BK-Books.eu » Besprekingen » De Nag Hammadi-geschriften

Bespreking van...

Jacob Slavenburg / Willem Glaudemans, De Nag Hammadi-geschriften: Een integrale vertaling van alle teksten uit de Nag Hammadi Codices en de Berlijnse Codex: volledig herziene en geactualiseerde editie, Deventer (Ankh-Hermes) 2004, [met uitvoerige inleidingen, noten, overzichten, bibliografie en registers,] 1201 pp.

Deze bespreking bestaat uit een overzicht van eigenschappen van de nieuwe editie, gevolgd door een bespreking van enkele punten die mij specifiek interesseren, hetzij persoonlijk hetzij wetenschappelijk. Dat ligt deels in het verlengde van zaken die ik heb eerder heb gelezen of geschreven zowel heel specifiek over bepaalde Nag Hammadi-geschriften als over een brede context. In deze bespreking heb ik een aantal terloopse vragen en enkele notities die vragen overbodig kunnen maken, onderstreept.

1. Deze editie.
Met recht kan deze eendelige uitgave, tien jaar na de al zeer succesvolle tweedelige editie (5 drukken voor het eerste en 2 drukken voor het tweede deel), monumentaal worden genoemd. Aan de uitvoering ontbreekt niets. De 1201 dundrukpagina’s zijn een lust om in de hand te houden. Twee leeslinten vergemakkelijken het synchroon lezen van tekst en noten.
Het is zonder meer duidelijk dat de vertalers hebben gezorgd voor een uitermate leesbare vertaling die gemeten naar de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek erg bij de tijd en betrouwbaar genoemd mag worden (zie ook onder). De samenwerking van deze taalkundige en deze cultuurhistoricus heeft tot een unieke kwaliteit geleid. Want ook zijn veel tekstpassages poëtisch gezet. Er is duidelijk heel goed geluisterd naar de teksten, zowel inhoudelijk als qua toon en structuur. In deze heruitgave zijn alle vertalingen en toelichtingen herzien en geactualiseerd. De vertalers hebben de wetenschappelijke waarde verhoogd door redactionele toevoegingen opnieuw te overwegen en het aantal te reduceren. Van de werkelijk enorme hoeveelheid werk die zij bij beide edities verzet hebben, kan alleen gezegd worden dat zij een buitengewoon grote prestatie verricht hebben. Wat een discipline moeten zij opgebracht hebben! Het lijkt mij overigens de moeite waard om in het gebruik de verschillen met de vorige editie te blijven nagaan. Gooi de vorige editie dus nog niet weg! Er zit misschien nog aanleiding voor u in om tot eigen overwegingen te komen, in gesprek met de vertalers en hun oude en eigen nieuwe keuzes.
De wetenschappelijke kwaliteit van deze uitgave kan op dit moment moeilijk overschat worden. Er is de laatste decennia veel meer bekend geworden over de geschriften van Nag Hammadi en hun historische ‘omgeving’ maar dat alleen dank zij een intensieve bestudering van talrijke bronnen en veel parallellen uit vele verschillende talen en culturen. Toen de eerste complete Nederlandse vertaling tien jaar geleden verscheen was het zo dat maar heel weinigen dit uitgebreide terrein konden overzien. Bovendien betrof het een materie die tot vele discussies aanleiding gaf omdat vooroordelen bestonden over de betekenis en waarde ervan. Zoals uit zijn erudiete en leesbare publicaties in de voorbije jaren duidelijk is gebleken, is Jacob Slavenburg in navolging van de Utrechtse hoogleraren Gilles Quispel en zijn leerling en medewerker Roel van den Broek degene die zich tot een man met veel overzicht ontwikkeld heeft. Hij weet bestaande vooroordelen ontmaskeren en veel bij te dragen tot het scheppen en populariseren van een nieuw beeld van het ontstaan van het esoterische christendom en van de verschillende vormen van gnostiek en hermetisme vanuit hun wortels in vele oudere Joodse, Egyptische, Griekse en andere tradities. Dat komt ongetwijfeld omdat Jacob Slavenburg zich nauw met de gnosis verwant weet. Zo kunnen we zien dat hermetisme en gnosis levende, gepraktiseerde godsdiensten zijn geweest, en niet alleen een papieren religie voor mensen die zich het (tijdrovende) lezen en schrijven van (tamelijk dure) teksten konden veroorloven zoals een zeer geleerde onderzoeker dacht (zie hiervoor Slavenburgs hieronder te noemen lezing). Er zal de komende jaren ongetwijfeld nog meer inzicht groeien over bepaalde samenhangen of de betekenis van bepaalde details. Maar we kunnen er op vertrouwen dat deze vertaling ‘bij’ is. De bibliografie is indrukwekkend en bevat naast de meest uitgebreide verzameling wetenschappelijke interessant genoeg ook enkele niet-wetenschappelijke publicaties waaruit we wellicht iets kunnen afleiden waar de vertalers verbanden zien. Over die verbanden hoop ik de komende tijd nog meer van hen te lezen!
