BK-Books.eu » Besprekingen » Aansporing tot de filosofie

Bespreking van...

Iamblichos, Aansporing tot de filosofie: Ingeleid, vertaald en geannoteerd door Henri Oosthout,[ met register,] Kampen (Klement) 2006, 218pp.

De hier vertaalde tekst van de filosoof Iamblichos is in vele opzichten intrigerend, wanneer we zien waartoe hij aanspoort en in welke traditie hij staat. Iamblichos wordt gewoonlijk aangeduid als de laatste grote neoplatonicus. Zijn leraar Porphyrius – van wie hij qua ‘naam’ en invloed waarschijnlijk een concurrent wilde zijn – en diens leraar, de beroemde Plotinos, zijn veel bekender. Het neoplatonisme dat zij aanhingen en praktiseerden, is een filosofie met veel invloed in de latere christelijke middeleeuwen en in de christelijke mystiek. Dat is opmerkelijk want hoewel zij duidelijk belangrijke erfgenamen waren van de Grieks-klassieke filosofische traditie, in het bijzonder Plato, in beperkte mate vermengd met elementen van andere grote filosofenscholen waaronder die van Aristoteles en van de Stoa, hadden zij geen enkele behoefte om zich met het christendom te vereenzelvigen. Dat hadden zij gewoon niet nodig, ze hadden voor het denken en voor het leven genoeg aan hun oude traditie in neoplatoonse vorm. Iamblichos voert die ten tonele als een verdieping, uitbreiding en toepassing van de leringen van Puthagoras (ik volg de begrijpelijke fonetische schrijfwijze van de vertaler en inleider). Dit klopt in grotere mate dan vaak werd aangenomen omdat ook de verdere klassieke filosofenscholen in het algemeen grote waardering hadden voor Puthagoras, stichter van een van de bekendste mysteriescholen van de klassieke Oudheid. (Niet onvermeld mag blijven de recente, helder geschreven Nederlandse historische roman over Porphyrius – ook zijn werk aan aan Plotinos’ geschriften en Iamblichos komen er in voor – : Paul Janssen, Het Tolhuis: Het Romeinse Rijk in verval onderneemt nog één poging om het opkomende Christendom tot staan te brengen, Amsterdam (Uitgeverij 521) 2004, 431pp.)
De neoplatonici voelden niet veel voor de gnostische mythologische verklaring van de wereld, die huns inziens te weinig ruimte bood voor het verstand, voor rationele begrippen, voor logisch denken, al hadden zij voor een niet onbelangrijk deel hetzelfde mythologische parcours als achtergrond. Zij waren en voelden zich duidelijk concurrenten van de christelijke en heidense mythologen en gnostici. Maar voor hen was het intellect het belangrijkste voertuig voor het bereiken van het doel van het menselijk leven. Want de neoplatonici maakten onderscheid tussen denken en intuïtie, tussen redeneren en schouwen. Maar zij beschouwden de laatste van die twee als de hoogste, zij het dat die niet in tegenstelling tot maar via de weg van de eerste van die twee bereikt moest worden. Uiteindelijk werd deze opvatting een pijler van de christelijke mystiek en van de vroeg-middeleeuwse theologie. Het algemene en het ene te bereiken doel, tevens de grondslag van denken en van zijn, werd daarbij vereenzelvigd met de God van de christenen, iets dat voor deze oorspronkelijk neoplatonici beslist heel vreemd geweest zou zijn. (Interessant om te bedenken dat ook in het christendom aanvankelijk veel weerstand was om de God van de Joden te vereenzelvigen met de hoogste God zoals men die in navolging van de Griekse filosofen en mysteriescholen kende. Daarom voerden de christelijke mysteriescholen van de gnostici een hoogste God in waaronder een tweede God de rol van schepper van de wereld kreeg. Deze laatste werd met de God van de Joden vereenzelvigd.)
In hoeverre Iamblichos en de andere neoplatonici ook invloed hadden in de islamitische filosofie en mystiek durf ik niet precies te zeggen omdat de middeleeuwse Westerse filosofie van de islamitische vooral die van Aristoteles leerde kennen (uit van het Grieks in het Arabisch in het Latijn vertaalde teksten, waarna in het Westen later de oorspronkelijke Griekse weer werden bestudeerd!). Maar Iamblichos leerde in Syrië, en het zou gemakkelijk kunnen in geografisch opzicht.

Intrigerend is deze tekst van Iamblichos nu voor mij vooral omdat zij een prachtige samenvatting vormt van waar het in een van de belangrijkste tradities van het Westerse denken om ging en om gaat. Meestal beperken de geschiedenisboeken daarover zich tot de filosofen Plato en Aristoteles die men als de voornaamste aanduidt. Maar vaak komt er niet veel terecht van het plaatsen van deze in hun oorspronkelijke context. In deze tekst en de buitengewoon verhelderende toelichting erop wordt die context juist heel goed duidelijk. En dat levert erg interessante inzichten op. Want het ging tegelijk om argumenten waarmee het denken en filosoferen hun plaats in de samenleving moesten verduidelijken en bevestigen. In dit boekje kunnen we dan ook een passage vinden waarbij Aristoteles het probleem aansnijdt dat intellectuelen in de maatschappij per definitie hebben. Hij maakt namelijk onderscheid tussen theorieën met praktische waarde en de meer algemene wijsheid. In onze tijd waarin vele deskundigen zo goed weten hoe precies de vork in de steel past op een detailgebied en weinigen het overzicht hebben om algemene dilemma’s en problemen goed te verwoorden en oplossingen aan te bieden die fundamenteler zijn, is dit een relevante vraagstelling. De ‘wetenschappers’ uit die oude tijden waren trouwens vaak dezelfde als de denkers. Terwijl bij ons de nieuwe vakgebieden als paddestoelen de grond uit rijzen als er maar iemand brood in ziet. Brood dat vaak alleen op luchtkastelen gebaseerd is behalve dan voor degenen die met het verkopen van deze verhalen veel geld verdienen. Er was dus al heel vroeg een belangrijke traditie in onze cultuur die de eenheid van de verschijnselen bestudeerde en probeerde daar grondslagen uit af te leiden voor ons handelen en voor de samenleving.
Belangrijk is deze traditie ook omdat er veel elementen in voorkomen niet alleen uit de hoofdstromen van de Westerse filosofie (of zelfs uit de Westerse mystiek, zoals genoemd) maar ook uit een veel minder bekende traditie die van de esoterische stromingen, ook wel geestesscholen of mysteriescholen genoemd. Tegenwoordig wordt weer erg duidelijk dat die ook een grote invloed op het oudste christendom gehad hebben (en het als zijn concurrenten uiteindelijk van het christendom verloren in de strijd om aanhang onder grote groepen in de bevolking, onder intellectuelen en in de politiek). Maar hier gaat het om de samenvatting van die belangrijke traditie met veel van die elementen uit de tijd dat het christendom staatsgodsdienst aan het worden was. En het blijkt hier dat deze traditie – die zichzelf ook als school voor ingewijden zag, dus als een esoterische traditie! – een belangrijk punt van vergelijking vormt voor wat er in latere tijden en zeker ook in onze tijd aan esoterische tradities binnen het Westen heeft bestaan, zij het dat deze tekst van Iamblichos de oude termen en begrippen gebruikt op een manier die nog niet door de middeleeuwse scholastiek of het moderne rationalisme of de moderne taalfilosofie is beïnvloed. En zij het ook dat voor deze traditie de nadruk ligt op het denken en het schouwen en niet op gevoel en mythologie. Maar wel op intuïtie en mythen inzoverre die een samenhangend beeld opleveren waarmee we de doeleinden van het menselijk leven beter kunnen zien en er beter naar kunnen handelen. Zaken die in elke esoterische beweging – en eigenlijk ook in de latere Westerse religie en wijsbegeerte in hun vele vormen – belangrijk zijn (het minst wellicht waar wetenschappelijke specialisatie of andere eenzijdigheid de nadruk op grote lijnen heeft doen vervagen) of zouden moeten en kunnen zijn. Want altijd liggen er vragen naar evenwicht, naar rechtvaardigheid, naar wijsheid die boven het zuiver verstandelijke uitgaat en dat zou moeten omvatten en aansturen. Dat deze betrekkelijk onbekende tekst niet meer functioneert in het denken van tegenwoordig, geeft wellicht aan dat het tijd wordt om weer opnieuw aandacht te besteden aan die vragen, maar wellicht ook dat geen tekst voor alle tijden alle antwoorden kan leveren. Maar zij kan wellicht helpen onze vragen beter te stellen, onze theorieën beter te doordenken en uiteindelijk betere houdingen te vinden om aan te nemen, en denkbeelden te ontwikkelen over wie wij zijn, wat wij kunnen weten en hoe wij moeten handelen.
De tekst is uiteraard om nog veel meer redenen interessant. Zij kan helpen het beroemde werk van Ploteinos, De Enneaden (zie mijn bespreking van enkele inleidingen in en de Nederlandse vertaling van dit werk), en andere geschriften uit de oudheid beter te begrijpen. En voor studenten van de klassieke filosofie en vakspecialisten op dat en op verwante gebieden is dit natuurlijk ook een buitengewoon interessante uitgave, alleen al door de zeer toepasselijke commentaren die buitengewoon veel inzicht en doorzichten bieden. Het is een groot genoegen de vele noten te lezen waarin aandacht besteed wordt aan taal- en vertaalaspecten zoals variante woordbetekenissen en stijlvormen met hun consequenties, evenals aan de bronnen van woorden en hun betekenis.
Ik heb de intuïtie dat dit geschrift een typisch voorbeeld is van de problemen waarmee de mensheid worstelde toen zij van matriarchale culturen overstapte op patriarchale. Waarmee ik gemakshalve aanduidt dat in plaats van een orde die gebaseerd was op de periodiciteit van de seizoenen, van de vruchtbaarheid van het land en van de vrouw en van de maan (en waarin de mannen in het algemeen een daaraan gerelateerde functie hadden), een orde ontstond die zich baseerde op geschreven teksten, op logisch denken en recht (en waarin vrouwen meer en meer ondergeschikt raakten aan de hiërarchie met mannen aan de top, die hierdoor in het leven werd geroepen). Die verandering bracht het probleem mee hoe dit waardevolle sturende intellect en de verdere zich nu van de natuur onderscheidende cultuur zich nog verhield tot de ‘oorspronkelijk natuurlijke’ verhoudingen. Een probleem dat nog steeds speelt, zelfs heel actueel. Namelijk in het waarderen van de verhouding tussen technische macht en ingrijpen in de natuur. En in het waarderen van spontaneïteit en intuïtie ten opzichte van rationaliteit en wetenschap. En bij dat alles in de manier waarop we erover spreken. Want met grote woorden als wetenschap, religie, politiek, staat, kerk enzovoort komen we er misschien niet meer uit als die alleen verwarring scheppen of voortzetten in die verhoudingen. Deze tekst gaat over inzicht en handelen van mensen, en stelt aan de orde hoe die het beste kunnen groeien. Wellicht is het belangrijk om er goed gebruik van te maken, al was het alleen al door onze eigen wijzen van denken en spreken er naast te leggen. En aan zelfkritiek te doen. Al is ook dit geschrift geen lijstje van actuele toepasbare voorschriften. De zaken die in onze tijd spelen verdienen het daarbij onze uiteindelijke focus te zijn. Verhoudingen met andere culturen spelen daarin een rol. Laten we daarbij niet vergeten dat de auteur een Syriër was die na zijn leertijd in het Westen zelf een of meer scholen stichtte en onderwijs gaf in zijn geboorteland waarnaar hij teruggekeerd was.

De vertaalde tekst van Iamblichos’ geschrift Aansporing tot de filosofie met uitvoerige annotaties in noten onderaan de bladzijde wordt voorafgegaan door een inleiding. Hierin worden naast de belangrijke gegevens over de auteur en een eerste indruk van het vertaalde werk op heldere wijze de historische begrippen uitgelegd die de achtergrond van het werk vormen en in de vertaalde tekst en de annotaties terug zullen komen. Het hele boek – inleiding met literatuurverwijzingen, vertaling met annotaties, register – maakt een buitengewoon goed georganiseerde indruk. De vertaler / inleider spreekt vanuit een groot overzicht en vanuit grote detailkennis, die prettig wordt gepresenteerd. Ik ben geen vakspecialist maar de wijze van werken geeft mij veel vertrouwen, daaronder ook de weergave van de namen die rekening houdt met de herkomst uit het oorspronkelijke Grieks. Er is naar originaliteit gestreefd. De vakwetenschappelijke literatuur wordt geciteerd zonder commentaar, wat betekent dat de vertaler / inleider liever verschillende meningen van andere deskundigen citeert dan zijn eigen voorkeuren aan te geven. Dat is wellicht jammer, maar het biedt ook alle lezers de kans zelf verder te studeren in de aangegeven bronnen.
In hoever er selectie van feiten heeft plaatsgevonden, kan ik niet zelf nagaan. Jammer is misschien dat weinig aandacht wordt besteed aan enkele relevante grote maatschappelijke ontwikkelingen in de hele periode die aan de orde komt. De aangeprezen idealen waren in die periode immers nieuw en passen binnen de opkomst van een patriarchale cultuur, als ik het goed zie. In ieder geval is altijd interessant hoezeer filosofie of opvattingen in het algemeen verwant zijn met de maatschappelijke omstandigheden waarin zij opkwamen of functioneerden of veranderden of verdwenen, kortom met de concrete levens en idealen van mensen.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.