BK-Books.eu » Besprekingen » Die Geistesschule des Goldenen Rosenkreuzes

Bespreking van...

Konrad Dietzfelbinger, Die Geistesschule des Goldenen Rosenkreuzes: Lectorium Rosicrucianum: Eine spirituelle Gemeinschaft der Gegenwart, Andechs (Dingfelder) 1999, 227pp.

Heldere uiteenzetting van de opvattingen, doelstellingen en openbare praktijken van het Lectorium Rosicrucianum (verder LR), zoals de grootste moderne beweging van Rozenkruisers zich naar buiten toe noemt. De beweging kent een buitenkant waarvoor men alleen lid hoeft te zijn en een binnenkant, de Internationale School van het Gouden Rozenkruis, die voor de leerlingen ervan een zevenvoudig getrapte weg omvat van innerlijke geestelijke scholing in de traditie van de lezen8.html#DietzfMyst Westerse mysteriescholen. Het LR is tot ontwikkeling gekomen onder leiding van de broers Zwier en Jan Leene, van wie de eerste al in de jaren dertig overleed en de laatste daarna samenwerkte met Mevrouw Henny Stok-Huizer. De laatste twee zijn vooral bekend onder hun orde-namen Jan van Rijckenborg en Catharose de Petri, tevens de auteursnamen van hun talrijke publikaties. Deze publikaties zijn geen gemakkelijke kost. Zij vormen een uitwerking van de opvattingen van de beweging en gelden als de – binnen de beweging min of meer sacrosancte – geschriften die deze opvattingen het best hebben doorgegeven.
Dit boek zegt het niet met zoveel woorden, maar over de binnenkant van de school, te weten de innerlijke weg die de leerlingen van de geestesschool gaan en hoe zij daarbij begeleid worden respectievelijk elkaar tot steun zijn, wordt in dit boek niets gezegd. Uiteraard niet, want dit is zowel een niet publieke zaak als een persoonlijke zaak. Die per definitie niet aan de grote klok gehangen kan worden.
Het volgende gaat dan ook alleen over de buitenkant. Tegelijk staat alles bij de leerlingen van deze school, en dus ook in dit boek, in het teken van de binnenkant, een coïncidentie die beter maar meebedacht kan worden. Omdat zij maakt dat dit geen gewone geschiedschrijving is in de zin van het voldoen aan de regels van academische neutraliteit (hoe weinig zij daar op het gebied van de buitenkant ook mee in strijd zal zijn), want (lees tevens: veroorzaakt door het feit dat) datgene waar het bij de lezer om zou moeten gaan, die binnenkant, moet per definitie buiten de tekst blijven!

