BK-Books.eu » Besprekingen » De harde kern [3e deel = 2e boek]: Met zijn drieën

Bespreking van...

Frida Vogels, De harde kern [3e deel = 2e boek]: Met zijn drieën, Amsterdam (Uitgeverij G.A. van Oorschot) 1994-5e druk
Bert Weijde, Onder het ijs: Psychiatrisch dagboek, Dromen en monologen, Amsterdam (Uitgeverij G.A. van Oorschot) 1994

Frida Vogels en Bert Weijde behoren met J. Voskuil tot een kring van literair geïnteresseerde studenten eind jaren veertig van de twintigste eeuw, en ambieerden en realiseerden alle drie het schrijverschap. Hun belangrijkste werken werden pas in de jaren negentig gepubliceerd. Zij delen met elkaar een soort realisme, in de zin dat zij de door hen persoonlijk ervaren werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk willen weergeven, al schuwen zij daarbij stijlmiddelen niet. Voskuil heb ik tot nu toe niet gelezen, ik vind het allemaal zo herkenbaar dat ik denk dat ik het al weet. Natuurlijk doet dat geen recht aan de aparte werkelijkheid van Voskuil maar ik heb aan die werkelijkheid qua roman (nog?) niet zo’n behoefte, en qua werkelijkheid heb ik andere voorkeuren om me in te verdiepen.

Frida Vogels’ derde deel van haar Harde kern – door mij al enkele jaren geleden gelezen – gaat voornamelijk over haar jeugd. Ik vind het wel knap geschreven (en herinnerd in de eerste plaats) maar ook bij haar roman heb ik sterk het gevoel: waarom zijn haar persoonlijke belevenissen (hoe helder ook beschreven) het nu waard om als roman gepresenteerd en gelezen te worden? Haar persoonlijkheid is interessant (en haar persoonlijke worsteling triest en moedig tegelijk), dat zeker, maar ik herken toch te weinig van mijzelf in de beschreven situaties om de roman spannend te vinden. Het is geen lichte kost bovendien.

Bert Weijde’s boek is evenmin lichte kost. Hij is psychiatrisch patiënt en beschrijft zijn gang door het medisch circuit en op de zalen in de inrichtingen (Valeriuskliniek en Wolfheze). Tevens streeft hij naar het realiseren van zijn schrijverschap door middel van een bepaalde methode, het achteraf beschrijven van wat hij deed en beleefde inclusief de uiterlijke en de innerlijke dialogen die hij zich meestal nog goed herinnert (en anders vult hij ze zo werkelijkheidsgetrouw mogelijk in). Soms leidt dat tot een ontroerend fragment, namelijk waar je als lezer tussen de regels door even echt contact met de schrijver meent te krijgen. De schrijver laat je echt delen in zijn worsteling met het medisch circuit en met zichzelf. (N.B. De auteur Voskuil en zijn vrouw met wie Weijde contact had, komen als M. en N. voor in zijn boek.)

Ik heb deze boeken met name uitgelezen omdat mijn vrouw er van onder de indruk was en in het geval van Weijde mij ertoe uitnodigde het boek te lezen. Het is inderdaad intrigerend maar ik beleef er toch niet veel vreugde aan. Mijn eigen sores zijn me al pittig genoeg. Het is dus wel een knap boek maar niet iets waar ik voor kies. Tja, het leven is vaak een ramp en een grote moeite, dat moge gezegd zijn. Daar staat tegenover dat bij beide auteurs duidelijk is dat hun leven en hun schrijven ook heel kostbare zaken zijn, en dat is hoop ik net als bij ons eigen leven misschien soms een troost.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.