BK-Books.eu » Besprekingen » De mysterieuze Jezus

Bespreking van...


Vervolg van de collectieve bespreking van


Timothy Freke en Peter Gandy, De mysterieuze Jezus: Was Jezus oorspronkelijk een heidense god?: vertaald door Manda Plettenburg en Bram Moerland, [met 12 afbeeldingen in kleur, (uitgebreide) Noten, Wie is Wie, Index, Bibliografie, Index van afbeeldingen, ]Den Haag (Synthese) 2005, 439pp.
Tom Harpur, De ‘heidense’ Christus: Herontdekking van het verloren licht, [met drie Aanhangsels, Verklarende woordenlijst, Noten, Literatuur, Register, ]Deventer (Ankh-Hermes) 2004, 231pp.
Karlheinz Deschner, Abermals krähte der Hahn: Eine Demaskierung des Christentums von den Evangelisten bis zu den Faschisten, [met uitgebreide noten, afkortingen, literatuurlijst en registers van personen en zaken, ]Reinbek b. Hamburg (Rowohlt Taschenbuch Verlag) 1978-3e druk 41e-45e duizendtal, 727pp.
Idem, De Kerk en haar kruis: Geschiedenis van de seksualiteit in het Christendom, Amsterdam (Arbeiderspers / Wetenschappelijke Uitgeverij) 1978 (1974-Duitse origineel), 373pp.
Peter J. Tomson, ‘Als dit uit de hemel is …’: Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom, [met Methodologische verantwoording, Literatuur, Afkortingen, Speciale woorden en namen, Register van bronnen, ]Hilversum (B. Folkertsma Stichting voor Talmudica) 1997, 412pp.
Wilfried Hensen, Christendom en chassidisme: een verkenningstocht, Baarn (Ten Have) 1993, [met Noten, ]107pp.
Eginhard Meijering, Geschiedenis van het vroege christendom: Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn, [met (uitgebreide) Noten en Register, ]Amsterdam (Balans) 2004, 528pp.

De onderdelen:
Samenvatting vooraf: nieuwe definities nodig voor christenen in de eerste eeuwen, nieuwe vragen rijzen over invloed van en beelden over Jezus
Achtergrond: traditionele beeld van de kerk en haar voorgeschiedenis omvergeworpen door grote ontdekkingen
De boeken afzonderlijk
Enkele conclusies van de bespreking van bovenstaande boeken

Vervolg van Boeken afzonderlijk

Timothy Freke en Peter Gandy, De mysterieuze Jezus

Tom Harpur, De ‘heidense’ Christus

Karlheinz Deschner, Abermals krähte der Hahn

Idem, De Kerk en haar kruis

Peter J. Tomson, ‘Als dit uit de hemel is …’

Wilfried Hensen, Christendom en chassidisme

Eginhard Meijering, Geschiedenis van het vroege christendom

Over beide boeken van Deschner, Abermals krähte der Hahn en De Kerk en haar kruis wil ik kort zijn. Deze op uitgebreid literatuuronderzoek in de jaren vijftig en zestig gebaseerde studies geven duidelijk aan dat het toenmalige beeld van de kerken over het ontstaan van het christendom, de heiligheid van de kerken en de onaantastbaarheid van het christelijk geloof niet overeenstemt met de feiten die Deschner in vele geschiedenisboeken en archieven uit alle tijden terugvond.
Hij besteedt in het eerste boek 150 bladzijden aan de evangeliën, 50 aan Paulus, 50 aan het ontstaan van wat ik hierboven de algemeen-kerkelijke richting noem (D. spreekt van vroeg-katholicisme), ruim 100 aan diverse regelrechte invloeden van buiten op het jonge christendom in ontwikkeling en op het beeld dat dit van zichzelf en haar martelaren schiep, ruim 50 aan de verkrijging van maatschappelijke en politieke erkenning en aan de sociale positie van het christendom. En dan nog meer dan 150 bladzijden aan de rol die (in)tolerantie speelde in de geschiedenis van het christendom, in de strijd tegen de Joden, de heidenen, de ketters uit eigen kring, en in de standpunten die in deze traditie ingenomen werden tegenover oorlog en vrede – van Jezus tot en met de twintigste eeuw.
Al met al een zeer kritisch en zeker geen positief beeld waarvan veel te leren valt. Anders gezegd: het is een onthullend en vaak tot gêne leidend boek. Vooral ook omdat het positieve beeld dat de kerk van zichzelf heeft geschetst van de vierde eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog vaak het dominerende is geweest. Leken en geestelijken, studenten en docenten hadden maar een geringe kans om toegang te krijgen tot de ware feiten en de bronnen waarin die vervat waren. De universiteiten dus de wetenschap werd op dit gebied beheerst door het officiële kerkelijke standpunt, op uitzonderingen na. Het is te hopen dat dat langzamerhand gaat veranderen nu nieuwe historische ontdekkingen en studies daarover tot verder onderzoek aanleiding geven. Als (heel) korte inleiding op de alternatieve geschiedenis van het christendom noem ik hier trouwens ook even het boeiende boek van Moerland De Katharen en de val van Mont Ségur, dat over veel meer gaat dan de titel suggereert en veel zaken scherp stelt.
In De Kerk en haar kruis laat Deschner nog onthullender zien, hoe in het christendom in de loop van de eeuwen tegen de seksualiteit is aangekeken en hoe dat deels misbruikt is om macht over mensen uit te oefenen,. Dit hoofdstuk in de geschiedenis heeft pas in het laatste decennium publieke processen te zien gegeven tegen misbruik van parochianen door rooms-katholieke priesters of gemeenteleden door protestantse geestelijken, helaas veel voorkomende feiten. Hoewel de auteur beide geslachten in zijn onderzoek betrekt, is in de laatste decennia de belangstelling allereerst naar de achterstelling van de positie van vrouwen gegaan, en daarover gaat dit onthullende boek nog niet speciaal. Maar het is buitengewoon leerzaam door het uitgebreide feitenmateriaal uit alle eeuwen. De auteur schrijft in zijn voorwoord dat hij begrip heeft voor de neiging tot grappen maken, parodiëren, kortom weglopen van de werkelijkheid als het over deze feiten gaat. Maar ook dat de enige oplossing is, ze onder ogen te zien en er iets (minder afschuwelijks) voor in de plaats te stellen. Geen lichte kost dus. Maar uiterst informatief.
Het zal duidelijk zijn dat de boeken van Deschner mee verwijzen naar een breder kader (dan het lang gangbare kerkelijke) voor het interpreteren van de historische context van het christendom en zijn ontstaan. En voortgezette wetenschappelijke studies en weergaven daarvan. Vandaar dat ik zijn boeken hier graag even noem.
Bij alle tot nu toe genoemde boeken geldt dat de keuze van hun bronnen, het gebruik en de weergave van hun bronnen, onderwerpen apart zijn die ik hier buiten bespreking laat. Zij het dat ik de literatuurverwijzingen van alle drie de boeken de moeite waard acht om door te spitten op betrouwbare informatie. Informatie die wellicht soms al helemaal wetenschappelijk geverifieerd en gevalideerd geacht mag worden maar dat soms nog te weinig zal zijn. En dat helaas wellicht ook soms niet alsnog zal kunnen worden. Maar daarvoor zijn het misschien te zeer pionierswerken. We moeten er wel kritisch mee omgaan maar vooral het betrouwbare erin benutten. En niet opnieuw laten liggen zoals helaas al veel te vaak is gebeurd in het verleden. Daarvoor is het materiaal inmiddels mijns inziens gelukkig te overtuigend en te omvangrijk geworden. Ik ben heel benieuwd!

