BK-Books.eu » Besprekingen » Als een Bovenaardse Rivier

Bespreking van...

P.F.W. Huijs, Als een Bovenaardse Rivier: De verborgen stuw van de Gnosis in Europa, Haarlem (Rozekruis Pers) 2001, met register en literatuurverwijzingen, 327pp.

Zie de opmerking vooraf.
In dit boek heeft de auteur een aantal interessante hoofdstukken bijeengebracht over inspiratiebronnen van de moderne Rozekruisers, met name van het Lectorium Rosicrucianum waarin hij zelf deelneemt als redacteur van het tijdschrift Pentagram. Het bronnenmateriaal is per hoofdstuk erg uiteenlopend en dit werkt ook wel door in het karakter van de verschillende hoofdstukken, soms kan een tijdlang een bron gevolgd worden en dat levert dan een iets andere stijl en toon op dan in een ander stuk. De onderwerpen omvatten onder meer (!) Egypte, de Essenen, Hermes Trismegistos, Mani, de Bogomielen, Johannes Tauler, Paracelsus (“de eerste rozenkruiser”), Jacob Boehme, Johann Valentin Andreae, J.A. Comenius, en J. van Rijcenkborg. De meeste informatie is erg interessant, ook al is de tekst het ene moment zakelijk en het andere moment overlopend van inspiratie. Ik kan niet goed beoordelen of de auteur er in geslaagd is de zeer uiteenlopende stof in ??n perspectief te behandelen, daar heb ik vragen bij, ook of dat wel zou kunnen. Maar erg waardevol is het boek vanwege het feit dat de geboden informatie, met name ook de zakelijke, vaak nergens anders zo goed is te vinden in inleidende vorm. De auteur heeft naar evenwicht gestreefd en is daar grotendeels in geslaagd, en hetzelfde geldt voor het gebruik van zijn bronnen en hoe hij dat verantwoordt. Wie tijd heeft om de aparte onderwerpen zelf te bestuderen en de moeilijkheidsgraad aankan, zal de bronnen zelf kunnen raadplegen en de studies die er over te vinden zijn, maar als inleidend overzicht is dit een belangrijk boek. Waar vind je deze informatie over de belangrijke Paracelsus zo bijeen en zo toegankelijk? [Zie inmiddels de gloednieuwe vertalingen in het Nederlands van werken van Paracelsus bij Uitgeverij Woudezel!]En dat geldt voor meer hoofdstukken. De verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur zijn vaak erg beperkt of ontbreken; daar staan andere waardevolle verwijzingen tegenover naar kwalitatief goede populaire en goed leesbare werken.
Opmerkelijk vond ik in het hoofdstuk over de stichters van het Lectorium Rosicrucianum de passage (306) over de categorische afwijzing van de gehele leer en het onderricht in de astrologie in 1945 nadat die in de jaren daarvoor een wezenlijk deel van het onderricht hadden uitgemaakt. ?Want, aldus de leiding, dat heeft allemaal betrekking op de oude dialectische persoonlijkheid en op het Hoger Zelf, en niet op de centrale geestkern, die als een totaal nieuwe persoonlijkheid in de microcosmos zal ontwaken.? Daar leid ik uit af dat ook in het denken binnen deze mysterie- of geestesschool zich een groei naar een sterkere eigen identiteit heeft voorgedaan, een concentratie op en doorwerking van wat als het wezenlijke wordt ervaren. Tegelijk wordt daarin zichtbaar hoe de doorwerking van het wezenlijke – de verbinding met de ene geestelijke wereld die onze gespleten en veelvormige lagere wereld in alles te boven gaat – altijd ook een mengeling van het menselijke en het ‘goddelijke’ is.
In hetzelfde hoofdstuk vond ik nog een passage (307-308) erg opvallend, waar de ontwikkeling van zeven werkvelden van de school beschreven wordt, waarvan de zesde en zevende voornamelijk te maken hebben met het werk der innerlijke graden van de mysterieschool (308). Uit de publicatie De Roep van het Rozenkruis (21, 85: ?[De Rozenkruisers] delen geen inwijdingen uit.?) en andere publieke mededelingen heb ik begrepen dat er in deze school geen uiterlijke rangen zijn (wel organisatorische taakverdelingen). Ieder is ‘leerling’ en als zodanig gelijke van alle anderen; hoe zou dat ook anders kunnen als de weg naar het hoogste doel de volkomen zelfopoffering omvat (idem 78). Overigens spreekt het uiteraard vanzelf dat onderwijs gericht moet zijn op het niveau van de leerling en dat dat niveau kan uiteenlopen. Maar ook hier proef ik toch dat er een plaats is waar niveauverschillen vastgesteld kunnen worden in de innerlijke ontwikkeling. Hopelijk komen de resultaten daarvan ten goede aan degenen die dat verdienen, en beperkt dat niet nodeloos iemands vrijheid en verantwoordelijkheid maar stimuleert die (ik zie hier opnieuw een parallel met sommige vormen van zen-boeddhisme, met de voor- en nadelen van deze zeer persoonlijke relatie met hooggeachte geestelijk leidende personen). In dit boek wordt net als in alle geschriften uit de kringen van Rozekruisers duidelijk dat wie echt leert luisteren, haar of zijn gedrag vervolgens laat bepalen door de wijsheid, de liefde, de solidariteit en de “realiseringsimpuls” die men zo heeft ervaren. Tegelijk is het mijns inziens goed om nuchter vast te stellen dat de organisatorische kanten van de school en de menselijke kanten van allen die erin functioneren, dezelfde kenmerken lijken te vertonen als die van alle organisaties en mensen in onze wereld. Geen religieuze organisatie is permanent de “hemel op aarde” geweest, al hebben sommigen er soms de “hemel” in ervaren, of hebben in die kring van de “hemel” geleerd (Jacob Boehme zegt bijvoorbeeld dat wij in principe altijd met de “hemel” verbonden zijn en er toegang toe hebben, al verliezen wij soms dat bewustzijn). Dat geldt ongetwijfeld niet minder voor andere organisaties, menselijke relaties en individuele ervaringen. Wie zal trouwens ontkennen dat die ervaring en die lessen al heel, h??l veel waard kunnen zijn?
En welke kansen dienen zich vervolgens aan?!
“Niet mijn wil …” (Evangelie naar Lukas 22 vs 42).
“Men late het aan de goden zelf over ons het waarlijk bevorderlijke te verlenen en bidde hun alleen om een gezond lichaam en een gezond mensenverstand (orandum est, ut sit mens sana in corpore sano)” (Iuvenalis, Satires X 356; hij bedoelde hiermee overigens niet dat een gezond lichaam voorwaarde, of zelfs enige voorwaarde, laat staan garantie is voor een gezonde geest – zoals dit citaat in de moderne tijd vaak verstaan is; de context van zijn uitspraak is namelijk een voorafgaand betoog tegen de veelal dwaze verzoeken die mensen hun goden doen, vaak gericht op beperkte genietingen).

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.