BK-Books.eu » Berichten » De lessen van Jezus (een samenvatting van spreukenbron Q1), met enkele historische aantekeningen

De lessen van Jezus (een samenvatting van spreukenbron Q1), met enkele historische aantekeningen

DE LESSEN VAN JEZUS *

‘Luister wat ik jullie te zeggen heb.
Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.
Leven omvat de dood; beperkingen en tegenslagen onder ogen zien
is een mogelijkheid voor het ware leven. Onverwacht of voorbereid
kunnen we in vreemde of zelfs de moeilijkste omstandigheden terecht komen.
Zie de werkelijkheid zonder vluchten recht in de ogen en breng haar tot bloei.
Oordeel en veroordeel niet, anderen noch jezelf. Niemands geheimen blijven verborgen.
Leer liever jezelf goed kennen en ga heilzaam met jezelf en de wereld om.
Spirituele kwaliteit blijkt pas uit de vruchten van iemands gedrag.
Niet wie zichzelf prijst maar wie voorkomend en heilzaam handelt, zal geprezen worden.
Materiële zekerheid heb ik niet en bied ik niet,
maar als je naar mijn woorden luistert en er naar handelt,
zal dat het rotsvaste fundament van jullie leven blijken.
Weet je helemaal vrij van je afkomst en je sociale omgeving en wees vrij van vooroordelen.
Stel de onvoorwaardelijke liefde en solidariteit voorop die jullie hebben leren kennen;
mededogen gaat verder dan zelfredzaamheid.
Zelfhandhaving en het bewaken van eigen lijf en goed
zijn te bekrompen voor het delende, echte leven van kinderen van de Allerhoogste.
Denk je de situatie van de ander in en kom je vijanden niet minder tegemoet dan je naasten,
beantwoordt zelfs de kwaadste bedoelingen met goede wensen, voorbeden en goedheid.
Vraag niet terug als je iets aan iemand leent.
Laat jullie leven radicaal ontwaken en veranderen vanuit jullie vertrouwen
in onze hemelse Vader, bij wie jullie veilig en geborgen zijn.
Richt je op de werking van onze Vader in jullie binnenste
en vertrouw op de geest van innerlijke vrijheid en solidariteit die jullie voor altijd hebben ontvangen.
Kun je soms beslissen op te houden met ademhalen? Wat is het dan dat door jou ademt?
Verbreid welwillende liefde zonder onderscheid, breng het hemelse koninkrijk mee aan het licht,
vertel aan allen die er van willen horen dat het hun heeft bereikt!
Haal deze grote oogst binnen al zijn jullie onschuldige lammeren onder de wolven.
Neem onderweg niets extra’s mee. Aanvaard de gewone gastvrijheid en voorzieningen
maar zonder er misbruik van te maken. Genees de zieken.
Wie het koninkrijk aannemen horen er bij en delen erin,
maar zeg tegen wie het verwerpen dat het niettemin voor de deur staat.
Durf voluit jouw droom te leven en jouw licht te laten schijnen:
wat je ervaren hebt, wat je ontvangen hebt, wat je beweegt en wat je kunt doorgeven.
Laat anderen voluit delen in je gaven en houd het vuur van je inspiratie brandend.
Wees niet bang voor het oordeel en de macht van anderen en spreek vrijuit.
Als je jouw en andermans problemen niet ontkent maar aandacht geeft,
hoef je je niet andermans visie op te laten dringen op wat voor jou realistisch is.
Wat brengt grotere vreugde dan je ware krachtbron vinden,
je vreugde delen en iemands nood verlichten?
De vrede van het koninkrijk begint met ontvankelijkheid, moed en inzicht,
met het loslaten van iedere innerlijke tweespalt in jezelf en met je omgeving.
Een verlichte, vriendelijke geest blijkt uit onvoorwaardelijke vrijheid en solidariteit hier en nu.
Zit niet vast aan verborgen belangen en schijnzekerheden.
Maak je geen zorgen over je bestaan en je uiterlijke levensbehoeften
– waar de mensen van de huidige wereld altijd maar voor in de weer zijn.