Ik kom nu bij het boek van Tomson ‘Als dit uit de hemel is …’ en aansluitend dat van Hensen Christendom en chassidisme.
Zowel voor Joden als voor christenen is het Jood zijn van Jezus een spannend gegeven. Allereerst omdat de verwijdering tussen de volgelingen en de niet-volgelingen van Jezus onder de Joden – en de daarop na diverse stadia uiteindelijk volgende verwijdering tussen twee aparte godsdiensten, Jodendom en christendom – geleid heeft tot wederzijdse verkettering en erger. Omdat de macht van christenen uiteindelijk veel groter was, hadden daarbij na het ontstaan van het christendom vooral Joden het te verduren, in naam van Jezus de Christus. Ook weten zowel Joden als christenen dat Christus letterlijk niets anders betekent dan Messias (‘Gezalfde’). Het is de naam voor de leider die door God uitverkoren is om te zijner tijd het Joodse volk, in de beleving van christenen ook de niet-Joodse christenen, te verlossen. Een verlossing die de Joden vooral als concreet maatschappelijk en politiek zien inclusief het herstel van de optimale verering van God. De christenen zien haar vooral als opheffing van hemel en aarde in een nieuwe werkelijkheid, een nieuwe hemel en aarde waar de hoogste spirituele waarden van vereniging van alle verloste gelovigen met God de basis vormen van ieder concreet verschijnsel. De naam van Jezus is dus uiterst beladen. Maar Jezus was een Jood! En Joden hebben er dus ook een visie op welke plaats hij in hun geschiedenis inneemt. En die is de laatste decennia sterk voorwerp van nieuwe aandacht. Want het is veel christenen begonnen te dagen dat de holocaust, de uitroeiing door Nazi-Duitsland van onder andere zo’n zes miljoen Joden, haar voorgeschiedenis heeft in een lange geschiedenis van antisemitisme waarin het christendom een belangrijke plaats inneemt. Mijn specifieke insteek hier is niet om in te gaan op het totale antisemitische aspect van hun gezamenlijke geschiedenis, overigens zeker ook niet om het te ontkennen. Maar om dat gedeelte van de Joodse geschiedenis dat Jodendom en christendom met elkaar delen zichtbaarder te maken, althans er aandacht voor te vragen. Een deel waartoe Jezus en alle Joodse volgelingen van hem in de eerste eeuwen (in welke het christendom ontstond) ook behoren.
Christenen zullen zelfs zeggen dat het deel van de Joodse geschiedenis dat daaraan voorafgaat, er ook bij hoort: de geschiedenis van de aartsvaders en van alles wat er in de Joodse heilige schrift terecht gekomen is. Joden en christenen hebben echter heel uiteenlopende visies op dat deel. Voor Joden is het voornamelijk voortgezet in het latere rabbijnse Jodendom. Zij zien in het voorchristelijke Jodendom geen voorafschaduwing van Jezus de Christus. Door christenen is dit gezamenlijke deel ook vaak bewust afgewezen dan wel genegeerd, al kort na de dood van Jezus maar ook later nog heel vaak.
Dat Jezus zelf altijd gewoon Jood is gebleven hebben veel latere christenen zich niet eens kunnen voorstellen, en dat is misschien vaak nog zo. Voor de algemeen-kerkelijke christenen die de belangrijkste invloed op het latere christendom hadden, is het voornamelijk voortgezet zowel in het latere Jodendom als in het christendom waarbij zij veronderstellen dat beide wegen elkaar minstens in de eindtijd zullen treffen maar waarbij zij moeten constateren dat Joden de Christus, voor christenen zonder ook maar een spoor van twijfel de echte Messias, kennelijk nog niet accepteren. Dit alles in het spoor van wat de Joodse christen Paulus daarover in zijn brieven aan andere Joodse christenen schrijft. Dat gezamenlijke trefpunt is tot nu toe voornamelijk een schone droom maar er zijn vaak genoeg in de geschiedenis voorbeelden geweest dat Joden en christenen ook op religieus gebied toenadering zochten en elkaar positief stimuleerden. Ook – en gezien hun verwantschap misschien wel: ook juist – zij kunnen veel van elkaar leren, blijkt iedere keer weer.
Dat is ook de laatste decennia voorgekomen en uit die traditie stamt ook de auteur van dit boek. Omdat hij deskundig is op het gebied van het Nieuwe Testament – hij is daarin hoogleraar in Brussel – werd hem gevraagd duidelijkheid te scheppen over het anti-judaïsme in het Nieuwe Testament. Deze opdracht heeft hij uitgewerkt in het voorliggende boek. Daarbij heeft hij terecht een brede context genomen om probleem daarbinnen te analyseren. Die context omvat niet alleen de gezamenlijke voorgeschiedenis van beide godsdiensten maar ook de hele hellenistische wereld waarbinnen de afscheiding tussen Jodendom en christendom plaats vond.
Volgens de auteur kwam het christendom niet zo maar uit de lucht komt vallen maar sloot aan bij die ontwikkelingen binnen het toenmalige spectrum van Joodse cultuur die voortvloeiden uit of samengingen met de hellenisering. Dat was het opgaan van en samensmelten met de Griekse en klassieke cultuur van de culturen van vele volken binnen het Romeinse Rijk of er om heen. Wat in de eerste eeuwen voor en van onze Westerse jaartelling plaats vond. Een eerste opmerking moet dan ook zijn dat het Jodendom van de eerste eeuwen voor het begin van onze jaartelling veel gevarieerder was dan wij ons nu voorstellen. We kunnen mijns inziens zeggen dat het christendom meer aansloot bij de helleniserende tendensen die al binnen grote delen van het Jodendom bestonden en het latere rabbijnse Jodendom meer bij de afwijzing daarvan. Dat zijn echter grove generalisaties die nadere toelichting en uitwerking verdienen. Ik voeg daar onmiddellijk aan toe dat deze nadere toelichting en uitwerking mijns inziens los kunnen staan van en niet gehinderd hoeven te worden door vooroordelen. Vooroordelen die binnen het latere rabbijnse Jodendom en het latere christendom gegroeid zijn, niet alleen over elkaar maar ook over genoemde helleniserende tendensen binnen grote delen van het Jodendom. In wetenschappelijke zin hoeven daarover niet veel verschillen van mening te bestaan. Feiten zijn feiten. Maar feit is bijvoorbeeld ook dat de helleniserende Joodse filosoof en bijbeluitlegger Philo van Alexandrië uit het begin van onze jaartelling een ongelooflijk grote invloed gehad heeft op het christendom terwijl hij Jezus niet gekend lijkt te hebben. En dat het rabbijnse Jodendom deze Philo grotendeels genegeerd heeft. Net als Jezus en alle Joodse volgelingen van hem hoort deze Philo onmiskenbaar bij de Joodse geschiedenis. Verdiensten zijn aan hen beiden niet te ontzeggen. Aan Philo niet voor de verspreiding van Joodse cultuur over de wereld, binnen het christendom maar zeker niet alleen daar. En aan Jezus voor zijn intelligente discussies met mede-Joden, zijn ethische en sociale inspiratie en spirituele uitspraken die binnen maar ook ver buiten het christendom zijn opgevallen. Dit als algemene inleiding tot de bespreking van dit boek.