Door de (heldere) algemene inleiding – voor een iets uitgebreidere handleiding zie ook Slavenburgs handzame boekje Een sleutel tot gnosis en zijn prachtige overzicht van de opvattingen en stromingen onder christenen in de eerste eeuwen De oerknal van het christendom – en de inleidingen bij de afzonderlijke geschriften (waarbij de gebruikte vertalingen opgesomd worden en een verantwoording van hun gebruik wordt verschaft), evenals de noten bij bepaalde passages, krijgen we alle informatie die nodig is om de tekst op haar waarde te kunnen schatten. Door de overzichten van sorteringen van de geschriften naar traditie van herkomst, naar thematiek en naar vorm, en door de werkelijk buitengewoon waardevolle en volledige registers – van de hand van Henk J. Spierenburg – op zaken en namen, wordt het de lezer via vergelijking van passages met dezelfde sleutelwoorden mogelijk zelf een beeld te ontwikkelen van verschillende samenhangen en van de diverse tradities met hun kenmerkende voorstellingen. Door deze overzichten zijn er meer ingangen dan in de vorige editie om verbanden te zoeken, terwijl de teksten toch gewoon de volgorde van de oorspronkelijke codices aanhouden. De registers en noten bevatten niet alle tekstparallellen die wetenschappelijk relevant zouden kunnen zijn. Dat is net als bij de geschriften die in het Nieuwe Testament terecht gekomen zijn, niet doenlijk in een gewone uitgave. De meeste belangrijke parallellen zijn echter in deze uitgave ongetwijfeld te vinden en voor de rest kunnen we de komende jaren ongetwijfeld nog rekenen op de nodige wetenschappelijke en populariserende publicaties. Daarbij zal deze uitgave een onmisbaar naslagwerk blijken dat altijd binnen handbereik ligt.
Voor alles wat ik hier zeg, geldt: zo ver ik gezien heb, en dat is behalve de algemene inleiding globaal geweest. Het is mij niet mogelijk de verschillen in de vertaling punt voor punt te vergelijken met die van de vorige editie. Ik vertrouw erop dat de kwaliteit niet minder is geworden vergeleken met de vorige editie en dat in de komende jaren betreffende ieder detailverschil vanzelf aan de orde komt of het een verbetering is of niet. Zo werkt dat bij belangrijke vertalingen van belangrijke oude teksten, zeker als ze omvangrijk zijn. Ik baseer mij voor dat vertrouwen niet het minst op de kwaliteit van de genoemde werken van Jacob Slavenburg. Ik waardeer de open aanpak van de vertalers, die zij al bij de vorige editie in praktijk brachten. Om een voorbeeld te geven: bij het Evangelie van Philippus (waaruit ik aan het eind van deze bespreking citeer) bieden de vertalers hun eigen indeling in perikopen maar geven dat ook duidelijk aan en merken dan op: “Iedere indeling is discutabel, ook de onze.” (313) Dat lijkt mij uiterst waardevol; zo kan er discussie op gang komen. Bij deze bespreking richt ik mij dus minder op de specialismen van de vertalers. Ik maak er vooral een dankbaar gebruik van, en zie nog geen aanleiding mijn grote waardering en respect daarvoor te verminderen.
