BK-Books.eu » Besprekingen » De universele gnosis

Bespreking van...

Jan van Rijckenborg / Catharose de Petri, De universele gnosis, Haarlem (Rozekruis Pers) 1992-3e druk, 185pp.

Zie de opmerking vooraf.
Dit boek bevat 20 ‘brieven’, opstellen die samen een indruk geven van de wedergeboorte waartoe de ware gnosis (kennis) toe leidt. Hoewel de auteurs op het standpunt staan dat hun leer voorzover zij concrete uitspraken doet over het menselijke stelsel ook wetenschappelijk juist is (hoewel zij veel dieper gaat dan de wetenschap), is hun boodschap zeer idiosyncratisch, ofwel van een eigen aard. Dit heeft geleid tot een betoverende, prachtige taal, die echter net als de boodschap alleen of vooral door leerlingen herkend kan worden en voor leerlingen geschreven is. Want er zijn twee soorten belangstellenden: (1) ?als ge?nteresseerden? en (2) ?uit innerlijke nood? – en alleen de laatsten zijn te helpen (101). Het zijn opwekkende, appellerende teksten vanuit een standpunt van (bijna) alwetendheid, in ieder geval grote betrokkenheid bij de innerlijke nood van de mens en de wereld.
Het eigenaardige karakter beperkt de publieke waarde van deze teksten uiteraard nogal, zij zijn moeilijk herkenbaar en verifieerbaar voor de gemiddelde lezer. Maar toch zijn er ook aspecten aan die dat wel zijn, zoals de herkomst van bepaalde opvattingen of beelden of gedachten, of de verwantschap ervan met die van andere geschriften of auteurs. Een grote intelligentie kan mijn inziens aan de auteurs niet worden ontzegd, evenmin als een diep inzicht in de menselijke psychologie. Tegelijk krijg ik uit sommige regels de indruk dat in de kring van leraren en leerlingen processen plaats vinden die ik niet zonder meer toejuich of kan plaatsen, zoals het nemen van de maat aan elkaar, pp. 49vv, met name 53. Hoewel de auteurs duidelijk zeggen dat het niet kan gaan om intellectueel of emotioneel begrijpen van zaken – wat ik me voor kan stellen – ben ik bevreesd dat zij hier toch grenzen overschrijden die gewone mensen niet kunnen overzien. Omdat de leerlingen aangeraden wordt hun ik-centraliteit op te geven, komt dit mij als vreeswekkend voor (ik zie hier een parallel met de leraar-leerlingverhouding in sommige verschijningsvormen van zen-boeddhisme waar de autoriteit van de leraar boven elke norm verheven lijkt). Wat ik me kan voorstellen is dat de auteurs duidelijk zouden willen maken dat men zonder verlies van het oude ik geen stap verder komt, en dat is natuurlijk niet gemakkelijk uit te leggen. Daarom schrijven de auteurs wellicht ook bij het begin van die passages dat het zeker niet de bedoeling is over deze zeer particuliere aangelegenheden te schrijven, zij willen alleen opmerkzaam maken op bepaalde risico’s en kansen: het gaat om alles of niets. Zij wijzen er juist op dat het geen schade oplevert voor wie binnen de kring staat. Dit aspect van binnen en buiten de kring staan lijkt mij belangrijk om zich te realiseren voor wie aan dit boek begint. Er is altijd meer aan de hand dan woorden of gevoelens kunnen zeggen en omvatten als het om religie – in dit geval om de meest diepingrijpende vorm van wedergeboorte en omvorming – gaat. Dat noopt mij – die niet erg bescheiden ben – tot bescheidenheid en terughoudendheid. Het komt niet alleen op de kwaliteit van teksten aan maar vooral op de kwaliteit van de persoon, in de zin van de geest die door de persoon of op andere wijze tot ons komt, binnen of buiten de kring – en er zijn nu eenmaal meerdere kringen. Hoewel ik de uitdrukking zelf in dit boek niet ben tegengekomen, zeggen de auteurs zelf ook voortdurend dat het niet om de leer gaat maar om de praktijk, ofwel ?aan de vruchten herkent men de boom?. Ik zou er dus voor pleiten dat leerlingen toch geheel de vrijheid behouden om naast de lessen en oordelen die ze in de groep en van de leraren ontvangen, in geestelijk opzicht – en daar valt zelfbeoordeling ook onder – toch geheel vrij en zelfstandig te zijn. Geldt dat niet ook voor de leraren en de groep zelf? Overigens wordt in het Lectorium Rosicrucianum steeds opnieuw nadruk gelegd op de zelfautoriteit die iedere leerling hier heeft: men kan de weg alleen zelf gaan, een ander kan het niet voor je doen. Tegelijk wordt er nadruk op gelegd dat wedergeboorte niet het oppoetsen van het huidige ik is maar de dood daarvan ten gunste van een helemaal nieuwe geestelijke kern waaruit men leeft.
