BK-Books.eu » Berichten » De kern van Jacob Böhme’s denken: bronnen, betekenis, toekomst

De kern van Jacob Böhme’s denken: bronnen, betekenis, toekomst

Bronnen, uitgangspunten en betekenis van het rationele én veel-meer-dan-rationele denken van Jacob Böhme

van zijn Aurora tot zijn Theoscopia

Jacob Böhme schreef zijn spirituele en wijsgerige teksten naar eigen zeggen uit noodzaak. Na in een geestelijke crisis te zijn geraakt – zo diep dat hij elke grond onder de voeten verloren had – ervoer hij de genade van een nieuw geestelijk begin, “grond onder de voeten”, en niet alleen de behoefte om die ervaring met anderen te delen, maar ook de ermee verbonden diepe inzichten in de samenhang van alle verschijnselen, oorsprong en doel van de mensheid en van de kosmos en van alle patronen en processen die elk verschijnsel afzonderlijk en alle verschijnselen samen kenmerken inclusief het ontstaan en de toekomst van alles, en alle daarin voorkomende onderscheidingen en tegenstellingen. Zo ontstond zijn eerste geschrift, de Aurora of het Morgenrood. Zijn eigen proces, alle processen in de natuur/kosmos, inclusief die van al zijn medemensen, vormden zowel het onderwerp van zijn systematische visies als van zijn innerlijke drang om allen in zijn omgeving op te roepen om in die processen en in dat geheel hun rol te vervullen, erin mee te spelen. Inclusief een berekening van kosten en baten, en een schets van de uitkomsten.

In zijn Aurora zette hij zijn ‘systeem’ in de grondverf, in zijn traktaten sprak hij zijn hoorders en lezers aan op hun persoonlijke rol in het geheel, in zijn Theoscopia (een van zijn laatste traktaten) vatte hij de complete systematiek ervan samen. Die behandel ik aan de hand van het centrale concept van de eenheid van alle tegenstellingen in mijn inleiding in het denken van Jacob Böhme:  Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen (2020).

De voltooiing van deze inleiding maakte mij ook duidelijk dat woorden niet per definitie ‘het laatste woord’ hebben (…)! En wel omdat er een bereik of meer bereiken zijn dan die van woorden alleen; in die bereiken vormen woorden niet de belangrijkste taal. En dit in de zin dat er subtielere – en grovere – ‘talen’ of uitwisselingen zijn dan die welke in louter woorden gevat kunnen worden. Dit tenzij je het begrip ‘woorden’ uitrekt tot de meest subtiele uitwisselingen – maar dat is niet het gangbare gebruik van woorden waarin bewust of onbewust een grote dosis rationaliteit meespeelt.

Hoewel ik in deze inleiding gestreefd heb naar consistent en zelfs zo rationeel mogelijk (!) woordgebruik (zoals voor verstaanbaarheid in bredere kring nu eenmaal nodig is, zeker in een context waar rationalisering hoog in het vaandel staat zoals in onze ‘moderne’ tijd), moet ik vaststellen dat ik met rationaliteit alleen mijn doel niet bereik. Dat doel is immers ‘alomvattend’: als ervaring van open en alomvattende eenheid, en wel steeds opnieuw. Ook hier geldt dus: nadat de ladder van de rationaliteit beklommen is, mag hij achtergelaten worden tot hij eventueel opnieuw zijn diensten kan bewijzen.

De bijbehorende constatering is dat het ‘doel’ met de tijd verschuift naar een volgend zichtbaar wordend ‘doel’. In die zin althans dat elk einde een nieuw begin is (en omgekeerd; dit is een spreuk die in Böhmes werken voorkomt). Elk door ons voorgesteld einddoel verschuift naarmate het eerder voorgestelde doel in zicht komt of bereikt wordt. Ook dit behoort onmiskenbaar tot Böhmes inzichten die hij achtereenvolgens ontdekt en beschrijft.

