BK-Books.eu » Besprekingen » Definitie van het Christendom

Bespreking van...

Wim Klever, Definitie van het Christendom: Spinoza’s Tractatus theologico-politicus opnieuw vertaald en toegelicht, Delft (Eburon) 1999, 396pp.; ISBN 90-5166-727-2; prijs € 29,50

De grote wetenschapsman, denker en theoloog Spinoza leefde in de Gouden Eeuw en kwam uit Amsterdam. Wim Klever, de eminente onderzoeker en vertaler van zijn geschriften en denkbeelden, begint het hoofdstuk waarin hij het onbegrip en de afwijzing van geleerden uit Spinoza’s omgeving en van tijdgenoten weergeeft, met de zin “Teksten zijn per se duister. Dat geldt ook voor zulke magistrale geschriften als de TTP.” (373) Inderdaad, Spinoza kan wel wat uitleg gebruiken zoals ik verderop wil toelichten. Een toelichting die ik overigens geheel dank aan het voorwerk van Wim Klever die het ons mogelijk maakt Spinoza goed te volgen, en ons eigen oordeel te vormen over de verschillende zaken die aan de orde zijn, in de eerste plaats Spinoza’s opvattingen. Overigens is het belangrijk ons te realiseren dat Spinoza zijn tekst schreef voor wetenschappelijk geïnteresseerden, niet voor het grote publiek. Hij wilde lezers die scherpzinnig, kritisch onderzoek en rationeel denken waardeerden, ook als het zoals in dit geschrift om godsdienst en politiek gaat. Het heeft niet verhinderd dat zijn geschrift door velen in eerste instantie is afgewezen. Hadden zij hem wel begrepen?
Maar eerst wil ik nog een tekst van Spinoza zelf citeren, een die mij bijzonder aanspreekt.
“Wat nu de Turken zelf of de overige volkeren betreft, het volgende. Indien zij God zouden aanbidden met de cultus van rechtvaardigheid en naastenliefde, geloof ik dat zij de geest van Christus bezitten en zalig zijn, welke overtuiging zij ook vanuit onwetendheid zijn toegedaan betreffende Mahomet en de godsspraken” (375, uit het antwoord van Spinoza aan de geleerde Van Velthuysen die hem bestreed; omdat “Turken” hier staat voor de belangrijkste vertegenwoordigers van de Islamitische cultuur mag je voor hen ook “Moslims” invullen). Ik herken in deze zin een open geest, dezelfde die ik ook bij Jacob Boehme heb ontmoet. Jacob Boehme was een in die tijd in Amsterdam in bepaalde vrome kringen beroemde en veelgelezen auteur van mystieke geschriften (waarover ik eerder publiceerde). Een Amsterdamse koopman vertaalde zijn geschriften toen in het Nederlands, en zijn denkbeelden zijn opvallend duidelijk terug te vinden bij de dichter Jan Luyken, die als vele anderen onder de indruk van Boehme was. Boehme bestreed de letterknechterij van protestantse en rooms-katholieke theologen en stond voor een opbloei van de persoonlijke beleving van de verbinding met God. Hij keerde zich fel tegen het misbruik van de godsdienst voor politieke doeleinden, waarbij bijna iedere vorst in Europa, al dan niet aangemoedigd door predikanten of door de paus, met stevige aandrang zo niet geweld een godsdienstige richting aan het volk wilde opdringen. En zegt in dat verband dat hij liever een eerlijke Turk tegenkomt dan het leger van Babel – dat is van de paus uit Rome! Het was nog niet zo lang geleden dat de Turken Europa hadden aangevallen. Hoe dan ook, de christenen in Europa waren hopeloos verdeeld, en wel op dogmatische gronden, beweerden hun leiders. Wanneer Spinoza in dit klimaat zijn visie op de rol van de godsdienst in de politiek formuleert, is hij in ieder geval even open als Boehme naar andere volkeren en religies toe. Enkele van het beperkte aantal raakpunten tussen Spinoza en Boehme gezien vanuit de schriftelijke (voor)geschiedenis van beiden worden gemeld in Dr. Clasina Manusov, Spinoza en de erfenis van Jacob Boehme, Mededelingen vanwege het Spinozahuis 51, Leiden (Brill) 1987, 20pp.
