BK-Books.eu » Besprekingen » Calvijn haalde zijn benepen zuinigheid niet uit de Bijbel

Bespreking van...

… Maarten ‘t Hart, Calvijn haalde zijn benepen zuinigheid niet uit de Bijbel[: over Seneca’s De Clementia als bron van de benepenheid van het Calvinisme, ] in: NRC Handelsblad 10 juni 2009

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Onder meer op deze pagina:

Inleiding

De benepen soberheid van het Calvinisme komt niet uit de Bijbel vandaan, bewijst Maarten ‘t Hart. Calvijn ontleende haar aan de levensbeschouwing van de Stoïcijn Seneca uit de klassieke Romeinse tijd en cultuur. Dat kan mensen die – zoals Maarten ‘t Hart – opgevoed zijn in dit strenge calvinisme ertoe aanzetten in vrijheid een nieuwe keuze te maken. Of zij behalve Seneca dan nog andere bronnen van Calvijn opnieuw overwegen, laat ik hier buiten. Omdat wat ‘t Hart hier schrijft onmiskenbaar en relevant is voor strenge Calvinisten, neem ik zijn visie graag over op mijn website. Neem en lees en concludeer!

Back to top

Het artikel van ‘t Hart

“Johannes Calvijn heeft de Bijbel goed bestudeerd. Maar zijn afkeer van levensvreugde haalde hij van Seneca.

Precies vijfhonderd jaar geleden, op 10 juli 1509, werd Johannes Calvijn als Jean Cauvin geboren in Noyon, een plaats in Noord-Frankrijk. Zijn vader wordt in de biografie van Cottret omschreven als een ‘apostolische notaris’. Op aanraden van die vader – want daarmee was veel geld te verdienen – studeerde Calvijn rechten in Orléans, in Bourges en vanaf 1530 in Parijs. In 1531 verwierf hij het licentiaat in de rechten en stierf zijn vader. Zijn moeder was al eerder gestorven. Zijn eerste publicatie dateert uit 1532 en was een commentaar op De Clementia van Seneca. Spoedig daarna heeft zijn bekering plaatsgevonden, waarvan we niets anders weten dan dat ze zoals hij zelf in zijn Commentaar op de Psalmen schrijft ‘subito’ was. Van 1509 tot 1532, dus in de meest ontvankelijke jaren van zijn leven, werd Calvijn, anders dan ik, niet calvinistisch gehersenspoeld. Integendeel, van huis uit was hij een paap en als zodanig, zoals hij zelf zegt, ten prooi ‘aan de bijgelovigheden van het pausdom’. Maar in zijn commentaar op De Clementia ontpopt hij zich als een echte, en zeer geleerde humanist die verbluffend goed thuis was in de klassieke Romeinse literatuur. Hij kende Seneca op zijn duimpje. Van Erasmus moest hij in latere jaren niet veel hebben, maar de jonge Calvijn vertoont veel overeenkomst met de jonge humanist uit Rotterdam. In al wat ik over Calvijn las in dit herdenkingsjaar wordt deze paaps-humanistische achtergrond verdoezeld. In het herdenkingsboek Johannes Calvijn, leven en werk (uitgeverij Kok) zegt W. Balke: „Het is niet geheel duidelijk waarom Calvijn zich voor Seneca interesseerde.” Die uitspraak verbaast mij, want men kan zeer wel verdedigen dat het schriele, zuinige, verzuurde, bekrompen calvinisme zoals ik het aan den lijve heb mogen ervaren, eerder bij Seneca vandaan komt dan uit het Woord. Lees ik Seneca, dan lijkt het alsof ik de dominees hoor die vanaf de kansel elke vorm van genieten, elke uiting van levensvreugde, alle tekenen van wuftheid, pronkzucht, pracht en praal bestreden. Erasmus schreef al: „Als men Seneca leest als een heidense auteur, blijkt hij op een christelijke manier te schrijven.” Calvinisme bestond in de dagen van Erasmus nog niet, anders zou hij waarschijnlijk gezegd hebben „blijkt hij op een calvinistische manier te schrijven”. Seneca schreef bondig en puntig. Fraai verwoordt hij vaak zijn unieke vorm van precalvinisme. „Onder in het vat komt zuinigheid te laat.” „Niet wie weinig heeft is arm, maar wie meer wil hebben.” „Voor overbodige luxe werkt men zich in het zweet.” „Matig je in alles.” „Zorg dat je van passies en begeerten bevrijd raakt.” „Breng in kleding en levensstijl niets opvallends aan.” Dat was Calvijn en zijn volgelingen uit het hart gegrepen. Zwart was de kleur van hun kleding, hoewel in het Woord onomwonden zegt: „Laat uw klederen ten allen tijde wit zijn en laat olie op uw hoofd niet ontbreken.” (Prediker 9 vers 8) Eigenaardig toch dat vrijwel alle christenen zich aan zo’n duidelijk kledingvoorschrift niets gelegen laten liggen. Ooit Rouvoet in ’t wit gezien en met olie op zijn hoofd ? Nee, alleen met boter, heel veel boter. Calvijn heeft Seneca goed gelezen. „Het verlangen naar lekkernijen is een teken van luxezucht”, aldus deze Romeinse calvinist. Seneca bepleit ‘leven in eenvoud’ en ‘het begrenzen van verlangens’. Seneca keert zich tegen alle vormen van amusement. „Eén voorbeeld van zucht naar luxe of bezit doet al veel kwaad.” „Houd je lichaam binnen de perken, geef je ziel de ruimte.” „Bedenk hoe heerlijk het is om niets te wensen.” „Weg met alle pracht en praal.” Seneca was zelfs gekant tegen muziek. „Ik wil niet”, schrijft hij zijn leerling Lucilius, „dat je je stem via allerlei ladders en speciale melodieën omhoog en dan weer omlaag laat gaan.” „Muziek belemmert gedachten en hindert de aandacht te richten op iets serieus.” Zover ging Calvijn niet, psalmzingen was geoorloofd, maar daarbij moest het blijven en daardoor heeft het calvinisme, anders dan het lutheranisme, niet één behoorlijke componist voortgebracht. Sweelinck, zegt u. Die is z’n hele leven katholiek gebleven, al speelde hij in de Oude Kerk. Maar niet in kerkdiensten, want in calvinistische diensten was orgelspel toentertijd niet geoorloofd. Net als de calvinisten uit mijn jeugd was Seneca overal tegen. Van hem mocht je zelfs niet verliefd worden. In een brief aan z’n leerling Lucilius legt hij uit wat je moet doen om van een verliefdheid af te komen. In een andere brief schrijft hij „Een mensenleven is amper toereikend om de ondeugden te beteugelen en onder het juk te brengen.” Kijk, daar heb je het juk weer waar ze mijn hele jeugd mee vergiftigd hebben. Mijn moeder zei altijd: „Een kind moet het juk al dragen in zijn jeugd.” Je moest ‘onder het juk’ van God door. Het leven was eigenlijk niets anders dan een juk dat je droeg, de vreugde kwam pas na je dood, mits je uitverkoren was. Zeker, de walgelijke predestinatieleer van J. Calvijn komt niet bij Seneca vandaan – die heeft de afknijper uit Genève zelf bedacht (ze is namelijk totaal onbijbels), maar dat indammen van levensvreugde, dat bestrijden van elke vorm van genieten, komt eerder bij Seneca vandaan dan uit de Bijbel. Seneca was tegen dansen, Calvijn ook, hij wou het volledig uitbannen uit Genève. Merkwaardig, want zijn grote held David danst „uit alle macht”. En in Prediker (3:3) lezen we „Er is een tijd om te dansen”. In Prediker (9:9) staat: „Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt”. In het Woord kom je heus niet tegen „Tranen mogen, rouwmisbaar niet”. Ook dat haalde Calvijn bij Seneca vandaan. Het calvinisme is eerder een bijbelse variant van de leer van Seneca dan een waarlijk schriftuurlijke vorm van Christendom.” (NRC Handelsblad 10 juni 2009)