De auteur is duidelijk en open over zijn eigen opvattingen. Hij staat binnen de traditie van het christendom en waardeert de wekelijkse spirituele bijeenkomst van christenen met hun specifieke orde van dienst als belangrijke context voor de uitleg van de bijbelse geschriften. Hij heeft duidelijk veel geleerd van de Joodse traditie van het ‘lernen’. Tegelijk is hij zeer goed op de hoogte van de geschiedenis van de Joden en van de christenen in de tijd van het hellenisme, de tijd waarin Jodendom en christendom uit elkaar groeiden. Zijn aandacht is sterk gefocust op de Joodse elementen in het Nieuwe Testament. Je zou ook kunnen zeggen in de invloed die het christendom van het toenmalige Jodendom heeft meegekregen of bewust meegenomen. Hij zegt nadrukkelijk dat hij een zuiver historische benadering gebruikt in dit boek. Verder gaat hij niet expliciet in op de verhouding tussen mythe en historie in de teksten van het Nieuwe Testament. Hij lijkt de inhoud of boodschap van het Nieuwe Testament te hanteren als de geaccepteerde mythe. En gaat niet in op problemen met bepaalde visies, bijvoorbeeld verschillen in de opvattingen over de ‘goddelijkheid’ van Christus – noch binnen noch buiten de algemeen-kerkelijke vorm van christendom. Hij gaat uit van de voorliggende tekst van het Nieuwe Testament zonder expliciete aandacht voor de wijzigingen of toevoegingen erin. Die mogelijk gedaan zijn om die geschikter te maken voor wat ik de algemeen-kerkelijke vorm van christendom noem die zich met de canon van het Nieuwe Testament mee legitimeerde. Zijn focus is op het verhelderen van de teksten vanuit hun Joodse context. En hij is daar al zoveel ruimte mee kwijt dat van noten en uitgebreide geannoteerde literatuurverwijzingen is afgezien. Dat is begrijpelijk want het heeft de leesbaarheid en toegankelijkheid van zijn boek sterk vergroot. Dit boek is werkelijk geschikt voor een groot publiek van lezers die op zoek zijn naar die verheldering vanuit de Joodse context. Maar komt aan genoemde vragen en problemen niet meer toe.
Het boek is een plezier om te lezen, zij het vooral geschikt voor hen die de bijbelse geschriften al een beetje kennen. Na iedere passage wordt in een of twee regels een heldere samenvatting gegeven zodat de lezer het overzicht goed kan houden. Alle uitleg is buitengewoon helder. De lezer krijgt de feiten voorgeschoteld en kan binnen het eigen referentiekader zijn of haar eigen mening vormen.
Het boek heeft aan het begin en het eind hoofdstukken over het anti-judaïsme en speciaal dat in het Nieuwe Testament en de omgeving daarvan. Buitengewoon leerzame en doordachte hoofdstukken. De problematiek is hevig beladen en zo geweest, en toch is het nodig feiten te onderscheiden en meningen te leren kennen, zonder ons bij voorbaat door de lading van de feiten bij onszelf of onze gesprekspartners te laten leiden. De auteur komt met zijn uitleg van de feiten een heel eind, en meer is niet nodig om gesprek en onderzoek aan te zwengelen. Laat het verder gaan, zou ik zeggen!
Waar het mij vooral om te doen is, zijn de andere hoofdstukken. Hoofdstuk 2 en 3 behandelen achtereenvolgens het Jodendom in de Grieks-Romeinse wereld en het Joodse godsdienstige leven evenals het algemene probleem van de verhouding tot niet-Joden in die tijd, de eeuwen voorafgaand aan en omstreeks het begin van onze Westerse jaartelling. Daarna volgen hoofdstukken over Jezus, Paulus, Lukas en Handelingen, Markus en Mattheus, Johannes en een over brieven van Joodse kerken met een aanhangsel over het geschrift de Didachè (‘Onderricht’ of ‘Aanwijzing’).
Wat de auteur in deze hoofdstukken op overigens buitengewoon heldere maar ook ongelooflijk erudiete wijze doet, is aangeven hoe bepaalde gebruiken en opvattingen waren, welke geschriften en groeperingen er voor kwamen, hoe zij elkaar beïnvloedden en welke contexten daarbij een rol speelden. Tevens hoe dat in het taalgebruik, specifieker: in bepaalde benamingen, woordkeuze en stijlmiddelen, werd uitgedrukt. En dat alles om van de vele gegevens waarover het hier gaat, namelijk alle belangrijke Joodse elementen in het Nieuwe Testament en de omgeving ervan, de Joodse achtergrond en betekenis in het licht te stellen. Bepaald geen sinecure. Want de geschiedenis is boordevol van misverstanden hierover. Het vereist een enorme lenigheid van geest om dezelfde teksten nu eens niet vanuit een bekend maar niet aan de tijd van ontstaan zelf ontleend kader te lezen. Maar wel vanuit al die Joodse contexten van die tijd zelf die een uiterst boeiend licht werpen op vele teksten, gebeurtenissen, inzichten en zo voort. Een aanrader – en gelukkig kan het boek op brontekst en op onderwerp nagezocht worden (wat onderwerp betreft alleen via de hoofdstukindeling maar die is erg helder).

Zonder al die resultaten na te gaan of zelfs maar te noemen, wil ik vervolgen met wat ik in dit boek niet aantref. Niet dat ik dit van de auteur ook nog had willen vragen, daarvoor biedt hij al meer dan genoeg, maar ik ben er wel om verlegen. Ik noem hier dus zaken die kennelijk nog bij mijn wensen voor de toekomst horen, of die wellicht ook op het lijstje van deskundigen staan voor toekomstige studies. Het kan natuurlijk ook zijn dat ze er al (lang) zijn maar dan zal ik daar graag op geattendeerd worden. Mijn verontschuldiging voor het feit dat ik ze zelf niet heb gevonden tot nu toe, is alleen dat een mens niet alles kan napluizen. Wat ik dus nog niet aantref is een uitgebreider behandeling van de Joodse literatuur die niet in de bijbel terecht kwam. Dit als context van of zelfs achtergrond voor een zeer veelkleurig palet – om maar een paar hoofdrubrieken te noemen – van Joodse en Joods-christelijke en Joods-heidense, en heidens-christelijke en anders-christelijke bewegingen en geschriften. Bewegingen en geschriften die zelf ook niet terecht kwamen in de hoofdstromen van het latere rabbijnse Jodendom of het latere christendom (maar misschien wel, of evenmin, in manicheïsme of islam!). Evenmin een behandeling van of uitgebreide verwijzing naar die bewegingen en geschriften zelf. Het is begrijpelijk om zich bij dit soort onderzoek voorlopig te beperken tot de hoofdstromen van Jodendom en christendom en hun gezamenlijke geschiedenis. Maar kenmerkend voor deze tijd is dat we juist over de ontstaanstijd van beide leren dat het palet veel meer kleuren heeft vertoond dan we ons realiseerden. Het is ook niet onbelangrijk met het oog op een grondvraag die de auteur niet (aan de orde) stelt, namelijk die van het ontstaan en de vaststelling van de canon van het Nieuwe Testament. Het Nieuwe Testament is geen getrouwe afspiegeling van de oorsprongen van het christendom maar de manier waarop en bepaalde vorm van christendom namelijk het algemeen-kerkelijke zich meende te moeten en kunnen legitimeren. Andere groepen en hun geschriften afwijzend en letterlijk vernietigend.
Wat ik evenmin vind in dit boek, is een expliciete verwerking van de hellenistische aankleding van het Nieuwe Testament. Behalve de wellicht impliciete erkenning – omdat het vanzelfsprekend zou zijn – dat het Nieuwe Testament merendeels uit typisch hellenistische boeken bestaat. De auteur noemt de mysteriereligies zeker, en erkent ongetwijfeld ook een zekere invloed ervan, en beperkt zich daartoe. Maar op de vraag hoe het Joodse en het hellenistische element zich in het christendom verhouden, of hoe die ontwikkeling plaatsgehad heeft op zou kunnen hebben, gaat hij niet in. Ik neem aan dat zijn enige antwoord niet is dat zijn boek genoeg zegt over het Joodse element. Tot op heden is er discussie in het christendom – en zijdelings ook in het Jodendom – over de verhouding van de Joodse respectievelijk christelijke godsdienst tot de Griekse filosofie en de klassieke en de hellenistische cultuur. Nu de Joodse oorsprong van (en dus invloed op) het christendom weer zo duidelijk aan te wijzen is, is die verhouding weer des te actueler. Want het Joodse is niet de enige invloed. En het niet-Joodse is ook niet alleen bepalend. Dus komt de vraag naar de verhouding des te sterker naar voren. Te meer daar die in de eeuwen waar we het hier over hebben, door verschillende groepen verschillend werd beantwoord! En juist over die groepen is de laatste decennia veel mee bekend geworden. De auteur zal zeker vinden dat niet alleen de ontdekking van de Dode-Zeerollen maar ook het beeld dat uit de geschriften van Nag Hammadi oprijst over een te vaak op één hoop gegooid, verketterd en eenzijdig geëtiketteerd “niet algemeen-kerkelijk” christendom uit de eerste eeuwen de nodige aandacht verdient als context van of zelfs achtergrond voor de andere Joodse, christelijke en nog andere bewegingen en geschriften. En daar komt nu het materiaal dat Freke en Gandy naar voren brengen nog bij. En laat ik hier ook niet vergeten te herhalen dat de laatste decennia steeds duidelijker wordt dat de niet Grieks maar onder andere Aramees en Syrisch sprekende Joden en christenen aan de oostzijde en ten oosten van het Middellandse-Zeegebied historisch gezien een veel belangrijker rol hebben gespeeld in de eerste eeuwen van de Westerse jaartelling dan meestal werd erkend en grote invloed hebben uitgeoefend op Manicheïsme en islam. Ook dat is boeiend in de context van de Joodse invloeden – vaak uit de Talmoed – die Tomson aan het licht brengt. Wat Tomson doet voor het Nieuwe Testament, kan en zal vermoedelijk ook voor diverse andere christelijke geschriften gedaan worden.
De vraag is voor mij uiteindelijk dus ook hoe alle genoemde boeken, in het bijzonder dat van Freke en Gandy en dat van Tomson, bijdragen aan het antwoord op de eerder gestelde vragen. Maar daaraan voorafgaand verlaat ik de bespreking van dit uiterst prettig leesbare en waardevolle boek en stap over naar een ander sympathiek en waardevol boekje dat ik eerst nog onder uw aandacht wil brengen. Niet dan na het boek van Tomson zeer aanbevolen te hebben, vooral voor diegenen die Jezus, het Nieuwe Testament en hun omgeving echt goed willen leren kennen als Joods of door het Jodendom beïnvloed.

