BK-Books.eu » Besprekingen » Die Lehre des Buddho

Bespreking van...

… Georg Grimm, Die Lehre des Buddho: Die Religion der Vernunft und der Meditation, Wiesbaden (R.Löwit) 1957

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onder meer op deze pagina:

Inleiding

De titel van het boek belooft inzicht te verschaffen over de leer van Boeddha. Die belofte wordt door Grimm volledig stand gedaan. Zoals alle auteurs heeft ook Grimm een ‘bias’, een persoonlijke invalshoek; bij hem is dat de overtuiging dat de filosoof Schopenhauer de geniaalste van de westerse filosofen is. Bij zijn uitleg van Boeddha’s visie laat Grimm zich derhalve vrijwel uitsluitend leiden door de filosofie van Schopenhauer.**

Back to top

Overzicht

Volgens het Boeddhisme is verandering of worden het fundamentele kenmerk van ons bestaan. Het gaat niet om dingen die veranderen, maar het bestaan zelf is verandering. De Boeddha spreekt in dit verband van het ‘voorwaardelijk ontstaan’ of ‘afhankelijk ontstaan’: “Als dit is, wordt dat; uit het onstaan van dit, ontstaat dat. Wordt dit niet, dan wordt dat niet; doordat dit ophoudt, houdt dat op.” 1
Deze eenvoudige, bijna al te simpele, formule leidt bij een volledig doordenken ervan tot grote conclusies. Ze mondt uit in de formule van afhankelijke medevoortbrenging, de waarheid van universele voorwaardelijkheid.
Het afhankelijk ontstaan stelt Boeddha voor als een ketting, die bestaat uit 12 nidana’s of schakels: de eerste (basis)schakel is onwetendheid:

Afhankelijk van (onder de voorwaarde van) onwetendheid ontstaan er sankhara’s of wilsuitingen*;
Afhankelijk van wilsuitingen ontstaat er bewustzijn;
Afhankelijk van bewustzijn ontstaat het psychofysieke organisme;
Afhankelijk van het psychofysieke organisme ontstaan de zes zintuigen (een geestelijk en vijf lichamelijk);
Afhankelijk van de zintuigen ontstaat contact met de buitenwereld;
Afhankelijk van dat contact met een buitenwereld ontstaan er allerlei gevoelens: aangename, pijnlijke en neutrale;
Afhankelijk van het aangename gevoel ontstaat er dorst of hunkering naar de herhaling van dat aangename gevoel;
Afhankelijk van die dorst of hunkering ontstaat er grijpen – de poging vast te houden aan het aangename gevoel en het voorwerp waardoor het gecreëerd werd;
Afhankelijk van dat grijpen en vastklampen ontstaat er wording, namelijk het hele proces van psychische conditionering;
Afhankelijk van wording ontstaat er geboorte;
Afhankelijk van geboorte ontstaat er verval en dood, en opnieuw een wedergeboorte.
(Uit: Sangharakshita: Wie is de Boeddha?, p.157.)

Ashvajit, een van Boeddha’s eerste leerlingen, vatte deze leer uiterst beknopt samen:
Van alle dingen die voortkomen uit een oorzaak, heeft de Tathagata de oorzaak uitgelegd, en ook de beëindiging ervan.
“Alles wat ontstaat op welk niveau ook, ontstaat afhankelijk van voorwaarden, en in de afwezigheid van die voorwaarden houdt het op te bestaan. Meer zegt het niet. Maar als íets boeddhisme is, is dit het.”4
Men kan vragen waarom en wanneer deze kringloop van het lijden dan überhaupt begonnen is? Daarop antwoordt Boeddha: Monniken, je kunt een begin van de kringloop der geboorten (samsaro) niet bedenken, onkenbaar is een eerste begin van de wezens, die door niet-weten vastgehouden worden, die, gebonden aan de dorst, rondzwerven en ronddwalen. (Grimm, p.205) Samenvattend: er is ooit ‘iets’ ontstaan, op gang gebracht, waarvan we de gevolgen nu nog iedere dag in ons leven ondergaan. Boeddha’s ‘blijde boodschap’ behelst de belofte ons uit dit lijdenslabyrint te voeren, en wel op basis van eigen inzicht en eigen kracht.

