigen kunde, kennis, ambitie, belangen – werkelijke of vermeende. Zo maken wij van onze identiteit een mooie plek om te schuilen tegen een boze buitenwereld, of welke vorm zij ook aanneemt bij ieder van ons – zij het dat bij iedereen een grens van verabsolutering overschreden wordt zodra wij ons met die identiteit identificeren alsof zij een permanente grond in zichzelf ofwel in haar eigenschappen zou kunnen vinden. Alsof die identiteit en die eigenschappen ervan niet gegeven zouden zijn door anderen, en alsof zij permanent zouden zijn en nooit terug gegeven zouden hoeven worden.

Vooral het boek van Dietzfelbinger laat duidelijk zien dat Van Rijckenborg en de Geestesschool van het Rozenkruis de bewustwording van de aanwezigheid, en de ontmanteling, van die egocentriciteit centraal stellen, niet als doel op zichzelf maar als voorwaarde voor de eenwording met de echte geestelijke wereld. Die laatste houdt namelijk in dat de krachten van de laatste ongehinderd doorwerken in de ziel, geest en het lichaam van de leerling van de school. Dat is het eigenlijke doel, te vergelijken met de zogeheten ‘verlichting’ in het boeddhisme (ik weid hier niet uit over bekende verschillen in opvatting tussen bepaalde stromingen en scholen over hoe de verlichting tot stand komt of er uit ziet; de overeenkomst is er niet minder duidelijk om).

Ik ben zelf buitengewoon getroffen door het heimwee bij deze school en in de geschriften van haar stichters naar die eenwording. Telkens vind ik weer sporen en teksten die er naar verwijzen, en die het proces ervan op gang willen brengen. Dat is diep (ont)roerend.

Zelfs valt mij op dat zowel het einddoel als de weg erheen bij deze school en zijn stichters vele parallellen vertoont met de verlichting en de wegen erheen die ik ken uit bepaalde tradities van het Chinese en Japanse en Koreaanse (enzovoort, er zijn inmiddels ook uitgebreide Westerse vormen!) zen-boeddhisme. Dit werd zoals bekend ook sterk beïnvloed door het taoïsme, met name het filosofische taoïsme van Lao Zi en zijn leerling Zuang Zi. Over de parallellen omtrent de ‘ongrond’ ofwel ‘leegheid’ als kern van het bestaande schreef ik al in het vorige terzijde. Maar een opvallende parallel is ook dat het bereiken van het einddoel niet voorgesteld wordt als een nieuwe toestand die verder zonder inzet eindeloos doorgaat. De parallel zit hem er juist in in het hier en nu te ontdekken wat wezenlijk is en wat behoort tot de uiterlijkheden die wij zelf via onze egocentrische geest en handelwijzen aan dat wat wezenlijk is, van buiten opleggen en dat wij er ook weer af kunnen halen als wij dat toestaan. Zodat onze visie lucide wordt, ongehinderd door sluiers of verontreinigingen die wij zelf veroorzaken. Zo vinden wij dat in de verhalen van verlichte personen in het Oosten en in het Westen, met Jacob Boehme als een van de herkenbaarste voorbeelden van de laatsten. En steeds gaat het daarbij om het herkennen van tegengestelden die in wezen ophefbaar zijn, of die elkaar aanvullen, of die in andere verhoudingen tot elkaar en in andere evenwichten gebracht kunnen worden.

Een wel heel opvallend verschil tussen de Oosterse en de Westerse benadering – zo ver ik die meen te kennen – is wel dat er in het Oosten een traditie is die ook zichzelf sterk weet te relativeren, inclusief het bereiken van het einddoel. Dat heeft als voordeel dat het einddoel dan ook niet zo’n beladen iets is – of lijkt, want het is er natuurlijk wel. Maar omdat het einddoel meer te maken heeft met het opheffen van hindernissen dan met wat verder ook, kan er ontspannen mee worden omgegaan. Dat wil niet dat het niet serieus is. Maar wel dat het ‘gewone’ ervan nadruk kan krijgen. Hoeveel verhalen zijn er niet dat verlichting zoiets is als ‘hout hakken en water dragen’. Als dit geen parallel is met het vele werk dat in het LR verzet wordt, weet ik het ook niet meer!