Met zorgen maken voeg je aan je leven niets toe.
Zelfs over wat je rechtmatig toekomt, moet je je niet onnodig druk maken.
Richt je liever op de schat die niet vergaat, het koninkrijk dat ik jullie onthul.
Laat alle angst en eigendunk varen. Kijk hoe een vogel en een bloem leven!
En jullie zijn nota bene kinderen van onze Vader tot wie jullie altijd toegang hebben!
Verkoop je rijkdommen en geef giften aan wie het nodig hebben.
Het koninkrijk Gods zal jullie deel zijn en jullie zullen het zien groeien:
een helder oog vol licht; vertrouwen, liefde en verbondenheid;
jullie ware bestemming en die van de wereld;
éénheid met onze Vader en zijn koninkrijk, het eeuwige leven hier en nu.
Wie mij wil volgen geeft aan dit koninkrijk radicaal voorrang
boven alle gehechtheden, zaken, banden met de familie waaruit hij of zij voortkomt en zogenaamde verplichtingen.
Laat de doden hun doden begraven en word helemaal vrij,
dan kun je ongehinderd deelnemen aan het grote feestmaal.
Wees bereid je leven te verliezen – dan zul je het winnen,
en een krachtig zout voor de wereld blijven.
Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.’

* Een nieuwe verwoording en uitleg (voorlopige versie) naar de waarschijnlijk oudste schriftelijke bron (Q1) van de evangelies naar Matteüs en Lukas. Ik maakte deze verwoording tijdens de voorbereiding van mijn boek Wat Jezus werkelijk zei, als hulpmiddel om Jezus’ boodschap volgens Q1 (zie het genoemde boek voor verdere uitleg; het gebruikt ook uitgebreidere en meer bronnen!) beter te begrijpen. Het is dus niet per se mijn actuele samenvatting van Jezus’ boodschap, waarvoor ik in het genoemde boek de betrouwbaarste historische bronnen probeer aan te geven; en die een niet minder intrigerende boodschap opleveren.
Aanvullend bij dat boek merk ik graag op:
(1) Jezus wordt in alle bronnen over hem van de eerste eeuw zonder meer beschreven en geciteerd als heelmeester/ ‘healer’ in de spirituele en in de sociale betekenis daarvan (medisch was zo anders in die tijd dan nu, dat we hem moeilijk ‘dokter’ kunnen noemen, ‘geneesheer’ zeker wel maar dan met nadruk op de innerlijke verandering al ging daar vaak een uiterlijke ofwel lichamelijke mee gepaard). In onze tijd onderscheiden wij (ik ook, zij het zonder de belangrijke raakvlakken weg te poetsen) lichamelijke en geestelijke genezing, dat werd in die tijd, net als in minder ‘wetenschappelijke’ en ‘modern-westerse’ omgevingen, niet zo onderscheiden of zelfs gescheiden als tegenwoordig!
(2) Jezus wordt in alle bronnen geschetst als iemand die afstand nam van economische, sociale en politieke onderdrukking en onvrijheid: Jezus nam afstand van allen die op een bepaald terrein de machthebbers of aanvoerders waren, als zij dat deden ten koste van gewone mensen; de regels die zij daarvoor hanteerden, draaide hij daartoe zo nodig om.
(3) Jezus hanteerde ook continuïteit met de traditie als bouwsteen voor zijn bevrijdende heelmakingswerk, maar in vrijheid om mensen – en waar nodig ook die tradities – nog ‘heler’ en ‘helender’ te maken.
(4) Jezus ging voor dit koninkrijk van heelheid en dit hield in dat er niemand in dit koninkrijk hoger was dan een ander, zelfs niet dan een kind dat onschuldig en ontvankelijk is. Die is het ‘hoogste’, en op die manier dient ieder de ander, en dienen samen allen.