Kenmerkend voor Spinoza en zijn theologische-politieke verhandeling is ook in dit citaat, dat hij het over de geest van Christus heeft. Spinoza, opgevoed als Jood maar uitstekend thuis in kringen van cultureel ontwikkelde en voor andere denkbeelden openstaande christenen in Amsterdam, laat zich in dit geschrift kennen als christen, en komt met een opvatting over wat het christendom kenmerkt. Volgens hem is dat de geest van Christus, samengevat in “allereerst het liefhebben van God en vervolgens het liefhebben van de naaste als jezelf”. Klever legt uit dat deze beide geboden bij Spinoza elkaar omvatten, geen van beide is zonder de andere denkbaar, en ze omvatten ze dus allebei elk van beide geboden, ofwel: beide geboden vallen geheel samen. Deze “samenvatting van de geboden” ontleende Christus overigens aan de boeken van Mozes, en Spinoza laat blijken dat hij zijn bijbel goed kent.
Hij behandelt in het traktaat zowel zijn visie op de heilige geschriften van jodendom en christendom, Tenach of Oude Testament en Bijbel ofwel Oude en nieuwe Testament samen, (en impliciet ook van andere religies, zoals de islam) als zijn visie op de rol die de godsdienst kan hebben en dient te hebben. Het is best gecompliceerd om uiteen te zetten wat de opvattingen van Spinoza precies zijn want hij is een scherp denker en elke zinsnede voegt nieuwe elementen toe.
Voordat ik verder ga, wijs ik eerst nog even op de recente, elders door mij besproken biografie van Spinoza door Steven Nadler, die de achtergrond van Spinoza, zijn levensloop en de totstandkoming van zijn belangrijkste publicaties en inzichten helder en stimulerend neerzet. Ik vroeg me in die bespreking onder meer af wat we ons nu moeten voorstellen bij Spinoza’s opvattingen over God en over de natuur, en in hoeverre een beroep van mystici dan wel van marxisten op zijn denkbeelden gerechtvaardigd is.
Behalve dat Spinoza in principe een zeer open geest had – niet vreemd aan het klimaat in Amsterdam in de Gouden Eeuw waar hij verkeerde in kringen van wetenschappelijk, filosofisch en spiritueel geïnteresseerde vrije denkers en kunstenaars – valt aan hem op dat hij evenals de kringen waarin hij verkeerde, de rol van de menselijke rede buitengewoon hoog acht. Hij waardeerde het heldere en exacte denken van Descartes, die de grondslagen van de wetenschappelijke methode losmaakte van de middeleeuwse theologie en filosofie. En overal waar hij zag dat theologen of andere geleerden het met de logica op een accoordje gooiden om een opvatting om te buigen naar het door hen gewenste standpunt (iets dat in de wereld van de religie bepaald veel voorkomt) legt Spinoza er de nadruk op dat je nooit een rationele verklaring moet weggooien omdat de traditie of een profeet of theoloog dat – op welke niet-rationele gronden dan ook – nodig vindt. Er kan voor Spinoza maar één doel zijn voor de godsdienst in zoverre zij publiek is, namelijk een bijdrage leveren aan het welzijn van het volk, en wel via de geldende politieke instellingen. Die laatste moeten dan wel de vrijheid van meningsuiting toestaan en bevorderen zodat er een permanente overweging onder alle burgers kan zijn of die instellingen op de goede weg zijn. Maar godsdienst als publieke functie is wat Spinoza betreft volstrekt ondergeschikt aan de politieke machthebbers, met als enige doel rechtvaardigheid en welzijn te bevorderen. Ik kom later nog even terug op het belangrijke onderscheid dat Spinoza wel maakt tussen publieke en private functie van de godsdienst.
