BK-Books.eu » Berichten » Hubral Geheime Dao-Schöpfungslehre

Hubral Geheime Dao-Schöpfungslehre

In Hubral’s derde Duitse boek over het platonisme als daoïsme (het eerste heette Dao-Meister Platon) scherpt hij een aantal elementen van zijn onderzoek en resultaten aan. Ondertussen verschenen drie boeken van hem in het Engels waar hij nu vooral naar verwijst. Op die boeken kom ik later terug, naar ik hoop. (Een bespreking van al zijn boeken tot nu toe vindt u in een ander bericht.) Eine Besprechung aller seinen bisherigen Büchern finden sie in einem anderen Bericht.) Het onderstaande bericht is wat voorlopiger maar bevat enkele specifieke vragen.

Kortgezegd beweert Hubral dat de daoleer van zijn leraar Fangfu  de meest originele scheppingsleer en visie op het bestaan is die er maar is. En dat Plato, en zijn presocratische voorgangers, zijn leermeesters, en zijn navolgers, net als vele andere scheppingsvisies eigenlijk hetzelfde zeggen. Alleen zijn wij in het Westen de oorspronkelijke uitleg vergeten, en hebben haar vervangen door geloof (de dogmatische religies) en wetenschap (de dogmatische rationaliteit). De laatste twee zijn volgens hem vooral gericht op het materiële leven, en zijn hun diepere betekenis die zij hadden, vergeten.

Hubral beschrijft de daoleer in dit boek uitgebreider en helderder dan in zijn eerste boek, dat over alle thema’s tegelijk ging. Nog steeds is Hubral een meester in het bieden van treffende citaten ter illustratie van zijn betoog. Citaten, meest van beroemde westerse auteurs en soms ook van Oosterse, die zijn betoog krachtig ondersteunen, in ieder geval in de zin dat zij veel te denken geven over de kwaliteit van de gangbare westerse visies die ik hierboven noemde. Want uiteindelijk stelt Hubral die opnieuw aan de orde als ontoereikend, en verdedigt wel de oorspronkelijke gelijkstelling althans parallellie van de oude ‘platonische’ visie en de door hem uitgelegde daoleer.

Om mijn indrukken van Hubral’s boeken toe te lichten moet ik aangeven zowel in het daoïsme als in het platonisme grote interesse te hebben. Maar die leveren meteen ook mijn grootste vraag op. Als Hubral vooral wil aangeven, zoals hij minstens doet, dat het ongelooflijk waardevol is – om niet te zeggen onmisbaar – dat zijn lezers zich wenden tot de daoïstische leer en oefening (die overigens bestaat in het loslaten van doelen om daardoor des te natuurlijker de dao – eigen natuur en kosmosnatuur tegelijk – te volgen) waarom dan nog naar voren halen of proberen te bewijzen dat er in het Westen vroeger zoveel op de daoleer leek? Het Chinese daoïsme doet dat in de oorspronkelijke teksten van de Nei Ye, van Lao Zi en van Zhuang Zi door middel van korte teksten met eenvoudige voorstellingen waarover men soms diep kan nadenken maar die dicht bij het gewone leven staan. Terwijl de westerse schrijvers die Hubral aanhaalt, niet allemaal bekend staan om hun eenvoud, eerder om hun diepzinnigheid. Nu is het inderdaad zo dat Hubral er in slaagt om aan te geven dat die diepzinnigheid wel eens een toegevoegde intellectuele uitleg kan zijn, die over een oorspronkelijke natuurlijke diepzinnigheid heen gelegd is. Maar dat is een complex onderwerp, en het is de vraag hoeveel lezers zich daardoor aangesproken voelen. Ik wel heel erg, maar mijn vraag is toch welke bedoeling Hubral heeft met zijn grote aandacht voor de platonische traditie, om die gemakshalve zo even te noemen. Een klein deel van het antwoord is wellicht dat Hubral met zoveel woorden zegt, dat de scheppingsmythen of bestaansvisies van alle oude culturen in beginsel hetzelfde lijken of op hetzelfde neer komen. Dat is niet onverdedigbaar binnen een bepaalde ruime visie. Tegelijk beweert Hubral echter dat de weg van zijn leermeester Fangfu vrijwel de enige weg is om in de waarheid van het daoïsme thuis te raken, een waarheid die overigens behalve inzicht ook gezondheid meebrengt.

