BK-Books.eu » Besprekingen » De ‘logische’ Jezus

Bespreking van...

J. Slavenburg, De ‘logische’ Jezus: Logos, Christusdimensie en de 21e eeuw: Een antwoord op kerk, bijbel en new age, Met een voorwoord van prof. Dr. C.J. den Heyer, [met uitvoerige noten, bronnenlijst en lijst van geraadpleegde literatuur], Deventer (Ankh-Hermes) 1999, 195 pp.
Idem, Opus Posthuum: Een onthullende blik op het vroegste christendom (30-70 n.Chr.), [met uitvoerige noten, bronnenlijst en lijst van geraadpleegde literatuur alsmede een register], Deventer (Ankh-Hermes) 2001, 203 pp.

De kern van deze informatieve en knap geschreven boeken is mijns inziens te halen uit wat de auteur over (en in) het tweede boek, Opus Posthuum, schrijft op bladzijde 55: “Dit is geen boek over het fascinerende joodse christendom, maar een onderzoek naar de wortels van een geloof.” Met andere woorden: de auteur is – binnen het kader van dit boek – niet primair geïnteresseerd in de bestudeerde en beschreven verschijnselen als zodanig maar omdat de verschijnselen hem iets te zeggen hebben over het christelijke geloof dat zich er op zegde te baseren. Vaak genoeg geeft de auteur er dan ook blijk van met veel plezier een bestaande visie op het ontstaan en de aard van dat geloof te kunnen corrigeren en te vervangen door een visie die beter met de feiten overeenstemt. Hij zegt daarbij met overtuiging geen theoloog te (willen) zijn maar historicus. Maar het lijkt mij duidelijk dat de auteur toch zijn persoonlijke geloofsinteresses niet geheel buiten haakjes heeft gezet; integendeel, zij zijn voor hem aanleiding om aan het einde van zijn historische uiteenzettingen met bouwstenen te komen voor een eigen visie, zij het vooral in de vorm van een historische reconstructie. Dat echter in die laatste vaak visies en vooronderstellingen verscholen liggen, zal iedere historicus beamen. En terwijl de auteur met zijn scherpe opzet en indeling het historische plaatje buitengewoon interessant in beeld weet te brengen, lijkt dezelfde opzet en indeling minder behulpzaam bij de gedeeltes waar hij met een eigen visie of reconstructie komt. Ik zou het prettiger hebben gevonden wanneer de auteur hier (laten we zeggen in het eerste boek, De ‘logische’ Jezus, omstreeks bladzijde 135) duidelijk had aangegeven dat hij van een meer deductief-beschrijvende methode overstapte op een meer persoonlijk speculatieve noot, waarmee zijn eigen keuzes en vooronderstellingen mogelijk beter ter discussie zouden zijn gesteld. Ik voeg daar haastig aan toe dat verspreid over de boeken een aantal interpretaties van bronnen of onderdelen daaruit voorkomen die ik steeds boeiend en vaak erg behulpzaam vind; ik ervaar alleen sommige aspecten van de grote lijnen soms als minder aansprekend omdat ik vermoed dat zij (nog) te gekunsteld zijn, meer opgelegd aan het materiaal dan eruit afgeleid (natuurlijk is een ervaring geen bewijs, een en ander zou verder nagegaan moeten worden). Zo blijft er voor mij toch een spanning voelbaar tussen de historische benadering en de spirituele of zo men wil theologische. Toegegeven: gezien de opgave die de auteur zich gesteld heeft, kan dat haast ook niet anders. Maar gezien de waarde die de auteur zegt te hechten aan het kernmateriaal, de woorden van Jezus, vind ik dat wel jammer. Deze woorden laten mijns inziens zelf niet veel ruimte voor vlakheid; zij vliegen er vol in, om zo te zeggen, en roepen een dynamiek op die je juist graag voor 100 % in hun juiste historische en wetenschappelijke kader – zonder teveel spanningen daarmee – tot hun recht zou zien komen. Het kan overigens niet ontkend worden dat de auteur ver in die richting komt vergeleken met wat we tot nu toe meestal te horen kregen.