Meer dan in het Westen wordt in het Oosten overigens nadruk gelegd op tegenstellingen die onze geest zelf aanbrengt, namelijk de onderscheidingen die ons denkende verstand aanbrengt. Tussen bekende eigenschappen in de uiterlijke wereld, maar ook sociale, of psychische eigenschappen. Tot de meest abstracte filosofische toe, waarvan dan vaak gezegd wordt dat die behalve een betrekking tot hun object (bijvoorbeeld zijn en niet-zijn, zijn en kennen, en dergelijke tegenstellingen) ook een psychologische betekenis hebben omdat zij onze vooronderstellingen, de vooronderstellingen van ons collectieve en individuele wereldbeeld, bepalen! Als dat dan vervolgens gebeurt op een als egocentrisch te karakteriseren wijze, zal het niet verbazen wanneer daar gevaarlijke blindheid van personen en groepen uit kan ontstaan, met buitengewoon vervelende gevolgen voor hun handelen jegens anderen en de wereld. Verlichting is dan het opheffen van die onbewustheid. Dat is alleen niet een proces dat op een gegeven moment klaar is, maar altijd door gaat. Dit niet alleen omdat wij zelf altijd weer kunnen terugvallen en dat ook in werkelijkheid vaak doen, maar ook omdat wij naar dan blijkt niet alleen voor onszelf leven maar ook voor anderen, en gewild of ongewild van invloed zijn op hun leven en handelen, en niet het minst op hun opvattingen en ‘bewust in het leven staan’, kortom hun fase van verlicht zijn.

Wanneer ik nu wat ik bij Peter Huijs in dit boek en bij Konrad Dietzfelbinger in diens boek aantref, leg naast mijn ervaringen uit de wereld van het zen-boeddhisme (minstens de literatuur die ik heb doorgenomen), en naast mijn ervaringen en kontakten met de cursussen van de Geestesschool van het Gouden Rozenkruis, dan beginnen mij toch een aantal dingen op te vallen.

Evenals bij het zen-boeddhisme treffen we bij Van Rijckenborg een sterke nadruk op de tegenstellingen van de dialektische wereld, dat is de niet-goddelijke, niet-geestelijke wereld, waarin de tegenstellingen niet meer in de pas lopen met de krachten van de goddelijke of geestelijke wereld maar waarin ze permanent uit de hand lopen omdat ze er niet in die hoogste wereld geworteld zijn. Het doel van Van Rijckenborg en zijn school is dat proces weer om te keren. Dat is mogelijk, niet gemakkelijk maar alleen via een leven van innerlijke ‘strijd’ om – zoals Boehme zegt – elke strijd op te geven, via een houding van neutraliteit tegenover de wederwaardigheden die wij in deze wereld meemaken (eigenlijk hetzelfde als de bekende onthechting of onthechtheid waarover onder andere in Oosters geïnspireerde spirituele kringen vaak wordt gesproken, overigens zeer verwant aan de parallellen die daarvan aan te treffen zijn in onder meer de Westerse ‘askese’). In plaats van ons te richten naar de zelfgekozen uitgangspunten van onze egocentrische geest of omgeving kiezen we voor neutraliteit tegenover deze wereld (zowel de materiële als de bovenzinnelijke ofwel ‘spirituele’) en afstemming op de energieën van de echte geestelijke ofwel goddelijke wereld. De woorden zijn deels nieuw, maar de boodschap is in wezen geheel dezelfde. Vanuit dat perspectief vallen toch enkele bijzonderheden over de school en haar opvattingen op, die we vooral in het boek van Dietzfelbinger duidelijk aangegeven vinden.

Christiaan Rozenkruis zelf ontleent zijn goddelijke wijsheid – blijkens de Fama Fraternitatis – ook deels al aan de wereld van het soefisme, via zijn reis naar Arabië. En ik noemde al Van Rijckenborgs grote waardering voor Lao Zi. Tegelijk worden methoden die van de opwekking van de kundalini-krachten van onderop (die de energie vanuit het onderlichaam opstuwen) expliciet en zorgvuldig afgewezen als Oosterse technieken die principieel is te onderscheiden van die welke Dietzfelbinger in navolging van Van Rijckenborg aanprijst, omdat zij mensen zou kunnen binden aan lagere krachten en karmische patronen (139-140). Hier moet de vraag gesteld worden welke functie lagere krachten en karmische patronen dan wél kunnen hebben. Behalve dan dat zij neutraal benaderd en zo als hulpmiddel of aanwijzer op de weg naar het eigenlijke doel kunnen dienen. Misschien is dat laatste bedoeld en dan hebben kundalini of basisenergie inclusief sexuele energie, karma of bovenbewuste patronen die het leven van individuen en groepen gedurende langere tijd – zelfs boven individuele levens uit – kunnen bepalen, meteen een begrijpelijke plaats in het systeem van de leer van de besproken school. Zoals de apostel Paulus aangeeft hoe de houding van zijn leerlingen kan zijn ten aanzien van allerlei gevoelige zaken die in die tijd speelden, zoals het eten van offervlees. Hij legde er nadruk op dat het allereerst om de innerlijke gesteldheid gaat: “Alles is geoorloofd – maar niet alles is nuttig – voor wie gelooft.”