Interessant is ook een meer concrete aanduiding van de groei van het Lectorium Rosicrucianum zelf (84) waar de auteurs spreken van de inspanning die van de leerlingen gevraagd wordt om het aantal brandpunten (lees: centra van werkzaamheid) uit te breiden. ?Het is ons bekend dat, wanneer de leerlingen zich op voldoende wijze zullen inspannen en zich op de enig mogelijke wijze geven, er nog meer zullen volgen. De bedoelde inspanning zal evenwel niet van u worden gevraagd: ze moet spontaan en van binnenuit door u worden gegeven.? Vervolgens keren de auteurs terug naar de betekenis van het groeiende begrip onder de leerlingen waardoor dezen meer open zullen staan voor de krachten die tot hun wedergeboorte zullen leiden. Ik beschouw het als waardevol dat de auteurs er hier op wijzen dat in het geestelijke gebied dwang niet helpt. Ik neem aan dat niet bedoeld is dat de leerlingen beoordeeld worden op de mate van hun materi?le inzet – of het nu om simpele aanwezigheid, om financi?le bijdragen of om concrete inspanningen gaat – bij het vaststellen van hun geestelijke stand van ontwikkeling; de auteur wijst dat zelf expliciet af (169). De vrijheid van het geven is immers juist geen vrijheid als het stille of openlijke dwang is, en al zeer zeker niet in de geestelijke sfeer. In feite gaat het hier natuurlijk om processen die zich overal in groepen mensen afspelen, en ook Rozenkruisers zal niets menselijks vreemd zijn. Maar juist omdat hun werk om geestelijke redenen deels besloten is, is het belangrijk zich goed te realiseren dat het spanningsveld tussen het hoge geestelijke doel en het met vallen en opstaan vinden van een weg door onze aardse beslommeringen heen, altijd zal blijven zolang wij nog op aarde zijn. En dat zeggen de auteurs ook duidelijk, zij geven helder aan dat het gaan van het pad moeilijkheden zal opleveren die dan weer als kans zullen werken voor wie verder mogen gaan. Dat is uiteraard niet alleen in geestelijk opzicht zo, maar ook in concrete samenwerkingsverbanden waar ook het Lectorium Rosicrucianum er een van is. Opmerkelijk vind ik dan wel dat de leerling het zich zo moet voorstellen dat de School (lees: de leraren) de offers hebben gebracht en brengen, en dat de leerling voorlopig niets goed kan doen, alleen na lange oefening. Sterker, de volgende uitspraak roept vraagtekens bij mij op: ?Versta dan ook de roep, dat dit offer met actueel resultaat van uw zijde moet worden betaald, wil het evenwicht bewaard blijven en u als leerling van de School zult kunnen worden gehandhaafd.? (169) Dit zal niet als dwang bedoeld zijn maar werkt het in de praktijk anders?
Misschien moeten we zulke uitspraken lezen als omzichtigheid die de leraar ten toon spreidt om de leerling niet de illusie te geven dat het allemaal zo gemakkelijk zal gaan op het pad, en vooral dat welke inzet dan ook niet automatisch leidt tot het bereiken van het geestelijke doel. Op 180v. wijst de auteur er nog eens expliciet op dat men tot de School niet moet toetreden als men er aardse winst van wil verwachten in welke zin dan ook. Al het aardse moet worden afgelegd, en wel zuiver geweldloos. Het streven naar wedergeboorte zal winnen – van elk innerlijk en uiterlijk verzet – door niet te strijden. Op p. 184v. zegt de auteur het nog eens en nog anders: de macht die werkelijk nodig is om het pad van wedergeboorte te gaan, is het bezit van de Heilige Geest (die niet van deze aarde is). Heeft men die, dan is de komende wedergeboorte voor die Godszoon of -dochter een zekerheid. Zoniet, dan is men vooralsnog een vreemdeling. Het blijft dus alles of niets. De auteur zegt dat de leerling het alleen zelf kan doen, zich overgeven aan het werk dat aan haar of hem gedaan wordt, en daarop het antwoord geven (169). Wat betekent de School voor degenen die binnen en buiten de School op deze weg zijn? Hoe belangrijk is binnen en buiten staan voor de deelnemers aan de School? Is het allemaal geestelijke vrijheid of is er ook sprake van geestelijke dwang of terreur? Hoe kan men dat weten, hoe leert men het interne werk van de School kennen zonder haar of zijn vrijheid geheel te verliezen? Of zonder dat de School te grote concessies moet doen aan de kwaliteitseisen die het gaan van het pad stelt?
Ik kan me de passages waar ik deze vragen bij heb, voorstellen als verwijzingen naar de hulp die men in de beschermde kring van de school kan krijgen bij het proces van wedergeboorte. Natuurlijk is daarbij van de leerling een openheid hiervoor te verwachten, en natuurlijk een positieve instelling jegens deze hulp en helpers, en ook is het nodig dat men zich laat kennen, de basis voor verandering. Maar juist waar die processen op gang komen, lijkt iedere hulp die deze openheid en positieve instelling (ook) gebruikt voor uiterlijke aanpassing aan de kennis en het gedrag van de helpers in plaats van (uitsluitend) als openheid voor de onvoorspelbare werkingen van de goddelijke geest die ons met het ene en het geheel verbindt in en door onze in tegendelen en dialectiek uiteenvallende werkelijkheid (die ook wel genoemde kennis en gedrag omvat maar naar ik aanneem niet alleen), mij minder aangewezen. In ieder geval dient het laatste (openheid) en niet het eerste (aanpassing) voorop te staan, lijkt me.
Uiterst boeiend, en een voorbeeld van een verbinding met zeer oude en zeer waardevolle tradities die midden in de moderne tijd volop leven en leven kunnen brengen aan degenen die erdoor aangesproken worden. Iedere mens zal haar of zijn eigen weg hebben te gaan, en daar is ook het pad van de Rozenkruisers een variant van en een oproep toe.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.