BK-Books.eu » Berichten » Vragen en antwoorden bij de overheidsmaatregelen in het spoor van COVID-19

Vragen en antwoorden bij de overheidsmaatregelen in het spoor van COVID-19

Gelukkig wijzen politici en andere gewone mensen op dit moment op cruciale aandachtspunten in het omgaan met de sociale en medische veranderingen door de COVID-19 epidemie. Ik voel op sommige punten een spanning tussen sociale, economische en medische belangen.

Wat is kwaliteit van leven voor iemand (elk individu apart) en ons in heel onze omgeving samen en hoe vertaal je dat in de (steeds aanpassing behoevende) maatregelen n.a.v. de COVID-19 crisis? Hier enkele actuele vragen over patiënten in de thuiszorg, patiënten in de GGZ, in de gehandicaptenzorg, en alleenstaande ouderen. Bij de situatie van 31 maart 2020.

Waarom krijgen veel mensen nu geen thuiszorg (wassen, wondverzorging enzovoort voor mensen die nog niet opgenomen hoeven te worden in ziekenhuizen of verzorgingshuizen), terwijl zij bepaalde zorg simpelweg niet kunnen missen? Het gevolg is dat de ‘economie’ van huishoudens van degenen die dit plotseling op moeten vangen (gezinnen,  alleenstaanden, buren enzovoort) zélf onderuit gaat. Nog afgezien van de factor van het menselijke contact dat er een belangrijk element van was en is. Het laatste kan wellicht door sommige veranderingen (maatregelen en hun gevolgen) ook opbloeien, maar hoe wordt dit economisch ondersteund?  Of wordt dit economisch aan zijn lot overgelaten?

Kan niet centraal een pool geregeld worden (net als bij IC-bedden) van thuiszorgmedewerkers die weinig gevaar lopen anderen te besmetten als ze zelf besmet zouden raken? Bijvoorbeeld die het zelf gehad hebben of – zover daar sprake van is – nauwelijks risico lopen op zware complicaties (in eerste instantie als ze daar zelf voor kiezen en als er meer info is over zeer geringe kans op complicaties, ook gewoon net als alle andere zorgmedewerkers? Wat kan er aan bescherming gedaan worden op korte termijn en langere termijn van de thuiszorgmedewerkers?

En waarom gaat de publieke berichtgeving over de IC-bedden terwijl dat (behalve qua bemensing!) een technisch probleem is, en niet over de spanning tussen voorkomen en bestrijden van de sociale gevolgen? En dan bedoel ik niet de terechte tijdelijke economische steun maar het beschermen van het sociale weefsel van de samenleving, zodat mensen onder bepaalde voorwaarden elkaar weer kunnen ontmoeten, bijvoorbeeld na gebleken testen dat mensen niet besmet zijn? Wanneer komt het moment dat er genoeg testen zijn om dit weer langzamerhand mogelijk te maken?

Waarom gaat het geld niet naar sneller en completer testen in plaats van naar het overeind houden van de economie? Zijn voldoende gezonde mensen niet het eerste wat nodig is?

Heeft de overheid een strategie die (voor mensen die thuiszorg nodig hebben, voor patiënten in de GGZ, in de gehandicaptenzorg enzovoort, alleenstaande ouderen) duidelijk is en kwaliteit van leven oplevert?

En wat doen u en ik en wij allemaal om dit ook internationaal rechtvaardig te verkennen en uit te voeren?

Vragen waar vast veel deskundigen en andere gewone mensen een mening over hebben, ik hoop dat die in wijsheid en goede zorg voor allen vertaald kunnen worden. (Vragen en meningen die elk moment waarschijnlijk aangepast kunnen worden aan de situatie die verandert.) En ook waar die ontbreken, wens ik alle betrokkenen heel veel sterkte. Speciaal wie heel alleen zijn. Zij hoeven zich niet per se alleen te voelen. Want hun lot is net als dat van alles en allen onderdeel van een grotere werkelijkheid, die ook goede, waardevolle aandacht kan inhouden en omvatten, niet alleen voor wat beter maar ook voor wat slechter gaat. En de betekenis van die laatste hangt sterk af van wat wij als zodanig betitelen. Onze taal is beperkt, daarom is het nuttig haar te vergezellen met herkenbaar streven naar het goede. Luisteren, luisteren, zou mijn vader zeggen; ook naar wat buiten mijn kraam valt, voeg ik toe.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens, en studeerde vanaf 1965 in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en een inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", te verschijnen in 2020.