BK-Books.eu » Besprekingen » De Bijbel als mythe

Bespreking van...

Israel Finkelstein & Neil Asher Silberman, De Bijbel als mythe: opgravingen vertellen een ander verhaal,[ met kaarten, tabellen en andere illustraties, en met uitgebreide en naar onderwerp ingedeelde Bibliografie en uitgebreid Register,] Den Haag (Uitgeverij Synthese) 2006, 448pp.

Dit is een briljant boek, onmisbaar voor ieder die geïnteresseerd is in de oudste boeken van de bijbel en in hun ontstaan. Het brengt de verbanden aan tussen de meest recente archeologische inzichten, alle bekende historische bronnen (ook uit de omringende landen) en de nieuwste inzichten in de totstandkoming van de Bijbelteksten vanuit de nu bekende historische context. Daarbij laat het niet alleen de vorderingen zien die de afgelopen eeuwen op al deze gebieden gemaakt werden – inclusief de missers! – maar biedt zodoende ook een inleiding in deze onderzoeksterreinen, in wat ze waard zijn. Dit boek is door en door betrouwbaar, met als enige aantekening dat nieuwe ontdekkingen tot aanvullingen en verbeteringen aanleiding kunnen geven. Het is dus het best beschikbare voor dit moment. Betrouwbaar is dit boek ook omdat de auteurs hebben nagedacht over de betekenis van de Bijbel in de tijd na haar ontstaan voor het Jodendom, het christendom (de islam kunnen we ook toevoegen) en als wereldliteratuur. De auteurs zijn zelf verbaasd dat door hun bijdrage vanuit de archeologie zoveel nieuwe inzichten (waarover onder meer) geboren zijn en besluiten hun boek met de volgende zinnen:

    “De grootste bijdrage van de archeologie aan ons inzicht in de Bijbel zou weleens kunnen zijn dat zij ons heeft doen beseffen dat een kleine, relatief arme en afgelegen samenleving als die van het laatmonarchale Juda en van het Jehud van na de ballingschap in zo’n kort tijdsbestek de hoofdlijnen van dit voorgaande epos kon voortbrengen. Een dergelijk besef is van essentieel belang, want pas als we begrijpen wanneer en waarom de in de Bijbel beschreven ideeën, voorstellingen en gebeurtenissen zo bekwaam werden samengeweven, kunnen we eindelijk de ware aard en de permanente kracht van deze invloedrijkste literaire en spirituele creatie in de geschiedenis van de mensheid naar waarde gaan schatten.” (373)

Wat die kracht is, schrijven zij enkele regels eerder:

    “De kracht van het Bijbelverhaal komt voort uit het feit dat het op een meeslepende en samenhangende manier uitdrukking geeft aan de tijdloze thema’s van de bevrijding van een volk, het permanente verzet tegen onderdrukking, en het streven naar sociale gelijkheid. Het geeft welsprekend uitdrukking aan het diepgewortelde besef van een gemeenschappelijke oorsprong, gemeenschappelijke ervaringen en een gemeenschappelijke bestemming die elke menselijke gemeenschap nodig heeft om te kunnen overleven.” (372-373; vette letter van mij, BK.)

Wetenschap en religie vormen in dit boek geen absolute tegenstelling maar vullen elkaar aan. Dit boek laat zien dat veel in de oudste Bijbelboeken historisch onwaar is (dat wil zeggen dat de vertelde feiten niet kloppen met zoals het feitelijk in de geschiedenis is gegaan). En juist daardoor ook dat die boeken een bijzonder verhaal vertellen dat een grote literaire, psychologische en religieuze waarde heeft (en in die zin ook weer historische waarde maar dan in de bijkomende betekenis van historie op het geestelijke vlak). Dit boek laat zien wat de oorspronkelijke bedoeling en historische context is van de Bijbelboeken Genesis tot en met II Koningen, de oudere profeten zoals Amos en Hosea, Elia en Elisa en ook gedeelten uit andere profetische boeken als die van Jesaja en Jeremia daarbij inbegrepen. Het betekent dat diegenen die de verhalen uit de bijbel zonder meer als historische feiten beschouwden, hun visie bij kunnen stellen. Dat is enerzijds wellicht ontnuchterend, anderzijds brengt het grote nieuwe inzichten die inspirerend blijken te zijn.
Laat ik een rijtje maken met een aantal (nieuwe) historische inzichten:

