BK-Books.eu » Berichten » Vrouw en man in de oertijd

Vrouw en man in de oertijd

Inleiding op onderstaand commentaar van Louise Fresco
Meningsvorming op grond van feiten en persoonlijke ervaringen en ook behoefte aan herkenbare praktische regels voor sociale verhoudingen (om mij even tot deze terreinen te beperken) is belangrijk voor onze persoonlijke en sociale stabiliteit. Uit de variatie aan historische en actuele vormen en aan mogelijke nieuwe varianten daarop in voorstellingen en praktische regels kiest iedere generatie haar eigen verschijningsvormen, oppervlakkig of ook diep. Onderstaand commentaar van Louise Fresco is boeiend omdat zij laat zien hoe belangrijk en gevarieerd historische feiten zijn. Net als in de boeken van bijvoorbeeld Margaret Barker (de hebraïste ofwel oudtestamentica) en (historica) Annine van der Meer wijst zij op de rijkdom en de verscheidenheid van het leven van vrouwen en mannen in historische en zelfs prehistorische tijden. Wonderlijk toch dat stereotiepen soms zo’n lang leven hebben, zoals hieronder aangeduid die van Koerselman, Compernolle en Buwalda; het geldt op dit punt wellicht ook voor bepaalde vroegere van Pfeiffer die hierover op 23 augustus van 2020 in het tv-programma Zomergasten aan de tand werd gevoeld, en door liet schemeren dat hij niet met de oude opvattingen van personages in zijn boeken geïdentificeerd wil worden. Ik heb zo het vermoeden dat de tegenstellingen steeds nieuwe vormen zullen aannemen en dat we altijd werk en plezier zullen hebben om er mee om te gaan; en dat is uiteindelijk behalve met elkaar toch met onszelf? Een stereotiep ofwel de keuze om een langere tijd een bepaalde gewoonte of opvatting te koesteren betekent niet dat er geen keuzes of constellerende momenten aan ten grondslag liggen (constellerend: patroonvormend; dat kan zowel bewust als onbewust, ook beide tegelijk indien bij meer personen of delen van de grotere gemeenschap – wat ook verklaart dat er altijd bewustwording of bewustzijnsverlies aan de orde kan zijn, heel tijdelijk of heel langdurig). Uiteraard valt deze meningsvorming uiteindelijk onder wat een samenleving nodig heeft: zowel stabiliteit als vernieuwing, in een voldoende ‘maat’ van wisselende evenwichten. Waarbij de maat ook wel eens verandert …

24-8-2020 02:00:00 NRC.NL
Oertijd is te complex voor theorietjes
Regelmatig ontstaat bij anderszins verstandige mensen de behoefte om de oertijd aan te roepen om aan de verhoudingen van toen af te lezen wat ons nu kwelt. In het Zomeravondgesprek van 8 augustus bleek voor psychiater Frank Koerselman het overzichtelijke leven op de savanne de basis voor de verhoudingen tussen man en vrouw. Het is de mannelijke natuur om te jagen en vrouwen te beschermen. „Ik vind de evolutionair-biologische manier van kijken naar de mens fascinerend. De basis is vrij simpel, voedsel zoeken, voortplanten.” Ook neuropsychiater Theo Compernolle zegt in NRC (18/8) dat we net schichtige gazellen zijn. „Op zich is dat heel goed. Het hielp ons in de oertijd snel te reageren op gevaren. Maar in de jungle van de 21ste eeuw is denkkracht en geheugen minstens zo belangrijk.”
Die merkwaardige neiging om de oertijd aan te roepen en onze reacties te verklaren uit de biologie gaat voorbij aan de groeiende kennis over de vroege Homo sapiens en diens voorlopers. Al is het lastig om harde feiten te vinden over geheugen, taakverdeling en machtsverhoudingen in de prehistorie, het gaat niet aan om onze huidige preoccupaties te projecteren op het verleden. Er zijn helaas weinig resten van werktuigen waarvan duidelijk is wie ze ontwierp en gebruikte, maar een combinatie van gegevens uit de evolutionaire biologie, paleontologie en etnografie (van huidige jagers en verzamelaars) toont de verrassend rijke schakeringen in rollen en creativiteit van mannen en vrouwen. Denkkracht en geheugen bijvoorbeeld bij het in kaart brengen van vegetaties en routes waren zeker belangrijk.
De indeling in mobiele, jagende mannen en verzamelende, sedentaire vrouwen is achterhaald. Vrouwen deden mee aan de jacht op kleine dieren en droegen deel van de buit van de jagers. Ze legden grote afstanden af en pasten geboortebeperking (of infanticide) toe om het aantal kinderen zo te reguleren dat het hun mobiliteit niet beperkte. De Franse paleontologe Claudine Cohen schat de bijdrage van vrouwen aan de voedselvoorziening op zo’n 70 procent. We weten ook hoe belangrijk de rol was van ‘grootmoeders’, dus vrouwen voorbij de menopauze, voor familieverbanden en kinderopvang, juist omdat jonge vrouwen zo actief waren.
Er zijn dus weinig aanwijzingen voor de gedachte dat mannen als enigen de kwetsbaren beschermden. Bovendien is aangetoond door gedetailleerde analyses van hand- en vingerafdrukken dat ook vrouwen meewerkten aan de grotschilderingen. Experimenteel is vastgesteld dat het maken van vuurstenen werktuigen geen kracht maar behendigheid vereist en dus goed door vrouwen kan zijn gedaan. Het zijn vrouwen geweest die begonnen met selectie en aanplant van wilde grassen, waarmee zij de aanzet gaven tot landbouw.
Ook sociaal en linguïstisch waren en zijn zogeheten primitieve samenlevingen uiterst complex, zoals etnografen als Claude Levi-Strauss al aantoonden. Concluderen dat wij „helemaal niet gebouwd zijn voor ingewikkelde toestanden” om daaruit een biologische bepaaldheid voor rollen en karakter afleiden is onzin.
Koerselman en Compernolle staan hierin niet alleen. In het zelfde Zomeravondgesprek worden door schrijver Buwalda tegenstellingen tussen mannen en vrouwen geschetst van een huiveringwekkende eenvoud. In zijn versie gaan mannen – machtsbelust en pervers – ten onder aan ogenschijnlijk sterke, sadomasochistische en wraakzuchtige vrouwen. Mannen en vrouwen zijn ook bij hem allereerst karikaturen, alleen liggen de machtsverhoudingen precies andersom. Biologische verschillen ten aanzien van voortplanting zijn onmiskenbaar, maar iedere samenleving construeert haar eigen rolpatronen en mythen rond persoonlijkheid, sekse en gender.
Louise O. Fresco is schrijfster en voorzitter raad van bestuur van Wageningen University & Research (louiseofresco.com).
Een versie van dit artikel verscheen in nrc.next van 24 augustus 2020

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.