BK-Books.eu » Besprekingen » De Keulse Mani-Codex

Bespreking van...

De Keulse Mani-Codex: [Over het ontstaan van zijn lichaam: ]Vertaald, ingeleid en toegelicht door Johannes van Oort en Gilles Quispel, [met register van personen, ]Amsterdam (In de Pelikaan) 2005, 247pp.

Voor historici en geïnteresseerden in Mani en het manicheïsme, Jodendom, christendom en islam is deze uitgave een verbluffende leeservaring. Net als de vele andere vondsten van oude geschriften in de vorige eeuw blijkt de vondst van dit boekje, het kleinste ter wereld wat betreft de grootte van de pagina’s, een nieuw licht te werpen op de geschiedenis. Daarover hieronder meer. Weliswaar gaat het in de hier geboden vertaling alleen nog maar om één van de nieuwere gevonden teksten over het manicheïsme, andere wachten nog op uitgave en vertaling. Maar dit geschrift over het leven van Mani en de stichting van zijn religie maakt al veel duidelijk. Bovendien wordt deze Nederlandse vertaling niet alleen voorzien van uitgebreide noten (waarover later meer) maar ook van een algemene inleiding in Mani en het manicheïsme die een completer beeld verschaft. Geen bibliotheek en geen lezer die van algemeen belangwekkende historische zaken op de hoogte wil zijn, mag deze informatie, dus dit boek, ontberen.
Eerst geef ik een kort overzicht van deze uitgave die voorbeeldig is verzorgd, met prachtige illustraties, en een mooie bladspiegel en letter, en een zeer mooie band. Ik meld hier direct maar de kleinigheid dat op p. 223 aantekening 6 lijkt te ontbreken die wel op p. 222 is aangekondigd. Of had die aankondiging een (5) moeten zijn in plaats van een (6)? Ook op andere plaatsen komen immers meer verwijzingen met hetzelfde nummer voor, namelijk naar één aantekening. Of had de (6) slechts een verwijzing moeten zijn naar een eerdere aantekening over ‘vrede’ (die van p.261)? In de volgende druk zullen we het ongetwijfeld weten. Bekend is dat de strijd tussen licht en duisternis volgens Mani eindigt in eeuwige vrede, de overwinning van de Vorst van het lichtrijk, waarin alle verlosten die de Gnosis ontvangen hebben, zullen delen.

In het Ten Geleide laat Joost Ritman een aantal treffende aspecten zien van wat hij als de grote lijn en betekenis van deze uitgave beschouwt, in brede context. Als gebruikelijk weet hij daarbij treffende verbanden en citaten naar voren te brengen. Ik noem één enkele omdat ik daar later op terug wil komen.
Hij legt de nadruk op het overstijgen van het dualisme (binnen de totale kosmos) waarvan hij het absolute karakter bij Mani erkent (9). Hij beklemtoont dat de ervaring van het dualisme binnen de schepping niet verabsoluteerd mag – of hoeft – te worden (11). Over een deel van die werkelijkheid, namelijk de menselijke aanwezigheid op aarde, schrijft Ritman dat het “een onophoudelijk scheppingsproces is”. Dat stelt hij tegenover het toepassen van een “eeuwigdurend principe van scheiding” dat hij aantreft bij kerkelijk-dogmatische tegenstanders van de Gnosis (11). Elk dualisme kan zijns inzien herleid worden tot de mens, in wie het ook weer opgelost moet worden (9).
Omdat er over dualisme veel misverstanden zijn, haal ik dit aspect apart naar voren. De term dualisme wordt in de karakterisering van godsdiensten door Westerse auteurs vaak gebruikt om verabsoluteringen aan te wijzen waaraan men de beperktheid van die godsdienst of bepaalde aspecten ervan (dan meestal mythologische) wil illustreren. Aan de term zitten echter veel meer aspecten waarop ik graag ook eens de aandacht vestig. Zie het P.S. bij deze bespreking. Een aantal van de auteurs waar Ritman naar verwijst – Blavatsky, van Rijckenborg – voelden die aspecten mijns inziens goed aan, en ook dat wij Westerlingen op die punten wat konden leren van de Oosterse manier van omgaan ermee en denken erover.
Nieuwe aandacht daarvoor gaat wellicht goed samen met of past zelfs uitstekend in de door Ritman hartstochtelijk bepleite, en door hem nu al decennialang grandioos bevorderde, nadere aandacht voor de bronnen van de hermetisch-christelijke Gnosis (12). Daaraan draagt deze publicatie – een juweel dat, mits de inhoud daartoe in deze vorm voldoende rijp is (iets wat de auteurs vermoedelijk zelf het beste kunnen beoordelen), een goede vertaling en uitgave in het Engels verdient – zeker bij.

