BK-Books.eu » Besprekingen » De zon in je hart

Bespreking van...

Thich Nhat Hanh, De zon in je hart, Amsterdam (Karnak) 1988, 174 pp.

[Deze bespreking maakt onderdeel uit van een groter overzicht van publicaties van dezelfde auteur, met onderlinge vergelijking. Zie de inleiding daarop!]
Dit boek is zo kernachtig en maakt op mij zo’n indruk dat ik er grote delen van zou willen citeren. Een van de hoofdthema’s van het boek is de verwevenheid van alles met alles, sterker nog het voortdurende uit-elkaar-voortkomen en in-elkaar-opgaan van alles, letterlijk en figuurlijk. Wie dit tot zich laat doordringen komt tot de verbazingwekkende conclusie dat hier en nu alles er altijd is, en dat niets speciaals bereikt hoeft te worden. Er hoeft geen angst te zijn om ons zelf te verliezen want ‘we’ zijn alles en zullen dat altijd blijven. Zo bereiken we een ‘vrede die alle verstand te boven gaat‘, van waaruit we ons natuurlijk verbonden voelen met alles, zowel met de genietende als met de lijdende wezens, en ons gaan inzetten voor de laatste, zonder onze verbondenheid met alles ook maar een moment te verliezen.
“Mijn vriend vroeg me hoe we het resultaat van meditatie kunnen zien en ik vertelde hem dat vrede en geluk de graadmeters zijn. … Dit geluk komt op de eerste plaats voort uit het feit dat je meester bent over jezelf en niet meer verstrikt raakt in onachtzaamheid. Als je je adem volgt en jezelf een glimlach gunt, bewust van je gevoelens en je gedachten, zullen de bewegingen van je lichaam op natuurlijke wijze vloeiender en meer ontspannen worden; er zal harmonie zijn en je zult je werkelijk gelukkig voelen.”(146-148) De auteur heeft zelf die ervaring talloze malen ondervonden, juist in de meest moeilijke omstandigheden. Bijvoorbeeld toen hij een keer gearresteerd was in Singapore omdat hij een internationaal project had georganiseerd om volstrekt hulpeloze bootvluchtelingen te helpen die Vietnam hadden moeten ontvluchten. Zijn arrestatie maakte de toch al problematische situatie – de gehuurde grote schepen hadden midden op zee behoefte aan directe noodhulp – alleen maar hachelijker. “In die situatie besloot ik dat ik het meditatieonderwerp ‘Als je vrede wilt, is onmiddellijk vrede met je’ moest oefenen. … Het succes kwam, toen ik het probleem direct in het gezicht keek. Ik zwoer dat als ik dat ogenblik geen vrede kon hebben, ik nooit in staat zou zijn vrede te hebben. … Door het oefenen [hiervan] kon ik vele problemen oplossen, de één na de ander, als dat ook echt nodig was.” “Als je niet in dit ogenblik in vrede leeft, zul je er nooit toe in staat zijn. … Anders is er alleen maar ‘de hoop op vrede’.” “Vrede komt niet alleen na vele lange dagen van oefening. Het belangrijkste is je wens, je vastbeslotenheid. Als je vastbeslotenheid sterk is, zal het effect de oorzaak sneller volgen dan een bliksemschicht. …” “Onze kracht ligt in onze vrede, in de vrede in ons.” “Vrede en mededogen gaan hand in hand met inzicht en geen onderscheid maken. … Een mededogend iemand ziet zichzelf in ieder wezen. … Onze wereld heeft geen tekort aan mensen die bereid zijn zich in actie te storten. Wat we nodig hebben, zijn mensen met het vermogen lief te hebben, geen partij te kiezen, zodat ze de hele werkelijkheid kunnen omarmen als een moeder kip die al haar kuikens omarmt met twee volledig uitgespreide vleugels. De oefening van meditatie over het onderling afhankelijk ontstaan is één manier om tot deze verwezenlijking te komen.” “De meeste mensen beschouwen zich als golven, maar vergeten dat ze ook water zijn. … Een golf leeft ook het leven van water en wij leven ook het leven van niet-geboorte-niet-dood. We hoeven alleen maar te weten dat we het leven leven van niet-geboorte-niet-dood. Alles ligt in het woord ‘weten’. Weten is verwezenlijken. Verwezenlijking is bewuste aandacht. Al het werk van meditatie heeft ontwaken tot doel, teneinde maar één ding te weten: geboorte en dood kan ons op geen enkele manier raken.” (157-167)