Ook heb ik er geen behoefte aan de discussie over te doen over de erkenning van de onbetwistbaar voorname rol van de gnostiek en de Hermetica in de geschiedenis van het Westen, zowel binnen als buiten de instituten van de drie monotheïstische godsdiensten. Die fase begint – althans waar het de erkenning van het wetenschappelijke belang van de Nag Hammadigeschriften betreft – gelukkig achter ons te raken. Waarbij we wel mogen vermelden dat wij ons gelukkig mogen prijzen in ons land de grote geleerde Gilles Quispel te hebben, (ook) mijn promotor, die onder andere hiervan onvermoeibaar zijn levenswerk gemaakt heeft (zijn dissertatie verdedigde hij in 1943, zijn tot nu toe laatste publicatie, de hieronder genoemde commentaar op het Evangelie van Thomas, is gedateerd 2004!). Zijn bijdrage is moeilijk in woorden uit te drukken, en het zou de moeite waard zijn wanneer iemand eens al zijn publicaties op een rijtje zou zetten zodat nieuwe studenten van de schatten die er in verborgen liggen, een beter gebruik kunnen maken. (Terzijde: Zou een register van plaatsen en namen in zijn publicaties niet belangrijke invalshoeken bieden? Niet omdat iedere verwijzing bij voorbaat uniek is maar omdat deze geleerde met zijn sterke intuïtie en ijzeren geheugen zoveel meer zag dan vele anderen dat het heel wel mogelijk is dat nog niet alles wat hij zag voldoende verwerkt is. In het verleden was dat zeker niet het geval. Een projectsuggestie voor de Utrechtse faculteit waar hij werkte?) Ook het werk dat aan deze vertaling ten grondslag ligt, staat mee op de schouders van zijn werk. Daarnaast noem ik de bijzondere uitgeefprestatie van Ankh-Hermes dat zij dit grote project meer dan tien jaar geleden heeft aangedurfd, met een flink uitgeefrisico. De vruchten blijken nu tot grote rijping te komen, zoals gezegd zijn wij in een nieuwe fase beland van de erkenning en het gebruik van deze geschriften. Ik wens deze uitgave opnieuw veel succes. De vertalers hebben deze nieuwe editie zelf heel helder toegelicht in Ankh-Hermes Boekenkrant Nr. 32 (pp. 2v.) waaraan ik hierboven ook een aantal aanwijzingen ontleend heb.

2. Enkele punten in een bredere context:
a. Nieuwe tekstenvondsten
b. De historische Jezus en zijn beweging
c. De betekenis van deze uitgave
d. De man-vrouw-polariteit – en meer verhuld het non-dualisme – staat centraal in Westerse esoterische traditie
e. Aandacht nodig voor de materiële, sociologische omstandigheden van spirituele bewegingen
f. De samenhang van de materiële en de psychologische aspecten van Westerse spirituele bewegingen

a. Nieuwe tekstenvondsten
Voorlopig is er nog niet een nieuwe tekstenvondst van deze omvang die deze verzameling en de uitgave ervan kan evenaren. Wel zit de uitgave van vele Manicheese geschriften er aan te komen, en ook deze zullen onze visie op het christendom en zijn geschiedenis ingrijpend aanvullen (zie de uitgave Ketters en Katharen). Vele parallellen met de Nag Hammadi-geschriften zullen duidelijk worden. De visie op Jezus als wijsheidsleraar zal sterker naar voren komen. En ook liggen nog vele verwante Arabische geschriften met parallellen met hermetische geschriften – en zeer waarschijnlijk ook met geschriften van Nag Hammadi, kan nu toegevoegd worden – op uitgave te wachten (zie de lezing van H.J. Witteveen in: Valentinus, Inayat Khan en Hermes Trismegistus: Terug naar de Bron 2, p. 21v., onder verwijzing naar een in 1954 geciteerde bron). Ook zijn er veel verwante niet-Westerse geschriften van verwante aard, onder andere boeddhistische, die nog op publicatie en op verdere bekendwording in het Westen wachten om daar hun vruchtbare werking uit te oefenen. Een buitengewoon interessante “tussenvorm” tussen Oost en West wordt gevormd door de Chinese Jezussoetra’s uit de zevende tot elfde eeuw, rechtstreeks aan het toenmalige Chinese christendom ontleend! En als het waar is dat geen godsdienst denkbaar is zonder syncretisme, dan is het waardevol te bedenken dat beïnvloeding zowel van West naar Oost (in het geval van deze christelijke Chinese soetra’s) als omgekeerd van Oost naar West kan plaats vinden en dat beide ongetwijfeld zowel hebben plaats gevonden als op dit moment plaats vinden – vaak op onverwachte wijzen en plaatsen.