In de Aurora sprak hij van de diepste grond (die hij bereikte via de grootste kwellingen die aan zijn verlichtingservaringen vooraf gingen), later spreekt hij van grond en ‘ongrond’, van iets en niets, van ja en nee. Daarmee geeft hij tegelijk aan dat in al deze tegenstellingen de grens van de taal bereikt wordt. In zijn Theoscopia spreekt hij dan ook letterlijk van de onmogelijkheid om überhaupt iets te ervaren buiten het erkennen van tegen(over)stellingen om. Pas die laatste maken de ervaring van wat dan ook mogelijk. Kennen is derhalve gebaseerd op het maken van onderscheidingen, en het erkennen van tegenstellingen. Want kennis is het benoemen van die ervaringen.

Alles bijeen brengt dit mij tot het besef dat bij de grootste en diepste verlichting hoort dat rationeel woordgebruik daarbij slechts de rol kan spelen die verwijst naar het alomvattende en tegelijk oneindige gebied buiten ieder beperkt kader (waaronder vermoedelijk ook ‘ruimte’ en ‘tijd’ zover wij die als rationeel toegankelijke en beheersbare grootheden opvatten). Als we de stortregens van Böhmes teksten zo lezen, hebben wij mijns inziens de beste kans om zijn ervaring en inzichten en bedoeling van zijn tekst serieus te nemen (vanuit die ervaring en bedoeling gezien).

Wie deze ervaring en dit inzicht (al) delen, zullen aan deze toelichting op Böhme wellicht (al) geen behoefte meer hebben. Maar er is niets wat buiten deze ervaring en dit inzicht valt. En voor diegenen voor wie mijn inleiding een rol op hun pad kan spelen of een betekenis daarvoor kan openen (want Böhme wijst als geestelijk leraar zijn leerlingen een spirituele weg),  hoop ik dat dat het geval is en zo van waarde is.

Conclusie: om uw verlichting te verwerkelijken is deze inleiding strikt genomen niet nodig. Want dan ontdekt u dat u zelf altijd al verlicht was, zij het niet altijd in het volle besef ervan verkeerde (en de vraag blijft hoe dat volle besef kan komen en gaan, en welke rol de aan- of afwezigheid van woorden daarbij spelen, laat staan dat die rol per se nodig zou zijn). Maar ook als u al verlicht bent, of af en toe, weet u dat u die verlichting altijd weer te realiseren hebt, zowel in de passieve als in de actieve vorm.

Daarbij komen we net als Böhme niet om de negatieve tot uiterst negatieve kanten van leven en bestaan heen, zoals hij gelukkigerwijs keer op keer niet nalaat duidelijk te maken in zijn zich steeds vernieuwende (beelden-)taal.

Theoscopia, het zien van God, is Böhmes uitdrukking voor wat in de christelijke teksten uit de Middeleeuwen illuminatio heet: ‘verlichting’, in geestelijke zin. Die illuminatio hield in dat de mens God schouwde, dat hij terug was in de hemel ofwel het paradijs waaruit hij was verdreven. Zij het dat die terugkeer voorlopig en onvolledig want nog voornamelijk geestelijk was. Slechts bij de tweede komst van Jezus op aarde zou de eenheid van de mens met God, en zijn terugkeer naar de hemelse of paradijselijke toestand volledig worden (zie ook verderop).