Ook al zouden we in de woorden en de boodschap van de auteur bepaalde aspecten van zijn culturele achtergrond en zijn persoonlijke ervaring herkennen, dan nog wil dat niet zeggen dat er geen universele waarheid in schuilt. Voor mij staat die universele waarde van zijn woorden vast, zelfs in de zin dat zij herkenbaar en geldig blijft ook al zal de verwoording mee veranderen met de tijd, de cultuur, de personen. Ooit zal een nieuwe Thich Nhat Hanh – vrouw of man, of welke boodschapper van het ontwaken dan ook – opstaan met woorden voor die nieuwe tijd en omstandigheden. Deze auteur is trouwens voortdurend in gesprek met heel de boeddhistische traditie, evenals met de moderne westerse cultuur en haar bronnen. En zoekt daarin voortdurend naar universele inzichten en aanwijzingen om te leven. Het enige dat wezenlijk telt is: bent u wakker? Bent u ontwaakt? Staat u met al uw zintuigen en heel uw lichaam en ziel open en in verbinding met de wereld, met de hele werkelijkheid? Als u daar geen behoefte aan hebt of als u daarin gevorderd bent heeft u dit boek niet nodig en mijn commentaar al helemaal niet.
Thich Nhat Hanh’s boeken lijken vaak over alles tegelijk te gaan – dat komt doordat vanuit verschillende perspectieven hetzelfde ‘ontwaken’ behandeld wordt. Dat geldt ook wel voor dit boek. Zelf wijst hij in dit boek zijn eerdere boekjes Het gras wordt groener en Adem is bewustzijn aan als basisboekjes waar het meest fundamentele in staat. Het accent ligt in dit boekje iets meer op de eenheid van alle tegengestelde begrippen, en het vinden van de eenheid erin. Evenals op de samenhang van westerse fundamentele wetenschap en oude boeddhistische inzichten. Je zou dit boekje iets meer dan sommige andere een samenvatting van de kern van boeddhistische filosofie kunnen noemen, maar dan inclusief de betrekkelijkheid van ‘fundamentele’ begrippen. Maar ook zo is het niet minder helder en volstrekt in dienst van het ontwaken van … (vult u maar in).

Het eerder vermelde citaat is uit het buitengewoon toegankelijke en heldere, zelfs stralende laatste hoofdstuk, geschreven vanuit een stralend weten. Daar gaan vier hoofdstukjes aan vooraf. Op iets meer thematische en beschouwende – wat beslist niet wil zeggen ontoegankelijke en onpraktische – wijze behandelen zij het thema van de verbondenheid van alle verschijnselen en wat die verbondenheid voor ons bewustzijn en dus ons leven kan betekenen. Het eerste hoofdstuk cirkelt om aandacht en meditatie. “Meditatie laat de zon van bewust aandacht gemakkelijk opkomen, waardoor we helderder zien. Als we mediteren, lijkt het alsof we twee zelven hebben. Het éne is de stromende rivier van gedachten en gevoelens en het andere is de zon van bewuste aandacht die er op schijnt. Welke is ons eigen zelf? Welke is het ware? Welke het valse? Welke is goed? Welke slecht? Kom alsjeblieft tot rust, mijn vriend. Leg je scherpe zwaard van het denken in begrippen neer. Snijd je ‘zelf’ niet zo haastig in tweeën. Beide zijn zelf. Geen van beide is waar. Geen van beide is vals. Ze zijn beide waar en beide vals.” (20) “Ik pas ‘geweldloosheid’ toe op mijn lichaam, want het is niet louter een middel om de Weg te beoefenen, het is zelf de Weg.” (35) Tussen de bedrijven door legt Thich Nhat Hanh in het hele boek koans (raadselspreuken of verhaaltjes om het verstand te misleiden en stil te zetten, niet buiten zijn grenzen te laten treden) uit en maakt ook de nodige opmerkingen over het gebruik ervan en hoe je verkeerd gebruik ervan kunt vermijden, net als vele andere aspecten van meditatie of oefenen van aandachtig bewustzijn.