Het historische belang – want enorme context en impact – van het manicheïsme wordt vervolgens duidelijk uit de duizelingwekkende ‘Chronologische tabel’ op de pagina’s 17vv.

En dan volgen de twee hoofddelen van dit boek, de inleiding en de vertaling.
Het algemene deel over Mani en het manicheïsme omvat niet minder dan 57 pagina’s (25-81). Dat betekent dat we hier een eerste volledige inleiding hebben die alle relevante feiten en inzichten uit de recente studies over het manicheïsme verwerkt. Dat is uiterst waardevol omdat we die tot nu toe in Nederland niet hadden (zie overigens ook een recent nummer van Prana met enkele interessante artikelen, waarin ook de meeste recente Nederlandse literatuur over dit onderwerp genoemd wordt). Er blijkt ook uit dat de verdere studie een grote achtergrondkennis vereist. Geschriften van en over Mani zijn verschenen in vele talen, waaronder niet weinig Semitische (waaronder Aramees en Syrisch) en Oost-Aziatische (waaronder Chinees), en sommige moesten uit vreemde talen terugvertaald worden naar de oorspronkelijke taal om ze te begrijpen. Ook blijken grote verwantschappen te bestaan met andere stromingen in het vroege christendom, zowel Joodse als niet-Joodse, zowel asketische en gnostische als meer centraliserende ‘orthodoxe’. Stromingen die zelf ook weer een grote deskundigheid vragen bij het bestuderen, vanwege de vele talen en de enorme culturele context. Maar het beeld wordt nu al veel duidelijker. De inleiding slaagt er dat beeld als het ware van binnen uit te schetsen, als een wereldreligie in opkomst door de activiteiten van Mani, na ongeveer acht eeuwen weer van de kaart verdwenen. Met een indrukwekkende en tamelijk complexe mythe, met een duidelijke organisatie, leefregels en maatschappelijke opstelling. Ongetwijfeld kan dit beeld in de toekomst nog uitgebreid en scherper gesteld worden, zoals gezegd wordt, maar dit is een betrouwbaar uitgangspunt voor iedere in Mani en het manicheïsme geïnteresseerde. En uiterst boeiend, want naar deze soms indrukwekkende informatie zullen net als ik toch velen hebben uitgezien die altijd al meer van het fascinerende onderwerp hadden willen weten. Hoewel naar vele manicheese teksten wordt verwezen, noem ik hier speciaal de indrukwekkende liedcultuur van deze religie, waarvan ook in het Nederlands al een indruk te krijgen is.