(5) Vergelijk de eerste opmerking: de moderne suggestie dat het leven ten diepste slechts wetenschappelijk te kennen zou zijn, is even magisch als de magie die men met deze opvatting zou willen bestrijden. Ieder moment van ons bestaan en van elk bestaan is hoogst wonderlijk, hoogst ‘magisch’, waarmee ik zeg dat het rationeel herkennen van patronen in de werkelijkheid die wonderlijkheid van het bestaan nooit volledig weg kunnen poetsen. Het is dus belangrijk ons voortdurend af te stemmen op elkaar en onze hele omgeving (vice versa). Althans zolang wij daartoe in de gelegenheid zijn: iets om te bevorderen! (…)
(6) Uit alle onderzoeken die ik tot nu toe verricht heb, kan ik niet anders concluderen dan dat Jezus nooit zo iets als de kerkelijke traditie op het oog heeft gehad. Alleen punt 4 toont dit al met zekerheid aan, tenminste als je ‘kerkelijke traditie’ opvat als een sociaal gebeuren (hiërarchie van functies die personen uit elkaar haalt) in strijd met het belangrijkst zijn van ‘de minsten’. Bij dat ideaal past geen organisatiestructuur voor de lange termijn, slechts permanente zorg voor elkaar zonder daaruit functionele laat staan persoonlijke voorrechten af te leiden; bij dat ideaal past wel dat tijdelijk ieder de functie uitoefent die het beste bij het dienen past, zij het altijd onder voorwaarde van het ‘kind worden en blijven’ in geestelijke zin (dit kan heel goed betekenen ‘terugkeer naar innerlijke openheid, ontvankelijkheid en ongereptheid’).
Uit dit alles kan de conclusie getrokken worden dat noch een bepaalde kerkelijke hiërarchie noch een bij die bepaalde traditie passende en daarin vastgestelde, meer uitgewerkte kerkelijke grondwet of bijpassende theologie ooit door Jezus bedoeld zou zijn (zo werd bijvoorbeeld ook de bijbel samengesteld, wat gemakkelijk te zien is aan de manier waarop iedere groep of traditie er haar eigen bijbel op na houdt, wat vaak ook betekende dat de belangen van bepaalde sociale groepen meer of minder in zicht komen; en tevens dat de uitleg aan bepaalde groepen wordt voorbehouden). Ook kan de conclusie getrokken worden dat de sociale en politieke stellingname van Jezus eenzelfde radicaliteit vertoonde, en dat de volgelingen van Jezus niet op overleven op de langere termijn gericht waren behoudens dat het ideaal ieder moment opnieuw gerealiseerd kon worden, en geen aanpassing aan de heersende machten inhield zover die haaks stond op het ideaal. Al vrij snel na Jezus’dood bewandelden verschillende groepen volgelingen van Jezus verschillende wegen! Je had allereerst de Aramees sprekende groep in Jeruzalem rondom Jezus’ broer Jacobus, en in de eerste eeuwen vele Aramees of oud-Syrisch sprekende groepen in de gebieden waar die talen prominent waren. Zij volgden aanvankelijk vele gebruiken van de standaard Joodse tradities uit die tijden. Dan had je, ook al direct in Jeruzalem, de groepen die het Grieks spraken dat in het Romeinse Rijk de gangbare taal was; de woorden van Jezus werden al snel behalve in het Aramees ook in het Grieks bekend. De uiteenlopende groepen hielden er hun eigen spreukenverzamelingen van Jezus op na, en later hun eigen evangelies. De groepen om Jezus heen werden geacht voor zichzelf te zorgen, alle goederen en lief en leed te delen, en stelden zich verder niet bij voorbaat, maar wel telkens opnieuw de