Dan kom ik op een punt dat zowel in de scholen van het zen-boeddhisme en het tibetaans boeddhisme speelt (dat in hoge mate dezelfde achtergrond heeft), namelijk wat het betekent in de leer te gaan om verlichting te bereiken, terwijl men die verlichting alleen kan bereiken door elke wens voor zichzelf op te geven. Ditzelfde geldt precies zo in deze Westerse Geestesschool. En wat ook identiek is, is dat het toch lijkt of er binnen de scholen instanties zijn die zouden beoordelen in hoeverre iemand al op de weg is gevorderd. Dietzfelbinger is daar wel duidelijk over: in de Geestesschool zijn zeven niveaus, waartoe men zich kan aanmelden maar waartoe men alleen toe kan treden als men door een hoger niveau daartoe wordt erkend of aangewezen. Die erkenning bestaat echter louter uit het vaststellen of bepaalde ervaring op het pad aanwezig is die men op het hogere niveau nodig heeft. Zij bestaat dus niet op het afleggen van een bepaald examen of van een bepaalde proef, die vooraf objectief vaststaat. Het enige criterium is subjectief: is de ervaring van de candidaat voldoende groot of toegenomen dat hij in het nagestreefde volgende niveau ‘mee kan’. Eigenlijk gaat het meer om de vraag of de candidaat al voldoende van zijn egocentriciteit, op een aantal punten waarop die bij hem speelde, heeft ingezien en afgelegd. Want het gaat immers om het dichterbij de volledige aflegging daarvan komen. Mijn gevoel is hierbij wel dat – net zoals je dat leest over Oosters geïnspireerde scholen en vele andere spiritueel gekenmerkte organisaties – of de spirituele criteria niet erg voor de hand liggend beïnvloed worden door persoonlijke (of groeps-!)voorkeuren en afkeuren, en waarvan de voorbeelden legio zijn. In die gevallen – die natuurlijk nooit helemaal te vermijden zijn – komt het er dan op aan of er ruimte is voor gesprek daarover, hoeveel ruimte dan wel, en hoe er mee omgegaan wordt. Bekend zijn voorbeelden dat het spirituele toch de voorrang heeft of had – en die voorbeelden bewonderen we dan -, maar er zijn ook tegengestelde voorbeelden – en die betreuren we dan.
Bij de Geestesschool is bekend dat zich processen hebben afgespeeld die tot splitsing leidden, of tot veronachtzaming, waar de spirituele doelstelling wellicht onder geleden kan hebben. Het gaat er dan om wat we ervan kunnen leren, en dat geven zowel Huijs als Dietzfelbinger aan als waardevolle lessen. Zij zijn er kennelijk van overtuigd dat alertheid op dit punt gewenst is. Ik sluit mij daar graag bij aan.

In dit verband kom ik ook nog even op een concrete karaktertrek van de Geestesschool. Namelijk dat de school alleen een spiritueel doel heeft, en verder per conferentiecentrum alleen enkele mensen in betaalde dienst heeft om de zaken daar praktisch rendabel te regelen, maar verder geen wereldlijke doelen heeft. Omdat er nu eenmaal allerlei materiële aspecten aan een organisatie vastzitten, is het belangrijk dat vast te stellen en zo te houden. Dat geldt niet minder voor de Oosterse scholen die ik noemde.
Wel vind ik het belangrijk hier te noteren dat dezelfde hiërarchie die in het spirituele lijkt te functioneren – de zeven niveaus waarover ik het eerder had en die beschreven worden door Dietzfelbinger en genoemd door Huijs – ook een belangrijke functie heeft bij het uitvoerende (ook al is het slechts spirituele) werk van de school. Want alle taken – van de meest simpele schoon- en onderhoudstaken via organisatorische tot liturgische of andere naar buiten tredende – worden strikt hiërarchisch ‘verdeeld’ door aanwijzing. Ook dat is geen enkele organisatie met een spiritueel doel vreemd, maar ook hier valt op hoezeer het spirituele en het laat ik zeggen sociale en economische met elkaar verweven zijn.