Inbegrepen in Spinoza’s opvatting en toepassing van rationaliteit, van het gebruik van de rede, is ook het gevoel voor verhoudingen. Spinoza legt dit – zo ver ik weet! – niet zozeer uit als dat hij het voortdurend toepast. Met als gevolg dat hij steeds aangeeft tot welke eventuele problemen zijn redeneringen en opvattingen aanleiding geven om die dan vervolgens weer toe te lichten en uit te werken in nieuwe redeneringen en opvattingen. In zijn andere hoofdwerk, de Ethica, deed Spinoza dat zelfs in de deductieve vorm van de geometrie zoals we die bij Eukleides aantreffen. Hier is dat minder precies, want het onderwerp is veel praktischer en veel ingewikkelder, maar zijn aanpak is toch hetzelfde. En in de uitwerking bemerken we dan dat Spinoza het gevoel voor verhoudingen een bijzonder belangrijke rol laat spelen. Zij bepalen kennelijk binnen welke context het redeneren plaats vindt.
Op die manier komt Spinoza tot de meest belangrijke terreinen van de politiek, waaronder de beste staatsvorm. Of de verhouding van publieke godsdienst en staat. En hij leidt alles terug tot de kern van wat de christelijke godsdienst is en behoort te zijn, bijdragen aan het leven naar de geest van Christus zoals boven aangegeven. De enige manier waarop men werkelijk christen kan zijn, is burger te zijn in de politieke zin (de economische daarbij inbegrepen, want een beroep uitoefenen en belasting betalen zijn natuurlijk uiterst politieke functies). En de geest van Christus houdt in dat ik de ander – zelfs rechtens – gun wat ik zelf begeer.
Wanneer we aan Spinoza’s open geest, zijn volkomen vooropstellen van de redelijkheid waar mogelijk (te vertalen als het met gevoel voor verhoudingen toepassen van analyse en redenering zoals in de wetenschappen), dan ook nog toevoegen dat hij een buitengewoon scherpe geest was, dan valt te begrijpen dat zijn werken door velen als te kritisch, soms zelfs als godslasterlijk werd opgevat. Want hij kende de mensen en de wereld niet alleen uit eigen ervaring van contacten en door beoefening van wis- en natuurkunde (onder andere nodig voor het slijpen van lenzen waarvan hij min of meer leefde) maar ook door een grote belezenheid niet alleen in de heilige schriften van joden- en christendom – opgevoed als hij was in de joodse bijbelstudie – maar ook van belangrijke geschriften uit de klassieke oudheid en van denkers over politiek uit zijn eigen tijd zoals Hobbes. Niet dat hij de tijd had om daar uitvoerige commentaren op te schrijven zoals vele geleerden van eerder en later eeuwen, die aan de vele boeken die zij lezen nog vele toevoegen. Nee, hij beperkte zich – noodgedwongen en uit keuze – tot het formuleren van de belangrijkste uitgangspunten ofwel beginselen. Zijn geschriften zijn alleen al om die reden, maar ook omdat hij een eigen taalgebruik had dat niet alleen paste bij zijn tijd en omgeving maar ook bij de doelstelling die hij op het oog had en de redenering waarbinnen hij afzonderlijke woorden gebruikte, voor een beginner moeilijk toegankelijk. En zelfs de mensen uit zijn eigen tijd die zijn taal misschien het beste konden begrijpen, schrokken van de niet geringe implicaties ervan. Zij zouden werkelijk met andere ogen moeten kijken en op een andere wijze in het leven gaan staan als zij de opvattingen van Spinoza serieus zouden nemen, dat snapten ze wel. En dat is in later eeuwen niet gemakkelijker geworden, omdat de taal steeds verder van de lezers af kwam te staan. Ook al waren er velen die de intuïtie hadden dat Spinoza nog steeds veel te zeggen had.