criteria van Jezus’ lessen toepassend, loyaal of deloyaal op ten aanzien van de heersende machthebbers of andere sociale, economische en politieke realiteiten. Daarbij legden zij eigen accenten, waarbij hun ideaal niet alleen de eigen gemeenschap maar zeker bij de Grieks sprekende groepen ook een oog voor de grotere wereld omvatte (maar dit ideaal ging niet zover dat het overleven van de eigen groep ondergeschikt werd gemaakt aan universele idealen, die zij wel hadden maar waarover zij realistisch waren). Op deze punten legden de diverse Aramees sprekende en Grieks sprekende groepen in de uiteenlopende gebieden en (dus) culturele omgevingen waar zij woonden, eigen accenten in de opvattingen en uitleg van de geestelijke erfenis van Jezus. Het is waarschijnlijk dat universele en kosmische verhoudingen waar ruimte was om die te overwegen, niet exclusief en particulier werden gehanteerd maar inclusief en universeel; maar waar er geen ruimte voor inclusief en universeel denken was, werden belangen van niet-groepsgenoten of niet-volksgenoten slechts zover in praktijk gebracht als praktisch haalbaar was. De opoffering en onderlinge hulp moeten echter heel sterk geweest zijn, uiteraard door de geest van Jezus die hen (ook na zijn dood) beïnvloed had en door het groepsleven dat zij daarna gingen leiden (waarschijnlijk al zeer snel in zeer uiteenlopende groepen, qua taal – Aramees of Grieks – en qua woonplaats). De lessen van Jezus zelf zijn echter nooit bedoeld geweest als model voor een aparte nieuwe godsdienstvorm of traditie, wel als een direct begrijpelijke en uitvoerbare combinatie van spirituele beleving en praktisch inzicht enerzijds en van solidariteit en gerichtheid op “heel maken” anderzijds. Daarbij valt op dat maatschappelijke solidariteit en spirituele intensiteit en uitbundigheid tot de kernelementen van de groepen volgelingen van Jezus behoren, net als voor Jezus zelf. Wie Jezus wil volgen, kan daarmee nog steeds ieder moment beginnen en dat voortzetten, en zal zich vervolgens moeten verstaan met zichzelf, zijn medevolgers en zijn omgeving; uiteindelijk in verbondenheid met al wat verder is. Daarbij zullen sommige elementen van de lessen van Jezus in nieuwe situaties direct begrijpelijk en toepasbaar zijn als die situaties dat mogelijk maken omdat zij vergelijkbaar zijn, maar mogelijk niet direct wanneer criteria of situaties zo anders zijn dat een vertaalslag onvermijdelijk blijkt. Ook dan blijven de criteria van de lessen van Jezus boeiende uitgangspunten, maar vraagt de directheid en radicaliteit van Jezus wellicht om een iets complexer vertaling (complex vanwege de vertaling, maar niet noodzakelijk vanwege de eenvoudige uitgangspunten). Dat doet weinig af aan de eenvoud die de lessen van Jezus lijken te bieden. Zij verwijzen wellicht naar zaken die zo elementair zijn dat zij bijna universeel zouden kunnen lijken of zijn. Dat is een uitdaging voor ieder die daarmee te maken krijgt. Inclusief de uitdaging die er in ligt, dat de lessen van Jezus niet meer zo universeel en eenvoudig verstaanbaar zouden blijken als dat zij voor hem en zijn eerste groepen volgelingen lijken te zijn geweest. Aan die universaliteit en eenvoud kan ik en kunnen velen wellicht nog steeds en misschien ook dan, in onbekende toekomende tijden, nog voorbeelden en inspiratie ontlenen.