  • Genoemde Bijbelboeken verschillen van de mythen van omliggende volken – waar ze verder veel op lijken – op het punt dat die laatste geen belang meer hechten aan hun mythen wanneer de dynastie waarin ze zijn ontstaan haar eind bereikt. De ideologie of theologie van deze boeken van Israël laat zien dat de macht van zijn God juist als groter wordt gezien door het vreselijke gebeuren van de ballingschap (en andere rampen). Want deze ballingschap was (en die rampen waren) aan de ene kant veroorzaakt door Israëls afval van zijn God en aan de andere kant de les die het volk kon gebruiken om zich weer tot God toe te keren. Zodat de beloften van God alsnog in werking zouden treden.
  • Pas in de zevende eeuw voor het begin van onze jaartelling waren de voorwaarden aanwezig die geleid kunnen hebben tot het schrijven van het zogeheten deuteronomistische geschiedwerk. Daartoe worden behalve het boek Deuteronomium ook gerekend: Jozua, Richteren, I en II Samuël, I en II Koningen. Dit gebeurde tijdens de grote hervorming onder koning Josia van Juda (630-609).
  • Ook de verhalen over het alleroudste stadium van de geschiedenis – van de aartsvaders, de uittocht, de verovering van Kanaän en van de monarchie van David en Salomo – zijn niet zozeer historisch waar (al bevatten zij wel allerlei vage herinneringen aan het verre verleden in de vorm van boeiende verhalen met een boodschap) maar passen precies in de ideologie en theologie van de hervormingsbeweging onder koning Josia, die zowel godsdienstig als territoriaal grote ambities had.
  • Pas onder koning Josia werden de verhalen over de stamoudsten Abraham (uit het zuiden), Izaäk en Jacob (uit het noorden) samengevoegd tot één familiegeschiedenis. Zo werd aan het volk één gezamenlijk (maar bedacht) verleden gegeven. Tegelijk werd de geschiedenis van het noordelijke koninkrijk en van het zuidelijke voorgesteld als die van één volk, door Abraham de cultusplaats in Betel te laten stichten en de stammen voor te stellen als de zonen van Jacob die zich over Kanaän verspreid hadden. Tevens werd voor het hele land één centraal heiligdom ingesteld, de tempel in Jeruzalem, en de verering van goden beperkt tot één God, JHWH. In werkelijkheid was de dynastie van Omri in het noordelijk koninkrijk veel machtiger en belangrijker – tot de wegvoering naar Assyrië in 732 – dan het zuidelijke rijkje Juda. Ook werden tot de zevende eeuw en daarna ook nog hier en daar diverse goden en godinnen vereerd, onder andere de vrouw van JHWH, Asjéra. Op de plaatsen van ieder van de vele heilige hoogten en andere heiligdommen uit die periode zijn steeds honderden vrouwenbeeldjes gevonden die de godin voorstelden.
  • De plaatsen die genoemd worden in de verhalen over de uittocht, passen prachtig in de tijd van koning Josia maar niet eerder. Het lijkt erop dat de rol van de farao mooi past bij die van de farao in Josia’s tijd. Het uittochtverhaal lijkt eerder een hart onder de riem voor het volk in Josia’s tijd dan dat het op historische feiten berust, al zijn er mogelijk oude herinneringen in verweven die te maken hebben met de aloude relaties en volksverhuizingen tussen Kanaän en Egypte. De verhalen over de verovering van Kanaän geven eerder een verklaring voor de territoriale aspiraties van Josia (die ook het noordelijke rijk onder zijn heerschappij wilde brengen) dan dat ze op die manier zouden hebben plaatsgevonden. Natuurlijk kunnen er oude herinneringen en verhalen daarover in verwerkt zijn. De oudste Israëlieten vinden we rond 1200 voor Christus in de dorpen in het hoogland van Kanaän (die dan ineens bewoond worden): vanaf die tijd zijn deze steeds bewoond geweest met mensen die zich Israëlieten bleven noemen, tot in de tijden van de monarchieën. Waarvandaan ze kwamen, is niet bekend. Het noordelijke koninkrijk kan met deze Israëlieten niet geïdentificeerd worden want het omvatte veel meer groepen bewoners (232).