Back to top

Beoordeling

Onbegrijpelijk dat dit niet verteld wordt in calvinistische kringen maar ook niet daarbuiten. Dit centrale aspect van het ‘calvinisme’ komt niet van Calvijn vandaan!
En dat het wel verteld wordt door een intelligente waarnemer van buiten de kring van historici en theologen (het kan best zijn dat het eerder is gesignaleerd maar het wordt nergens verteld en doorgegeven.) Het geeft weer eens aan dat het in kringen van kerkelijk gebonden gelovigen en theologen gebruikelijk is de veelvormige historische werkelijkheid te reduceren tot één als dogma voorgeschreven en voor te schrijven waarheid, die dan alleen door de kenners (de theologen en de leken die de erkende opvattingen getrouw volgen) verbreid mag worden. En zo blijft die reductie dan keurig in stand.
Althans binnen die kringen, want de Geest waait gelukkig altijd waarheen Zij wil: zonder zich iets van de grenzen aan te trekken die kringen trekken.
Voor wie hierbij opmerkt, dat het ook in de wetenschap en de politiek vaak zo gaat – ‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt’ – geef ik graag toe dat de kerkelijke instituties niet de enige zijn waar het zo werkt.
Dat is misschien ook niet erg, als men maar bereid is de betrekkelijkheid van zo’n ‘waarheid in eigen kring’ in te zien en te erkennen. Misschien heeft het wel voordelen om niet permanent alles van alle kanten te hoeven bekijken, maar dat wil niet zeggen dat de eigen waarheid ook buiten de eigen kring waar hoeft te zijn.
Het probleem van mensen die net als ‘t Hart ‘onder het juk’ zijn geweest, is dus niet dat de waarheid ook anders gezien kan worden dan hun is ingepompt, maar dat zij vrij mogen zijn of via een soms moeilijke deïndoctrinatie opnieuw vrij mogen worden om hun eigen weg te zien en te gaan, dat wil zeggen hun vrijheid te ervaren en ervoor te kiezen, met alle risico’s maar ook met alle voordelen vandien.
De ingepompte waarheid niet volgen kan bevrijdend zijn, daarom is het van belang het inpompen te vermijden waar gesuggereerd wordt dat het om eeuwige waarheden gaat, en mensen die het aan kunnen, te leren welke alternatieven er zo zijn om het leven te leven, en ze te helpen hun eigen keuzes te maken en eigen paden te vinden.