Het tweede hoofdstuk cirkelt om inzicht. “Onder invloed van bewuste aandacht word je meer attent, begrijpend en liefhebbend, terwijl je aanwezigheid niet alleen jezelf goed doet en aardiger maakt, maar ook de anderen. Onze hele samenleving kan worden veranderd door de vreedzame aanwezigheid van één persoon. Onze geest schept alles. De majestueuze bergtop, die schittert van de sneeuw, ben je zelf, als je hem aandachtig bekijkt.” (58) Als je tenminste door krijgt dat ‘ons’ en ‘geest’ niet los staan van de buitenwereld maar vanuit dezelfde grond opbloeien als de laatste, en dat alles één is, met elkaar verbonden en dat alle verschijnselen in elkaar overgaan zonder vaste identiteit (dus er is ook geen definitief onderscheid tussen de genoemde grond en wat er uit opbloeit, 62). Natuurlijk wel met een (heel) tijdelijke identiteit. “Inzicht is geen opstapeling van kennis. Integendeel, het is het resultaat van het gevecht vrij te worden van kennis. Inzicht verplettert oude kennis en maakt ruimte voor nieuwe, die beter past bij de realiteit. … Het is direct en onmiddellijk ergens in doordringen. In het gebied van sentiment is inzicht het gevoel. In het gebied van verstand is het waarneming. Het is eerder intuïtie dan het hoogtepunt van redeneren. Zo nu en dan is het in ons aanwezig en we merken dat we het niet in woorden, gedachten of begrippen kunnen uitdrukken. Onze situatie is op zulke momenten ‘niet te beschrijven’.” (69-71). “In het dagelijkse leven zijn we opgegroeid met een wijze van denken en ons uitdrukken, die gebaseerd is op de idee dat alles onafhankelijk is van al het andere. Deze manier van denken en spreken maakt het moeilijk door te dringen tot de niet-dualistische, niet-discriminerende werkelijkheid, een werkelijkheid die niet in begrippen gevat kan worden.” (75) “We moeten ‘weten’ niet beschouwen als iets dat van buiten komt om leven te blazen in het universum. Het is het leven van het universum zelf.” (80) “Ik hoop dat je mijn woorden niet gaat omvormen in begrippen, nieuwe begrippen, die in je kunnen worden opgeslagen. … Denk alsjeblieft helemaal niet aan éénworden met het kind, de boom of de thee. Er is helemaal geen reden om iets te denken. Proef jezelf met het kind, proef jezelf met de boom, proef jezelf met de thee, terwijl een glimlach op je lippen bloeit.” (81)
Het derde hoofdstuk gaat wat dieper in op de betekenis van het verweven zijn van alle verschijnselen en vooral op de beperktheid van begrippen waarmee we die verwevenheid proberen te ‘vatten’ in voor ons hapklare tegenstellingen – zodat we de verschijnselen van elkaar onafhankelijk denken te kunnen maken. Die onderscheidingen brengen we echter zelf aan met ons denken; in werkelijkheid stroomt alles in elkaar over, kan niets zonder het andere bestaan. “We weten dat als ons hart ophoudt te kloppen, de stroom van ons leven zal stoppen, dus is ons hart ons zeer dierbaar. Toch nemen we niet zo vaak de tijd op te merken dat er anderen dingen buiten ons lichaam zijn, die ook essentieel zijn voor ons overleven. Kijk naar dat onmetelijke licht dat we zon noemen. Als dat ophoudt te schijnen, zal de stroom van ons leven ook stoppen, dus is de zon ons tweede hart, ons hart buiten ons lichaam. …” (88) Aan deze beeldspraak is de titel van het boekje ontleend, met in het Nederlands meer associaties dan in het Engels (The sun my heart) – maar op het eerste gezicht ook minder. “Meditatie is geen imitatie maar creatie. …Een goede zenbeoefenaar oefent de hele dag door meditatie … De idee dat je je ogen dicht moet doen om naar binnen te kijken en openen om naar buiten te kijken, moet je terzijde