  • Omdat het noordelijke rijk ondergegaan was, al woonden er nog steeds Israëlieten, stelde Josia het zo voor dat die ondergang veroorzaakt was door afval van de (ene) God die hij aanprees, JHWH. En dat Juda met zijn davidische monarchie de aangewezen plaats en dito middel was om de toekomst van het volk veilig te stellen. In dit perspectief wordt de geschiedenis van de noordelijke en de zuidelijke rijken en hun monarchieën verteld. De auteurs: “De tragedie die het huis van Omri overkwam, is een klassiek stukje literatuur … . Niettemin staan er zoveel ongerijmdheden anachronismen in het Bijbelverhaal en heeft het zo duidelijk de invloed ondergaan van de theologie van de schrijvers uit de zevende eeuw voor onze jaartelling, dat we het eerder moeten zien als een historische roman dan als een nauwkeurig historisch verslag.” (210)
  • “David en Salomo waren in politieke zin waarschijnlijk weinig meer dan hoofdmannen uit het heuvelland, wier bestuur een tamelijk lokale aangelegenheid was en tot het heuvelland beperkt bleef.” (227)
  • Hoewel het anders wordt voorgesteld, was de afgodendienst – veelgodenverering – die ook in Juda bestreden moest worden (onder Hizkia), niet een afwijking maar de regel geweest (276, 283vv.).
  • Wat bijzonder is, is de godsdienstige en culturele revolutie die in de zevende eeuw plaats had, en die samenhing met een sterke toename van de bevolking van Jeruzalem, met een sterke toename van het alfabetisme ook onder de plattelandsbevolking, kortom met de voorwaarden voor een centraal bestuurde staat. Deze volwassen staatsvorm profiteerde van – of ging samen met – een krachtige economische integratie met Assyrië die allerlei voordelen opleverde.
  • Toen de Assyrische macht plotseling instortte, kwamen een aantal ontwikkelingen samen. Josia voelde zich sterk genoeg om aan vergroting van zijn Juda met het noordelijke rijk te denken. Er gingen stemmen op om zich te beperken tot het vereren van slechts één God, JHWH en die verering te organiseren rondom één centraal heiligdom in Jeruzalem, dat ook het centrum van het nieuwe rijk zou moeten worden. Kortom, er kwam een godsdienstige hervorming op gang die sterke politieke implicaties had. Zo werd de geschiedenis van het volk opnieuw geschreven, inclusief die van de aartsvaders, van de monarchieën, en van de regels voor de tempeldienst en de andere wetten van het volk. In de tempel “werd het boek Deuteronomium gevonden”. De koning liet het voorlezen en het volk plechtig beloven zich er aan te houden. Het nieuwe nationale epos bevatte zowel de beloften van JHWH voor herstel van oude glorie, als een beschrijving van de afvalligheid die dit tot nu toe vaak had verhinderd. Maar zo werd de feitelijke historie omgekeerd: wat het meest Judees was van oorsprong (de veelgodenverering op het platteland), werd tot Kanaänitische ketterij bestempeld! (Ik kan niet nalaten hier een interessante parallel te zien met het ontstaan van de islam waarbij Mohammed in Medina sterk optrad tegen de veelgodenverering van de Arabische stammen, BK.) En aan het koninkrijk Juda werd een centrale plaats gegeven die het vanouds niet gehad had. Maar dit epos zou wel de basis worden van een Bijbel die met zijn visie op geschiedenis en toekomst, gekoppeld aan die van het volk Israël, een imponerende invloed zou hebben (322).
  • In 622 werd een belangrijk wetboek ontdekt in de tempel, volgens de meeste geleerden een oorspronkelijke versie van Deuteronomium. Dit definieerde de Israëlische identiteit op een geheel nieuwe wijze. Het bevatte de centrale kenmerken van het bijbelse monotheïsme: één God, centrale en nationale viering van de voornaamste feesten van het jaar en wetten voor onder andere maatschappelijk welzijn, recht en persoonlijke moraliteit. (324vv.) Aan dit wetboek – kunnen we met een gerust hart aannemen – werd de laatste, en misschien ook de eerste, hand gelegd onder koning Josia, in de jaren voor 622. Want het bevat wel heel veel aanwijzingen daarvoor (332vv.) En dit past precies in de opkomende rol van geletterdheid in die tijd.
