BK-Books.eu » Besprekingen » De innerlijke geschriften

Bespreking van...

… Zhuang Zi, De innerlijke geschriften, Vert. door Kristofer Schipper, Amsterdam (Meulenhoff) 1998 (3e druk)

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onder meer op deze pagina:

Inleiding

Dit voorjaar ben ik deel gaan nemen aan de leesgroep Laozi (Daodejing of Te-Tao-Ching; er zijn verschillende spellingen in gebruik, en in dit geval ook twee verschillende volgordes van de naamsdelen), van de Stichting Filosofie Oost-West. Al enige jaren wordt in de management- en coachingsliteratuur gebruik gemaakt van materiaal uit de Daodejing. De vele vertalingen van het werk die in omloop zijn en de op het oog aansprekende teksten maken deze stof tot een welkome, min of meer spirituele aanvulling op de meer op ratio gebaseerde managementliteratuur. Deze managementliteratuur met fragmenten uit de Daodejing heeft mij er toe aangezet om naar de leesgroep te gaan en er meer van te weten te komen. In dat kader ben ik ook Zhuang Zi, De innerlijke geschriften in de vertaling van Kristofer Schipper gaan lezen.
De tekst van mijn notitie is bedoeld als achtergrondmateriaal voor andere lezers van management- en coachingsliteratuur waarin gebruik wordt gemaakt van tekstdelen van Zhuang Zi en van de Daodejing. Deze tekstdelen worden vaak gebruikt met een impliciete boodschap (oordeel) over de andere gangbare managementliteratuur en gangbare concepten in het management en in coaching. Om tekstdelen oprecht te kunnen gebruiken is enige historische kennis over de ontstaanstijd nuttig: het gunt ons een blik op de optiek van de schrijvers die met hun poëtische teksten en metaforische verhalen iets willen laten zien. Is hun boodschap wel onze boodschap met deze teksten? Hierover gaat mijn notitie.

Korte schets van het boek

De innerlijke geschriften is het oudste deel van een drieluik de Zhuangzi. Dit deel wordt aan Zhuang Zi zelf toegeschreven. De uiterlijke geschriften en De gemengde geschriften bevatten teksten van leerlingen en navolgers van Zhuang Zi. Inmiddels heeft Kristofer Schipper de volledige tekst vertaald (Zhuang Zi, de volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper. ISBN 9789045700854, zie het plaatje hierboven. Deze bespreking heeft dus alleen op het eerste gedeelte betrekking, dat niet meer apart verkrijgbaar is). De Zhuangzi is volgens Schipper wellicht het meest invloedrijke boek van de Chinese beschaving. Niet alleen de taoïsten maar ook de confucianisten en de boeddhisten hebben Zhuang Zi bestudeerd en dit gedachtegoed zich eigen gemaakt. Het is een heel moeilijk te vertalen boek omdat meester Zhuang een geheel eigen taal heeft en de meest oorspronkelijke tekst die ter beschikking staat in slechte staat verkeert. De teksten zijn diepzinnig en hebben meerdere lagen van betekenis. Generaties van Chinese geleerden hebben commentaren geschreven op de tekst. Gelukkig staan in dit boek van Schipper ook veel voetnoten met commentaren en heeft het boek een uitvoerige introductie. Daardoor kunnen we ons verdiepen in de situatie in China uit de tijd waarin de geschriften tot stand zijn gekomen. Daardoor is het mogelijk de diepte en de reikwijdte van de tekst enigszins te begrijpen.