Het waardevolle en knappe van deze boeken is onder meer dat zij een enorme hoeveelheid gegevens die over een grote hoeveelheid bronnen en studies verspreid waren, voor het Nederlandse publiek op heldere wijze presenteren. De presentatie is helder, de eraan voorafgegane leesarbeid moet gigantisch geweest zijn; en de combinatie is een grote prestatie. Door bovendien zijn bronnen aan te geven helpt de auteur ook degenen op weg die zelf verder willen zoeken en studeren. Natuurlijk is die presentatie enigszins selectief; dat kan niet anders bij zo’n grote hoeveelheid gegevens. Maar de boodschap is niet mis te verstaan: het gaat om gegevens die een verbijsterend nieuw licht werpen op de eerste religieuze bewegingen die door Jezus’ optreden en woorden geïnspireerd waren. Aan de verkondigde Jezus van latere christelijke bewegingen is de verkondiger Jezus voorafgegaan, en zijn woorden zijn er nog! In die woorden zijn duidelijk het streven naar bewustwording (verlichting, gnosis) en de bevrijding tot solidariteit aanwezig, beide gesymboliseerd in het Koninkrijk van God en in beelden van genezing en verlossing. De eerste door Jezus geïnspireerde bewegingen hielden zich op binnen en op de rand van het etnische Jodendom, zowel in Palestina – het moederland van Jezus – en de streken eromheen als in de diaspora, de zeer grote verspreiding van Joden over het Romeinse Rijk, en hun taal was niet alleen het Grieks dat in dat Rijk gesproken werd maar ook nog – of op sommige plaatsen uitsluitend – het Aramees. De verkondigde Jezus werd bovendien aanvankelijk niet gezien als Zoon van God vanaf zijn geboorte, maar als gewoon mens, die als Zoon van God aangenomen werd bij zijn doop in de Jordaan door de profeet Johannes (of volgens de apostel der heidenen, Paulus, ter gelegenheid van zijn opstanding). Men voelde zich onder andere actueel met hem verbonden door visioenen waarin hij optrad; het directe contact met God en met Christus – de naam die de verkondigde Jezus als nieuwe Godszoon kreeg – was heel belangrijk, evenals het besef van onderlinge gelijkheid, vrijheid van rang en stand, en dus van een nieuwe gemeenschapszin. Van een kerkenverband of van een belangrijke invloed op de hele maatschappij of cultuur was in de verste verte nog geen sprake; men was gewoon Jood, of Joods onderdaan van het Romeinse Rijk, of niet-Joods onderdaan ervan, maar wel bovendien lid van deze enthousiaste en enthousiasmerende beweging en geïnspireerd door de nog vaak zeer uiteenlopende nieuwe vormen en uitleggingen van de Joodse traditie(s) en geschriften die erin vigeerden. Jezus en Paulus zagen zich als vernieuwers van en binnen deze Joodse traditie, en niet als los ervan. De ontwikkeling van een deel van deze bewegingen tot een staatskerk enkele eeuwen later en tot de maatschappelijke en culturele hoofdstroom is een verhaal apart. Dit alles binnen de context van de verschillende Joodse en christelijke (christelijk-joodse!) bewegingen van enkele eeuwen voor tot enkele eeuwen na het begin van onze jaartelling in hun aanpassing aan (tot en met de sterke relativering van het etnisch-Joodse element) en verzet tegen de hellenistische cultuur die hen omringde en doordrenkte (tot en met de afwijzing van onder meer de filosofische en speciaal de christelijke tradities die dit representeerden). En dit weer binnen de ruimere context van dit hellenisme met zijn gevarieerde mysteriereligies en enorme politieke, maatschappelijke en culturele verschuivingen. Overigens citeer ik hier graag uit mijn bespreking van het boek Mystagogie van Tjeu van den Berk waarin gesteld wordt dat “het christendom in wezen een inwijdingsreligie was en is (net als de andere hellenistische mysteriegodsdiensten). Terwijl de meeste christelijke theologen om het hardst hebben bestreden dat gnosis centraal stond in het oudste christendom, of dat de psychologie van Jung en de New-Agebeweging elementen hebben die in de kerken ten onrechte te lang verwaarloosd zijn maar daar wel degelijk in thuis horen, komt hier een zeer deskundig christelijk theoloog met de zeer onderbouwde mening dat de christelijke religie juist het symbolische bewustzijn als kernfunctie heeft, dat wedergeboorte en gnosis altijd centraal zijn geweest, en dat het mystagogisch model van de kerkvaders nog steeds helemaal levensvatbaar is. Geen speld tussen te krijgen.”