  • Tegelijk wordt rekening gehouden met de gevolgen van de centralisering voor het platteland, en worden regels gesteld die we nu mensenrechten en menselijke waardigheid noemen. De armen en weduwen dienden gerespecteerd te worden, evenals vreemdelingen en slaven. Bestuurders mochten niet teveel macht en rijkdom verzamelen. (334vv.)
  • In privé-huizen bleef de verering van gesneden beelden voortduren. Er zijn er talloze gevonden. (339)
  • Na de eerste versie van Deuteronomium die onder Josia werd geschreven, ontstond nog een bewerking waarin eerst kort vermeld werd hoe het rijk van Josia eindigde en de vreselijke ballingschap ook voor de Judeeërs een feit werd. En ten tweede vermeld werd hoe het te rijmen viel dat de (eerste) tempel daarbij werd verwoest, en dat Gods beloften dus niet waren uitgekomen. Daartoe werden aan de eerder onvoorwaardelijke beloften aan David nu voorwaarden toegevoegd, werden profetieën over ondergang toegevoegd en werd Manasse, de vader van Josia, als een grote afvallige geschilderd. (356vv.) Van het bewind van de zeer rechtvaardig voorgestelde Josia werd nu gesteld dat hij de verwoesting van Jeruzalem alleen kon uitstellen, niet voorkomen. De briljante verandering bestond in het vervangen van de relatie van God met de Davidische koning door de relatie van God met het hele volk Israël, het verbond bij de berg Sinaï. Omdat deze bewerking melding maakt van de vrijlating van Jojakim in 560, kan zij niet eerder gemaakt zijn.
  • Duidelijk is dat zowel in het noordelijke als in het zuidelijke gebied veel bewoners niet gedeporteerd waren. Het aantal terugkerenden wordt overigens misschien wel overdreven. In ieder geval – staat archeologisch vast (362) – zullen er in de Perzische provincie Jehud in de vijfde en vierde eeuw nauwelijks meer dan 30000 inwoners geweest zijn! En dat met zo’n erfenis aan buitengewoon krachtige literatuur, die nog werd aangevuld met de geschriften over Ezra, Nehemia, diverse kronieken, profetische werken en zogeheten andere ‘geschriften’ – waaronder psalmen en wijsheidsgeschriften – in de volgende eeuwen.
  • In deze eeuwen na de ballingschap – toen de bewoners van die Perzische provincie ‘Joden’ gingen heten (Jehoedim naar Jehud) – kreeg het Jodendom zijn eerste vorm, met een belangrijke priesterschap die de godsdienstige leiding had, en daarnaast een politieke leiding onder het Perzische bestuur. Uiterst belangrijk werd de zuiverheid van het volk, dat zich niet meer mocht mengen met andere volken en groepen. Belangrijk in dit opzicht is geweest dat de Babyloniërs en Perzen geen andere groepen gedeporteerden in Jehud hadden gevestigd of alsnog vestigden. Daardoor kon deze zuiverheid gehandhaafd blijven, en tevens de culturelen en religieuze eigenheid, gekoppeld aan de etnische.
  • In die eeuwen werden opnieuw verhalen bewerkt, in het bijzonder uit Genesis. Maar de verhalen over de uittocht, over Abraham, over de verhouding met de Edomieten, over Hebron en andere konden gemakkelijke zo aangepast worden dat zij bij de nieuwe status – godsdienstig en geografisch – van het Jodendom aansloten.
  • Dit – nu eindelijk definitief geworden – bijbelse epos was nog steeds de basis van de etnische identiteit van de Joden, maar tegelijk vormde het een hooggeschatte bron van inspiratie voor culturele en religieuze ontwikkelingen. De Joden stonden er in de omringende landen steeds meer om bekend dat zij zo’n liefde ten toon spreidden voor hun God. En dat zij zo’n rijke schriftelijke traditie hadden, die zelfs in het Grieks werd vertaald (de Septuagint). Dat kwam ook doordat het aantal Joden gestaag toenam en velen buiten Palestina woonden, in grote steden als het Egyptische Alexandrië, en andere centra van de hellenistische cultuur.
  • Toen na eeuwen het Romeinse rijk aan zijn einde kwam, bleken de oude Joodse geschriften een belangrijke rol te zijn gaan spelen zowel voor het rabbijnse Jodendom als ook buiten de etnische kring van het Jodendom, via de opkomst van het christendom (en later de islam, BK). De tweede tempel was in 70 na Christus verwoest maar het Bijbelse epos was voor een grotere kring van mensen een belangrijke schat geworden.