Aanvullend merk ik op dat de geleerde Margaret Barker het belang van de oude Hebreeuwse tempel en van het herstel van de betekenis ervan voor Jezus krachtig verduidelijkt heeft. Die betekenis combineert de verticale en horizontale dimensies, en blijkt krachtig uit de zogeheten Johanneïsche geschriften van het Nieuwe Testament die dat herstel van de betekenis van de oude tempel voorstaan (denk aan het Nieuwe Jeruzalem). Zij illustreert dat zowel aan de boeken van het zogeheten Oude Testament als aan de Henochitische en andere apokalyptische geschriften en tradities, en vele parallellen waaronder de geschriften die bij Qumran gevonden zijn, die een geheel nieuw licht op Jezus en zijn volgelingen werpen (zoals de geschriften van Nag Hammadi dat voor de helleniserende volgelingen van Jezus doen). Ik voeg hieraan toe dat de discussie onder wetenschappers en theologen groot is, omdat zij de beperkingen van de gangbare keuze voor de geschriften van het Oude Testament en het Nieuwe Testament – althans van de ooit gemaakte menselijke keuzes daarvoor – krachtig aantoont. Dat verandert het beeld van Jezus minstens in de zin dat hij bovengenoemde uitspraken ook als heel praktische kritiek op de heersende Joodse religieuze praktijken deed. Wat niet wil zeggen dat hij die niet op andere praktijken zou hebben gehad, als hij die gekend zou hebben. Ook daarvoor geldt dat we zijn omstandigheden en de eenvoud van zijn boodschap kunnen combineren. Het past ook bij een uitleg van zijn opstanding (en die van zijn volgelingen) als in de eerste plaats innerlijke hereniging met de hemel. Dat innerlijke koninkrijk zal het uiterlijke tot gevolg hebben: een heling van de hele werkelijkheid in alle opzichten. Dat we die zo moeilijk kunnen voorstellen, is niet omdat zij ondenkbaar is maar omdat wij alle vaste opvattingen en onwrikbare verschijnselen (waaronder vele die wij niet als prettig ervaren) als onveranderlijk ervaren: niet in het perspectief van de realiteit van verandering die er nu eenmaal ook altijd is, maar alleen in het perspectief van de huidige moeiten, alsof een eind daaraan niet denkbaar is. Zonder verandering zouden we überhaupt niets ervaren, en wie aan het onwrikbare vasthoudt, is verder van huis dan wie zijn idealen van verandering ten goede uitleeft. Zeker is dat sommige veranderingen vlugger gaan dan andere, en dat verspreiding van invloeden tijd neemt. Maar dat kun je ook als troost ervaren. De keuze tussen een positieve of negatieve uitleg van veranderingen kan variëren, maar dat hoeft geen bezwaar tegen verandering als zodanig te zijn. Was Jezus’ dood niet ook zinvol als teken dat de machthebbers het morele ongelijk aan hun kant hadden? En was Jezus’ eenvoud en helende gerichtheid op een ‘hele’ wereld ofwel het ‘koninkrijk van de hemel’ (waar aarde en hemel huwen ofwel in balans komen net als alle tegenstellingen) niet iets waarvan permanent te leren valt, namelijk zo lang het streven ernaar nog enige betekenis kan hebben? Want hoeveel onbalans valt nog te herstellen, te beginnen in onszelf maar niet minder buiten onszelf? We zijn immers ten nauwste met de werelden om ons heen verbonden?
(7) Belangrijke vragen zijn: welke betekenis voorzag Jezus van zijn aanstaande dood? Deze vraag gaat er van uit dat Jezus op een bepaald moment van zijn leven inzag dat de autoriteiten hem zijn werk onmogelijk zouden maken door hem te doden. De vragen kunnen dan onder meer zijn: Wanneer zag Jezus dat voor het eerst in? Wat voorzag hij voor hem en zijn volgelingen na zijn dood? Het evangelie van Markus kan als poging worden gelezen om aan Jezus na zijn dood, dus achteraf, toe te schrijven dat hij zichzelf voorafgaand aan zijn dood al als Messias zag die zou moeten lijden en sterven om vervolgens glorieus op te staan en naar de hemel te gaan; dit kunnen we echter nogal voor de hand liggend uitleggen als een verklaring achteraf. In de Johanneïsche geschriften van het Nieuwe Testament ligt nadruk op de spirituele bevrijdingsstrijd van Jezus namens de hemel voor zijn aardse volgelingen die zal eindigen met het neerdalen van het hemelse Jeruzalem op aarde. De volgelingen van Jezus bleven na zijn dood verweesd achter maar hadden zo duidelijk ervaren dat Jezus ieder moment van zijn leven als heelmaker mensen in alle opzichten op liet staan. Dat gold voor