De Zhuangzi is systematisch non-conformistisch, er wordt gebruik gemaakt van mythologische en sacrale elementen. In de tijd van Zhuang Zi raakt het confucianisme in verval. Zhuang Zi steekt de draak met de zedenpreken over morele en maatschappelijke orde waar het confucianisme zich in die tijd mee bezighoudt. De ontstaanstijd van de Zhuangzi en de Daodejing, de twee eeuwen voor de vestiging van het tweede keizerrijk (de Han-dynastie 202 v.Chr tot 220 n. Chr), kenmerkt zich door een levendige handel, veel mogelijkheden om zich te kunnen ontplooien in een vrijzinnige en kunstzinnige omgeving. Onder de Han-dynastie wordt het confucianisme weer de dominerende ideologie van het rijk.
Het confucianisme en het daoïsme kunnen worden gezien als de belangrijkste filosofische scholen uit de periode vóór de Han-dynastie (403-221 v.Chr). Confucius, Laozi en Zhuang Zi zijn allen progressieve denkers.
Confucius gebruikte een vorm van rationalisatie om het traditionele sociale systeem theoretisch te onderbouwen en daarmee de sacrale rechtvaardiging achter zich te laten. Hoewel hij beweerde slechts ‘doorgever’ te zijn van de klassieke waarden en normen is hij toch te beschouwen als een ‘vernieuwer’. Confucius stelde zich tot taak een morele gids te zijn voor de heersers in die tijd. Hij wilde terugkeren naar de moraal en de gedragscodes van de beginperiode van de Zhou-dynastie (1122-249 v. Chr) maar met een rationele onderbouwing.
Laozi en Zhuang Zi zijn de grondleggers van het taoïsme. De Daodejing van Laozi bestaat uit korte en paradoxale aforismen. De teksten zijn abstract. De Daodejing is eindeloos vertaald. De Zhuangzi bestaat uit kortere en langere teksten, soms abstracte filosofische, maar vaak verhalen met veel wonderlijke en humoristische elementen. In tegenstelling tot andere oude Chinese geschriften staan in de Zhuangzi verhalen over het gewone volk, de boeren, handwerkslieden, criminelen en gehandicapten. In de Daodejing gaat het steeds over de Meester, de Wijze die zorgen heeft over wat de gewone man doet en over zijn eigen sterfelijkheid. Met de Tao kan het moment van de dood uitgesteld worden en Te is de weg om het ‘goede’ te doen. In de Zhuangzi staan verhalen waardoor ook de lessen en de vragen van de Meesters in hun relativiteit getoond worden.
De mysteriecultussen bloeiden in de tijd van Zhuang Zi. Deze cultussen zochten naar het persoonlijke heil en de individuele verlossing. Zhuang Zi steekt in sommige verhalen de draak met Meesters die daar naar op zoek zijn. De publieke cultus, de traditionele offerreligie vertegenwoordigd door de confucianisten, beschouwt de mens in de context van zijn milieu en afstamming. Schipper geeft aan dat ook in latere tijden vrije en onafhankelijke volksorganisaties en hun mysteriecultussen de voedingsbodem zijn gebleven voor de ontwikkeling van het taoïsme.

Meteen het eerste hoofdstuk ‘Zwerven, vrij en blij’ begint met een verhaal dat wonderen beschrijft naast alle daagse zaken. Het laat de relativiteit van de standpunten zien die de deelnemers in het verhaal innemen. Een centrale vraag in dat hoofdstuk is: hoe weet men dat kleine kennis niet is opgewassen tegen grote kennis, een korte levensduur niet tegen een lange (onsterfelijkheid was in die tijd iets om te bereiken). Meteen hier wordt de toon gezet die in veel verhalen uit de Zhuangzi naar voren komt: de kennis van de Meesters en van degene die lang leeft is niet persé beter. Het hoofdstuk sluit af met een verhaal over een heel grote boom maar die toch nergens nuttig voor is. De relativiteit van het begrip nuttigheid wordt hierin geïllustreerd. (Voor een prachtige uitleg van dit verhaal zie: René Ransdorp, ‘Het nut van het nutteloze: Commentaar bij een vertelling uit de Zhuangzi‘, in: A. Hoekema, V. Kal, H. de Vries (red.), De reikwijdte van het geduld: Wijsgerige en theologische opstellen: Aangeboden aan Auke de Jong etc., Zoetermeer (Boekencentrum) 1999, pp. 101-112.)