b. De historische Jezus en zijn beweging
Ondertussen blijft de queeste naar de historische Jezus en zijn boodschap intrigerend (zonder dat we hoeven te vervallen in de onnodige behoefte om ons eerst op historische zekerheden te baseren voordat we ons realiseren wat zich nu aan vragen en mogelijkheden aanbiedt en daarin onze weg zoeken en er mee aan het werk gaan). Hoe hebben de verschillende stromingen en opvattingen in het Jodendom in en buiten Palestina zich in de tijd van het hellenisme ontwikkeld? Hoe beïnvloedden Joodse en niet-Joodse stromingen en opvattingen elkaar daarbij? Welke plaats kunnen we daarbij toekennen aan de Essenen, aan Jezus, aan Paulus, aan de diverse groeperingen Joodse – deze zijn te lang onderschat en over het hoofd gezien – en niet-Joodse christenen, aan de Syrische christenen, aan de hermetische en gnostische en later ook aan de katholieke christenen, en aan mogelijke meng- en tussenvormen, ook met niet-Joodse en niet-christelijke groeperingen? Het is zeer waarschijnlijk dat de komende jaren ons beeld nog veel scherper gesteld kan worden, zie bijvoorbeeld de literatuurverwijzingen in Elaine Pagels’ nieuwe boek Ketters en rechtgelovigen. Op zijn minst kan gezegd worden dat de noodzaak van een nieuwe beeldvorming ons de laatste decennia bijna blijft overspoelen. Staat de directheid van onze mogelijke verlichting in het Thomasevangelie dichter bij Jezus’ oorspronkelijke visie dan de wat ingewikkelder weg via de gnostische voorstellingen van de weg terug? Of mogen we – of dat nu wel het geval is of niet – de gnostische weg toch zien als een verwijzing naar en verwoording van hetzelfde? En wat betekent een en ander voor de praktijk van het leven bij Jezus, bij Thomas en in de gnostische en ook de hermetische geschriften en groepen?

c. De betekenis van deze uitgave
Voorlopig is de betekenis van de voorliggende uitgave ook daarom groot, omdat de weerklank van de gnosis en van de hermetische inwijdingsweg zich niet tot de oude tijden beperkt maar ook nu groot is. De gnostici en hermetici, de inwijdingsscholen en zij die de ervaring en beleving van hun religie niet ondergeschikt maken aan een dogma, kunnen allen hun hart ophalen aan deze geschriften en hun diepe inhoud. Aan de betekenis ervan besteedden de vertalers op het Symposium bij de presentatie van deze editie op 31 november 2004, samen met professor Gilles Quispel en pastor Hans Stolp, in vier lezingen veel aandacht, inmiddels te vinden in het tijdschrift Prana 152, dec. 2005 / jan. 2006, met de titel Esoterisch christendom. Jacob Slavenburg gaf daarbij terecht aan dat het in deze geschriften om een universeel geloof gaat, en dat lijkt mij de invalshoek voor een vruchtbare ontwikkeling van gnosis in onze tijd. Boeddhisme en christendom, jodendom en islam kunnen allemaal ‘gelezen’ worden als afzonderlijke inspiratiebronnen die op verschillende wijze – juist in hun uniekheid – getuigen van en verwijzen naar het universele dat in ons eigen unieke leven van (hier en) nu tot uitdrukking komt. Iets anders hebben wij niet, is er niet en zijn wij niet! Zelfs de canonieke geschriften van jodendom en christendom en islam kunnen zo gelezen worden. De orthodoxe varianten van deze geloven zijn alleen ontstaan om het voor veel gewone mensen overzichtelijk te houden, uit bezorgdheid van leiders voor complexiteit en verwarring. Misschien was dat niet zo’n gekke bezorgdheid! Alleen – de rigide hantering van een geloofsleer in samenhang met autoritaire machtstructuren heeft niet bepaald positief uitgewerkt op het geestelijke klimaat binnen de sterk hiërarchische organisatiepatronen van de bijbehorende religieuze en maatschappelijke instellingen. Daarom is iedere impuls die ons aan onze vrijheid herinnert welkom (zie hiervoor ook de indringende inleiding in de gnosis van Bram Moerland). Om zelf te ervaren, onze eigen weg te leren gaan, zoals Gilles Quispel dat onder andere wetenschappelijk gedaan heeft, en zoals ook de beide andere sprekers, Willem Glaudemans en Hans Stolp, beeldend en welsprekend naar voren brachten. Maar – stel ik voor – altijd als verwijzing naar de universele betekenis van het particuliere, het bijzondere, het unieke. Dat voorkomt wellicht nieuwe verabsoluteringen. De laatste zijn misschien soms onvermijdelijk maar hoeven geen eindpunt te blijven. De ontwikkelingen gaan door.