In grote lijnen geeft Hensen in zijn boek Christendom en chassidisme opvallende parallellen weer tussen drie stromingen die hij onder de noemer chassidisme schaart (chassied = ‘vrome’; zie onder). Te weten het chassidisme van de laatste eeuwen (tot de Tweede Wereldoorlog) in Oost-Europa, dat voortkwam uit de inspiratie van Baal Sjem Tov. Het chassidisme van het Rijnland in de Middeleeuwen. En het chassidisme in Palestina in de eeuwen rondom het begin van onze jaartelling. Het bestaan van het laatste is niet sterk gedocumenteerd als stroming maar anderzijds zijn er toch voldoende gegevens om zo’n stroming te veronderstellen, iets wat ook historici van naam doen (zie overigens ook het boek van Tomson hierover, op pp. 41-44!). Hensen weet deze parallellen hard te maken, al wijzen de historici er op dat de relaties tussen de stromingen niet met historische continuïteit van chassidische groepen gepaard gaan. Historisch gezien zijn het drie aparte bewegingen, ook al vertonen ze deze parallellen.

Het accent ligt in dit chassidisme minder dan bij de Farizeese rabbijnen en het latere orthodoxe jodendom uitsluitend op de overdracht van de leer en meer op de beleving van de Thora in het dagelijkse leven. Deze beleving van de band met God, de innerlijke beleving die ook de Thora van het hart genoemd wordt, straalt in heel het uiterlijke leven door, is een verlossende kracht en oefent een Messiaanse werking uit. Een belangrijk begrip is het zijn van een tsaddiek ofwel een rechtvaardige, dus het gestalte geven in zijn leven van de tsedaka ofwel de rechtvaardigheid of gerechtigheid (33vv.). Een heel breed begrip, veel breder dan het Nederlandse woord. En dat is nog maar een van de interessante onderdelen van dit boekje.

In de eerste hoofdstukken wordt het Joodse chassidisme in historisch perspectief gezet en de spiritualiteit ervan samengevat. (Terzijde: de opmerking op p. 14 dat de vaste lijst – canon – van heilige geschriften volgens de Joodse rabbijnen al voor het verschijnen van het boek 1 Makkabeeën werd vastgesteld wordt door weinig wetenschappers gedeeld, naar mijn waarneming.) Chassidisme komt van het woord chèsèd, te vertalen met woorden als goedertierenheid, bewogenheid, betrokkenheid, begaan-zijn, verbondenheid (21vv.). Een opvallende trek is dat de verlossing als het ware van binnen naar buiten verloopt. Iedere tijd en iedere mens zijn volledig gericht op de Messiaanse verlossing. Maar dat geschiedt in en vanuit het verborgene, vanuit het innerlijk van de bewogen en geïnspireerde mens die eerder door innerlijke bezieling en kracht dan door uiterlijk vertoon invloed uitoefent. De geschetste bewegingen komen zo helder voor ogen te staan, ook door de weergave van enkele verhalen uit hun kring.
Het tweede deel van het boekje gaat vervolgens vooral over Jezus en zijn verwantschap met het chassidisme. Zie de titels van de hoofdstukken: “Deze mens was waarlijk een rechtvaardige”(4), “De lijdende rechtvaardige” (5). Het onderscheid tussen Jezus’ chassidische houding en die van zijn opponenten wordt geïllustreerd in hoofdstuk 6.

Uit de parallellen met het chassidisme wordt duidelijk dat Jezus en de gemeenschappen achter de nieuwtestamentische evangeliën die over hem vertellen sterk door de Joodse tradities van de rechtvaardigen en de rechtvaardigheid beïnvloed zijn. Zowel de nieuwtestamentische evangeliën als de rest van het Nieuwe Testament zijn sterk door het Jodendom beïnvloed, zoveel is wel duidelijk. Dat levert opnieuw de vraag op waar de scheiding met het Jodendom heeft plaatsgevonden of beter zich heeft afgetekend, op welke punten en in welke plaatsen en onder welke groepen. Of liever waar het onderscheid tussen een christelijk en een niet-christelijk Jodendom zo sterk werd dat men christenen en Joden niet meer als sterk op elkaar lijkend en met elkaar verbonden maar tegenover elkaar staand en elkaar uitsluitend ging zien. En tegelijk roept het de vraag op hoe deze tegenstelling er op welke momenten en in welke mate toe geleid heeft dat overeenkomsten waar mogelijk weggemoffeld werden; men wilde immers het anders zijn dan de ander vanaf dat moment beklemtonen. Omdat in het christendom de tekst uit Jesaja 53 over de lijdende knecht van de Heer geclaimd werd als profetie die het optreden en lijden van Jezus voorzegde werd deze tekst in het Jodendom niet vaak meer aangehaald, heb ik wel gehoord. Misschien mede om niet in christelijk vaarwater te komen (of zelfs om zich af te zetten tegen de als christelijk – en ‘dus’ niet-Joods – ervaren gedachte van het zich niet tegen onrecht verweren). En dat is dan nog maar één voorbeeld van dergelijke claims van het christendom waar het Jodendom het hoofd over schudt. Het christendom pretendeert namelijk de ware uitleg van de Joodse heilige schriften te geven die ze “het Oude Testament” is gaan noemen. Tegelijk is het inderdaad zo dat althans de volgelingen van Jezus die vergelijking met Jesaja 53 wél maakten (overigens pas in de tweede eeuw volgens de auteur van dit boekje). En ook dat dat een begrijpelijk gelegd verband was. Maar na kennisname van de feiten in dit boekje is iets anders niet minder opvallend. Ook als Jesaja 53 in het Jodendom niet erg prominent aangehaald is, dan kan toch gezegd worden dat de achterliggende visie en houding wel degelijk in het Jodendom een belangrijke rol gespeeld hebben. Namelijk in de chassidische bewegingen!