Dan volgt de aparte inleiding op de Keulse Mani-Codex zelf. De eigenlijke titel van het geschrift is: ‘Over het ontstaan van zijn lichaam’, wat niet alleen slaat op Mani zelf maar vooral op wat door zijn activiteiten ontstond, de Manicheese ‘wereldreligie’. Ook deze inleiding van 22 pagina’s – inclusief een literatuurlijst van 7 pagina’s – is uiterst informatief en belangrijk. Jammer dat de literatuurlijst niet iets uitgebreider geannoteerd is. Hoewel we de lijst van manicheese geschriften uit de inleiding er naast kunnen leggen en iets uit de titels van de werken af kunnen leiden, is nauwelijks duidelijk waar je voor bepaalde zaken beter terecht kunt, waar voor andere en waar je beter op toekomstige kunt wachten. Maar ik vermoed ook dat dit door het bijhouden van de toekomstige literatuur – dat is alleen niet iedereen gegeven – duidelijker kan worden. Hoe dan ook, voor de bestaande literatuur blijft dit mijn wens.
Vervolgens de tekst (alleen de oorspronkelijke bladen 1-145 want 146-192 zijn te gehavend om zinvol te vertalen) en de aantekeningen bij de tekst. Samen nog eens 139 pagina’s. Uit dit geschrift komt naar voren hoe Mani – het is dan nog amper tweehonderd jaar na de dood van Jezus! – opgroeide in de kring van Joods-christelijke dopers, de Elkesaïeten, en na openbaringen te hebben ontvangen zich zijn roeping bewust werd, zich losmaakte uit deze groepering en zijn boodschap ging verkondigen in vele streken.
De hoeveelheid uitleg die aan de tekst wordt toegevoegd is indrukwekkend. Indrukwekkend omdat zij zo rijk is. Zij verheldert de tekst, zij verheldert de situaties waarin de tekst gesproken is, wat ermee bedoeld wordt. Vooral ook door vele associaties met verwante teksten en voorstellingen uit tradities die Mani en zijn leerlingen kennelijk kenden, of die er een licht op werpen. Dat zijn onder andere de geschriften op naam van Paulus en teksten uit de evangeliën waaronder het Evangelie van Thomas. En ook vele Joodse geschriften van omstreeks het begin van onze jaartelling over spirituele helden die beleefden dat ze opvoeren ten hemel en daar een kijkje mochten nemen, bekend als Apokalypsen en ook bekend onder de naam Troonwagenmystiek. En door het gebruik van een taal die soms doet denken aan oudere Joodse geschriften (zoals die uit de Bijbel) of aan de Dode-Zeerollen, dan weer aan de geschriften en opvattingen uit de Syrische Joods-christelijke tradities waaronder ook het Evangelie van Thomas. Die combineerden een sterk asketische inslag – nauwelijks bezit en afzien van geslachtsgemeenschap; geen rijkdom verzamelen of handel drijven – en hoge achting voor het rondzwerven om de boodschap te verkondigen. Zij huldigden het ideaal van de ‘eenling’ (Grieks: monnik) die in zichzelf eenheid bewerkstelligt door uit de onbewuste en bezoedelde staat in de wereld terug te keren en weer een te worden met de smetteloze Bron waarvan men het beeld in zich draagt. Er waren in die tijd nog vele soorten Joodse christenen die zich trouw aan de traditionele Joodse wetten en gebruiken hielden, bijvoorbeeld de Joodse – Aramees of Syrisch sprekende – christenen in Jeruzalem en andere steden in het Midden-Oosten. Die zagen in Griekse invloeden vaak een gevaar, wellicht van luxe en decadentie. Maar ook waren er stromingen die zich voorzichtig aanpasten aan andere denkbeelden zoals de sterk opbloeiende askese of Grieks-filosofische denkbeelden of voorstellingen uit omliggende landen en uit de mysteriereligies. Of een mengsel daarvan zoals Paulus met zijn niet-wettische interpretatie van het Jodendom en weer heel anders de gnostici met hun geheel eigen gebruik en interpretatie van Joodse mythen. Zo zijn er in de aantekeningen vele verhelderende opmerkingen te vinden, die een grote kennis van de leefwereld en de culturen van die oude tijden en die streken verraden en deze tekst in een helder perspectief zetten. Ook inzichten die men elders niet zo scherp geformuleerd ziet, al is het opvallend dat de intrigerende vertaling van Romeinen 15 vs 25 (op p. 211) bij mijn weten eerder nog niet zo naar voren is gebracht . Ook al klopt deze vertaling niet in letterlijke zin, inhoudelijk zou deze vertaling wel eens de spijker op de kop kunnen slaan!.

Ten slotte is een handig register van persoonsnamen toegevoegd, helaas niet van begrippen.

Wat leren we hier nu uit?
Mani was een gnosticus, iemand die zich geroepen voelde uit te dragen dat de verwantschap van de mens met God de Vader een onderdeel is van de strijd tussen de krachten van het licht en die van de duisternis. Waarbij de mens nog de resten van het licht waartoe hij in wezen behoort herbergt, evenals de aarde, lichtresten die uiteindelijk teruggevoerd zullen moeten worden naar het lichtrijk. Daar komt de verlossing van de mens op neer: zich in bewustzijn en gedrag richten op en naar het licht dat hem en alle verschijnselen in de kosmos geschonken is. Terugkeer tot de Oorsprong. Na de overwinning van het lichtrijk zal een kluit overblijven met de resten van de materie, het machteloos geworden kwaad en de wezens die niet meer tot het lichtrijk mogen toetreden. Dit omdat zij zich er te ver van verwijderd hebben (verachting van de gnosis van Mani, zonde tegen de Heilige Geest), ook al hebben zij wellicht nog een heel klein restje licht in zich. Het manicheïsme ziet in de materie en het lichaam herbergen van het licht, en om die reden zijn zij huiverig om planten af te snijden, de grond te bewerken en dergelijke. En het licht staat voor het hoogste, voor Jezus en diens Vader. Wat christenen beleven in het brood van de eucharistie beleven de manicheeërs in elk lichaam en elk stukje materie! Het spreekt dan ook vanzelf dat manicheeërs absoluut geweldloosheid voorstonden, en vegetariërs waren. Dat zij toch in de realiteit moesten staan, betekende vervolgens wel dat zij net als boeddhisten anderen nodig hadden om sommige praktische zaken te regelen. De ‘uitverkorenen’ (in het boeddhisme de monniken) mochten niet aan bepaalde maatschappelijke verplichtingen voldoen, zoals vlees eten of het land bewerken. Maar de ‘toehoorders'(in het boeddhisme de leken) zorgden daar dan voor en verschaften aan de eersten voedsel.
Duidelijk wordt uit de doeken gedaan dat Mani voortdurend openbaringen kreeg van zijn hemelse evenbeeld, zijn Tweeling, een rol die ook in andere tradities voorkomt, waarschijnlijk ook later bij Mohammed. En dat er een strakke organisatie was op basis van hiërarchisch geordende functies. Dat maakte het vervolgens weer mogelijk om aandacht te besteden aan verkondiging naar binnen en naar buiten. En aan voor iedere Manicheeër indrukwekkende liturgische bijeenkomsten en feesten, aan kunstzinnige activiteiten en het overschrijven van teksten en illustreren van boeken en ruimten.
Een interessante gedachte is dat de Elkesaïeten en de Qumran-gemeenschap mogelijk aan Mani het voorbeeld geleverd hebben voor de eerste kloosters. Die zou hij vele in Egypte hebben laten stichten door zijn leerling Addai – en dat een halve eeuw voor Pachomius zijn beroemde kloosterstichting begon die zogenaamd de eerste was.

Uit dit alles komt naar voren dat het manicheïsme sterk gestempeld is door het Joodse christendom. En dat dit een veel belangrijker plaats in de ontwikkeling van het christendom heeft ingenomen – op zijn minst in de eerste eeuwen – dan tot dusverre werd aangenomen. Duidelijk is tegen deze achtergrond dat de nieuwtestamentische evangeliën sterk “heidenschristelijk” – dat wil zeggen qua culturele oriëntatie niet etnisch-Joods maar hellenistisch en qua taal niet semitisch maar Grieks – gemodelleerde versies zijn van het leven van Jezus, van zijn boodschap en van de betekenis van beide. Ook al laten de auteurs in de aantekeningen zien dat vele zaken in de evangeliën en in het hele Nieuwe Testament beter vanuit de Joodse achtergrond bekeken kunnen worden, zoals de eindspreuk van het Onze Vader. En dat er daarnaast ook andere versies bestonden en een grote plaats innamen zoals de enkratitische (asketische) van het Evangelie van Thomas en van de Syrische kerk, of de gnostische van diverse groepen in onder andere Alexandrië en Rome. Dit alles relativeert het geschiedbeeld dat de overwinnende (Westers-)christelijke stroming van de eerste eeuwen neerzette. Deze ‘katholieke’ ofwel algemeen-‘orthodoxe’ stroming verklaarde zichzelf tot ‘recht in de leer’ en alle anderen tot ketters en vernietigde hun geschriften. En zij zette zich zowel af tegen de Joden die niet Jezus volgden als tegen de Joden die dat wel deden!
Daar komt nog iets belangrijks bij. Nu het belang van de Joods-christelijke stromingen duidelijker wordt en van de cruciale achtergrond die zij vormen voor de manicheeërs, wordt ook duidelijk dat hetzelfde – zij het in mindere mate – geldt voor Mohammed en zijn islam. In het manicheïsme leefde het Joodse christendom nog voort tot de tiende eeuw. Maar in de zesde eeuw stichtte Mohammed zijn islam met een openbaringskracht en een fanatisme die veel christelijke en manicheese gebieden overspoelden en er tegelijkertijd ook het nodige aan dankten. Want ook Mohammed zag zich – als ontvanger van openbaringen van zijn ‘engel’ – in dezelfde lijn van de profeten als Mani, inclusief Jezus. De manicheeërs verstonden zich zelfs als christenen, althans beschouwden Jezus naast Mani als een centrale figuur en zijn geheel gedrenkt in Joods-christelijke tradities.
Als we een spectrum maken van deze verwante godsdiensten met aan de ene kant de meest Joodse of Oosterse (in de zin van Semitische, niet-gehelleniseerde) en aan de andere kant de meest gehelleniseerde ofwel verwesterde ‘gemoderniseerde’ vormen, dan krijg je achter elkaar wellicht zo iets als: vroege Jodendom, Joodse christendom, rabbijnse Jodendom, vroege “niet-Joodse” Jodendom, manicheïsme, islam, vroege “niet-Joodse” christendom, latere orthodoxe ofwel katholieke christendom. (N.B. Dit is dus geen indeling op basis van historische beïnvloeding of tijdsvolgorde!) Er is dus alle aanleiding om vroege en latere Jodendom, vroege en latere christendom, manicheïsme en vroege en latere islam met elkaar te vergelijken, niet alleen op het punt van askese maar op alle punten. Zoals boodschap, rol van openbaringen, mate en karakter van missie naar vreemden dan wel van openheid naar vreemden. Voorts rituelen, mythen, verhouding tot de maatschappij en de politiek, elitaire of volksreligie, strengheid of losheid van organisatie, geschriften, verbinding met het dagelijkse leven. Of zoals in de aantekening op bladzijde 241 impliciet geformuleerd wordt: hoe zij streefden naar het ideaal van de bevrijding van het menszijn, aan het menszijn op een vrije, bevrijde en bevrijdende wijze. En wellicht ook hoe zij dat soms in mindere, soms in meerdere mate deden. Zodat we ervan kunnen leren. Is de reden dat de christelijke gnostiek en later het manicheïsme ondergronds raakten misschien dat zij afzagen van geweld, wat ik waarschijnlijk acht, of ook dat zij politiek en maatschappelijk naïef waren – mogelijk door zich een onkwetsbare spirituele elite te voelen maar misschien gewoon omdat zij spirituele waarden belangrijker vonden dan zelfhandhaving zoals ook Jezus duidelijk leerde?

Samenvattend is dit een erg belangrijke, informatieve uitgave. Die illustreert wat er nog aan inzicht gewonnen kan worden voor de nijvere student en onderzoeker in de geschiedenis van de religies en de spiritualiteit. De nadruk ligt op het geven van een historisch accuraat beeld van het manicheïsme en het milieu waaruit het voortkwam. Bijvoorbeeld belangrijke voorstellingen of begrippen zoals ‘engel’, ‘geest’, ‘ziel’, ‘koninkrijk’, ‘kracht’, ‘heerlijkheid of: lichtgestalte van God’, ‘oermens’, ‘lichaam’, ‘wijsheid’ en ‘(eeuwige) rust’ passeren de revue en zo wordt de betekenis ervan zowel in gnostische geschirften als in nieuwtestamentische als in vele andere duidelijk. Nog duidelijker dan in eerdere publicaties omdat nu nog meer bekend is en meer verbanden bepaalde betekenissen ondersteunen. Hans van Oort en Gilles Quispel hebben gesteund door de uitgever een unieke informatiebron voortgebracht. Het spirituele inzicht van de laatste, zijn diepe kennis van wat mensen beweegt en zijn brede kennis van hoe mensen dat hebben beleefd en opgeschreven, zal niet gauw in deze rijke mate te evenaren zijn. Alleen al de talen en teksten, ook van dichters en filosofen en theologen door de eeuwen heen, waarin hij thuis is! De combinatie met de kennis en heldere uitleg van de eerste heeft geleid tot een mijns inziens qua kernachtigheid en overzichtelijkheid voorlopig niet te overtreffen uitgave, tevens uitnodiging voor verdere studies over deelthema’s, zoals de verlossing van het licht en de betekenis daarvan voor het dagelijkse leven en de omgang met de onze lichamen en de natuur. Een pronkstuk bovendien in iedere boekenkast.

P.S.

Bescheiden excursie naar aanleiding van het gebruik van de term dualisme

Zoals ieder ‘isme’ geeft het woord dualisme een verabsolutering aan. Ik maak zelf graag onderscheid tussen polariteit (of dualiteit) en dualisme: in het eerste is de tegenstelling niet, in het tweede wel onoverbrugbaar geworden (of wordt als zodanig beschouwd omdat men haar verabsoluteert). Vervolgens zijn er dan polariteiten of dualiteiten, dus ook dualismen, op verschillende gebieden.
Om te beginnen is er de inherente dualiteit van iedere taaluiting: het is zelf een (of: iets in de) werkelijkheid maar verwijst ook naar een (of: iets in de) werkelijkheid. Vervolgens deelt de taal alles in in polariteiten: tussen dat wat het werkelijk aanduidt en dat wat het juist niet aanduidt ofwel wat aan het aangeduide tegengesteld is. Dit kan gaan om tegengestelde verschijnselen of tegengestelde eigenschappen van verschijnselen. Voor al die verschillen gebruiken we woorden, meestal tegengestelde woordparen (soms in veel varianten, met nuanceringen enzovoort). Het beoordeelde (het object) wordt onderscheiden van iets anders, een ander object (dat wat het niet is) al dan niet middels een verschillende eigenschap van beide. Maar sommige Oosterse filosofieën beklemtonen dat dit onderscheid pas mogelijk is omdat de oordelende persoon of liever diens oordelende geest (het subject) een afstand schept tussen zichzelf en de objecten. Van die afstand is de taal het bewijs of de getuige. Daarom is het belangrijk in te zien dat elke taaluiting – ook deze! – door deze wetenschap over zichzelf gerelativeerd wordt. Taal dient bewust gebruikt te worden, anders is het een scherm dat mensen van elkaar afhoudt in plaats van dichter bij elkaar brengt. Deze laatste constatering brengt ons op het verband tussen taalgebruik en sociale verhoudingen, een te complex onderwerp om uitgebreid te behandelen. Maar wel relevant.
Vaak kunnen we in culturen, in taalgemeenschappen, in teksten, bij mensen, in theorieën en filosofieën tweedelingen (of begripsparen) aanwijzen die fundamenteler zijn dan andere. Die voor die cultuur, taalgemeenschap, tekst, filosofie enzovoort kenmerkend en bepalend of richtinggevend zijn. Bijvoorbeeld (zie de studie van het verschijnsel androgynie) in sommige teksten het stellen van de man boven de vrouw en parallel daaraan God boven de mens en de natuur. Maar de laatste tweedeling is binnen de Westerse cultuur soms niet gekoppeld aan de eerste. Dan zijn er varianten, die de vrouw op bepaalde of alle niveaus gelijkwaardig achten aan de man. Of soms wordt de laatste tweedeling anders opgevat, dan zijn God en mens en natuur geen gescheiden maar verbonden wezens, en op weg naar een nieuwe verhouding waarin hun eenheid meer op de voorgrond staat dan hun verschil.
Mijns inziens kan het gebruik van het woord ‘dualisme’ zowel horizontale als verticale als op vele andere aspecten gebaseerde tweedelingen (polariteiten en de verabsolutering daarvan) aanduiden – aspecten die we liever niet met elkaar moeten verwarren. Het verabsoluteren van welke dualiteit dan ook leidt mijns inziens af van de eindeloze complexiteit van de werkelijkheid zelf, de taalverwarring inbegrepen (het niet onderkennen van het hierboven genoemde feit dat onze hantering van de taal namelijk onze bewuste of onbewuste definiëring van woorden bepaalt hoe – anders gezegd: samenvalt met het feit dat – we onderscheid zien oftewel aanbrengen tussen de dingen).