Orthodox-katholieken in het Oosten (oorspronkelijk oud-Syrisch en Grieks van taal, later ook Slavisch-talig waaronder Russisch) en Rooms-katholieken in het Westen (Latijns van taal) legden hierbij uiteenlopende accenten, afhankelijk van de manier waarop de toekomstige terugkeer naar het paradijs hier en nu mogelijk wordt geacht, en langs welke wegen. Jacob Böhme valt ten opzicht van deze tradities op door minstens twee visies. De ene is dat terugkeer naar de diepste of ook oorspronkelijke eenheid altijd overal dus ook altijd hier en nu mogelijk is (zij het eveneens in beginsel, zie de vorige alinea; de eenheid is geestelijk nu al volledig, de fysieke eenheid volgt de geestelijke in iets langzamer tempo maar niet minder volledig). Genoemde tradities hadden van de onmiddellijke komst van het koninkrijk dat Jezus predikte (het was er nu in dit moment al helemaal maar zou eveneens helemaal blijven komen) een komst in fasen gemaakt. De tweede visie volgt daar eigenlijk direct uit: geen enkel onderscheid of verschil, noch in concrete noch in  symbolische zin, valt buiten dit in beginsel reeds nu ervaarbare want bereikbare doel. Böhme zegt letterlijk: de hemel is niet vele mijlen boven de aarde maar altijd hier. Zoals Jezus tegen zijn medegekruisigde zegt dat hij vandaag (en dat is eigenlijk ook ‘hier’) met hem in het paradijs zal zijn. In het uiterste geval zou je van een klein verschil in bewustwording kunnen spreken, tussen individuen die het zich (nog) niet realiseren en die welke dat wel doen. Uit de tweede visie volgt logischerwijze ook de eerste. Het kernpunt van deze analyse is toch dat voor Jezus de komst van het koninkrijk altijd direct hier en nu al plaatsvond, innerlijk en gezien zijn genezingen en verdere optreden (tempelschoonmaak, doorbreken van onderdrukkende regels). Innerlijk en uiterlijk: die vormen bij Jezus geen tegenstelling en in de latere kerkelijke theologieën wel, vaak gekoppeld aan een bepaalde hiërarchie in de geestelijke of organisatorische wegen. Voor Jezus is die hiërarchie een volstrekt overbodig omweg.

In zijn eerste geschrift Aurora zette Böhme het ontstaan van alle tegenstellingen uiteen, waaronder de val van de engelenvorst Lucifer en de daarop volgende val  van de eerste mens en diens scheiding in man en vrouw. Die viel samen met de scheiding tussen spirituele hemel en fysieke aarde (voor Böhme een scheiding die de basis en kern vormde van alle tegenstellingen hier en nu, tot en met de moeilijkst te dragen vormen van lijden inclusief hun eindpunt in de dood. In zijn vrijwel laatste geschrift Theoscopia vat Böhme samen hoe ook alle andere daaruit voortvloeiende tegenstellingen ten diepste  terug te voeren zijn op het voorrang geven aan de eigen wil boven alle andere, dat wil zeggen boven het afstemmen van de eigen wil op de oorspronkelijke, allerdiepste, echtste, harmonische, samenbrengende en uiteindelijk alles herenigende wil, ook de wil van God genoemd.

Bekend is Böhme in de eerste plaats als spiritueel schrijver van inspirerende traktaten die de geestelijk zoekende mens opbeuren want een spiegel voorhouden en de weg wijzen (zie de herdrukken ervan in hedendaagse talen). Zijn Theoscopia laat zien dat hij de processen van eenheid, splitsing en herstel niet alleen voor het geestelijke terrein beschreef maar dat hij die processen evenzeer terugvond in de wereld van alle zichtbare verschijnselen in de hele natuur/ kosmos.

Böhme staat met deze visie haaks op het moderne ‘wetenschappelijke’ denken dat geest en natuur/kosmos uit elkaar haalt en ‘kennis’ beperkt tot de ratio. Ook niet minder in de traditie van het idee van de ‘eenheid van de tegenstellingen’, van Westerse denkers als Herakleitos en Empedokles tot de dialektiek van Hegel en diens leerling Marx (wiens rationalisering ervan losgelaten dient te worden). Een idee bovendien met opvallend diepe en belangrijke actuele parallellen in het Oosten. Daarbij komen behalve de ratio ook de intuïtie, en behalve de subject-objectverhouding ook de ‘eenheidservaring’ aan de orde. En dit inclusief hun betekenis voor ons taalgebruik. Net als Böhme verkennen wij daarbij de diepste grond en ‘ongrond’, tot we niet meer  op kunnen houden met spreken (zoals Böhme) of met zwijgen, en in die beide ook hún eenheid te respecteren. Waarbij Böhme opvalt door net als zijn voorgangers Plato, de bijbel en vele kabbalisten, mystici, literatoren en andere kunstenaars de verhouding van man tot vrouw en omgekeerd, en de daarop betrokken of van afgeleide aspecten, een centrale rol laat spelen. Wat betekent dat?