De auteur maakt een helder onderscheid tussen de Jezus die er historisch geweest is en de Jezus van de christelijke geloofsbeleving zoals die er in dat geloof is uit gaan zien. Hij ziet bij Jezus de opvatting dat God verborgen in de wereld aanwezig is. En een grote betrokkenheid bij de gewone mensen, de armen. Hij vermoed sterk dat Jezus bij zijn leven maar door een kleine kring als tsaddiek die de Thora belichaamde, herkend is; dat werd vooral na zijn dood sterker. Hij had grote aandacht voor de mens in nood. En proclameerde zichzelf niet als de Messias. Dat anderen in hem de Messias zagen wilde overigens niet zeggen dat zij in hem een lijdende Messias zagen; de Messiasverwachting in Jezus’ tijd was sterk politiek geladen met de gedachte van bevrijding uit vreemde overheersing. Maar terwijl in de christelijke tradities die het later wonnen Jezus’ titel “Zoon van God” prominent is geworden, is het duidelijk dat Jezus zonder meer te zien is als een tsaddiek in de lijn van de Joodse tradities voor hem, die ook in de Joodse heilige geschriften en in de Talmoed prominent naar voren komt in een rijke schakering van verhalen en betekenissen. Jezus, de Rechtvaardige die rechtvaardigheid brengt.
Ook in de latere chassidische bewegingen komt het thema van de tsaddiek sterk naar voren, en wel als degene die voor de mens in nood in de bres springt. Dat dit ook op Jezus goed toepasbaar is, ook in de verwantschap met de profetie van Jesaja 53 die sterk gezien werd door zijn latere volgelingen, hoeft geen betoog.
Verder is duidelijk dat Jezus veel vrijer omgaat met de uitleg van de Thora dan de Farizeeën als het op de praktische hantering aankomt, bijvoorbeeld wat je op Sabbat wel en niet mag doen. Met de apart van de maatschappij levende Essenen was Jezus in verschillende opvattingen verwant, onder andere in zijn kritiek op de elite in Jeruzalem, waaronder de Sadduceeën. Ook Jezus’ volgelingen waren dat gezien hun maaltijdvieringen met brood en wijn en hun gemeenschappelijke bezit. Jezus liet echter de belangen van de mens in nood prevaleren boven rituele zuiverheid en boven de gedachte dat alleen zij, deze rigoureuze Essenen, uitverkoren waren. Ten opzichte van de zeloten die met geweld de Romeinse bezetters wilden verdrijven, maakt Jezus vooral een vredelievende indruk, zij het niet ongevoelig voor de noden van de mensen.

Ten slotte somt de auteur de parallellen op die hij ziet tussen het chassidisme en Jezus. Dat zijn: (1) de herkomst uit Galilea, (2) strikte naleving van de Thora maar met de klemtoon op de innerlijke ‘Thora van het hart’, (3) het leven gaat voor de leer ofwel heiliging van het dagelijks leven is belangrijker dan de studie van de Thora inclusief het zoeken en vinden van vreugde in het dagelijks leven en de wereld om ons heen, zonder heldhaftigheid en met de gewone mensen, (4) bezorgdheid om de mens in nood en om respect en rechtvaardigheid, (5) de armoede die vrijheid meebrengt, (6) het ‘doen van wonderen en tekenen’ om de verlossing te openbaren, (7) het belang van een kring van leerlingen die alles voor het leerlingschap opgaven en waaronder vrouwen prominent mee deden, (8) zachtmoedigheid en mildheid – hoewel niet zonder scherpe kritiek waar nodig – en een diepe vreugde die gebaseerd is op vertrouwen en weet van verlossing; aandacht voor de kinderen is prominent.

De auteur geeft helder aan dat hij niet Jezus wil toeschrijven naar het chassidisme (of omgekeerd). Ik vind de houding die hij naar voren brengt, en die hij bij de chassidische bewegingen en Jezus ziet, zeer indrukwekkend. De parallellen zijn dat ook. Daarmee is nog weinig gezegd over de historische relaties.
Het valt mij wel op dat Jezus als chassied in genoemde zin te interpreteren valt, minstens in een aantal relevante aspecten, zoals het belichamen van de rechtvaardigheid (van Joodse tradities die ook de zijne waren!). En dat zijn houding tegenover het lijden eveneens interessanter wordt in het licht van de chassidische parallellen en de christelijke en Joodse beleving van het lijden van de rechtvaardige zoals dat al in Jesaja 53 naar voren komt. Namelijk grote betrokkenheid – en aandacht voor hoe we ermee om gaan. Dat heel het Nieuwe Testament, de geschriften van de christelijke groepen die het gewonnen hebben in de traditie van de christelijke kerken en van het christendom, toch door en door Joods beïnvloed is – hoe kan het ook anders! (Zie nu ook het bovengenoemde boek van Tomson.)
Tegelijk, moeten we vaststellen, maakte het christendom een hellenisering door. Het vervreemdde zich daarmee ook van die stromingen in het Jodendom, vooral de Farizees-rabbijnse stroming, die het Hebreeuws bleven koesteren. Zij handhaafden de oude tradities zoveel mogelijk of zetten deze om in een nieuwe Joodse orthodoxie en orthopraxie, waarvoor de Talmoed en de Joodse canon – met de Thora, de vijf ‘boeken van Mozes’ als kern – symbool staan. Die hellenisering was overigens waarschijnlijk sterker rondom de Middellandse Zee dan ten Oosten van Palestina. Daar hadden Aramees en Syrisch sprekende christenen nog lang een geheel eigen christelijke cultuur die sterke invloed had op het vanaf de derde tot de tiende eeuw omvangrijke Manicheïsme. Dit laatste werd sterk beïnvloed door het Joodse christendom maar ook door de hellenistisch beïnvloede gnostische christelijke stromingen. En vormde net als andere uit het Jodendom voortkomende invloeden en bewegingen mee de voedingsbodem voor de Islam die vanaf de zevende eeuw opkwam en weer een geheel eigen karakter ontwikkelde.

De auteur beweegt zich dus zowel op het vlak van de inhoudelijke aspecten van Jezus en van het chassidisme, hun levenshouding en opvattingen over de verlossing, als op het vlak van de historische ontwikkelingen. Althans door de parallellen aan te geven suggereert hij dat de overeenkomende inhoudelijke aspecten het des te meer waard zijn om te overwegen. Dat laatste is zeker waar, alleen is de historische overeenkomst louter bijzaak of illustratie. De opvattingen of levenshouding bewonderen van Jezus en de chassieden is een keuze die niet van de historische overeenkomst af hoeft te hangen. Daarmee lijkt de auteur nog een beetje in het spoor van de christelijke en misschien ook wel Joodse orthodoxie te zitten die aan de historie een metafysische waarde toekent. Dat mag, maar die moet je niet afleiden uit de waarheid of onwaarheid van historische parallellen, althans er niet uit bewijzen. Dat laatste doet de auteur ook niet, hij zou het waarschijnlijk afwijzen als hem er rechtstreeks naar gevraagd werd. Niettemin stelt de auteur zo impliciet ook interessante historische vragen aan de orde. Net als eerdere vragen nemen we deze mee om er later zo mogelijk op terug te komen.

Zelf ben ik onder de indruk van het bergrede-ethos van Jezus en van de de praktische vroomheid van de chassieden. Hun radicale ethos staat toch wel erg ver af van wat er later door christelijke kerken en misschien ook door Joodse stromingen van gemaakt is. Maar dit ethos lijkt mij tegelijk ook erg moeilijk realiseerbaar in de woelige dagelijkse strijd om het bestaan.
Jezelf voor de gek houden en negeren dat juist in die dagelijkse strijd dit ethos van eminente waarde kan zijn, slaat echter ook nergens op. Dus de auteur heeft mij met zijn boekje opnieuw aan het denken gezet over het ethos van “chassidisme en christendom”. De historische vergelijking is ook interessant maar een verhaal apart – zie ook de andere boeken die ik tegelijk bespreek.

Een technisch puntje: de verwijzingen naar de noten 14 en 15 op p. 20 zijn loos.
Een prettig leesbaar en niet te uitgebreid boekje waaraan veel studie en veel gesprekken en verwerking ten grondslag liggen. Er staat wel in kort bestek veel in en de lezer moet dus goed opletten wat hij er zelf van vindt. Alle gegevens in dit indrukwekkende boekje zijn boeiend en indringend en worden gedocumenteerd met belangrijke literatuurverwijzingen.

