BK-Books.eu » Berichten » Taoïsme. De weg om niet te volgen: lees een prachtige samenvatting van het boek van P. de Martelaere

Taoïsme. De weg om niet te volgen: lees een prachtige samenvatting van het boek van P. de Martelaere

(ontleend aan https://filosofiegroepseniahaarlem.wordpress.com/2016/10/21/patricia-de-martelaere-tao/ )

Patricia de Martelaere. Taoïsme. De weg om niet te volgen

Tao en de weg

Het Taoïsme is een stroming binnen de klassieke Chinese filosofie. Deze manier van denken lijkt haaks te staan op de westerse filosofische traditie en wijze van benaderen. Of is dit te simpel geredeneerd?
Patricia de Martelaere schreef een inleidend boek waarin ze probeert om aan de hand van thema’s uit de belangrijkste teksten de centrale vragen van Lao Zi en Zhuang Zi filosofisch te doorgronden. We lazen met plezier haar boek en oefenden ons in deze manier van ‘paradoxaal denken’. We bespraken dit boek in de filosofiegroep. Toch kun je hier vragen bij stellen. De Tao is meer dan een serie gedachten. Ze is een weg, iets wat je moet oefenen, ervaren, voordat je er van binnenuit iets zinnigs over kunt zeggen. Het is een geestelijke stroming, een zoeken naar levenswijsheid, dat wil zeggen iets van hoofd, hart en handen. We zagen bij het boek van Hadot al goed hoe hoe de vier Griekse scholen gericht waren op het wijsheid waarbij het doen van geestelijke oefeningen een belangrijk onderdeel was. Wij als rationeel geschoolde westerse mensen benaderen een thema verstandelijk en zijn gericht op kennis. En wij kunnen ons denken goed scheiden van de persoonlijke verbinding met mensen, thema’s, of bijv. de toekomst van de aarde. Maar zijn we daarmee niet een deel van ‘heel de mens’ kwijt geraakt?

De Martelaere begint in de eerste hoofdstukken met een bespreking van de belangrijkste boeken en plaatst ze in de tijd. Ook gaat ze in op de vraag wie de schrijvers zijn van de teksten en op welke manier ze tot stand zijn gekomen. In de inleiding verantwoordt ze hoe ze verslag doet van haar persoonlijke lezing van de teksten (exegese) en waarom ze er voor kiest om eigen accenten en interpretaties te geven.

Daarna bespreekt ze de via een aantal hoofdstukken en paragrafen de belangrijkste thema’s van deze denkwijze.  Ze gebruikt het woord afpellen. Vanuit algemene oriëntering graaft ze steeds dieper in de denkwijze. Op die manier, via toelichtingen, verhalen en citaten worden de kernwoorden Tao, Te, Ying en Yang, paradox, energie verder en verder gevuld.. Hieronder wat basisdenkbeelden.