* Grimm (p.223)2 vertaalt sankhara met ‘Hervorbringung‘ (voortbrengen, doen ontstaan); Schumann (p.89) vertaalt met ‘intenties’; Govinda3 (p.286; 292) met ‘vormscheppende aktiviteit’, of met ‘karma-vorming’. Uit de grote verschillen in de vertaling van sankhara(‘s) blijkt al hoe moeilijk dit boeddhistische begrip te verstaan is. De genoemde auteurs besteden hele pagina’s aan de om- en beschrijving van dit idee, zonder dat je daarbij echt dichter bij een beter begrip ervan komt.

Back to top

Ons wezenlijke zelf en de opheffing van het lijden

Boeddha twijfelt niet aan het bestaan van ons ik, van ons ‘zelf’. Het is een groot misverstand te menen, dat Boeddha leert, dat er geen zelf zou zijn. Wat Hij wel leert is, dat dit (wezenlijke, ware) zelf niet nader te bepalen, niet te kennen is in onze wereld, m.a.w. met het gegeven dat ons ik bestaat, staat nog geenszins vast wat dit ik (wezenlijk) is. Dit ‘wezenlijke’ heeft Boeddha in gedachten als Hij zijn leerlingen uitlegt, wat ons ik allemaal niet is: het is zeker niet onze persoonlijkheid.
Waarom niet? Omdat onze persoonlijkheid bestaat uit een aantal samengestelde ‘groepen’ (toeëigeningen: immers, datgene wat onwetend reïncarneert eigent zich deze groepen als nieuwe persoonlijkheid toe), die allemaal vergankelijk zijn. Deze vijf groepen zijn:

– De groep van toeëigening lichaam (rupa),
– De groep van toeëigening gewaarwording (vedana),
– De groep van toeëigening waarneming (sanna),
– De groep van toeëigening opwellingen (sankhara),
– De groep van toeëigening bewustzijn (vinnana).5

Wat vergankelijk is kan evenwel niet ons (ware) zelf zijn: “Wat ik aan mij zie ontstaan en vergaan, en wat mij derhalve met het intreden van deze vergankelijkheid leed brengt, dan kan ik zelf niet zijn. Nu zie ik dat al het kenbare van mij ontstaat en vergaat, en, met het optreden van deze vergankelijkheid, mij leed brengt. Derhalve is niets dat kenbaar is mijn ik.”6
Men kan echter tegenwerpen: indien de vergankelijkheid nu het wezen van mijzelf is, dan is dat tenminste mijn ware ik. Daarop antwoordt Boeddha: dan valt er niets te verlossen, dan is een verlossing uit de kringloop van geboorte en dood onmogelijk. Dat is echter niet wat Boeddha leert: Hij leert de feitelijkheid van lijden, de oorzaak van het lijden, de opheffing van het lijden en de weg die naar de opheffing van het lijden voert. Deze opheffing houdt in het uitdoven van de begeerte, die de oorzaak van ons lijden is.
Uitdoven moet men echter niet opvatten als een totale vernietiging: men spreekt van een sfeer van het uitdoven, waar de Verloste binnengaat. Over deze ‘sfeer’zegt Boeddha: “Er bestaat, monnikken, iets dat ongeboren is, niet-geworden, niet gemaakt, ongevormd. Bestond dit niet, monnikken, dan zou er voor het geborene, het gewordene, het gemaakte, het gevormde geen uitweg.zijn” (Grimm, p.XIII).
Daarom zegt Boeddha dan ook niet: wat ontstaat en vergaat is niet mijn zelf. Uit deze (naar iets ‘substantieels’verwijzende) zin zou men kunnen afleiden dat het vergankelijke mijn wezen constitueert. Maar Hij zegt: waarbij ik een ontstaan en vergaan waarneem, dat kan niet mijn (ware) ik zijn. Deze uitspraak is evident.7