Dan komen we nu aan het laatste boek van deze serie, Meijerings Geschiedenis van het vroege christendom. Dit is een prachtig uitgegeven en zeer lijvig werk, gebaseerd op brede kennis. Hoewel omvangrijk, is het lezen ervan vaak een genoegen omdat de stijl prettig is, de lezer bij de hand gehouden wordt en het voorwerk voor de conclusies die hij voorgeschoteld krijgt, al door de auteur gedaan is. Er is geen aparte literatuurlijst maar die is verwerkt in de noten en de registers die samen met een kaart van de verspreiding van het christendom meer dan honderd bladzijden beslaan!
De auteur is duidelijk over zijn opzet en zijn standpunt. Hij behandelt de ontwikkeling van het vroege christendom vanaf Jezus tot de vaststelling van het christologische dogma in de geloofsbelijdenis van Nicaea in 325 onder keizer Constantijn. Zijn standpunt is dat hij gelooft in Jezus (Christus) de Opgestane. Overigens klinkt de formulering van zijn eigen standpunt eerder dogmatisch dan als beleefde ervaring. Uit alles blijkt dat hij van zorgvuldigheid houdt in wetenschappelijk opzicht, maar ook weinig geneigd tot het innemen van extreme standpunten. Verstand en maat winnen het duidelijk van gevoel en avontuur. Voor een overzicht van zo’n drie à vier eeuwen geschiedenis van het vroege christendom heeft dat bepaalde voordelen. Hoewel de auteur beslist op de hoogte is van diverse nieuwe vraagstellingen en fronten van de wetenschappelijke discussie, beperkt hij zich in dit boek tot een buitengewoon mooi overzicht van de belangrijkste en meest bekende ontwikkelingen, steeds direct aansluitend bij de bronnen zelf en een zo evenwichtig mogelijke evaluatie daarvan. Een actueler en completer overzicht zal de lezer in de Nederlandse taal voorlopig niet vinden. Ook de literatuurverwijzingen zijn zeer up to date. Wie wil weten wat de voorlopers van het latere christendom in de eerste eeuwen bewoog, waarvoor zij enthousiast waren en waarover zij zich druk maakten, kan hier heel veel vinden, met naam en toenaam, uitgebreide citaten, duidelijke verbanden.

De kritiek die ik erop heb, is niet dat hij niet goed weergeeft wat hij behandelt, maar dat hij beslist selectief is in wat hij niet behandelt, en die selectie past inderdaad bij zijn standpunt en opzet. Het komt er mijns inziens op neer dat hij de ontwikkelingen van de eerste eeuwen toeschrijft naar het resultaat ervan in de vierde eeuw, namelijk het “algemeen-kerkelijke” christendom dat dan niet alleen ontstaan is maar vanaf dat moment ook de dominante stroming blijft. Hij is zich wel bewust dat hij voor deze periode sterk te maken heeft met het Jodendom en ook wel andere belangrijke verschijningen in de hellenistische smeltkroes. Maar hij grenst zijn onderzoek en onderwerpen zo snel mogelijk af om terug te keren naar het veilige terrein van de voorlopers van de eigen latere christelijke tradities. Verschillende malen kiest de auteur er voor om zaken die evident op het terrein van de Joodse geschiedenis liggen aan Joodse historici over te laten (bijv. 87v). Dat lijkt mij in zo ver terecht als hij daarmee hun eigen traditie en inzichten respecteert. Maar mijns inziens is niet goed om te doen alsof christenen – en hij als christelijke onderzoeker – niet eveneens een zelfstandig onderzoek naar die geschiedenis kunnen doen, en tot eigen inzichten kunnen komen. Dat is alleen al wetenschappelijk waardevol. Weliswaar laat de auteur dat ook niet na bijvoorbeeld met betrekking tot de historische Jezus – en met betrekking tot het aangeven van voorkeuren door christenen binnen Joodse visies op hun geschiedenis (419) – maar verder is hij toch sterk terughoudend. En daarmee blijft zijn optiek toch ook beperkt tot de ontwikkelingen die het best binnen zijn gekozen opzet passen. Ook met betrekking tot de parallellen van mysteriegodsdiensten en delen van het vroege christendom is hij afperkend. Hij zegt alleen dat deze inhoudelijke overeenkomst vroeger in de wetenschap meer werd benadrukt dan de laatste tijd (73). En heeft het er dan verder nauwelijks meer over. Zijn boek is dus vooral informatief voor diegenen die de hoofdlijnen van de leer van het latere christendom willen terugvinden in de eerste eeuwen. Die eeuwen waren echter juist veel gevarieerder dan dat latere christendom altijd heeft beweerd. De auteur doet daaraan formeel wel recht maar kiest er duidelijk voor wat bij de – latere?! – hoofdstroom past meer aandacht te geven (148vv.). Letterlijk zegt hij dat hij met aantallen rekening moet houden. Kwaliteit verliest het kennelijk soms van kwantiteit, en de auteur laat dat meewegen door over de groepen met kleinere aantallen minder te schrijven, ook al hebben zij misschien veel te vertellen. Verder lijkt het er op dat de auteur als criterium voor alle christenen toch hanteert dat zij exclusief over hun waarheid denken (236) en dat is nu net de vraag. Is dit van alle christelijke groepen en geschriften zeker? Of zijn er christenen die hun waarheid erg serieus nemen en toch niet verabsoluteren zodat er ruimte is voor het bestaan van andere christelijke en niet-christelijke waarheden? ‘Waarheid’ vat ik hier dan uiteraard op als spirituele, mythische of geloofswaarheid, niet als wetenschappelijke (objectief historisch of natuurwetenschappelijk, werkend met hypotheses en controleerbare methoden van verificatie en falsificatie). En het is ook de vraag of er überhaupt zo exclusief over deze waarheden gedacht hoeft te worden? Wie dat wel vindt, zal al gauw zijn visie op de geschiedenis door zijn mythische waarheid laten beïnvloeden, lijkt me.
Kortom, dit boek past in de traditie dat de geschiedenis geschreven wordt door de overwinnaars, in dit geval de (zich ook al ‘katholiek’ ofwel algemeen noemende) voorlopers van het latere algemeen-kerkelijke christendom. Daarbij gaat hij beslist niet voorbij aan diverse relevante verschijnselen en problemen van de verliezers. Maar omdat hij de ruimte al nodig heeft voor de geschiedenis van de overwinnaars, beperkt hij zich vaak tot het aangeven van een formele of methodische reden waarom ze genegeerd zouden kunnen worden. Hij gaat niet in op hun geschiedenis en komt aan hun inhoudelijke kwaliteiten nauwelijks toe. Dat is te betreuren voor zo’n knappe studie. Het past wel bij de uitgangspunten van de auteur omdat hij zich duidelijk beweegt binnen de grenzen van het traditionele christelijk geloof of misschien kan ik beter zeggen: dogma. Wel neemt hij sociale en wetenschappelijke vragen weliswaar zeer serieus – ook met betrekking tot de bestudering van de geschiedenis van het vroege christendom. Maar in wezen is hij meer in gesprek met vroegere en huidige theologen (dogmatici) en soms historici, dan met de leken van onze tijd en hun problemen al kent hij hun neigingen (420v.). Het is bekend dat de theologen en (godsdienst- en kerk-)historici aan de universiteiten vaak sterk beïnvloed zijn door een algemeen-kerkelijke achtergrond. Dat wil zeggen: in het oude paradigma staan van een kerkelijke theologie of van een of andere variant op de christelijke visie op de geschiedenis. Niet alleen het schrijven van de geschiedenis, ook het benoemen van de historici gebeurt nu eenmaal door de overwinnaars. Het komt me voor dat de auteur in dit boek het onderscheid tussen godsdienst en (vrije) spiritualiteit te weinig in rekening brengt. De laatste verabsoluteert haar eigen standpunt nooit, de eerste bijna per definitie wel omdat zij zich vastlegt in een organisatievorm en op een daarbij passende leer.
Niettemin is dit boek boordevol met waardevolle informatie.