Inderdaad is het woord dualisme ten opzichte van de Westerse gnosis bijvoorbeeld vaak als scheldwoord gebruikt, en deels blijft dat ten onrechte zo omdat men niet aangeeft om welk dualisme het in een bepaald geval gaat, of het woord dualisme toch vrij onkritisch gebruikt. Dat geldt overigens ook van velen die het woord niet als scheldwoord willen gebruiken. Ook Ritmans noodzaak van de overstijging van dualismen en de vermelding door de auteurs van dit boek van ‘dualismen’ bij Mani en zijn mythe, bijvoorbeeld Mani’s hierboven genoemde en door Ritman erkende absolute kosmologische dualisme, werpen daarop nauwelijks verder licht. Naar aanleiding van de samenvatting van de manicheese mythe (bijvoorbeeld 63, 68) kan men bijvoorbeeld vragen wat fundamenteler is in de mythe van Mani. De tegenstelling tussen de openbaring uit den hoge (geest) en materie of die tussen licht en duisternis of die tussen goed en kwaad? Of hoe zijn deze verweven? Dus waar zijn de tegenstellingen absoluut en waar zijn overgangen of vermenging te vinden? En hoe is dit in vergelijking tot andere gnostische systemen? En tot de islam? En tot het zich orthodox noemende christendom? Ik vermoed dat door een analyse van wat in bepaalde systemen de meest en de minder fundamentele tegenstellingen zijn en van de wijzen waarop de tegenstellingen in de verschillende systemen gebruikt worden veel duidelijk wordt: over hoe die systemen in elkaar zitten en doorwerken in het leven.
In ieder geval verdient het gebruik van de term dualisme en aanverwante termen een verder onderzoek, vind ik. In dat verband wijs ik op de grote aandacht die tegenwoordig het concept ‘niet-dualisme’ of ‘non-dualisme’ krijgt en waarmee aangeduid wordt dat men zich van de relativiteit van elke taal-uitspraak (zie boven) bewust is. En men beklemtoont dat de werkelijkheid vaak complexer is dan de woorden die haar uitdrukken, en dat grote woorden of absolute uitspraken belangrijke nuances vaak laten liggen. Deze relativiteit van uitspraken houdt niet in – iets waar men in onze Westerse cultuur traditioneel uitermate beducht voor is – dat men geen standpunten meer kan innemen of dat men alles op een hoop gooit, alle waarden relativeert. Men relativeert er geen waarden mee, men relativeert de absoluutheid van de uitspraken erover. Die uitspraken vervangen immers nooit volledig de werkelijkheid van de verwerkelijking van de betreffende waarden, want de verwerkelijking van de waarden vraagt om meer dan een uitspraak. Dit punt is zowel in Westerse taalfilosofie als in Oosterse godsdienstfilosofie (van Zen en Mahayana-boeddhisme maar ook van de hindoeïstische Advaita Vedanta) onderkend. Maar de hoofdstromen van het Westerse denken en oordelen hebben zich er weinig aan gelegen laten liggen en het vooroordeel hoog gehouden dat de waarheid in bepaalde ideeën en vervolgens bepaalde woorden te vangen is, sterker nog: daarmee samenvalt. Het probleem is dat men de waarheid daarmee bij voorbaat definieert als dat samenvallen en geen ruimte meer laat voor welke ander waarheid of ervaring dan ook, omdat die waarschijnlijk met andere woorden uitgedrukt gaat worden of al uitgedrukt is. En dat men suggereert of zelfs gaat denken dat alleen wie een bepaalde taal spreken of zelfs precies de formuleringen gebruiken die in die bepaalde kring gelden, de beleving van de betreffende waarheid kunnen ervaren. Is dat niet een (voor-)oordeel?! Taal is een verhulling of uitdrukking of bekleding van (meestal tijdelijke) ervaringen en oordelen, dat kunnen maar beter geen (gefixeerde, voor eeuwige geldigheid gepostuleerde) vooroordelen zijn, vind ik. Het woord samenvallen is niet toevallig de grondbetekenis van het woord symbool in het Grieks. Van symbolen zeggen we toch niet dat zij de waarheid zijn maar dat zij die voor ons symboliseren, representeren. Als je op die manier naar waarheden kijkt, hoef je je niet