BK-Books.eu » Besprekingen » Bewustzijn

Bespreking van...

Anthony de Mello, Bewustzijn: Risico’s en mogelijkheden van de werkelijkheid, Amsterdam (Samsara) 2004, 236pp.

Dit is een subliem en briljant boek. Het legt zijn thema’s zo helder uit dat je handen jeuken om je de ervaring van het boek eigen te maken. Dat kan alleen door loslaten en helder zien, in combinatie met elkaar. Bewustzijn is de sleutel. Hoe dat werkt, maakt de schrijver op aanstekelijke en indrukwekkende wijze duidelijk via sublieme verhaaltjes in combinatie met glasheldere uitleg. Je herkent er best wel goed een aantal achtergronden van de schrijver in, en iets van de geest van de jaren tachtig van de twintigste eeuw, want het zijn uitgewerkte toespraakjes. Maar dat is eigenlijk alleen maar des te leerzamer.
Een belangrijker punt is dat de Mello zichzelf presenteert als iemand die het voorrecht heeft ontvangen dat hij veel inzicht heeft gekregen, zelfs zoveel dat hij over de verlichting spreekt vanuit eigen ervaring. Maar je merkt ook dat hij nog in de fase van het eerste enthousiasme is wat het overdragen betreft, hij voelt de spanning in hem en om hem tussen de ervaring van de verlichting en hoe ver de patronen in en om ons daar soms nog van af staan (patronen die passen bij zijn priester zijn in de Rooms-Katholieke Kerk, bij zijn intellectuele opvoeding, bij het publiek dat daar ook vaak in past). Dat ‘moeten’ signaleert hijzelf ook wel, en het komt vooral tot uiting in zijn wens om anderen deelgenoot te maken van de ervaringen van verlichting. In hoeverre je mag zeggen dat ook zijn verlichting nog verder had kunnen rijpen naarmate hij ouder geworden was – hij stierf op reis in de USA op 56-jarige leeftijd – weet ik niet. Ik ben er geen deskundige in, hoewel ik zelf ook vaak ervaar dat ik nog zo vast zit aan allerlei onbewuste wensen om aan een of ander ideaal te voldoen. De Mello zegt het zelf: dat is niet vereist. Maar het werkelijk loslaten ervan, het werkelijk realiseren daarvan, is ieder moment een nieuw geschenk en een nieuwe verdieping, als we die echt toelaten en ons toevertrouwen aan wat buiten alle kaders de grond vormt van ons bestaan, zou ik het willen noemen. Zonder direct al je huidige kaders of patronen onmiddellijk ook uiterlijk te hoeven verlaten – dat mag ook beetje bij beetje, het voornaamste is de innerlijke kant, dan komt de rest ook. Maar ook afgezien van deze opmerking die ik terzijde plaats, blijft wat De Mello hier biedt, van onschatbare waarde voor ons Westerlingen, zeker ook voor hen die net als hij in een christelijke traditie groot zijn geworden, die een Westerse intellectuele opleiding hebben gehad, en verder voor ieder die – ook los daarvan – willen leren van de Oosterse benadering van spiritualiteit. En hoe verlichting – of het wakker maken van mensen als doorgeven van of openen voor een bepaalde energie en bewustzijn – ook in het optreden van Jezus de kern vormde.