Daarbij kan nog aangetekend worden dat ‘t Hart door het criterium ‘schriftuurlijk’ tegen de stoïcijnse invloed op Calvijn in te brengen, nog eens extra bewijst dat zo’n criterium een sterke invloed en bewijskracht hebben kan binnen een traditie. Iets anders is of dit criterium los van die traditie waarde heeft, en daar heeft ‘t Hart het niet over. Feit is dat de definitie van de ‘Heilige Schrift’ en het hanteren van het criterium ‘schriftuurlijkheid’ weliswaar kenmerkend zijn voor onder meer de calvinistische traditie waar ‘t Hart (en ik) uit voortkomen maar dat beide (definitie en hanteren ervan) kenmerkende voorbeelden zijn van hoe religies zichzelf als systemen rechtvaardigen en in stand houden. Eerst was er het systeem van de christelijke religie, toen pas de definitie en de handhaving ervan. Waarmee ik maar wil zeggen dat het waarschijnlijk heel goed mogelijk is dezelfde geschriften ook anders te lezen en te hanteren dan volgens die ooit ingestelde criteria. Misschien wel zoals ze daarvoor of nog verder terug, bij hun ontstaan, of op nog heel andere manieren, zijn gelezen. Als opstapje voor wellicht nog andere manieren. Zo gaat dat immers met teksten en met lezen!
‘t Hart heeft in andere publikaties nogal eens nadruk gelegd op tegenstrijdige uitlatingen in de Bijbel. Die zijn er ook, vaak nog veel pregnanter dan de voorbeelden die hij noemt (denk maar eens aan de vraag of nu beweerd wordt dat je God kunt zien, of niet: volgens Mozes niet, maar volgens Jezus wel). Die tegenstrijdigheid bestaat alleen als je binnen een kader denkt waarin alles moet kloppen, bijvoorbeeld omdat alles ‘schriftuurlijk’ moet zijn. Maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet in die bepaalde zin. Er zijn ook andere manieren, oneindig zelfs, om bepaalde teksten te combineren, of niet te combineren, en er dan toch iets van betekenis aan te ontlenen of in te leggen. Misschien is met of binnen (een) traditie (of tradities) die daar ruimte voor bieden, wel beter te leven dan in een traditie die zichzelf erg eng definieert. Eens proberen?

Back to top

Ten slotte

Leve het dansen, leve de muziek, leve het leven!
Een andere kwestie is natuurlijk, wat er dan wel typisch van Calvijn is aan het calvinisme, maar daar gaat het hier even niet over.

P.S. De predestinatieleer of leer van de voorbeschikking die Calvijn leert, komt behalve bij Augustinus ook voor in geschriften die gevonden zijn in Qumran, en dus onderdeel uitmaken van de zogeheten Dode-Zeerollen. Daar wordt wel gesteld dat God diegenen die er andere opvattingen op na houden, bij voorbaat heeft verdoemd.

Back to top

Naar inhoudelijk meest verwante eerstvolgende pagina

Naar chronologisch eerstvolgende pagina


myspace visitor counter


© Boudewijn Koole – be free to cite and copy but please refer to this page or to www.bk-books.eu
URL: www.bk-books.eu/bespreking/calvijn-haalde-zijn-benepen-zuinigheid-niet-uit-de-bijbel | Version 2.001 20 May 2010 (version 1.1: 22 April 2010)

Gepubliceerd door

bk_books

Sint Laurens op Walcheren is mijn geboortedorp (1947); mijn ouders waren ƚ Leen Koole en ƚ Suzan (San) Huibregtse; mijn zus is Jopie en mijn broers zijn Wibo en ƚ Rien. Mijn jeugdvrienden waren ƚ Peter Karstanje en Wim Wattel. Na het gymnasium studeerde ik in Amsterdam theologie (was vier jaar student-assistent bij prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Nel Knip is mijn levenspartner. Wij wonen in Driebergen na Amsterdam en Tiel. Wij kregen twee kinderen en vier kleinkinderen. Ik werkte als wetenschappelijk medewerker filosofie in Amsterdam, cursusleider religie en samenleving in Driebergen, universitair bibliotheekmedewerker in Amsterdam, Utrecht en Den Haag (KB). Uiteindelijk als vertaler en auteur. Onder leiding van prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik vertaalde en schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Na onze pensionering zijn Nel en ik onder meer bezig met: onze kleinkinderen, andere contacten, diverse activiteiten en lezen.