Jacob Böhme is bij uitstek degene die in het Westen de sporen van de ‘splitsing’ van alle mogelijke ‘eenheden’ als gevolg van de meest elementaire daarvan, verkend heeft op basis van zijn persoonlijke ‘verlichtingservaring’. Hij wijst een ongelooflijk belangrijke (mogelijke) weg waarvan de voorbeelden in West en Oost te vinden zijn.

De kern is wel deze. Zonder tegenoverstelling (tegenstelling, splitsing, scheiding) is er geen bewustwording, want geen ervaring (mogelijk). Complete bewustwording impliceert derhgalve complete aanvaarding en doorleving van tegenstellingen die zich aanbieden, inclusief de ‘ergste’, diepste, zwaarste, inclusief het opgeven van zichzelf, en aanvaarding van de eigen dood als ‘offer’ en  ‘bijdrage’ maar ook ‘doorgang’ in dit proces dat uiteindelijk ‘helend’  is en leidt tot het herstel van (de eenheid of harmonie van) alles. Zelfs die van tijd en eeuwigheid zodat zij zijn beroemde vers kon schrijven: “Voor wie tijd is als eeuwigheid, en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd, van alle strijd’. ALLE VERSCHIJNSELEN ZIJN VIA HUN EINDELOZE VERSCHILLEN EEN. Dit is een uitspraak die je objectief kunt pogen te interpreteren maar die je slechts werkelijk ‘vat’ door de hele werkelijkheid met alles wat je in je hebt en wie je bent te omarmen en doorleven. Dat doorleven is altijd verlies en winst tegelijkertijd.

Dat betekent meteen ook dat toekomst en verleden (van alles!) hier en nu aanwezig zijn en zelfs ‘volledig’  verwerkelijkt worden. Omdat er geen onvolledig zonder volledig is.

En dat … steeds opnieuw. Verlichting en verwerkelijking schrijden oneindig voort vanaf dit moment en deze plek (en komen dus ook permanent weer retour, zij het niet ervaarbaar buiten de tegenstellingen en onderscheidingen om, via zich steeds vernieuwende verschijningsvormen ervan inclusief alle veranderingen van patronen en verschillende dieptes van bewustzijn die zich daarbij voordoen). Eenheid en delen kunnen niet zonder elkaar, komen altijd samen voor in wisselingen en processen, tegelijk alomvattend een, hoe veranderlijk en vergankelijk ook.

Voor wie het herkennen en willen horen: Jezus zei “wees heelmakers” (vroeger ook vertaald als “wees volmaakt”; de Griekse tekst spreekt van “gericht op het einddoel”). Dat kan op eindeloos vele manieren! Iedereen kan haar rol spelen, en hoeft daar geen apart diploma voor te hebben tenzij dat onmisbaar is voor specifieke taken van veiligheid (waar het om gaat is alomvattend welzijn).

Woorden hebben niet per se het “laatste woord”

(maar ook de niet-laatste woorden kunnen behulpzaam zijn als aansporing tot volledig dat is helend leven)

Literatuur:

Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen: inleiding in het denken van Jacob Böhme, Haarlem 2020; 303 pp.; € 19,50

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens. Ik woonde, studeerde of werkte verder in Middelburg, Goes en plaatsen in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. --- Vanaf 1965 studeerde ik theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij † prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden. --- Sinds 1967 ben ik samen met Nel Knip. Haar waarde en betekenis voor mij is zo groot dat die niet in woorden uit te drukken is. Wij zijn samen ook ouders en schoonouders van twee kinderen en hun partners en grootouders van hun vier kinderen; met hen maken wij deel uit van onze grootfamilies, vriendenkringen en bredere woon- en leefomgevingen.