Enkele conclusies van de bespreking van bovenstaande boeken

De besproken boeken van Freke en Gandy, van Harpur en van Deschner leveren betrekkelijk weinig of geen informatie over de historische Jezus en de mogelijkheid van het maken van serieuze historische studie van zijn leven en optreden. Freke en Gandy en Harpur verwerpen een historische Jezus zelfs – ten onrechte. Terecht verdedigt Meijering deze mogelijkheid wel als een serieuze en hij verwijst ook naar enige belangrijke recente literatuur daarover. Vervolgens biedt hij het resultaat van zijn onderzoek naar beste weten. Ook Tomson gaat uit van de historiciteit van Jezus maar bespreekt de daarmee samenhangende bronnenproblematiek slechts beperkt aan de hand van de ‘lagen’ onder de oppervlakte van de evangelieteksten. Vervolgens zet hij als ‘quasi-eenvoudig’ (103) resultaat van zijn studie en zijn methode een Jezus neer die binnen het raam van zijn tijd en Joodse omgeving een herkenbare eigen rol speelt. Deze lijkt in de weergave van Tomson ondanks een aantal ingewikkelde problemen consistent met de interpretatie die latere volgelingen vastlegden (in nieuwtestamentische geschriften waartoe Tomson zich beperkt). Op eenzelfde in historische zin nog tamelijk onkritische wijze komt Hensen tot zijn Jezusbeeld.
Het zou zeker interessant zijn de beelden van Jezus (en van de Christus) van Tomson, van Hensen en van Meijering met elkaar te vergelijken tegen de achtergrond van hun uitgangspunten. Maar noch Meijering noch Tomson maken gebruik van het hele spectrum van beschikbare bronnen uit de eerste en tweede eeuw, en van alle belangrijke recente wetenschappelijke literatuur over de historische Jezus. Geen Evangelie van Thomas bijvoorbeeld dat toch duidelijk een zeer oude Judese bron met uitspraken van Jezus bevat, te vergelijken met de bron Q van Matteüs en Markus. Op grond van bronnensplitsing zou zelfs een lijst van woorden van Jezus gemaakt kunnen worden met een hoge graad van historische authenticiteit, misschien wel de voorlopig hoogst verdedigbare. Deze zou op haar beurt naast de beelden van Tomson en Hensen en Meijering gelegd kunnen worden. En naast die van het steeds verdergaande onderzoek naar de historische Jezus en de publicaties daarover. Ik besteedde elders op deze website aandacht aan de historische Jezus, in mijn lezing over “Jezus en Thomas: spirituele verlichting en maatschappelijke solidariteit” en in mijn onderzoek naar de authentieke woorden van Jezus, “De lessen van Jezus”. Daar wordt onder andere verwezen naar belangrijke publicaties van B. Mack.
We moeten ook niet te snel resultaten op dit gebied verwachten maar die zijn beslist niet ondenkbaar. Dat vereist echter een complexe waardering en filtering van veel gegevens.
Meijering geeft aan dat zijns inziens het beslissende moment in het ontstaan van het christendom geweest is het moment waarop de volgelingen van Jezus na diens dood zijn afwezigheid ervoeren als de aanwezigheid van hun Opgestane Messias ofwel Christus. Uiteraard niet zonder samenhang met de aanleiding die daarvoor in het leven van Jezus al gegeven was. Ik kan niet beoordelen of dit ook geldt voor alle andere groepen volgelingen die zich beriepen op Jezus of Christus als hun inspirator, leraar of verlosser. Want voor sommigen lijkt Jezus ook toen een indrukwekkende Joodse leraar in maatschappelijke en religieuze zaken te zijn geweest zonder verwijzing naar zijn dood aan het kruis en zijn opstanding, voor anderen een gnostische hellenistische leraar in spirituele bewustwording (wedergeboorte) voor wie de opstanding een spiritueel gebeuren was. En er zijn teksten van de groepen die dat vonden. Zoals de in Nag Hammadi gevonden teksten waaraan Tomson en Hensen en Meijering evenmin (veel) aandacht besteden. Ten onrechte, historisch gezien. Maar dat vertekent natuurlijk wel het beeld, of althans houdt het dat beeld nog (even?) onvolledig. Er zijn inmiddels toch wel heel wat publicaties over die ze niet hadden hoeven te negeren, of er althans naar te verwijzen. Of moeten we de algemeen-kerkelijke richting van het christendom de verliezers van nu achten en blij zijn dat ze in boeken als deze van Tomson en Meijering nog een stem krijgen? Wie verder wil gaan in de lijn van het exclusieve waarheidsdenken en groepsdenken is mijns inziens maatschappelijk en politiek gevaarlijk bezig, wie inclusief wil denken – iets dat historici eigen moet (kunnen) zijn – kan met anderen in gesprek komen, ook over nieuwe visies op het vroege christendom. En over de potentie die bepaalde oude christelijke en andere vormen en inhouden in onze tijd hebben, of ze het nu vroeger gewonnen hebben of niet. Wetenschappelijke historici van de geschiedenis van het christendom en uitleggers van het Nieuwe Testament die dat niet doen, hebben mijns inziens wel een heel beperkte opvatting van hun vak.

Aan het belangrijke boek van Tomson – en auteurs zoals Pinchas Lapide en andere die Tomson noemt in zijn literatuurlijst – wordt duidelijk dat de Joodse invloed op het christendom niet gauw onderschat kan worden. Er valt alleen nog veel werk te doen met het in kaart brengen ervan. Want zoals inmiddels bekend en door Tomson en Meijering ook met zoveel woorden aangegeven is daarbij niet alleen het Jodendom van belang dat we uit de bijbelse geschriften kennen van de Joodse of de protestantse canon maar ook dat van de deuterocanonieke boeken van het (Joodse) Oude Testament in de rooms-katholieke canon en verder de vele Joodse en daaraan verwante geschriften uit hellenistische kringen en uit Qumran, de belangrijke vestiging van de Esseense gemeenschap. Deze laatste zijn evenmin in een canon terecht gekomen. En is het zo dat aan de Joodse zijde van het spectrum naast de Talmoed en de commentaren daarop vele geschriften bekend zijn die niet in een canon terecht zijn gekomen, dat geldt ook voor de christelijke zijde. Allereerst moeten we hier de Oostelijk van de Middellandse Zee gelegen semitische culturen noemen, naast Egypte en Perzië, waar Joodse en christelijke invloeden een eigen vorm kregen. Maar ook in hellenistische kringen hetzij in het Oosten, speciaal in de wereldstad Alexandrië en vele sterk hellenistische steden in het hele Middellandse-Zeegebied, van Edessa, Antiochië en Jeruzalem tot Cordoba, Lyon en Keulen, ontstonden christelijke groepen in vele variaties. Die tot op heden vaak matig bedeeld zijn in de aandacht van de geschiedschrijving, ondanks nieuwe baanbrekende ontdekkingen en studies. Zeker is wel dat ook hier Joodse invloeden per definitie heel belangrijk geweest zijn, alleen al omdat Jezus en zijn volgelingen van vrijwel de hele eerste eeuw uit de Joodse traditie voortkwamen of daar direct contact mee hadden of gehad hadden. Een onderwerp waarvoor inmiddels terecht veel aandacht is, is de wijze waarop vele christenen en christelijke leiders en groepen weggroeiden van en uiteindelijk afstand namen tot de Joodse identiteit, tot welke aspecten ervan enzovoort. Maar ook hier is het onderzoek nog in volle gang.

Het is duidelijk dat Freke en Gandy, ondersteund door het materiaal van Harpur, een belangrijke impuls bieden om de hellenistische invloed – en daarachter de oudere voorhellenistische onder andere Egyptische en Griekse invloed – opnieuw te traceren. Het is wellicht niet teveel gezegd om in de vorm van de nieuwtestamentische evangeliën geslaagde samensmeltingen van Joodse en hellenistische invloeden te signaleren, die als mysteriedrama’s te typeren zijn. Dat wil zeggen dat zij hun betrekkelijk verborgen historische kern en hun heilsboodschap verpakt aanbieden, uitgebreid verpakt zelfs. In vormen die zowel aan bepaalde Joodse achtergronden recht doen als aan bepaalde typisch ‘christelijke’ – dat wil zeggen uit de traditie van Jezus en delen van zijn directe volgelingen stammende – als aan bepaalde ‘mysteriecultische’ – dat wil zeggen aan het complex van mysteriecultussen van Osiris-Dionysos ontleende, zoals door Freke en Gandy aangeduid.
Maar allereerst is van belang historisch recht te doen aan die vormen van vroeg christendom van hellenistische snit – en uiteraard ook aan daaraan verwante niet-christelijke verschijnselen van hellenistische religiositeit in alle onderlinge beïnvloeding of uitwisseling – die niet passen in de voorgeschiedenis van het christendom dat het vanaf de vierde eeuw gewonnen had, het zogenaamde algemeen-kerkelijke christendom. We weten nu immers dat er gnostische stromingen geweest zijn en nog divers andere. Waarvan sommige zich fel tegen hun Joodse achtergrond afzetten, sommige ook helemaal niet. Sommige hiervan behandelt Meijering wel, zoals Marcion en de Montanisten maar de meeste inmiddels als belangrijk gesignaleerde niet, al noemt hij wel even het Evangelie van Thomas. Meijering wijst ook even (69-71, 81v.,) op de problematiek van het voorkomen van een ‘tweede god’ (zie een eerdere stelling nr 14 van mij hierover) in het Jodendom van die eeuwen maar wijdt er verder niet over uit welke consequenties dat had bij sommmige gnostici. Wel dat het een rol gespeeld heeft bij de vorming van de gedachten over de triniteit. Maar niet wat de eigenlijke keuzes waren die hier gemaakt konden worden en gemaakt zijn. Sterker, als dat wel geschetst zou worden, zou ook duidelijk kunnen worden dat het later winnende ‘algemeen-kerkelijke’ christendom een keuze maakte tegen de vrijere spiritualiteit en vrijere organisatie van degenen die zij bestreden. En nóg sterker, dat zij niettemin vele elementen van die bewegingen, waaronder de hellenistische ‘mysteriecultische’ van Freke en Gandy, overnamen omdat die goed aansloegen! Ook hier is dus nog veel werk te verrichten. Vooral door eerlijke onbevangen onderzoekers.

Voorafgaand aan de vestiging van het door de staat erkende en gesteunde christendom in de vierde eeuw vormden de personen en groepen, bewegingen en geschriften voor wie Jezus op een of andere manier een belangrijk gegeven of oriëntatiepunt was, een breed palet. De betekenis en de rol die daarbij aan Jezus werd toegekend, varieerden daarbij enorm, ook door allerlei verschillende invloeden van de omgeving.
Jezus was Jood, etnisch en religieus. De eerste volgelingen van Jezus waren vrijwel allemaal Joden, voor een deel ook nog Aramees sprekend, later vooral Grieks. Hun berichten over Jezus werden zowel in het Aramees als in het Grieks doorverteld. En Joodse invloeden zijn in die eeuwen even groot als dat ze gekleurd werden door het zich wederzijds tegen elkaar afzetten van christenen en Joden naarmate de eersten een sterkere positie verworven. Een positie die samenging met het vergroten van het aantal niet-Joodse christenen. Terwijl Joodse christenen eerst de meerderheid van de christenen hebben gevormd en zij de eerste decennia en wellicht hier en daar langer de toonaangevende vorm van christendom waren en bleven, won in het Romeinse Rijk de niet-Joodse variant, dat wil zeggen die waarvan de meeste leden niet-Joden waren. Wij kennen het christendom alleen of voornamelijk in deze Westerse variant die groeide uit de algemeen-kerkelijke richting binnen de vroeg-christelijke gemeenten. Maar die algemeen-kerkelijke richting was voor de erkenning en ondersteuning door de staat in de vierde eeuw maar een van de richtingen.
Daarnaast waren er onder meer diverse groepen Joodse christenen en de diverse vormen van spiritueel en religieus vrijere christelijke groepen, waaronder de christelijk-gnostische en de christelijk-hermetische. Deze laatste hadden ook invloed ondergaan van Joodse en wellicht ook ‘heidense’ gnostici en hermetici. En dit alles binnen een hellenistische cultuur waarin heel veel ontmoeting en uitwisseling plaats vond. Waarin allerlei mysteriecultussen een rol speelden maar ook de Griekse filosofie. Waar traditionele en modernere Joodse stromingen naast elkaar leefden in en ver buiten Palestina, dat laatste onder meer in Alexandrië en vele andere grote steden.
Het is begrijpelijk dat een auteur als Meijering kiest voor een benadering van het vroege christendom per eeuw, want de chronologische opvolging geeft ook aanwijzingen en past binnen zijn opzet om de voorgeschiedenis van de overwinnaars te schrijven. Maar het zou zeker opzienbarend zijn om de geschiedenis van al deze stromingen, niet alleen van het algemeen-kerkelijke christendom, eens te schrijven met een geografisch uitgangspunt. Zodat eerst de kenmerken van de locale religieuze culturen duidelijk worden en vervolgens de uitwaaiering en onderlinge beïnvloeding beschreven worden van de verschillende groepen, hun karakter en ideeën en – veelal zeer verschillende – verzamelingen van veelgebruikte geschriften. (Meijering maakt trouwens de terechte opmerking dat zo weinigen konden lezen in die tijd dat we aan de rol van geschriften niet teveel betekenis moeten hechten als het om de betekenis voor de gemiddelde aanhanger gaat.) Dan zou ook een beter beeld ontstaan van de onderlinge kwaliteitsverhoudingen, van wat de diverse richtingen en stromingen werkelijk betekenden en te bieden hadden. En ook hoe de onderlinge strijd verliep, want die die is er zeker geweest, getuige onder meer de brieven van Paulus waarmee hij haar in goede banen probeert te leiden. In ieder geval lijkt het er op dat de spiritueel vrijere christenen uiteindelijk door de algemeen-kerkelijke christenen met de ‘heidense’ spiritualiteit op één hoop gegooid zijn en zoveel mogelijk vernietigd. Iets wat ook de Joodse religie nog van hen zou ondervinden, de meeste christenen hebben de eeuwen door de Joden als grote vijanden beschouwd die de ondergang waardig waren. Dat ontleenden ze overigens aan de evangeliën, met name Mattheüs en Johannes, die anti-Joodse tendenzen incorporeerden om hun eigen versie van het verhaal van Jezus als de Christus ook voor niet-Joden verder te brengen.
Voor de verhouding tussen de Joodse en niet-Joodse invloeden verwijs ik terug naar mijn ‘Samenvatting vooraf’. Er zijn nog heel veel mogelijkheden om ons beeld scherper te stellen en het zal zeker niet bij deze boeken blijven. Ondertussen is het leven zelf de grootste opgave, hier en nu, in wat ik soms ervaar als een chaotische tijd. Waarin materiële en spirituele vragen, politieke en culturele, allemaal tegelijk om aandacht vragen. Terugkijkend ervaren hoe mensen uit de eerste eeuwen op zulke of andere omstandigheden reageerden, kan interessant en inspirerend zijn. Misschien zelfs richtinggevend. Ik stel me voor dat het daarbij van belang is niet alleen het welzijn goed in de gaten houden van mezelf en de mijnen. Maar evenzeer dat van degenen met wie wij verder in deze wereld leven en die mij wellicht nodig hebben – of ik hen. Het een sluit het andere juist in, dat is voor mij zeker.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.