uiterlijke zieken die hij genas, voor innerlijke zieken die hij innerlijk liet opstaan; allemaal gingen ze meedoen in het proces van verdere heelwording en heelmaking. Het zou historisch best zo hebben kunnen gaan dat opstanding pas later de betekenis van letterlijke opstanding uit de fysieke dood kreeg, namelijk pas in het kader van de hellenisering (aanpassing aan de cultuur van het Romeinse Rijk) waarvan Paulus’ geschriften en de gnostische geschriften belangrijke voorbeelden zijn. Het heeft er veel van dat Jezus’ Aramees sprekende volgelingen in Jeruzalem zijn dood niet speciaal herdachten. En dat andere Aramees sprekende volgelingen in en rondom Syrië andere accenten legden bij hun interpretatie van Jezus’ boodschap dan de Jezusvereerders in het Grieks en Latijn sprekende Romeinse Rijk. Het vieren van de dood naast de opstanding van Jezus (en van zijn volgelingen) kreeg dus hier en daar sterk uiteenlopende betekenissen. In “het” Nieuwe Testament werden slechts de Paulinische en Johanneïsche geschriften opgenomen. Ook al zijn die door een aantal latere ‘christenen’ verzameld in één boek, wil dat niet zeggen dat die geschrifen dezelfde uitleg bieden op alle punten: zelfs de grote betekenis van Jezus die zij alle erkennen, geven zij nogal verschillend weer. Terwijl de boodschap van Jezus voor zijn dood betrekkelijk herkenbaar en eenvoudig was, werd die na zijn dood in al die verschillende kringen van volgelingen nogal uiteenlopend uitgelegd. Daarbij week men nogal eens af van de eenvoud van Jezus’ bevrijdende en helende boodschap en van de niet-hiërarchische houding van Jezus. Heelwording in alle opzichten, spiritueel en fysiek en sociaal, werd daarbij nogal eens ingeperkt tot een haalbaar minimum binnen een hiërarchische structuur die aan die aspecten van Jezus’ optreden en boodschap niet meer die direct herkenbare innerlijke en praktische bevrijding toekende – behoudens die welke men ervoer binnen het hiërarchische kader. Deze uitsplitsing in vormen en betekenissen leidde vaak tot een onderlinge afgrenzing via dogmatische en praktische regels en voorschriften, terwijl Jezus daar over het algemeen graag afstand van nam ten gunste van het heelmakingsproces van mensen, van hun bevrijding en heelwording in alle opzichten. Jezus zou mijns inziens van dergelijke hiërarchische structuren eerder afstand genomen dan ze verdedigd hebben: het gaat om het heelmaken, en heelmaken is niet steeds opnieuw ringeloren maar bevrijding, al kan die laatste het best gepaard gaan met structuren en solidariteit waarop men enigszins terug kan vallen! Maar dan doet men zichzelf ook geheel als duit in het zakje, want het gaat om de diepst denkbare en meest omvattend denkbare heelwording. Vermoed ik zo. Zelfs als men de veroordeling van Jezus als misdadiger tot de kruisdood daar bij haalt (wat bijvoorbeeld in de traditie van Paulus en van de synoptische evangelies Markus, Matteüs en Lukas het geval lijkt), blijft heelmaking toch de kern van Jezus’ optreden en boodschap. Iets wat gelukkig door velen herkend is, zowel buiten als in de naar hem als ‘Christus’ (Messias) genoemde stromingen. Het messiaanse rijk ofwel Jezus'”koninkrijk van de hemel” ging over de hemel op aarde, zoveel is wel zeker. En zo niet volledig verwerkelijkt, dan toch reeds gekomen en komend, buiten geen enkel onderdeel van de werkelijkheid om. Zover ik kan inzien, is in dat koninkrijk voortdurend sprake van herstel van balans, en kan ieder die ogen en handen heeft, daaraan bijdragen, om te beginnen door haar en zijn ervaring te delen.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens als zoon van Suzan Huibregtse en Leen Koole (mijn zus en broers zijn Jopie, Wibo en † Rien). In 1969 trouwden Nel Knip en ik met elkaar en vormden een gezin waarin Heleen (moeder van Valerie en Michelle) en Hermen (getrouwd met Hanneke; samen vader en moeder van Manou en Tristan) werden geboren. Na Amsterdam woonden wij in Tiel en Driebergen. --- Vanaf 1965 studeerde ik in Amsterdam theologie (was student-assistent bij † prof. Harry Kuitert, VU) en filosofie (hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer, UvA; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (bij onder meer Jacob Böhme). Ik schreef een aantal boeken (zie in kolom links). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden.