BK-Books.eu » Besprekingen » Aan synagoge, kerk en moskee voorbij

Bespreking van...

Hans Stolp, Aan synagoge, kerk en moskee voorbij: van religie naar menswording, Deventer (Ankh-Hermes) 2006, 200pp.
Margarete van den Brink, De weg naar vrijheid, Kampen (Uitgeverijtenhave) 2006, 120pp.

Twee prettig leesbare boekjes met veel inspirerende (vooral bij Stolp) en praktische (vooraal bij van den Brink) aanwijzingen. Zij zijn ook geschikt voor de minder intellectueel ingestelde lezeres en lezer. Wel zijn op de wetenschappelijke achtergronden of waarheidspretenties van deze beide boekjes wel enkele aanmerkingen te maken, ik kom daarop terug.

Stolp behandelt de belangrijkste wereldgodsdiensten vanuit een speciaal perspectief, dat van de evolutie. Hij spreekt nadrukkelijk van een esoterische visie die hier achter zit. We weten ook uit de verwijzingen en uit zijn andere publicaties dat hij veel inzichten put uit de geschriften van Rudolf Steiner. Dat geldt zeker van dit boek. Die visie is buitengewoon interessant en komt er op neer dat de grote religies allemaal een eigen functie hadden op het moment dat zij ontstonden, maar dat hun tijd voorbij is. Er zullen geen grote religies in die zin meer komen. Want de tijd is nu gekomen dat de evolutie verder gaat via de geestelijke ontplooiing van individuen, van binnenuit. Dit is ook het perspectief achter het boek van van den Brink, maar die vult dat transformatieproces in zoals dat door ons mensen van nu en in deze omgeving doorgemaakt kan worden. Stolp zegt dan ook aan het eind van zijn boek dat het boek van van den Brink begint waar zijn boek ophoudt.

De opmerkingen die Stolp maakt over de verschillende grote religies – ook de oosterse – vind ik erg de moeite van het lezen waard. Omdat hij zo boeiend allerlei zaken aan de orde stelt die op een of andere manier van belang kunnen zijn als wij proberen uit alle religies te halen wat er in zit. En hij weet met meesterhand vooroordelen om te buigen in uitdagingen en kansen, bijvoorbeeld in zijn behandeling van de islam.
Stolp geeft in zijn inleiding nadrukkelijk aan dat zijn weergave niet opgevat mag worden als een compleet en afgerond beeld. Laten we ook op dit punt duidelijk zijn: het is een samenvatting en uitwerking van een esoterische visie op de geschiedenis. Het is niet een zuiver historische benadering en weergave, al suggereert de formulering dat hier en daar wel. Wat het boek vooral niet doet, is een een beeld bieden van de concrete uitdagingen die het praktische samenleven van mensen van allerlei religies in onze wereld – in het groot en in het klein – inhoudt. De wereld is op dat punt echt ongelooflijk veel ingewikkelder dan in dit boek wordt voorgesteld, zeker als je denkt aan de samenhang van religieuze met allerlei maatschappelijke en culturele tegenstellingen. Maar de aanwijzingen die Stolp geeft voor het omgaan met die tegenstellingen, zijn niettemin erg de moeite waard.