Tenslotte noem ik een punt dat opvalt in het boek van Dietzfelbinger, te weten de duidelijke grensafbakeningen die voor leden van de organisatie gelden. Wie lid wordt van de Geestesschool heeft toegang tot alle materiaal dat in de school gebruikt wordt aan teksten en dergelijke. Wie aan het eerste niveau meedoet, hoeft niet te voldoen aan het strikt vermijden van roesveroorzakende middelen en van het eten van vlees. Op het tweede niveau wordt men geacht deze verplichtingen uit te proberen, en vanaf het derde niveau gelden deze verplichtingen per definitie. Verder geldt voor alle leden dat zij geen lid van andere spirituele organisaties mogen zijn, omdat dat verwarrend zou kunnen werken (wat ik een begrijpelijk argument vind) maar ook omdat die organisaties geacht worden principieel zo ver van de juiste opvattingen verwijderd te zijn dat men door een gecomineerd lidmaatschap alleen maar in de war zou raken. Dit geldt zowel verwante bewegingen als bijvoorbeeld de in deze bespreking genoemde, die op het genoemde symposium van 23 mei aanwezig waren, als de kerken. De redenen worden stuk voor stuk aangegeven.
Hier valt mij toch op dat er in de school in ieder geval tot voor kort kennelijk toch erg antithetisch werd gedacht, op dezelfde wijze als dat vaak in de kerken gebeurde, namelijk dat alleen in eigen kring de waarheid aanwezig was. Iets dat in spirituele kringen enerzijds wel vanzelf moet spreken – want zij nemen hun uitgangspunt per definnitie in wat de grond van iedere waarheid is – maar anderzijds toch in de praktijk beter met veel betrekkelijkheid benaderd kan worden. Want hoe gauw verwarren wij onze persoonlijke, vaak ook door egocentriciteit beïnvloede meningen niet met ‘de’ waarheid? Alsof er bovendien niet vele waarheden bestaan, en vele werkelijkheden – zouden wij nu echt moeten doen alsof juist en alleen wij die allemaal kenden? Of dat alleen wij ze juist verwoordden? Dat gaat in ieder geval mij te ver, maar ik vermoed wel zeker ook Huijs en Dietzfelbinger, al levert dat misschien in hun school wel een – nuttige en niet overbodige – discussie op. Trouwens ook van Rijckenborg gebruikte het zelfde gegeven in een andere context soms heel verschillend (zoals eerder al aangegeven). Om daarvan nog een voorbeeld te noemen, enerzijds wordt met klem wordt aangehaald dat “vlees en bloed het koninkrijk Gods niet kunnen beërven”, terwijl anderzijds met veel nadruk gewezen wordt op de materiële en lichamelijke effecten – inclusief het verkrijgen van een volledig verniewd lichaam, naast een volledig vernieuwde persoonlijkheid (dit laatste overigens in een lange traditie waarin ook Jacob Boehme prominent figureert).

Terecht geeft Dietzfelbinger op p. 191 van zijn boek aan dat de Geestesschool van het Rozenkruis zich vooral verspreid heeft – op zichzelf een bijzondere ontwikkeling! – in gebieden “waar er Westerse cultuur en beschaving is”. Want, zegt hij, juist daar is de impuls van het rozenkruis bijzonder geschikt voor.
Er zijn dus ambivalenties. Enerzijds put ook deze school uit bronnen die de opheffing van alle tegengestelden en de eenwording met de ene grond van alles nastreven, parallel aan diverse bewegingen en personen uit verleden en heden in Oosterse en Westerse tradities en omgevingen, en anderzijds kleedt zij deze toch sterk aan in een Westers gewaad, dat ertoe neigt over ‘één’ waarheid te spreken en over één ‘ware’ organisatie met uitsluiting van andere waarheden en organisaties. Het genoemde symposium en beide besproken boeken waren daarover trouwens ook niet onduidelijk; men erkende dit met zoveel woorden als een ongelukkige ontwikkeling uit het verleden, en wenste graag met anderen samen te werken waar dat maar kan, en dat is ongelooflijk waardevol, omdat het pretenties van eigen absoluutheid definitief los wil laten.

En wat zegt dit over mij, als een spiegel die mij voorgehouden wordt, of die ik mij kennelijk – waarom zou ik anders juist aan deze aspecten zoveel aandacht besteed hebben? – zelf vind te moeten voorhouden?
Precies dit: dat de aspecten die ik hier vooral naar voren haal, kennelijk (ook) mijn eigen worsteling weerspiegelen om niet dogmatisch te denken, de waarheid niet alleen in pacht te hoeven hebben (gelukkig niet!), niet alles aan zichzelf alleen af te hoeven meten (laat staan uitsluitend aan het eigen belang of het eigen vooroordeel, of die van de groep(en) waartoe ik meen te behoren).
Want er is een “weg die verder omhoog voert”, om een bekende passage uit de brieven van Paulus aan te halen.

Ten slotte

Het boek van Peter Huijs eindigt met onder meer een stukje waarin de auteur iets van zijn eigen ervaring weergeeft bij en ten aanzien van het schrijven en het onderwerp van dit boek van hem. Ik citeer:

“Op een gegeven moment wist ik zonneklaar: niet wat men schrijft of leest is waar, niet wat men denkt, zelfs niet wie men is – maar wat men leeft.
‘Not me’ zei een vriend

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en een inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", te verschijnen in 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.