Het is dus belangrijk om die verdere studie niet na te laten: ook deze nieuwe boeken van Jacob Slavenburg zijn nog slechts tussenstappen (al kunnen zij hier en daar met reuzenschreden vergeleken worden) op de weg naar een vollediger overzicht van de bronnen en naar een betrouwbaarder interpretatie ervan in de richting van wat er historisch gebeurd is. Ook al omdat naar de gegevens op meerdere wijzen gekeken kan worden, ook met andere ogen dan die – zoals hierboven aangegeven – van de auteur zelf. Er zijn nu eenmaal interessante parallellen te trekken, zonder dat zou de impact van religieuze symbolen veel geringer zijn! De auteur noemt zelf al de parallel met Boeddha. En laten we ook niet vergeten dat het materiaal waar deze boeken over schrijven, niet het exclusieve bezit is van christenen of westerlingen maar van heel de mensheid.
Enerzijds is in deze boeken dus een schat aan nieuw en uiterst waardevol materiaal te vinden, anderzijds is de presentatie ervan in deze boeken nog voorlopig omdat het materiaal zo rijk is dat het in allerlei richtingen tot nieuwe en waardevolle inspiraties en interpretaties kan leiden die in deze boeken vast nog niet allemaal uitgeput zijn. Uit deze boeken kan echter een goede indruk van het belang ervan verkregen worden, en voor de rest is de basis gelegd voor verder werk van alle lezers en andere studenten van het materiaal.
Ik hoop wel dat de tijd nog eens zal aanbreken dat we goede, toegankelijke geschiedschrijving over de religieuze ontwikkelingen in de context van het hellenisme (de cultuur van het Romeinse Rijk) omstreeks het begin van onze jaartelling krijgen die niet meer (noodgedwongen) in het teken staat van de (onvermijdelijke) correctie van latere beelden maar zich uitsluitend baseert op vergelijking met oudere en contemporaine gegevens. Onderdeel daarvan zou bij voorkeur ook moeten zijn een geschiedenis van de beelden die gebruikt worden voor God, voor de Heilige Geest, voor Jezus, zoals Vader-Moeder, Mens, Wijsheid, Logos, Messias, Christus enzovoort; waar die beelden vandaan komen en hoe zij gebruikt zijn en wat zij in verschillende contexten betekenen. De omschrijving als Logos en als Wijsheid ofwel Sophia getuigt bijvoorbeeld van de behoefte om Jezus een hoge status te geven waarbij men zich aanpaste aan de verschillende omgevingen waarin die beelden belangrijk waren. Mijn hoop op een dergelijke geschiedschrijving wordt door deze boeken versterkt (zie ook mijn bespreking van enkele boeken van Elaine Pagels).