Duidelijk is dat hij vooral mikt op lezers die aan de traditionele kerken weinig steun meer hebben in hun persoonlijke leven. Hij vindt dat zij zich door zijn evolutionaire (esoterische) visie gesteund kunnen weten in hun weg van persoonlijke transformatie, een weg waarover hijzelf in andere publicaties en waarover ook van den Brink in haar nieuwe boekje vervolgens veel meer zeggen. Hij geeft ook aan wat hij met die weg bedoelt. Opvallend daarbij is wel dat de invulling daarvan dan vervolgens toch vooral christelijk is, en Westers en tamelijk Europees. Ook daarin is hij een navolger van Steiner. En terwijl de Westerse esoterische traditie van de antroposofie (net als de theosofie) vanaf de negentiende eeuw wel geprobeerd heeft iets van de oosterse religies te leren, blijkt uit het feit dat het doel van de transformatie als nog te bereiken wordt voorgesteld een duidelijk Westerse benadering. In het Oosten is de tijdsopvatting immers anders. Maar ik zal deze auteurs hierop niet vastpinnen want zij komen deze vragen ongetwijfeld tegen in de contacten met hun lezers: is er dan nu al niet een begin van bereiken aanwezig en misschien zelfs al een volledig besef ervan? Veel mensen ontdekken dat in het nu de volledige kracht van dat wat in het Westen altijd werd voorgesteld als ver in de toekomst liggend doel al aanwezig is, vergelijk een boektitel als De kracht van het nu. Een gedachte die ook bij Westerse mystici voorkwam. Is het Koninkrijk al niet aanwezig, ook al ziet (nog) niet iedereen het? Een punt dat in beide hier besproken boeken wat minder aan de orde lijkt te komen dan in andere boeken van dezelfde auteurs, is het directe contact met de geestelijke wereld. Hier wordt het herstel van dit contact meer in het evolutionaire perspectief uitgelegd (Stolp) en in het perspectief van de persoonlijke transformatie (van den Brink). In beide gevallen blijft nogal in het midden waarin dit contact nu precies bestaat. Het lijkt vooral te gaan om innerlijk sterker worden, een beter contact met je intuïtie hebben. Dat vind ik overigens al erg waardevol. (Toevoeging april 2007: Stolp behandelt diverse aspecten van innerlijke transformatie diepgaand in zijn ook op deze site besproken luisterboek Eerlijk kijken naar jezelf.)
Omdat ik vermoed dat ook in de toekomst nog een zwaar beroep op alle mensen gedaan zal worden om onderling solidair te blijven, of te worden, vind ik de nadruk op het individuele transformatieproces als een speerpunt van de evolutie (ontleend aan Steiner) een beetje eenzijdig. Ik ben het eens dat wij zonder dat proces geen volwassen individuele bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij en aan de wereld en de kosmos, maar de harde realiteit is nu eenmaal dat groepen in de maatschappij een belangrijke functie hebben en dat wij ons van die maatschappelijke en politieke functie heel goed bewust moeten zijn, zowel om onszelf te beschermen als om op effectieve wijze anderen ten dienste te kunnen zijn. De geestelijke ontplooiing van individuen en de weg naar de vrijheid vinden immers niet (alleen) buiten maar (altijd ook) in de samenleving plaats, zoals we allemaal uit eigen ervaring weten. Het is van groot belang op de hoogte te zijn van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Al doen we er goed aan “innerlijk” en “uiterlijk” noch te verwarren noch geheel los van elkaar te maken.

Enkele kleine puntjes: met de uitleg door Stolp van de woorden ‘religie’ en de godsnaam ‘JHWH’ kan ik het niet eens zijn.
Dat is vooral van belang in het laatste geval omdat zijn uitleg als ‘Ik ben’ wel een lange (platoniserende) traditie vertegenwoordigt en voor zijn verdere betoog (en dat van Steiner die hij ook daarin volgt) nogal van belang is, maar historisch niet zo waarschijnlijk lijkt als de uitleg ‘Hij-doet-zijn’ (zie het artikel ‘Seksisme, onbeschoftheid en ongerijmdheden in de nieuwe bijbelvertaling: hoe God van zijn naam werd beroofd‘ van Jan Fokkelman in NRC Handelsblad van 23/24 okt. 2004, p. 15).
De mijns inziens meer waarschijnlijke uitleg van de herkomst van religie is niet het Latijnse werkwoord religare maar religere dat te maken zou hebben met ‘aandacht hebben, aandacht geven’. Maar ik geef dit voor beter!

Dan nu eerst twee puntjes over de noten.
In noot 112 noemt Stolp de Arabische auteur Ibrahim Abouleish die in de tekst is aangehaald als islamitische steun voor het idee van een drieëenheid (169). Daar zegt Stolp dat deze auteur de alternatieve Nobelprijs ‘voor zijn werk’ heeft gekregen. Zover ik heb kunnen nagaan, is dit interessante feit echter niet speciaal van toepassing op het esoterische artikel van Abouleish dat Stolp in de noot noemt, maar vooral op zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de katoenteelt in Egypte.

En ik heb me verbaasd over noot 103.
Stolp neemt in navolging van “vele esoterische denkers” in zijn boek een korte maar positieve uitwerking op van Joachim van Fiore’s driedeling van de geschiedenis in rijken van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (het laatste zou oorspronkelijk omstreeks 1200 – de tijd van van Fiore – beginnen; Stolp gebruikt een nieuwe inhoud voor de driedeling).
Zonder verduidelijking voegt Stolp daar in noot 103 aan toe dat Hitler bij de aanduiding van zijn rijk als het “Derde Rijk” eveneens door deze driedeling van Joachim van Fiore “geïnspireerd” werd, daarmee een regelrecht verband tussen de inspiratie van Joachim van Fiore en van Adolf Hitler leggend. Overigens zou ik het met Stolp eens kunnen zijn als hij hiermee bedoelt dat in de geschiedenis en de literatuur allerlei motieven zoals deze drieslag van Joachim van Fiore later soms op de meest wonderlijke manieren worden hergebruikt. Bedoelt Stolp zijn betoog met de noot te ondersteunen? Maar in welke zin dan? Ik veronderstel dat de noot onaf in het boek terecht is gekomen. Immers, er is meer van bekend van dit gebruik door de Nazi’s.

Bijvoorbeeld het feit dat de Nazi’s deze uitdrukking – die in de eerste decennia van de twintigste eeuw wel vaker was verschenen in politieke boeken – ontleenden aan het boek uit 1923 met die titel van de auteur Arthur Moeller van den Bruck (die het inderdaad aan Joachim van Fiore ontleende). Die schilderde een autoritaire utopie die nationalisme en socialisme met elkaar verbond. Bovendien doelden de Nazi’s daarbij met de twee voorafgaande rijken op (1) het “Heilige Römische Reich Deutscher Nation” van Keizer Heinrich I (919-936) en (2) het Duitse rijk, begonnen onder Bismarck (1871) en geëindigd aan het eind van WO I (1918). Dus niet op de tijdperken die Joachim van Fiore op het oog had.
Hoewel de Nazi’s – naar ik aanneem niet omdat ze het in grote lijnen zo met Joachim van Fiore eens waren – het begrip een aantal jaren in hun propaganda gebruikten, werd het vanaf 1939 gemeden omdat men liever uniek wilde zijn dan de derde in een rij, en omdat men zich wilde distantiëren van al te specifiek (religieus) gedachtegoed. Desondanks kwam het begrip na WO II in gebruik voor het rijk van Hitler. (Zie het artikel ‘Drittes Reich’ in de Duitse variant van de internetencyclopedie Wikipedia, daar Knowledge Library (!) geheten.)
Het lijkt er mijns inziens eerder op dat Adolf Hitler, althans zijn partijgenoten, het begrip voor propagandadoeleinden misbruikten dan dat zij er zich door lieten inspireren. En dat lijkt mij toch veel verschil te maken. Zij lieten zich, net als vele anderen in de eerste decennia van de twintigste eeuw (en propagandistisch gezien juist daarom), mogelijk “inspireren” door het idee van een rijk aan het eind van de tijd dat beter zou zijn dan al het voorgaande en dat lang zou duren. Maar zij vulden (net als Stolp zelf doet maar in een mate die minder dan bij de Nazi’s afwijkt van Joachim van Fiore, althans op een manier waarbij het verband met Duitsland en de Duitse staat ontbreekt) het geheel verschillend in vergeleken met de inspiratie van Joachim van Fiore. Iets dergelijks ontbreekt in de noot in zijn huidige vorm. Of is er een andere interpretatie mogelijk?

Tot zover het lezenswaardige boek van Stolp. Waarin natuurlijk het universele perspectief ook buitengewoon waardevol is: een uitnodiging om verder te kijken dan onze eigen culturele en religieuze neus lang is, en de wereldreligies te betrekken bij onze spirituele ontwikkeling maar ook omgekeerd om het universele aspect van onze spirituele ontwikkeling te ontdekken in de individuele transformatie van groepswezen tot zelfstandig geestelijk wezen dat bewust in de kosmos staat en zijn bijdrage levert.

Het boek van van den Brink is net als dat van Stolp een uitwerking en combinatie van antroposofische en modernere inzichten. Zij begint met een boeiende weergave van de visie op vrijheid en de dilemma’s ervan in de moderne samenleving, speciaal bij de Verlichtingsdenkers. Daarna werkt zij de visie van Steiner en de latere antroposofie uit op de persoonlijke transformatie van individuen die nu doorbreekt in de evolutie (98: eind van de twintigste eeuw). En combineert die met haar ervaringen die zij in haar werk als communicatieadviseur heeft opgedaan. Daaruit heeft zij – neergelegd in eerdere boeken – een schema ontwikkeld in een aantal stappen naar vrijwording. Evenals Stolp onderscheidt zij daarin eerdere groepsfasen en latere individuele fasen, maar zij werkt die in dit boek uit aan de hand van een aantal boeiende concrete voorbeelden. Zij put daarbij behalve uit haar ervaring ook uit berichten in de media en diverse boeken. Dat alles leidt tot een interessant betoog waar lezers zeker inspiratie aan zullen kunnen ontlenen.
Een ander sterk punt van het boek van van den Brink is haar behandeling van de onderdrukking van vrouwen (speciaal in de islam), met onder meer de voor- en nadelen van het dragen van een hoofddoekje. Daar is de concrete samenleving heel erg aanwezig en wordt op een buitengewoon praktische en waardevolle wijze belicht vanuit haar interessante invalshoek.
Net zo is het met haar aandacht voor de vrijheid van meningsuiting naar aanleiding van een opmerking van Hirsi Ali. Van den Brink komt tot de conclusie dat die niet samenvalt met de vrijheid tot beledigen maar dat het er op aan komt in die vrijheid ook de vrijheid van de ander te respecteren, omdat je anders langs het doel schiet.

Zowel van den Brink als Stolp (zie al hierboven bij de bespreking van diens boek) leggen er nadruk op dat het ‘werken aan jezelf’ dat de laatste decennia zo populair geworden is in het Westen, een uiting is van de evolutie zoals zij die zien (individuele spirituele transformatie). Zij besteden betrekkelijk weinig aandacht aan de samenhang van de moderne individualisering met consumentisme. Een individualisering die de vermogens van individuen om informatie te verwerken zo overschat dat momenteel niet ten onrechte veel mensen om hulp moeten vragen bij het invullen van formulieren en het maken van keuzes bij bijvoorbeeld subsidieaanvragen, financiële contracten en overheidsenquêtes. Van den Brink komt aan het eind van haar boek wel terug op het thema van de vrijheid bij de verlichtingsdenkers en signaleert dan buitengewoon terecht dat een nieuw denken over het hanteren van gezamenlijke maatstaven in een samenleving in deze context gewenst is. Hoe zal ‘beschaving’ er de komende decennia uit kunnen en moeten zien? Ik noem alleen al de dilemma’s van voldoende voorlichting (zonder censuur of afgedwongen zelfcensuur) door de overheid enerzijds en de grote behoefte bij heel veel mensen aan duidelijkheid en gezagshandhaving (zonder de grondvrijheden aan te tasten) anderzijds.

De auteurs geven duidelijk aan dat hun gedachten en inzichten en ervaringen zich in ontwikkeling bevinden, en zij zijn te waarderen voor het feit dat zij deze – als een spiegel van de huidige tijd – aan ons lezers ten beste geven. Met hun ‘tussentijdse verslagen’ kunnen wij ons voordeel doen. Ons eraan scherpen en net als zij onze eigen ook boeiende – en, zegt van den Brink, nooit zonder terugvallen verlopende – weg gaan.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.