  • Tao is een weg of spoor, concreet en een zinvolle oriëntering, het is een route met inzicht afgelegd en leidend tot bestemming. Het heeft betrekking op het hoofd( zien, inzicht) op de voeten (weg afleggen) en Weg (het zelf) . Tao is een beginsel, dat alles doordringt, en de tegenstelling tussen eenheid en veelheid overstijgt. Het is psychologisch, biologisch, strategisch en medisch van aard. Ook is het voorwerp en resultaat van logisch linguïstische overwegingen en redeneringen. De Tao is een transcendent quasi goddelijk principe, oerbeginsel, ontologisch fundament, maar ook radicaal praktisch en in verband te brengen met concrete menselijke vaardigheden.
  • ‘De Tao waarover men kan spreken, is niet de eeuwige Tao.’ Dit is de beroemde openingszin van de Dao De Jing. Zowel de Chinese wijsgeren Lao Zi (grondlegger van het Taoïsme) als Zhuang Zi gaan ervanuit dat ‘de Tao’ letterlijk alles in het universum aanduidt van hoog tot laag, van complex tot enkelvoudig.
  • Te, chi of qi  is de levenskracht, potentie, die een efficiënte uitwerking heeft. Het begrip qi is eigenlijk niet te duiden. De Martelaere zegt in de tekst toch het een en ander over qi. Ieder mens heeft een bepaalde hoeveelheid qi die een mens voor z’n aardse leven krijgt. Het afnemen van qi gebeurt door de gehechtheid aan aardse goederen, maar ook door het zwelgen in innerlijke gevoelens en gedachten. Het is aan de Taoïst om zuinig met zijn qi om te gaan. De Taoïst verdringt emoties niet en is niet onverstoorbaar. De strategie is om alles wat zich aandient, ook op innerlijk emotioneel vlak, te onthalen met ‘rustige tevredenheid’. De Taoïstische paradox zit in de spanning tussen tevreden willen zijn en het niet hardnekkig te willen. De openingen van het lichaam, waarmee door zintuigen emoties en ervaringen opdoen worden selectief geopend en gesloten om zo eigen qi-energie te versterken. De gerichtheid van de wijze is: Lichaam en geest zijn één bij mij, kracht en ziel zijn één, ik en niet ik zijn één. p. 104. Of een ander mooi citaat: Luister niet meer met je oren, maar luister met je hart. Luister niet meer met je hart, maar luister met je qi.
  • Taoïsme ziet af van ieder bewust na te streven doelstelling en geeft geen invulling van de ‘juiste weg’. Sleutelthema is het omgaan met de stroom  van het leven. Het is een paradoxale opdracht om mee te gaan en tegelijk afstand te houden. Door met de stroom mee te gaan en tegelijkertijd het punt in de stroom vinden, waardoor men buiten de orde van het bestaande komt te staan. De achtergrond is dat men een stroom niet kan tegenhouden door ertegen in te gaan. Het put je uit. De wijze gaat mee, maar iets in hem gaat niet mee. Wat niet verandert is dat wat alle verandering toelaat. Het is bewogen en onbewogen tegelijk. Een mysterieuze poort naar transformatie. p.99.
  • Deze spanning zit ook in het doen door niet te doen. De volmaakte mens doet niets om qi te cultiveren, maar alles wordt beïnvloedt door de aanwezigheid van qi. Centrale gedachten in het Taoïsme zijn ‘wu wei’ (niets doen) of ‘wei wu wei’ (het beoefenen van het niets doen).
  • Geluk is voor de Taoist tevredenheid, een energetische toestand, een innerlijke houding, zijn wijsheid steunt zowel op het uiterlijke als het innerlijke , hij of zij is tevreden met zowel het grote als het kleine. Voor de wijze is in het totaal van het universum innerlijk-uiterlijk, dit of dat, groot of klein inwisselbaar.
  • Kenmerkend zijn de Tao paradoxen. De Tao is de naamloze en onbenoembare kern van al wat bestaat en benoembaar is. Zo is de Tao onkenbaar. Tegelijk is ze aanwezig in alles wat bestaat en in die zin zijn alle  eigenschappen zonder uitzondering eveneens op hem toepasbaar. Hij is groot en klein. Kan niet worden gezien of gehoord. Niet aangeraakt en zo in zekere zin niets. p. 143. Iets verder in het boek legt ze uit dat de tegenstellingen conceptueel tegenstrijdig zijn, maar tegelijk een elementaire en zeer reële wetmatigheid verwoorden. (p. 153) Juist de tegenstellingen worden zo dynamisch en staan niet tegenover elkaar,  maar gaan in elkaar over.  In een citaat: ‘Grote volmaaktheid lijkt gebrekkig, maar het gebruik er van is onuitputtelijk. Grote volheid lijkt leeg, maar het gebruik er van is oneindig. Grote rechtheid lijkt gebogen; grote vaardigheid lijkt onhandig; grote welsprekendheid lijkt stamelend. Beweging overwint koude. Rust overwint hitte. Rust en stilte besturen al wat bestaat onder de hemel’. 
  • Illustratief is de vergelijking van de Tao met de leegte waaromheen de spaken van een wiel kunnen draaien of de holle binnenkant van een kruik die met vloeistof gevuld kan worden. Het is meer het beeld van dat wat er niet is. Er is een lege ruimte wat de dingen bruikbaar maakt. Die lege ruimte is de Tao.
  • Je zou kunnen spreken over een Tao kosmologie of orde. De Tao staat aan het begin van alles wat bestaat en valt samen met het einde van de afgelegde weg. De eeuwige Tao. De Tao brengt het ene voort. En Een brengt Twee voort en die Drie en zo verder tot tienduizend dingen. Het een staat voor  de oorspronkelijke toestand van onverdeelde energie. Vanuit dit ene ontstaat Yin en Yang. En van uit de Yang-fase of Hemel en de Yin-fase of aarde ontstaat de volgende fase: de mens. En als laatste de tienduizend dingen. Het is een cyclus die zich steeds herhaalt. Elk heeft een eigen waarde. In een citaat: ‘De Tao is groot, De Hemel is groot, De aarde is groot. En de mens is ook groot. Vier dingen zijn groot. (..) De mens volgt de Aarde. De Aarde volgt de Hemel. De hemel volgt de Tao. En de Tao volgt wat natuurlijk is’. p145.
  • In de paragraaf ‘de kracht van zwakheid’ gaat het om de strategie van de leider of de vechter. Moet deze sterk zijn of zit zijn kracht in het tegenovergestelde? Het gaat hier om de qi economie. De leider gaat zuinig om met zijn qi-kracht. De drie schatten van de echte wijze/leider zijn: Mededogen.  ‘Wie goed is behandel ik met goedheid; wie niet goed is behandel ik eveneens met goedheid; En zo bereik ik goedheid. Spaarzaamheid. Is dat wat leidt tot accumulatie van energie die vereist is om een maximale stabiliteit te bereiken. Nederigheid. Dit wordt ingevuld met de bereidheid om achterop te komen, het afzien van leiderschap en zo maximaal ontvangend te zijn om dat wat er in de omgeving gebeurt te ontvangen. ‘Wie afziet van de wens om te leiden kan juist daardoor de leider van de wereld worden’.
  • De laatste paragraaf over besturen zonder besturen, wat met name gaat over vertrouwen, sluit af met dit mooie citaat: ‘Óf hij nu als een kluizenaar in de bergen woont, dan wel een onmetelijk rijk bestuurt,de Wijze is zowel in zijn  houding naar binnen toe als in zijn omgang met de dingen buiten hem, net zoals de Tao is: ‘Hij geeft leven zonder te willen bezitten; hij handelt zonder weldoener te willen zijn; hij leidt zonder bestuurder te zijn- dit is de diepste Te’.

In de epiloog probeert de schrijfster de essentie van het Taoïsme te schetsen. Ze stelt dat het de mildste en tegelijk hardste van de levensbeschouwingen is die ze kent. Mild omdat het niet op een normatieve manier richtinggevend wil zijn. Het Taoïsme ziet af van iedere bewust na te streven doelstelling en geeft geen invulling van de juiste weg. Alle wegen zijn even goed, de Weg valt samen met de hele wereld. Alles is toegelaten, niets wordt veroordeeld. Taoïsme is ook zwaar en hard, omdat het onze levensweg aan mensen zelf overlaat. Zonder enige richting of houvast. Toch wordt er in het Taöisme wel gesproken over de juiste of gepaste handelswijze. Maar voor ieder mens in elke situatie zal de vraag wat goed en en minder goed kunnen verschillen. Afhankelijk van omstandigheden en de doelstellingen voor zover die haalbaar zijn. ‘Het heeft geen zin te willen bloeien in de herfst, of te willen overleven in de aanschijn van de dood. – en alleen als het geen zin heeft , het getuigt ook van een gebrek aan inzicht. Wat goed is, is onvermijdelijk anders in de lente dan in de herfst, anders dan in het begin van het leven dan op het einde er van. (..) De goede levenshouding in het algemeen zou kunnen zijn: aanvaarden dat wat ‘goed’ is in bepaalde omstandigheden onvermijdelijk zal omslaan in wat ‘slecht’ is in andere omstandigheden. p. 168. Om te eindigen met de zin dat het er ook om gaat te aanvaarden dat het leven soms pijnlijk en moeilijk is. Tegen deze werkelijkheid in gaan is nog moeilijker en zwaarder.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens. Ik woonde en werkte verder in Middelburg, Goes en plaatsen in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. --- Vanaf 1965 studeerde ik theologie en filosofie (mijn afstudeeronderwerp bij † prof. Otto Duintjer was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (speciaal bij Jacob Böhme). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere 'dualiteiten' of liever 'non-dualiteiten'. Speciaal met het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost (vgl. yin en yang), met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. Deze twee publicaties zijn inhoudelijk pendant van elkaar. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden. Want waar zijn de grenzen van onze 'hele' werkelijkheid?