Feitelijk is er in de totstandkoming van de organisatie en de opvattingen van de beweging een enorme ontwikkeling geweest (zie ook mijn bespreking van Als een bovenaardse rivier van P. Huijs). Dat correspondeert met verschillende namen die de beweging vanaf de twintiger en dertiger jaren had, en met het verwerken van de invloeden van eerdere mysteriescholen. Naar de opvatting van het huidige LR (en van de twee grote leiders, die inmiddels zijn overleden, van Rijckenborg in de jaren zestig en mevrouw Catharose de Petri in de jaren tachtig) vormde de LR het meest duidelijke kanaal van de geestelijke wereld in deze materiële wereld en het meest geschikte instrument voor mensen van nu om zich weer te leren afstemmen op die geestelijke wereld. Dat afstemmen is overigens geen activiteit van de aardse menselijke persoon maar van de geestvonk, de rest van de geestelijke mens, die in iedere mens is overgebleven en weer tot leven kan komen, onder inspiratie vanuit de geestelijke wereld. De school helpt bij dit proces. De beweging vat dit zo op dat er geen methoden zijn die vanuit de aardse mens het opstijgen naar de geestelijke wereld kunnen bewerkstelligen. Het enige wat de beweging of wat mensen zelf kunnen doen, is open leren staan voor de geestelijke wereld waardoor het transformatieproces van mens en wereld op gang kan komen. Dit proces is strikt individueel en niemand binnen of buiten de beweging kan een ander hieromtrent beoordelen. Wel hanteert de beweging onderling een systeem van zeven stappen van ontwikkeling van genoemde openheid, gepaard aan verdergaande afsterving van de bestaande aardse persoonlijkheid en omvorming van het aardse lichaam van binnen uit naar een geestelijk lichaam, een lichaam waarin de functies vanuit de geestelijke wereld worden overgenomen.
Hoewel dit niet met zoveel woorden wordt gezegd, is hierbij uiteraard sprake van een onderling elkaar de ‘maat’ nemen, zij het zo dat men nooit tot een veroordeling van een ander kan komen omdat dit ingaat tegen het basisprincipe dat diegene het verste komt die anderen werkelijk helpt op hun weg van transformatie en niet degene die het ‘beter weet’ dan anderen. Men kan zelf pas weten dat men ver gekomen is als men anderen altijd helpt en zich daar ‘goed’ bij voelt (niet specifiek in de morele zin maar in alle opzichten goed op weg en gelukkig, zonder zich boven anderen of zichzelf te hoeven verheffen). Het criterium – stelt de schrijver duidelijk – is niet dit beter weten, bijvoorbeeld van hoe de heilsweg in elkaar zit, maar hoezeer men zich opoffert om anderen ten dienste te zijn. Maar in de praktijk moeten er ook beslissingen genomen worden over elkaars functioneren in de leiding van de school, en dat houdt natuurlijk wel een zekere invloed in van de ene persoon ten opzichte van de andere. Daarbij gaat het er dus niet om wie de macht heeft, maar wie het beste kanaal is voor de geestelijke wereld en de transformatie van de leerlingen van de school en van de school als geheel in de wereld, en zelfs (daardoor) uiteindelijk van die wereld.
De wereld wordt daarin opgevat als een ten dode opgeschreven uitvloeisel van de verkeerde uitvoering van een oorspronkelijk goddelijk plan. En dus als een oord dat wij allen ooit zullen verlaten – of wellicht beter: achterlaten – ten gunste van de geestelijke, echte wereld die wél aan dat goddelijke plan zal beantwoorden. Maar die tegelijk een omvorming van de oude, gevallen wereld zal zijn terug naar de goddelijkheid ervan te vergelijken met die in het begin van de wereld voorafgaand aan de verkeerde uitvoering van het goddelijke plan.

Het principe van de eerder genoemde mysteriescholen is dat mensen zich bewust kunnen worden van hun werkelijke oorsprong en de weg terug weer kunnen vinden. In tegenstelling tot de uiterlijke godsdiensten die de innerlijke weg slechts met de mond voorop stellen en opvatten als een beantwoorden aan uiterlijke regels passend binnen de algemene culturele en maatschappelijke normen voor aangepast gedrag en streven naar bezit en macht, beschouwen zij dit als een allereerst innerlijke weg, de meest diepgaand denkbare omvorming van de mens. Geen uiterlijke zaken worden hierbij nagestreefd tenzij als uitvloeisel geheel ondergeschikt aan de innerlijke vrijheid en onderlinge liefde (in alle opzichten en op alle gebieden) die bij de wereld van de echte geest past.
In dit boek worden de concrete achtergronden van de invloeden op deze moderne beweging van Rozenkruisers helder uitgelegd. Dit zijn zowel de theosofie, de antroposofie als de rozenkruisersbeweging van Heindel, en verder de neo-kathaarse beweging van Gadal. De laatste fuseerde expliciet met het LR. Maar vervolgens werkte Jan van Rijckenborg de opvattingen uitgebreid uit aan de hand van commentaren op de drie belangrijke rozenkruisersgeschriften uit het begin van de zeventiende eeuw (waarin ook de alchemie een belangrijke rol speelde), op de geschriften van het Westerse hermetisme en op de geschriften van de Westerse en de Chinese gnosis. Mevrouw Catharose de Petri vulde dit uiteindelijk aan totdat zij bij haar overlijden eind van de jaren tachtig een naar inhoud en vorm stabiele beweging kon overdragen aan de door haar aangestelde raad van 13 spirituele leiders.
Ook wordt de internationale groei van de beweging gemeld: in het gebied van de Westerse beschaving zijn er in zo’n vijftien landen afdelingen.