per se voor altijd vast te leggen op de mening dat er maar één waarheid is. Als je de waarheid van iets of iemand erkent hoeft dat toch niet te betekenen dat er verder niets of niemand meer is dat ook waar zou kunnen zijn? Waarheid en waarheden zijn er voor bestemd om voortdurend opnieuw ontvangen, erkend en beleefd te worden, en dat proces is niet alleen maar objectief en zeker niet het alleenrecht van iemand of iets. Hoe zouden wij beperkte mensen dat kunnen weten? Zo ver wij de (of een) waarheid ervaren doen wij dat omdat wij in onze beperktheid toch onderdeel van die waarheid zijn of ermee verbonden zijn. Maar niet om daar fundamentalistische principes – lees: verabsoluteringen – aan te kunnen ontlenen, zou ik zeggen. Waarheid ontvangen en doorgeven, ze waar mogelijk en wenselijk onderscheiden van onwaarheden, en dat steeds opnieuw, lijkt mij geen stok om te slaan of een zekere garantie voor de verlossing als vlucht uit het bestaan maar een verrijking van en steun voor het leven. Dat lijkt mij gezien de ervaringen van (en met) Westerse en niet-Westerse fundamentalisten door de eeuwen heen – of dat nu communisten, fascisten, spirituele of nog andere dogmatici waren – en gezien mijn persoonlijke ervaringen een blijvende uitdaging.
Ik besteedde hieraan onder andere aandacht in een lezing voor de werkgroep ARIES van de vakgroep ‘Geschiedenis van de hermetische filosofie en aanverwante stromingen’ aan de Universtiteit van Amsterdam. Symbool van de Oosterse houding tegenover dualiteit of polariteit is het bekende yin-yangteken waarbij de tegendelen niet zonder elkaar gedefinieerd kunnen worden, ten opzichte van elkaar in beweging zijn, in hun kern hun tegendeel omvatten, en samen de eenheid vormen waarin hun tweeheid gesplitst lijkt (of: waaruit hun tweeheid voortkomt en via de beweging weer tot de eenheid terugvoert), met de impliciete suggestie dat de eenheid en de tweeheid (en de veelheid!) elkaar impliceren – zonder dat ze – althans zolang ze hun eigen functie uitoefenen – in elkaar oplossen. Functies impliceren zowel de erin gedefinieerde inperking als de buitenwereld waartegen die inperking afsteekt als de ruimte waarin die afperking mogelijk is ofwel zich voordoet.
Voor Westerse symbolen kan ik verwijzen naar vele alchemistische voorstellingen van de eenheid der tegenstellingen, naar de androgynie als symbool van die eenheid, naar de rol van die eenheid in de geschriften der Rozenkruisers, naar het denken en de voorstellingswereld waarin die androgyne symbolen in de Westerse geschiedenis verder zijn uitgewerkt zoals – om me te beperken tot twee eminente voorbeelden – bij de beroemde schoenmaker-mysticus-filosoof Jacob Boehme en in de opera Die Zauberflöte van Mozart. Voor het taalaspect in het Westen verwijs ik naar de manier waarop Meister Eckhart met taal en religieuze voorstellingen – van de zijn Zoon barende God en de mens in wie de Zoon (mee-)geboren wordt – omgaat. En naar de filosofie van Wittgenstein over taalspelen.
De Westerse taalanalytische filosofie maakt onderscheid tussen allerlei taalvormen, bijvoorbeeld het wetenschappelijke, analytische discours of de metaforen van de dichters. Mijn bespreking hoort duidelijk iets meer in de eerste thuis. Waarmee ik maar zeggen wil dat de beleving van de dichterlijke of spirituele ervaring nog weer iets heel anders is dan deze meer historische en filosofische aspecten. Beleving kan door woorden worden uitgedrukt of opgeroepen maar is iets anders dan de analyse ervan. Al hebben ook dichterlijke of spirituele taalgebruikers vaak logische pretenties (van consistentie bijvoorbeeld)!

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.