Vandaar dat we ons zo gelukkig kunnen prijzen met de vertalingen en commentaren van Wim Klever van en op Spinoza’s geschriften. Want hij is het die het ons Nederlanders pas mogelijk maakt om eerst te lezen wat Spinoza nu werkelijk opschreef en vervolgens uit de toelichting te begrijpen wat Spinoza bedoeld zou kunnen hebben. Daar zit ongetwijfeld een deel eigen interpretatie in maar gezien de wijze waarop Klever zijn toelichting over het voetlicht brengt, ben ik eerder geneigd hem bij voorbaat gelijk te geven dan er veel vraagtekens bij te zetten (dat is natuurlijk geheel onkritisch en zou door Spinoza en door Klever afgekeurd worden, maar ik geef hier gewoon allereerst mijn mening; en wie het tegendeel kan bewijzen geef ik graag de gelegenheid dat aan te tonen). Zelf ben ik diep onder de indruk van deze prestatie van Wim Klever. Hij maakt Spinoza toegankelijk voor ons mensen van deze tijd, en wel direct via diens geschriften zelf. Iets dat bij denkers van alle tijden nu eenmaal belangrijk is. En we zijn zelf nu beter in staat ons eigen oordeel te vormen en dat eventueel naast dat van Spinoza of van Klever te zetten. Want Spinoza is ook voor mij en voor velen in onze tijd nog uitdagend genoeg, van groot belang zelfs. Overigens fundeer ik mijn mening op het feit dat Klever zijn toelichting en commentaar bouwt op een enorme kennis van niet alleen de geschriften zelf maar even goed van hun context, zowel van teksten uit de verre oudheid die Spinoza heeft gelezen tot veel latere als die van zijn leermeester Van den Ende, als van vele andere boeiende omstandigheden uit zijn leven, niet het minst zijn correspondentie en contacten. En niet te vergeten vrijwel de hele wetenschappelijke literatuur over Spinoza.

Spinoza stelt zich in dit geschrift voor als theoloog die zijn theologie aanbiedt aan andere theologen (waarbij hij zich richt op degenen die hun verstand willen gebruiken en degenen die alleen maar uit zijn op versterking van eigen vooroordelen en machtsposities of erger, bij voortduring laat weten dat zij uiteindelijk toch beter hun verstand kunnen gebruiken als zij aan het ware christendom willen beantwoorden). Hoe Spinoza een en ander uitwerkt, laat ik graag aan Wim Klever over om uit te leggen – aan het eind (391-396) vat hij een en ander nog eens samen in “Een model voor de uitoefening van onze godsdienst”. En aan jou, lezer(es) van dit belangwekkende boek, die met behulp hiervan werkelijk veel waardevolle meningen kan vormen over uiterst belangrijke onderwerpen.
Alleen al de uitvoerige inleiding (3-72), het genoemde hoofdstuk over de reacties op de publicatie en Spinoza’s verweer(373-389) en het zojuist genoemde slothoofdstuk vormen een fabelachtig nuttige inleiding in de belangrijkste opvattingen van Spinoza, waarbij Wim Klever en passant ook nog een aantal belangrijke misverstanden uit de weg ruimt uit vooral recente literatuur van zogenaamde deskundigen (die Spinoza helemaal niet blijken te kennen laat staan begrijpen). Overigens geeft hij ook duidelijk aan wat hij in hun literatuur waardeert, qua vertaalprestatie, inzicht of detailuitleg.
Ik kan deze uitgave alleen met de grootst mogelijke nadruk aanbevelen. Ik behoor zelf tot degenen die in hun jeugd de joodse en christelijke “heilige geschriften” uitgebreid en grondig hebben leren kennen. Maar de helderheid waarmee Spinoza ze samenvat in de genoemde geest van Christus, en de rationele wijze van theologiseren (en filosoferen) die hij daarbij volhoudt, zijn niet alleen indrukwekkend (en dank zij deze publicatie begrijpelijk) maar ook leerzaam. Spinoza is nog heel actueel. We hoeven alleen maar te denken aan de discussie over de verhouding van staat en kerk die opnieuw is losgebarsten naar aanleiding van de nieuwe positie die de islam in de wereld, in ieder geval in het Westen en ook in ons land, opeist.