Nog een zijdelingse opmerking (de aanleiding hiervan is een tv-uitzending van 6 november 2004 waarin de hoogleraar Herman Pleij een pleidooi voor Erasmus en zijn denkgoed hield; en waaraan ik gegevens over Erasmus in deze alinea ontleen). Velen die zich net als ik voor deze zaken interesseren, komen naar ik vermoed uit tradities waarin ‘geestelijke leiders’ een grote rol spelen, vaak in de zin dat zij in hun kring een groot gezag hebben waaraan niet gemakkelijk getornd kan worden. Juist omdat het bij de herontdekking van deze oude tradities van eenwording met onze oerbron, en van geestelijke groei, om vrijheid gaat, is het van het grootste belang de kansen op vrije groei niet teniet te doen door een klimaat waarin er opnieuw een kloof geschapen wordt tussen zij die het al weten en zij die het nog niet weten, net als tussen de theologen en de gewone gelovigen bij het ontstaan van het kerkelijke christendom. Geestelijk leiderschap en geestelijk gezag kunnen – in vrijheid – een geweldig kader en een geweldige impuls bieden voor geestelijke groei en verlichting – maar ze mogen die nooit in de weg staan, bijvoorbeeld door ze te verwarren met macht op andere gebieden. En daarom is het van het grootste belang een klimaat te ontwikkelen waarin veel gevraagd en gediscussieerd kan worden, zodat inzichten in vrijheid kunnen groeien. Tussen haakjes: wat heeft het niet een schijnheiligheid opgeleverd in Nederlandse groepen dat men voor het oog keurig in de pas loopt – sterker: onbesmettelijkheid voor het tegendeel ten toon spreidt – terwijl men innerlijk zijn zwakte toe moet geven (of nog erger: zich niet meer bewust is of wil zijn). Immers, niet wat een ander voor mij ontdekt heeft, telt (hoe ongelooflijk waardevol ook als inspiratie en voorbereiding en helpende kennis en opstap) maar alleen de liefde die aan ieder mens, hoe zwak ook, de volledige ruimte van een eigen weg laat en biedt. Waarbij we ook kunnen denken aan iemand als Erasmus, de beroemde Europese Nederlander, die dit benadrukt. Hij moet niets hebben van schijnheilige theologen die ingewikkelde praatjes houden – net zo onbegrijpelijk als de taal van een ongeschoolde arbeider soms is, zegt hij ergens in zijn Lof der Zotheid – maar hij werkt hard aan het vergroten van kennis, en de voorwaarden voor het vergroten van inzicht. (Ik ben geneigd te zeggen: inzicht in het volledige, het universele (ofwel verlichting), wordt niet alleen gevonden in het volmaakte, maar ook en juist in het gewone, het onvolmaakte, het tijdelijke, het tekort schietende.) Onafhankelijkheid, onbevangenheid, een open oog voor de werkelijkheid om ons heen zijn daarbij net zo belangrijk als wat we uit de traditie en de geschriften kunnen leren, uiteraard zonder de realiteit van onze uiterlijke afhankelijkheden uit het oog te verliezen. De gevaren van intolerantie en onveiligheid in de samenleving zijn groot, zoals Erasmus wist, maar die lossen we volgens hem niet op door ons in schijnheilige enclaves op te sluiten waar wij of onze leiders het beter weten dan anderen. Die sigalering is het die Erasmus zo groot en beroemd heeft gemaakt. Hij hield van het goede leven maar was ook voor soberheid in het publieke optreden en voor hard werken aan kleine stapjes om aan de vrede en de veiligheid en andere maatschappelijke problemen te werken – het overlegmodel (Of in onze woorden: het benoemen van zaken is de eerste voorwaarde voor een democratische samenleving.) Ik voeg toe: het spreekt vanzelf dat hierbij enige kennis van de eigen grenzen en beperkingen, een zekere zelfrelativering, geen kwaad kan … (Verder lijkt me, hoe zwak je misschien ook bent, het met geoorloofde middelen verdedigen van je hachje tegen gevaarlijke aanvallen op zijn tijd beter dan het zonder meer offeren van iedere kwaliteit waar je voor staat. Erasmus staat bekend als pacifist. Ik zou graag willen dat in het geval van levensbedreigende situaties het gebruik van beschermende en