Hoewel veel nadruk in het boek valt op het beschrijven van de opvattingen van de beweging wordt ook duidelijk aangegeven wat het lidmaatschap en het leerlingschap in de praktijk vereisen. Men leeft lacto-vegetarisch. Men gebruikt geen genotsmiddelen, waaronder alcohol en nicotine. En men levert in vrijheid zijn bijdragen aan het werk naar buiten en het werk naar binnen van het LR en van de school, want buiten dat werk bestaat er eigenlijk niets. Wel zijn er regelmatig tempeldiensten van ongeveer drie kwartier, met een lezing en muziek. Verder weekends, bestaande uit lezingen, muziek en gesprekken. En dan vervolgens interne bijeenkomsten van de school waarover niet gerapporteerd wordt naar buiten. Wel naar buiten verschijnt informatie over talrijke openbare activiteiten zoals cursussen, voorlichtende lezingen, openbare tempeldiensten, dagconferenties enzovoort. En zo ook het blad Pentagram met artikelen. Lezingen zijn vaak anoniem door leerlingen voorbereid, en worden voorgelezen door weer andere leden. Er zijn bij iedere afdeling zelf onderhouden conferentieoorden of andere plaatsen waar men in rust en stilte kan bijeenkomen. De beweging streeft geen bezit na en kent slechts enkele betaalde functies die een strikt onderhoudsgericht karakter dragen. De eigen verantwoordelijkheid staat in alles voorop.

Hoewel duidelijk gesteld wordt dat het LR geen wereldse betekenis geacht wordt te hebben – een van de meest duidelijke opvattingen is dat de echte geestelijke wereld inderdaad helemaal anders is en niet van deze wereld, zelfs niet van de wereld van de menselijke geest, hoe fijn ontwikkeld ook – komt tussen de regels door of expliciet steeds de verhouding tot andere groeperingen van mensen, hetzij politieke hetzij religieuze hetzij nog andere, ter sprake. De ervaarbare grenzen tussen binnen en buiten zijn waarschijnlijk behoorlijk streng geweest, al zijn hierin ook duidelijk ontwikkelingen gaande gezien de vele publieke activiteiten bijvoorbeeld in Nederland. Daarbij staat voorop dat de rozenkruiser in deze wereld is om te dienen, zij het dat haar of zijn eigen (zichzelf offerende) heil, zijn transformatie naar de geestelijke wereld, daarbij voorop staat als voorwaarde en uitgangspunt. Vrijheid en liefde zijn de eerste waarden voor de rozenkruiser, niet het verkrijgen van aardse zaken zoals bezit, macht of de ontwikkeling van een sterk ego en de bevrediging daarvan.
Nadrukkelijk wordt gemeld dat het LR als spirituele beweging geen alleenrecht opeist in de wereld. Maar ook zet de beweging zich toch duidelijk af tegen andere spirituele ontwikkelingen en bewegingen, waaronder de kerken wier lidmaatschap niet met dat van een leerling te verenigen is. Men vormt dus – van buiten af gezien, wat uiteraard slechts een deel van het verhaal kan zijn – zeker wel een aparte selecte groep die zich ook met aardse middelen als zodanig handhaaft, althans naar binnen toe waar men elkaars gedeelde leerlingschap en wederzijdse diensten graag ziet voortgezet of veel aandacht besteedt aan werving van nieuwe leden. Dit laatste is zeker het laatste decennium behoorlijk goed gelukt. Er zijn internationaal zo’n vijftienduizend leden is een getal dat genoemd is. Verder worden de interne taken verdeeld op basis van vrijwilligheid, al is er in de praktijk natuurlijk ook sprake van beloning door (1) de niet-materiële impliciete waardering die aan het uitvoeren van die taken is gekoppeld en (2) het feit dat men elkaar juist leert kennen door de individuele ontwikkelingsweg in zekere mate te delen, waarvan het zichtbaar uitvoeren van taken voor de besloten en de publieke activiteiten een niet te ontkennen onderdeel is. Zoals gezegd is er een systeem van zeven graden ontworpen dat de individuele ontwikkeling representeert. Wel is dit spiritueel bedoeld, en deelt het LR geen graden uit, zoals in de jaren vijftig werd gesteld.

Zoals allen stellen die over de spirituele weg spreken, is dit een strikt individuele weg waarover los van het gaan van de weg geen mededelingen kunnen worden gedaan over hoe die weg door een individueel persoon ervaren zal worden, en welke fasen en stappen achtereenvolgens te zien zullen zijn. Wel in het algemeen, maar dat zegt niets over het nog af te leggen traject voor een individu dat daarnaar benieuwd is. Niettemin zijn er verslagen van mensen die de weg, of stukken ervan, hebben afgelegd en daarvan valt veel te leren. Het is mijn ervaring dat daarvoor bij de leden en andere bezoekers van de publieke activiteiten van het LR veel belangstelling is en dat bij die gelegenheden veel informatie in de vorm van lezingen en teksten te vinden is, ook uit de geschiedenis.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.