Ook boeiend is dat uit dit geschrift duidelijk kan worden in hoeverre “mystieke” dan wel “maatschappelijk gerichte” lezers van Spinoza zich op hem kunnen beroepen. Religie die niet maatschappelijk gericht is, schiet volgens Spinoza zijn doel volstrekt voorbij. Politiek hoort de verwerkelijking bij uitstek te zijn van godsdienst. Het enige dat er qua religie buiten valt, is de situatie van een individu zover dit als individu de verbinding met God ook persoonlijk ervaart in de hoogste vorm van religieuze verwerkelijking, de intuïtieve “amor Dei intellectualis”. Een ervaring die nooit haaks staat op de “politieke” verwerkelijking van de geest van Christus in de maatschappij (en ondergeschikt aan de geldende overheid), die idealiter daarmee samenvalt, maar die toch in principe ook mogelijk is in een situatie van anarchie of een onderdrukkende, foute overheid. Een ervaring die geen vlucht uit de samenleving en de maatschappelijke verantwoordelijkheid is en evenmin opgaat in doen en denken wat de actuele overheid voorschrijft. Ieder individu heeft immers een eigen rede gekregen, om met gevoel voor verhoudingen zijn plaats in de samenleving in te nemen, en als zodanig het hoogste doel van onze godsdienst te verwerkelijken, zowel in daadwerkelijke gehoorzaamheid aan de overheid (Spinoza was geen revolutionair maar een realist) als in kritische creativiteit in het bedenken en helpen realiseren van verbeteringen.
Vanuit de 21ste eeuw terugkijkend op het fenomeen van de verschijning van de belangwekkende geschriften van Spinoza kan ik wellicht zeggen dat hij verder ging dan Descartes door de wetenschappelijke methode ook toe te passen in de theologie. Een stap waarover in de eeuwen die gevolgd zijn, veel discussie is geweest. Over de mogelijkheden en de grenzen van wetenschap en rationaliteit enerzijds en metafysica en theologie anderzijds. Over de onkritische, bevestigende functie van ideologieën en over de waarde van ideologiekritiek. Een discussie die nog volop doorgaat, zoals in het antwoord van Rudy Kousbroek in NRC Handelsblad van gisteren 20 juli 2006 op een eerder betoog van Piet-Hein Donner in dezelfde krant. Leg je Spinoza daar naast dan zie je hoe ver zijn blik al reikte en hoe actueel de problemen zijn die hij al aan de orde stelde. En zo verwoordde dat zijn formulering van de juiste verhoudingen nog steeds te denken kan geven over welke maatstaven we aan onze politieke orde moeten aanleggen, maar ook over de toewijdende rol die de religie behoort te spelen met rechtvaardigheid en naastenliefde als enige inzet.
Deze vertaling en toelichting hebben mij nieuwsgierig gemaakt naar de vertaling en toelichting van Spinoza’s Ethica door Wim Klever, al eerder verschenen onder de nogal droge titel “Ethicom”. Die gaat over Spinoza’s opvattingen over de mens en het menselijk gedrag. Zouden die ook zo verhelderend zijn? Hoevelen hebben niet gezegd door Spinoza geïnspireerd te zijn – maar hadden zij hem begrepen?
Wat betekent het dat volgens Spinoza de vrije wil slechts een illusie is, die wij niettemin allen koesteren? Een vraag die ook aan de orde komt in een interessant artikel van Wim Klever, ‘Hoe men wijs wordt: Een gespannen doch vruchtbare relatie tussen Spinoza en Bouwmeester in het licht van een nieuw document’, in: De zeventiende eeuw 21/2 (2005) 335-353 (Uitgeverij Verloren, Hilversum). En op de bladzijden 174 en 276 in het boek Looking for Spinoza (2003, inmiddels ook vertaald) van Antonio Damasio, waarin deze verder gaat met het analyseren en bespreken van de rol van emoties en rede bij het gebruik van onze hersenen in het dagelijkse leven (zie al diens eerdere boek Descartes’ Error: Emotion, Reason and the Human Brain; fascinerend vind ik in ieder geval dat Damasio net als Spinoza juist een groot verband tussen lichaam en geest aanwezig acht, in tegenstelling tot Descartes!).
Ten slotte: deze uitgave van Eburon is erg mooi vormgegeven, en ligt prettig in de hand. Ook dat is een aanbeveling om haar aan te schaffen en op verschillende vragen naar (betere) antwoorden te gaan zoeken. Veel genoegen!

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.