1 Sangharakshita: Wie is de Boeddha? , 23-24. [Den Haag, 2000. UItgev. BZZTôH]
2 Zie verder: Grimm, het hoofdstuk ‘Die Sankhara’, p.204-220.
3 Lama Anagarika Govinda (1998): De mystiek van het Tibetaans boeddhisme. Amsterdam. Uitg. Karnak.
4 Sangharakshita (ib), 117.
5 H.W.Schumann (2002): Boeddhisme: Stichter, scholen en systemen. Uitg. Asoka; p.69. In voetnoot 12 bij deze passage zegt Schumann: “ze heten groepen van toeëigening, omdat ieder onverlost wezen ze zich bij de wedergeboorte .. toeëigent.” Er is echter geen ‘wezen’ dat reïncarneert: Boeddha toont aan dat in al deze vijf groepen, die allen ontstaan en vergaan en derhalve vergankelijk zijn, geen ‘wezen’, geen ‘ziel’ te vinden is. Ook Schumann trapt hier in de val van het denken in ‘essenties’, zeker als dit denken over ons zelf gaat. Even verderop (pag. 72) herstelt hij deze denkfout, wanneer hij schrijft: “..geen van de vijf groepen is, wegens zijn vergankelijkheid, een zelf, een ik, een ziel, want zoiets moet naar Indische begrippen eeuwig, onveranderlijk en naar zijn wezen vrij van leed zijn.” (cursivering van mij).
6 Grimm, p.XLI. Grimm noemt deze zinnen het fundamentele syllogisme van Boeddha’s leer.
7 Grimm, p. 95.

Peter van Soest

Back to top

** Enig zoeken op internet leverde het gegeven op dat van dit boek van Grimm in 1920 al de 6e tot 8e druk verscheen van een eerdere editie. Er zijn de hele twintigste eeuw door steeds nieuwe edities van verschenen.
Wellicht vermeldenswaard is verder het artikel ‘Culture contact and valuation: Early German Buddhists and the Creation of a “Buddhism in Protestant Shape”‘ van Martin Baumann in het tijdschrift Numen 44(1997/3)270-295, dat het boek van Grimm in een traditie plaatst van rationele interpretatie van het boeddhisme binnen het kader van een aanpassing aan de Westerse cultuur. Met deze vermelding wil ik niets afdoen aan de waarde van het boek of van de rationaliteit ervan maar bevestigen dat rationaliteit in een context staat, zoals bovenstaande bespreking in haar derde zin ook aangeeft. Persoonlijk ben ik onder de indruk van het feit dat die context vaak zo sterk in ons auteurs leeft, zowel binnen als buiten onze ratio. Stel immers dat ons wezenlijke zelf ons verbindt met alles wat is … resp. alles wat is met elkaar verbindt (uiteraard zonder dat ‘zijn’ uitsluitend te objectiveren of substantialiseren) … Waarmee ik slechts op mogelijke implicaties van de boven weergegeven punten uit dit boek wil wijzen …
Ik kan de helderheid van de punten hierboven en hun waarde voor bewustwording – van wie daarvoor op deze manier geschikt zijn – slechts prijzen.(BK)

Naar inhoudelijk meest verwante eerstvolgende pagina

Naar chronologisch eerstvolgende pagina


myspace visitor counter


© Boudewijn Koole – be free to cite and copy but please refer to this page or to www.bk-books.eu
URL: www.bk-books.eu/bespreking/die-lehre-des-buddho | Version 2.001 28 July 2009 (version 1.1: 23 July 2009) | Author: Peter van Soest

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.