afwerende, misschien ook preventieve middelen bij wijze van levensverdediging meer kwaad vermindert dan het alleen toekeren van de andere wang, hoewel dat laatste spiritueel gesproken de enig juiste weg is in het geval van een niet levensbedreigend en misschien ook soms van een wel levensbedreigend conflict – want het gaat nu eenmaal om alle aspecten van een situatie samen, en die aspecten zijn wellicht te onderscheiden maar niet volledig te scheiden. Vergeet niet welke nasmaak het gebruik van middelen nalaat, waarmee een nieuwe keten van gevolgen kan worden ingeleid! ‘Hoe beperk je het kwaad zoveel mogelijk’ is immers een even belangrijk criterium als ‘hoe bevorder je het goede zoveel mogelijk’.) En hetzelfde geldt enige kennis van de grote, vanuit ons kleine perspectief oneindig grote, tegenstellingen in de werkelijkheid, waarvan een der grootste ‘leven en dood’ lijkt: als onze tegenstander zo met ons verweven is dat we aan hem of haar gelijk zijn in het opzicht dat we onophoudelijk in elkaar overgaan, dan hoeft angst niet onze raadgever te zijn, hoogstens de energiebron om (hier en) nu voluit te ademen, te leven, aanwezig te zijn. Zonder al te grote pretenties … Laten we niet in dwanggedrag vervallen.

d. De man-vrouw-polariteit – en meer verhuld het non-dualisme – staat centraal in Westerse esoterische traditie
Het is niet toevallig dat in onze Westerse esoterische traditie de polariteit – onderscheid én complementariteit – van man en vrouw centraal staat (zie bijvoorbeeld mijn stellingen bij een lezing). Iets waar bijvoorbeeld ook Hans Stolp zich goed van bewust is. Of zoals Gilles Quispel niet voor niets zijn recente Thomas-commentaar (Het Evangelie van Thomas, Amsterdam (In de Pelikaan) 2004) eindigt: “Het ideaal van de androgynie blijkt oeroud te zijn” (379). Ver voor in de geschiedenis van onze culturen patriarchale patronen en opvattingen de dominante werden, was de relatie van man en vrouw in verschillende vormen – ideologisch en maatschappelijk – een vooraanstaand cultureel en religieus ideaal, ook in Israël, ook in Egypte. Het geheim van alle dualismen, van alle polariteiten, is gelegen in hun eenheid. Ontwikkeling impliceert uittreden uit het veilige, onschuldige oerbegin. Zelfs verlies van bewustzijn: wanneer we ons hechten aan één kant, eenzijdig worden. Die eenzijdigheid of overdreven hechting, verabsolutering, kunnen we loslaten. En zo terugkeren tot de eenheid, nu al in principe, in ons bewustzijn dat zich afstemt op het geheel door in het specifieke het universele te zien, namelijk door de onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid van alles te zien, en ‘ooit’ door volledig op te gaan in het ene, te beginnen nu wanneer we ons openstellen voor alles en onze eerstvolgende kleine stap zetten (of nalaten). Dat relativeert ook de eenzijdigheden in onze opvattingen waaronder die welke we patriarchaal of matriarchaal kunnen noemen. We kunnen die eenzijdigheden in kaart pogen te brengen en ons ontwikkelen via onthechting en betrokkenheid. Zoals Jacob Boehme zei: “Voor wie tijd is als eeuwigheid, en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd.” Een nadere bestudering van vele implicaties van de androgynie, in het bijzonder de non-dualistische implicaties, kan ons helpen ook de verhouding tussen exoterische (zichzelf ‘orthodox’ noemende) en esoterische tradities beter te begrijpen en in kaart te brengen. Behalve dan dat de androgynie een prachtig perspectief biedt voor de spirituele ontwikkeling van mensen die al hun aspecten ontplooien daarbij hun tegendelen integrerend, ofwel de individuatie, zoals Jung omschrijft die het nodige van deze ‘alchemie’ begreep. En merkwaardigerwijze ook op tal van andere gebieden waar polariteit een rol speelt impulsen voor verstaan kan bieden, van de natuurwetenschap tot de biologie, van de maatschappijwetenschap tot de geschiedwetenschap, en zelfs de geesteswetenschappen waaronder de letterkunde en de