Sommige van die verhaaltjes van De Mello vergeet je je hele leven niet meer, zo helder is de scope. Beseffen dat je niet wakker wilt worden. Je geloofssysteem ter discussie willen stellen, je concepten en andere vaste ideeën. Je identificaties loslaten en jezelf los ervan zien, inclusief die met maatschappelijke conventies die erin meegenomen zijn. Zelfobservatie bewijst daarbij belangrijke diensten. Het bewustzijn dat hij beschrijft bestaat uit waarnemen en zien zonder vooringenomenheid, fris en rauw. Zowel binnenin je als buiten je. Daar leidt hij ook uit een handelwijze uit af, namelijk de aandrang om vanuit de gevoeligheid die aan het bedoelde bewustzijn eigen is, tot liefdevol ‘zijn’ en handelen te komen. Het bestaat uit volstrekte innerlijke vrijheid, uit liefde, vrede en veel meer (lees maar).
Die verandering gaat moeiteloos zoals hij toelicht met een citaat: “Er is niets zo wreed als de natuur. In het hele universum is er geen ontkomen aan en toch is het niet de natuur die verwondt, maar iemands eigen hart.” Hij legt uit dat het het moeilijkst is van onze vaste denkbeelden af te komen, niet met de stroom mee te varen – al is beide niet zonder risico. Het moeiteloze zit hem er in dat je best met de stroom mee kan gaan, maar dat als je dat bewust doet, je toch de neiging krijgt je hart (je gevoeligheid) te laten spreken. En dat levert niet meer maar ook niet minder gevaren op voor onze fysieke buitenkant. Echte wonden zijn echter niet fysiek, maar geestelijk. Fysiek veranderen we eindeloos, tot en met onze dood en vergankelijkheid toe. Het gaat er beslist niet in de eerste plaats om ons te beschermen tegen uiterlijke invloeden of veranderingen of achteruitgang, die bij onze natuur hoort. Sterven we met ons hart, dan is het pas goed mis. Omgekeerd, leven we geestelijk, dan kunnen we spreken van bewust leven. (204vv.)
Om liefde te kunnen toelaten en door ons heen te laten stromen is geestelijke bevrijding nodig van onze verslavingen. Liefde komt voort uit bewustzijn en nergens anders door; het is niet iets wat je produceert; het is iets wat jou heeft. Leven is als je alle belemmeringen overboord hebt gezet en met frisse ogen in het huidige moment leeft. “De vogelen des hemels … zij arbeiden niet en spinnen niet.” (Tussen haakjes: hoewel in dit boek niet uitgebreid aangehaald, zweven bepaalde gedeeltes van de bergrede van Jezus het hele boek op de achtergrond: Evangelie van Matteüs hoofdstukken 5 tot en met 7, met parallellen in het Evangelie van Lukas. Het kan geen kwaad die erbij te hebben en een paar keer door te lezen: fantastische woorden!). Het kwaad, de haat en de oorlogszucht zit niet per definitie in ons. Als we niet gewelddadig bejegend worden, zijn we ook niet gewelddadig of op roof uit, citeert de schrijver een andere schrijver en succesvolle opvoeder, A.S. Neill met diens boek Summerhill. Wij zijn niet verdoemd bij voorbaat door een erfzonde die kerkvaders uit de eerste eeuwen van het kerkelijke christendom in de bijbel gelezen hebben en tot dogma verheven. Integendeel, wij kunnen heel veel leren, ook samen, hoe we willen samenleven zonder angst voor elkaar of de toekomst te hoeven hebben. Niet dat alles op rolletjes zal lopen, maar als het misgaat, kunnen we dat deels op rekening van de natuur schrijven, en deels op die van onze vrije wil die we dus niet kwijt geraakt zijn. Want die is de basis van ons bewustzijn. Als we die niet hadden, zouden we nooit verantwoordelijk mogen of hoeven te zijn. Maar we hebben zowel die vrije wil gekregen als een aantal mogelijkheden (binnen bepaalde grenzen) om onze verantwoordelijkheden samen vorm te geven. En dat begint met samen genieten en luisteren. De voeding daarvoor is niet de race om te overleven, of de race om te winnen van anderen. Maar het leren ervaren van het wonder en de wonderen van het bestaan, ieder moment en gratis. Ons bewustzijn kan zo ver groeien dat risico’s van leven en dood in fysieke zin ons niet lamleggen, sterker dat ze ons ten diepste niets uitmaken. Al spelen we er niet mee alsof ze helemaal niet meetellen, maar lichthartig. Want geestelijk leven – bewustzijn – komt eerst. En dat dwingt nooit. Zeker niet via de maatschappij en evenmin in onszelf (uiterlijke conflicten hebben altijd een innerlijke oorzaak, zijn een projectie daarvan). Dus we lossen eerst onze innerlijke conflicten op (222vv.).

Ten slotte een lang citaat. Een persoonlijke keuze maar het hele boek is het waard geciteerd te worden. Een lust om te lezen en van veel waarde!
“Iemand heeft eens gezegd: ‘De drie moeilijkste dingen voor een mens zijn geen lichamelijke of intellectuele prestaties. Het zijn in de eerste plaats liefde teruggeven voor haat; in de tweede plaats het omhelzen van de buitengeslotene; ten derde: toegeven dat je je vergist.’ Maar die dingen zijn doodeenvoudig als je je niet met ‘mij’ identificeert. Je kunt dingen zeggen als: ‘Ik vergis me! Als je me wat beter kende, zou je zien hoe vaak ik het mis heb. Wat verwacht je anders van een ezel?’ Als ik me niet identificeer met die aspecten van ‘mij’ kun je mij niet kwetsen. Aanvankelijk zal de oude conditionering opspelen en zul je gedeprimeerd en nerveus zijn. Je hebt verdriet, je huilt enzovoort. ‘Voor verlichting was ik vaak gedeprimeerd; na de verlichting blijf ik maar gedeprimeerd.’ Maar er is een verschil: ik identificeer me er niet meer mee. Heb je enig idee hoe groot dat verschil is?
Je treedt buiten jezelf en observeert die gedeprimeerdheid; je identificeert je er niet mee. Je doet niets om haar uit de wereld te helpen; je bent geheel en al bereid met je leven door te gaan terwijl ze door je heen gaat en weer verdwijnt. Als je niet weet wat dat betekent, heb je echt iets om je op te verheugen. En angst? Die komt, en je maakt je nergens druk om. Wat raar! Je bent bang en je maakt je nergens druk om.
Is dat geen paradox? En je bent bereid die wolk welkom te heten, want hoe meer je ertegen vecht, hoe meer macht je eraan toekent. Je bent bereid er in het voorbijgaan naar te kijken. Je kunt blij zijn terwijl je bang bent. Is dat niet bezopen? Je kunt blij zijn in je depressie. Maar je kunt niet de verkeerde opvatting over geluk hebben. Dacht je soms dat geluk uit opwinding of uit kicks bestond? Dat is juist de oorzaak van die depressie. Heeft niemand je dat ooit verteld? Oké, je bent nu aan opwinding ten prooi, maar je plaveit alleen maar de weg voor je volgende depressie. Je hebt je kick, maar in één moeite door krijg je ook de bijbehorende angst: hoe kan ik dit laten voortduren? Dat is geen geluk, dat is verslaving.
Ik vraag me af hoeveel niet-verslaafden dit boek zullen lezen. Als je een doorsnee wereldburger bent, zijn het er maar verdomd weinig. Kijk niet neer op alcoholisten en drugsverslaafden, misschien ben jij wel net zo verslaafd als zij. De eerste keer dat ik een glimp van deze nieuwe wereld opving, was het angstaanjagend. Ik begreep wat het betekende om alleen te zijn, zonder één enkele plek om mijn hoofd neer te leggen, om iedereen vrij te laten en zelf vrij te zijn, om voor niemand bijzonder te zijn en van iedereen te houden, omdat liefde nu eenmaal zo werkt. Zij beschijnt goed en kwaad in gelijke mate: zij laat de regen zowel op zondaren als op heiligen dalen.
Kan een roos zeggen: ‘Ik sta mijn geur af aan de goede mensen die mij ruiken, maar ik weiger hem aan slechte mensen te geven?’ Of kan een lamp zeggen: ‘Ik geef mijn licht aan de goede mensen in deze kamer, maar niet aan de slechte?’ Of kan een boom zeggen: ‘Ik geef mijn schaduw aan de goede mensen die onder mij rusten, maar niet de slechte?’ Dat zijn beelden van de betekenis van de liefde.
Liefde heeft ons altijd recht in het gezicht gekeken vanuit de geschriften, maar we hebben er altijd overheen gezien, omdat we zo geobsedeerd waren met wat onze cultuur liefde noemt, met z’n liefdesliedjes en gedichten. Dat is helemaal geen liefde, maar juist het tegenovergestelde. Dat is verlangen, machtswellust en bezitterigheid. Dat is manipulatie, angst en zorgelijkheid; dat is geen liefde. Ons is verteld dat geluk een gave huid en een vakantieoord is. Daar zit het ‘m niet in, maar we beschikken over subtiele manieren om ons geluk afhankelijk te maken van andere dingen, zowel vanbinnen als vanbuiten. We zeggen: ‘Ik weiger gelukkig te zijn als mijn neurose niet opduvelt.’ Ik heb goed nieuws voor je: je kunt nu meteen gelukkig zijn, mét neurose en al. Wil je nog beter nieuws? Er is maar één reden waarom je niet ervaart wat wij in India anand noemen, gelukzaligheid. Er is maar één reden waarom je nu, op dit moment, geen gelukzaligheid beleeft, en die is omdat je je concentreert op wat je niet hebt. Maar nu, op dit moment, beschik je over alle ingrediënten om gelukzalig te zijn.
Wat Jezus tegen leken en hongerige en arme mensen zei, was gewoon gezond verstand. Hij gaf hun het goede nieuws; ze konden het zo pakken. Maar wie luistert er? Niemand heeft belangstelling; ze zijn liever in slaap.” (78-81).

Evenals de andere boeken van de Mello die besproken zijn op deze site, Handvol water en De weg van Stilte, zeer aanbevolen.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.