Ik kan het ook niet anders dan als een grote verdienste van deze boeken zien dat zij hier en daar wellicht op ondergeschikte punten een juistere formulering hadden kunnen krijgen (iets wat gezien de enorme hoeveelheid materiaal en de onderlinge relaties ervan en de noodzakelijke correcties van eerdere visies erop niet hoeft te verbazen) maar dat zij erin geslaagd zijn vrijwel steeds een nuchtere, min of meer acceptabele voorstelling van zaken te geven of althans ter discussie te stellen. Ook al konden deze boeken natuurlijk niet een specifieke geschiedenis van de Joodse cultuur en religie in het hellenisme of ruimer van alle religies in het hellenisme zijn, voor veel vraagstukken begint een juiste probleemstelling toch in zicht te komen. De auteur verwijst zelf (onder veel meer) naar boeken van de Nederlandse hoogleraar Den Heyer en naar de in het Nederlands vertaalde boeken van de Amerikaanse hoogleraren Mack en Borg; deze vertaalde boeken – op zichzelf ook nog slechts tussenstappen op de gewenste weg – ken ik en waardeer ik zeer.
Een van de punten waarvoor ik aandacht vraag, is het gebruik van de termen gnosis en gnostiek (in navolging van K. Rudolph, vergelijk De ‘logische’ Jezus, 120v.) en het bijvoeglijke naamwoord gnostisch bij beide termen. Ik beschouw het gebruik van de term gnostiek specifiek voor de gnostische bewegingen van de tweede tot de vierde eeuw als verwarrend omdat er een impliciet negatieve waardering in verscholen kan zitten. Het lijkt mij beter om bij iedere vorm van gnosis te omschrijven welke kenmerken en kwaliteiten de betreffende vorm heeft, en geen enkele (aparte) vorm of groep van gnostische bewegingen specifiek “gnostiek” te noemen zoals nu nog gebeurt. Ik zou gnosis dus gebruiken voor ‘(religieuze) kennis’ en gnostiek voor ‘gnostische bewegingen of tradities (in het algemeen zowel als in het bijzonder)’.
Een ander punt is de aandacht voor de maatschappelijke, politieke en culturele context. En daarmee samenhangend voor rituelen en gebruiken, zowel meer alledaags als meer symbolisch. Door deze zaken explicieter in het onderzoek te betrekken lopen wij minder het gevaar geloof en religie te reduceren tot de innerlijkheid die zij immers ook nooit uitsluitend zijn: zij staan altijd in die context en vinden ook altijd hun uitdrukking daarin. Daarom is het leerzaam om die context er ten volle bij te betrekken – onder andere sociologisch en antropologisch – en het onderscheid tussen een ‘theologie’ (Opus posthuum, 58) en ‘verspreide berichten’ over opmerkelijke zaken die juist deze context betreffen (idem, 58v.) niet te groot te maken. Geloof heeft nu eenmaal altijd alles te maken met de wereld waarin men leeft en met hoe men in die wereld leeft; voor gnosis of verlichting geldt dat niet minder, als ik het goed heb. En als het zo is, dan zou dat ook uit de bestudering ervan moeten blijken. Voor de auteur is vrede in de eerste plaats iets van het bewustzijn en het hart (De ‘logische’ Jezus, bijvoorbeeld 144). Dat sluit mijns inziens echter niet uit dat over hoe de mens met dat bewustzijn en dat hart in de wereld staat, veel te zeggen valt. En dat geldt ook voor historisch onderzoek. Als ik inzake vrede een wens mag doen: vrede overal; maar of ons dat gegeven is … ? Het lijkt me een ernstig spel dat onze volle inzet vraagt.
De auteur heeft mij dus behalve een rijk boek over een fascinerend onderwerp – dat inderdaad verder reikt dan ‘de wortels van een geloof’ – ook de herinnering aan een fascinerende menselijke en maatschappelijke, zelfs kosmische opdracht gegeven: ontwaak en wees verbonden met jezelf, alle mensen, alle levende wezens en de hele kosmos waarvan je een levend deel bent dat zich al levend – in verhouding tot dat geheel – realiseert. Dat deel ik hierbij met u, met speciale dank aan de auteur van deze en andere en nog andere waardevolle boeken.
Voor informatie over de historische Jezus en het beeld van hem in het Evangelie van Thomas verwijs ik nu ook naar mijn hier te vinden lezing daarover.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens, en studeerde vanaf 1965 in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en een inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en buiten alle tegenstellingen", te verschijnen in 2020.