filosofie, en de bestudering van de kunsten. In de bestudering van de verschillen tussen de geslachten, het onderzoek naar de biologische en taalkundige onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk ofwel ‘gender studies’ nemen de androgynie en haar historie een uiterst prominente plaats in. Evenals in het bieden van en zoeken naar rolmodellen voor vrouwen en mannen van zowel hetero- als homo-geaardheid, in de oneindig vele varianten die daar kennelijk mogelijk zijn (ook al zijn bepaalde de meest voorkomende). De weg naar de goddelijke eenheid gaat niet buiten (onze verhouding tot) onze geslachtelijke beleving om! Al was het maar omdat zelfs de negatie ervan, bijvoorbeeld in de asketische tradities van het Syrisch-christelijke enkratisme (enkrateia = onthouding) waar het Evangelie van Thomas naar gevormd is, zich er even goed op baseert als de beaming ervan in andere tradities die de geslachtelijkheid zo hoog waarderen dat zij het beschouwen als de hoogste omschrijving van het goddelijke en van onze eenwording ermee. Wij zijn zelf immers geschapen naar Gods beeld – als man en vrouw. Dat zegt veel over God en over onszelf. Dit geheim is bewaard, zij het soms onder lagen stof of anderszins verborgen, in de Westerse esoterische tradities, en in de Westerse mystiek. In de Joodse Tenach en Talmoed vinden we nog sporen van androgynie in het scheppingsverhaal, of van het Heilige Huwelijk dat in de omliggende culturen een rol speelde. In de oudere Joodse esoterie en in de Joodse Kabbala speelt de androgyne Adam een centrale rol. En om over te stappen naar de moderne tijd: androgynie is het centrale thema van de beroemde opera van Mozart, Die Zauberflöte. Het is wel belangrijk – zij terzijde opgemerkt – om de verschillende niveaus waarop de man-vrouwverhouding een rol speelt, niet door elkaar te halen maar te onderscheiden, ook al zijn de niveaus onderdeel van een groter geheel waar ze naar verwijzen.

e. Aandacht nodig voor de materiële, sociologische omstandigheden van spirituele bewegingen
Zeker in onze Westerse traditie is het de gewoonte geweest om het geestelijke en het lichamelijke sterk van elkaar te onderscheiden zo niet te scheiden. Daarmee gaat dan een hogere waardering van het geestelijke boven het lichamelijke of het materiële gepaard. De standaard visie van christenen op seksualiteit is daarvan een bekend en helder voorbeeld. Maar het heeft ook vaak betekend dat spiritualiteit los gezien werd van de omgeving waarin zij leefde. Sterker, zij werd gepresenteerd als middel om zich boven het aardse te verheffen, zich er aan te onttrekken. Dat heeft er bij historici van de spiritualiteit vaak toe geleid dat zij spirituele bewegingen vaak alleen bekeek op hun spirituele inhoud en op de ontplooiing van spirituele individuen, en weinig aandacht voor bijvoorbeeld de maatschappelijke omstandigheden waarin spiritualiteit bloeide of onderdook. Niettemin spelen deze laatste factoren een even grote rol bij spiritualiteit als bij andere culturele verschijningsvormen, zoals kunsten en letterkunde. Er is best het nodige te vinden over die maatschappelijke omstandigheden en over de maatschappelijke functie van spirituele bewegingen, neem bijvoorbeeld de invloed van middeleeuwse orden van christelijke geestelijken, de maatschappijkritische rol van vele oude Joodse profeten, de maatschappelijke functie van boeddhistische monniken en nonnen en zo voort. In dit verband mis ik tot nu toe vaak het sociologische aspect bij de historische situering van de oude gnostiek en Hermetica. Bijvoorbeeld is er heel wat onderzoek naar de sociologische aspecten van de Joden en christenen in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Maar over de maatschappelijke herkomst en functie van de gnostici en hermetici van de geschriften van Nag Hammadi vinden we nog niet al te veel. Twintig jaar geleden noemde men dit nog een raadsel. We weten dat er hermetische loges in Alexandrië