schuiven. Een gedachte is evenmin een innerlijk object als een berg een uiterlijk object. Beide zijn gekende objecten. Geen van beide is binnen of buiten. Wanneer je volkomen aanwezig bent en in diepe eenheid met de levende werkelijkheid, raak je zeer geconcentreerd. … je doordringt met gemak de levende werkelijkheid – je bent er één mee omdat je alle gereedschappen waarmee je kennis kunt meten, opzij hebt geschoven …” “Door de samenhang tussen alle verschijnselen te belichten, gaat de mediterende inzien dat de levens van alle wezens één zijn, en hij of zij zal overvloeien van mededogen met allen. Wanneer je deze liefde bespeurt, weet je dat je meditatie vruchten afwerpt. Inzicht en liefde gaan altijd samen. … Oppervlakkig inzicht gaat samen met oppervlakkig mededogen. Groot inzicht gaat samen met groot mededogen.” (93-96) Vergelijk het ontzag dat grote natuurkundigen en filosofen ontwikkelden voor de werkelijkheid toen zij steeds weer nieuwe fundamentele samenhangen ontdekten: tussen tijd en ruimte, tussen golf en deeltjes, tussen verleden, heden en toekomst, enzovoort.
Het vierde hoofdstuk werkt vooral de overeenkomst tussen deze laatste door moderne westerse wetenschappers ontdekte samenhangen en oude visies binnen het boeddhisme uit. Zo is er binnen het laatste een denkbeeld van de wederzijdse oorsprong (paratantra) dat ‘heel dichtbij de levende werkelijkheid [ligt]. Het vernietigt de dualistische begrippen één/veel, binnen/buiten, tijd/ruimte, geest/materie, enzovoort, die de geest gebruikt om de werkelijkheid te begrenzen, in te delen en te vormen.” (116) Elk begrip omvat zijn tegendeel, want kan niet zonder dat gedefinieerd worden. Het ‘is’ zijn tegendeel! Zijn bestaat niet zonder worden. De waarnemer beïnvloedt zijn object – en vice versa – fundamenteel. De beroemde fysicus Oppenheimer bevestigt dat de moderne wetenschappers door hun ontdekkingen de 2500 jaar oude inzichten van Boeddha – over de totale werkelijkheid die altijd samengebald is in de verschijnselen hier en nu – nu pas begrijpen. Ieder verschijnsel omvat alle andere. Wij hoeven de wereld van het zo-zijn niet meer te bereiken want wij zijn deze wereld al, ieder moment, in ons deel uitmaken van de werkelijkheid op onze eigen manier, gewoon zoals we al zijn, ieder moment opnieuw. De toekomst is nu (ook al zal zij ‘in de toekomst’ anders zijn).
De uitgever noemt dit boekje briljant en ik kan het maar moeilijk met hem oneens zijn, of het moest zijn dat ik nog sterkere woorden zou vinden. Meesterlijk is het zeker. De auteur noemt zichzelf alleen maar een bij die danst om de andere bijen te vertellen waar honing gevonden kan worden. Neem en lees – en vooral oefen iedere seconde in het toelaten van de vrede die er al is en die overal de voorwaarde van is en die ons met alles één maakt, door geboorte en dood heen en midden in alle tegenstellingen die we kunnen nemen zoals ze zijn, en tegelijk los kunnen laten. Want we veranderen waar we bijstaan. Wie of wat dansen er precies? De bij alleen? De honing alleen? Alle bijen? Het hele nest? Alle bloemen? De hele werkelijkheid? De vertellers? De kijkers en luisteraars? De wind? De grond? Wat gaat? Wat komt?
Dit boekje heeft – zonder onwetenschappelijk te zijn – iets van de aloude alchemie: alles verandert, zowel op het gebied van de geest als dat van de stof, en wij spelen er een cruciale rol in waarvan wij ons bewuster kunnen worden, zodat wij die rol des te beter spelen. Dan vinden we het goud der wijzen.
Uitermate aanbevolen.
Voor de andere boeken van deze gezamenlijke bespreking: volg de link.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.