De details kunt u in dit uiterst waardevolle boek zelf lezen. Compositie, heldere leesbaarheid, logica en voorbeelden, tabellen, illustraties, lijsten en uitstekende bibliografie dragen allemaal bij aan de enorme impact die de ijzersterke inhoud van dit boek op de lezer heeft. U zult verbaasd staan van de feiten en van de kracht van de Bijbelse verhalen – van de aartsvaders tot en met de ballingschap -, ook al hangt er geen label van exclusieve goddelijke herkomst meer aan. Al valt er geen exclusief recht op grondgebied aan te ontlenen, of een exclusief recht op waarheid, zij bieden – naast de historische en spirituele bronnen van andere culturen die in die culturen en in de hele wereld ook hun rol spelen – de voor de Westerse cultuur en haar geschiedenis tot nu toe meest bepalende teksten, ideeën en voorstellingen. Die invloed gaat al lang op wereldschaal door, vanuit het Westen naar andere gebieden en omgekeerd. Juiste historische kennis kan daarbij veel onheil voorkomen, en veel nieuwe inzichten en inspiratie meebrengen.
Tot slot noem ik nog enkele boeken die in verband met het onderwerp interessant kunnen zijn, vooral in verband met de samenstelling van de oudste boeken van de Bijbel uit afzonderlijke bronnen. De latere boeken bevatten telkens overzichtelijke inleidingen met de nieuwste stand van zaken:
Richard E. Friedman, Who Wrote the Bible?, San Francisco (HarperSF) 1996-2e druk
Harold Bloom / David Rosenberg, Het boek van J, Vertaald door Mirjam Lumkeman, Amsterdam (Waterland van Wezel) 1992 (Engels: 1990)
The Hidden Book in the Bible, Translated, Restored and Introduced by Richard E. Friedman, San Francisco (HarperSF) 1998
Richard E. Friedman, The Bible with Sources Revealed: A New View into the Five Books of Mozes, San Francisco (HarperSF) 2003
Vergelijk het artikel ‘Profs, geen profeten’ in NRC Handelsblad 14-15 juli 2007 p. 39, een interview met Karel van der Toorn met belangwekkende informatie over ‘wie de Hebreeuwse bijbel schreven’, namelijk de geleerde elite (kopieerders of schrijvers, kenners van letters en schrift, opstellers van contractuele teksten en wetten, ook van liturgische en andere poëtische teksten) die verbonden was aan de staatstempel, waarvan de kas door de koning beheerd werd. Ook over de manier waarop zij steeds opnieuw compileerden en herschreven, volgens de inzichten van het nieuwe moment.
Voor het Nieuwe Testament is vergelijkbaar aan te bevelen het standaardwerk van Burton L. Mack, Wie schreven het Nieuwe Testament werkelijk?, Deventer (Ankh-Hermes) 1997 (Engels: 1995). Omdat het Nieuwe Testament maar een gedeelte bevat van wat representatief is voor de het vroege christendom – dat onder veel meer het joodse en het gnostische christendom omvatte – is het verstandig daarnaast ook een ander degelijk overzicht te gebruiken, bijvoorbeeld J. Slavenburg, De oerknal van het christendom, Haarlem (Rozenkruis Pers) meerdere drukken sinds 2003. Overigens is het onderzoek – bijvoorbeeld naar de historische Jezus en de wijze waarop zijn erfenis werd omgevormd tot sterk uiteenlopende inspiraties – nog niet zo ver dat het al helemaal samengevat kan worden: momenteel verschijnen steeds nieuwe ‘overzichten’ met gedeeltelijke bijstellingen, nieuwe verbanden enzovoort. Fascinerend!

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.