geweest moeten zijn. Maar even goed als we ons interesseren in de maatschappelijke positie van de christenen in de eerste gemeenten in Turkije, Griekenland en Italië waaraan Paulus zijn brieven schrijft, is het belangrijk in kaart te brengen waar de gnostici en hermetici van toen sociologisch te vinden zijn. En te begrijpen waar hun spirituele opvattingen en ontwikkelingswegen maatschappelijk gezien mee corresponderen (wat niet hetzelfde is als ze er volledig uit verklaren). Want dat ze dat deden mogen we geheid aannemen. Ze kwamen niet van Mars maar leefden midden in grote en kleinere steden, en hun geschriften werden vermoedelijk ook in toenmalige ‘kloosters’ gelezen. Het beeld van die eeuwen zal nog veel aan helderheid en betekenis kunnen winnen als we de inhoudelijke ontwikkelingen en de maatschappelijke werkelijkheid samen in beeld brengen. Dat zal ons ook helpen om te laten zien welke maatschappelijke waarde de nu levende gnosis en Hermetica hebben en nog verder kunnen ontwikkelen. Zonder met onze voeten stevig in de klei te staan, zal het niet werkelijk lukken om te leren wat het is ‘met hogere werkelijkheden in contact te komen’ of werkelijk te ‘ontwaken’. Om met het Evangelie van Philippus te spreken: “Wees niet bang voor het vlees en heb het ook niet lief. Als je er bang voor bent zal het je de baas worden. Als je het liefhebt, zal het je verslinden en verlammen” (perikoop 51 in de indeling van Slavenburg / Glaudemans; 336). Het is goed om in de wereld terdege thuis te zijn, zonder angst je plaats in te nemen en je weg te gaan, voor ‘het vlees’ en de wereld te zorgen en ermee te genieten: maar zonder je er aan te hechten. Zie hiervoor opnieuw de lezing van Stolp, verschenen in het bovengenoemde nummer 152 van Prana, pp. 26-34.

f. De samenhang van de materiële en de psychologische aspecten van Westerse spirituele bewegingen
Hoe beter we de sociologische situering van spirituele bewegingen kennen, hoe meer begrip we kunnen ontwikkelen voor de spirituele kenmerken ervan. Wat duidelijk moge zijn: de alternatieve Westerse spirituele traditie bergt een spirituele psychologie in zich (vergelijk punt d) die vergelijkbaar is met de psychologie van het non-dualisme die we ook in Oosterse spirituele tradities aantreffen. We kunnen zelfs zeggen dat wanneer we de leer (dogma’s) van het christendom ontdoen van haar verabsolutering en haar dus niet-dualistisch ‘lezen’, we de waarde van de leer als een religieuze psychologie (die zij oorspronkelijk was, te weten hulpmiddel op een inwijdingsweg) herontdekken! Net als bijvoorbeeld in het Mahayan-boeddhisme van het Diamant soetra, wordt dan duidelijk dat bij iedere nieuwe fase van bewustwording de tot dan toe helpende leerstelling of het tot dan toe gebruikte onderricht verdwijnen mag en vervangen door de of het volgende die of dat van dienst kan zijn.

Kortom, deze fantastische uitgave is aanleiding tot en kan verder helpen op een inspirerende weg. Allereerst voor lezers die inspiratie zoeken, dan voor onderzoekers en ten slotte voor het brede publiek van geïnteresseerden in onze cultuur en haar ontwikkeling. Nieuwe bladzijden van die ontwikkeling liggen voor ons, als beeld van het verleden maar niet minder als inspiratie voor de toekomst. En dat via wat we nu ontdekken. Door ons zelf en onze omgeving serieus te nemen en de tekenen der tijden en de tekenen van onze beleving serieus te nemen – zonder er anderen mee lastig te vallen, liever hen van dienst te zijn. Een hele opgave maar ook een vreugde – die allen die aan deze uitgave gewerkt hebben nu aan ons voorleggen om erin te delen. Wanneer we ons in het heden volledig realiseren in eenheid met onze omgeving, vormen we het verleden en de toekomst mee om. Dat zal ook een nieuwe perspectieven op de geschriften van Nag Hammadi opleveren, waarbij we andere los kunnen laten. Ik wens deze uitgave een vruchtbare werking toe.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.