In het verhaal ‘De wereld van de mensen’ in hoofdstuk 4 treffen we een persiflage op een gesprek tussen Confucius en zijn liefste leerling. Deze leerling wil naar de vorst van Wei. Deze vorst bestuurt niet goed en ziet zijn eigen fouten niet. Zhuang Zi laat in dit verhaal Confucius vertellen waarom het inbrengen van deugden en kennis niet helpt om de vorst op andere gedachten te brengen. Het verhaal eindigt met een gedicht over wat de Tao inhoudt. De verhalen in dit hoofdstuk gaan eigenlijk allemaal over dat je wel de beste in deugdzaamheid, in vaardigheid, in kennis kunt zijn maar dat dit alles niet helpt. Je kunt beter een handicap hebben dan wordt je tenminste niet gebruikt als zoenoffer voor de goden (p. 100). In de Tao gaat het om het nut van het nutteloze. Zhuang Zi laat in alle verhalen en gedichten zien dat het niet gaat om bekwaamheid, rechtvaardigheid, deugdzaamheid en menslievendheid. Dit is waar het confucianisme op hamert in de periode van het ontstaan van Zhuangzi en de Te-Tao Ching om het (vermeende) verval in de maatschappij tegen te gaan.

Een voorbeeld van waar het dan wel om gaat in het taoïsme en de maatschappij is het derde verhaal in hoofdstuk 7 ‘Koning zijn, in overeenkomst met het opperwezen’. In dat verhaal komt Hemelvast de Mens-zonder-Naam tegen en vraagt hem: “Zegt u mij, alstublieft: wat moet er met deze wereld worden gedaan?” In eerste instantie wil de Mens-zonder-Naam niet lastiggevallen worden. Want hij was op weg om metgezel van de Schepper te worden en als hij daar genoeg van zou hebben, wil hij gaan zwerven in het land van Niemendal (daar waar nuttigheid geen norm is). Als Hemelvast aandringt, komt toch het antwoord: “Laat je hart zijn geluk vinden in de eenvoud, bundel je levenskrachten in de stilte. Volg de spontane beweging der dingen en koester geen persoonlijke voorkeur. Dan zal de wereld geordend zijn” (p. 147).

In het daaropvolgende verhaal legt Oude Langoor (Lao Zi) nog eens uit (p.148) hoe het bestuur van een Verlichte Koning er uit ziet:

“Zijn goede werk verbreidt zich over de ganse wereld,
Maar ziet eruit alsof het niet van hem komt;
Zijn beschavende invloed doet zich in alle dingen gelden,
Maar het volk voelt zich niet tot hem verplicht.
Nooit wordt zijn naam vermeld:
Zo vindt ieder wezen spontaan geluk.”

Waarom is de Zhuang Zi voor mij interessant

In de coaching- en management literatuur worden steeds nieuwe concepten beschreven. Concepten om verbeteringen tot stand te brengen in de resultaten van organisaties, in de effecten van coachen en daardoor in het effect van leidinggeven, besturen. Er wordt veel gewerkt met grote namen, meestal mannen die in elk geval in de publiciteit hun sporen hebben verdiend. We laten ons graag voorstaan op onze successen. In cv’s beschrijf je niet alleen waar je hebt gewerkt en in welke functie maar ook het resultaat dat je hebt neergezet in die hoedanigheid. We ‘verkopen’ onszelf door onze successen. Zhuang Zi heeft daar een mooie vergelijking voor: “…en dat het de slimheid van het aapje is die hem op een stokje doet belanden” (p. 148).
In de NRC van 16 april 2007 schrijft Paul Frissen een artikel “Tegen de uniformerende norm van de bureaucratie”. In dit artikel betoogt hij dat “de staat bedenkt wat gezondheid is, wat goed opvoeden is, wat een rechtvaardige gemeenschap is …. En waar de burger eigen verantwoordelijkheid krijgt, moet hij daarmee wel doen wat de staat bevalt. Normalisering en disciplinering gaan hand in hand. En altijd vanuit de beste bedoelingen.”
In de tijd dat Laozi en Zhuang Zi en Confucius leefden speelden dezelfde zaken in de maatschappij: grote Meesters die predikten hoe de heersers weer vat konden krijgen op het gewone volk, hoe er weer deugdzaam geleefd moest worden en de riten van de godsdienst weer uitgeoefend.
Het intrigerende van het lezen in de Zhuangzi en in Te-Tao Ching is de vergelijking van die maatschappij en de toenmalige vraagstukken met de huidige maatschappij. Het is toch wonderlijk dat zoveel eeuwen later de maatschappij dezelfde zaken laat zien: op basis van moraal en deugden uit maatschappelijke en religieuze stromingen die hun beste tijd hebben gehad, wordt de individuele vrijheid en de ontwikkeling en bloei van individuen in de ban gedaan; dit om (vermeende) ongelijkheid uit te bannen. En in diezelfde maatschappij is het tegelijkertijd well done om expliciet te pronken met de successen die je hebt behaald. Het taoïsme zet daar iets naast.
Het taoïsme ziet een samenleving en organisaties waar de bestuurders zonder veel ophef verbeteringen doorvoeren en juist niet pronken met hun eigen veren als min of meer ideaal. Het lijkt of het vanzelf gaat!
In het taoïsme gaat het om: het vliegen zonder vleugels. Wie het taoïsme als leidraad voor maatschappelijke besturing wil gebruiken heeft het moeilijk. “Misschien bestaat er een Waarachtige Bestuurder, maar er is absoluut niets van hem te zien. Men kan handelen in het volste vertrouwen (dat hij bestaat), maar nooit zal men zijn vorm aanschouwen. Want hij heeft wel wezenlijkheid, maar geen vorm.”(p.55).
Het gaat Zhuang Zi niet om een oordeel over andere Meesters of over de mensen, hij bestrijdt ook niet het confucianisme. Het gaat hem om het leren kennen van “de ‘waarachtigheid’ die ons verstand misschien nooit zal kunnen bevatten, maar die misschien ook juist daarom de waarachtige werkelijkheid is” (p. 25). Het taoïsme of tekstdelen gebruiken uit Zhuangzi om een oordeel te vellen hoe het anders moet, is dus niet een manier waarop je dichter bij het ‘vanzelf gaan’ komt. Met het gebruik van tekstdelen, verhalen uit Zhuangzi en van Laozi doen we wellicht niet anders dan ons beroepen op christelijke of sociaaldemocratische waarden, of onze successen verspreiden om daarmee naam te maken. We zijn dan wellicht aapjes die door hun slimheid op een stokje hun kunsten mogen vertonen.

De verhalen in De innerlijke geschriften geven veel stof tot nadenken. De humor die erin te vinden is maakt het tot heel aantrekkelijke literatuur om de ‘problemen’ die we menen tegen te komen te relativeren. Het lezen van de Zhuangzi helpt om de blik te verbreden, buiten de grenzen van je gedachten tot dan toe te treden. Het helpt om een oordeel op te schorten.
Het stemt optimistisch dat na zoveel eeuwen de maatschappij niet wezenlijk veranderd, verslechterd of verbeterd is: de menselijke vraagstukken van toen zijn er nu nog.

Nel Knip

Back to top

Naar inhoudelijk meest verwante eerstvolgende pagina

Naar chronologisch eerstvolgende pagina

Gepubliceerd door

bk_books

Sint Laurens op Walcheren is mijn geboortedorp (1947); mijn ouders waren ƚ Leen Koole en ƚ Suzan (San) Huibregtse; mijn zus is Jopie en mijn broers zijn Wibo en ƚ Rien. Mijn jeugdvrienden waren ƚ Peter Karstanje en Wim Wattel. Na het gymnasium studeerde ik in Amsterdam theologie (was vier jaar student-assistent bij prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Nel Knip is mijn levenspartner. Wij wonen in Driebergen na Amsterdam en Tiel. Wij kregen twee kinderen en vier kleinkinderen. Ik werkte als wetenschappelijk medewerker filosofie in Amsterdam, cursusleider religie en samenleving in Driebergen, universitair bibliotheekmedewerker in Amsterdam, Utrecht en Den Haag (KB). Uiteindelijk als vertaler en auteur. Onder leiding van prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik vertaalde en schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Na onze pensionering zijn Nel en ik onder meer bezig met: onze kleinkinderen, andere contacten, diverse activiteiten en lezen.