Mijn eerste vraag zou dan zijn: als de weg van (Fangfu’s) daoleer vrijwel de enige weg is, waarom dan nog op de verborgen platonische gewezen?

Ten tweede: als de daoleer (van oudsher en nu van Fangfu) de enige bestaande en actuele is, en neerkomt op de natuur volgen zonder oogmerken vooraf, waarom dan nog wijzen naar de school van Fangfu als (voor ieder behalve slechts enkele gelukkigen die dat zelf uitvinden) noodzakelijke ondersteuning bij het volgen van de daoweg?

Deze tweede vraag is Hubral zich permanent bewust en hij is dan ook heel voorzichtig bij het poneren van Fangfu’s traditie als (beste dan wel bijna onmisbare) ondersteuning op de daoweg. In het hier besproken boek is Hubral daar dan ook iets genuanceerder over. Ten laatste houdt hij het erop dat de ondersteuning door deze traditie noodzakelijk is om de leerweg in die zin te sturen dat de resultaten in de goede en niet in een kwade richting werken, namelijk doordat de leerling van Fangfu een speciale chi-overdracht krijgt aan het begin van zijn leerlingschap ofwel van zijn luisteren naar en volgen van dao. Aan deze chi-overdracht zit uiteraard een proces van kennismaking met Fangfu dan wel met zijn school vast, hoe bescheiden ook (daarover laat Hubral zich niet uit). Een punt is dan ook dat Fangfu in Azië woont, en zijn school in Europa nog slechts enkele gemeenschappen van leerlingen telt.

Overigens is dit tweede punt een bekend onderdeel van de kennismaking door westerlingen met oostelijke scholen. Er wordt daarin bijna stilzwijgend maar niettemin duidelijk verwacht dat de leerling openlijk stappen zet die van zijn blijvende wens om leerling te zijn blijk geven, en dat houdt vervolgens meer in dan een formaliteit zoals je wellicht in eerste instantie bij de chi-overdracht zou denken. Daarmee komen Hubral en de traditie die voor hem zoveel heeft betekend, dan wel dichter in de buurt van de esoterische tradities (waaronder platonische, neoplatonische, hermetische enzovoort) die Hubral steeds aanhaalt als westerse parallellen.

Wat tot een derde vraag leidt: zijn er bij die westerse tradities misschien toch enkele die nog steeds lijken op de daoïstische van Fangfu? Of op oosterse die eraan verwant zijn maar die door Hubral als niet meer zo origineel als die van Fangfu worden voorgesteld?

Het sterke punt van de boeken van Hubral vind ik zijn ongemeen boeiende uitleg van het dao-systeem, zowel in verband met daoïstische en andere oosterse teksten als in verband met westerse teksten. Maar wat kan een lezer daar dan meer mee dan gewoon verder zijn natuur volgen? Is er werkelijk voor een lezer van Hubral die geen chi-overdracht van Fangfu krijgt, geen goede kans om het daopad permanent te volgen? En wat kan of ‘moet’ die lezer dan? ‘Moeten’ is volgens de daoweg sowieso een verkeerd woord, want die weg is natuurlijk en niet moralistisch. Maar Hubral biedt geen voorbeelden van personen die iets op dit probleem gevonden hebben, behalve – wat overigens niet gering is – zijn eigen enthousiasme over de enorme vooruitgang in levensvisie die hij persoonlijk in de school van Fangfu geleerd heeft.

Het is overigens goed dat we beseffen dat we het niet uit een boekje maar uit ervaring kunnen leren. Maar wijst Hubral ook naar de ervaring van alledag die we allemaal tot onze beschikking hebben?

In dit verband kom ik ten slotte nog op Hubral’s afwijzing van wat hij gebondenheid aan sociale opvattingen noemt, en waar hij de dao-opvatting die natuurlijk is en van ‘binnen’ uit komt, tegenover stelt. Met die sociale opvattingen doelt hij op de moraaldwang die sociale instituties aan ons opleggen, zoals geloven, wetenschap, godsdiensten en dergelijke. Hij suggereert daarmee al gauw, wat wel niet zijn bedoeling zal zijn, dat wij ons daar verre van dienen te houden. Dat kan waar zijn, als het gaat om vereenzelviging met eenzijdige onderdrukking en censuur maar onwaar als het gaat om ons aandeel leveren in de sociale omgevingen waarvan wij deel uitmaken. Op dit punt is Hubral nog onduidelijk, want in het verleden kwam een keuze voor de eigen weg soms – niet altijd! – neer op elitarisme in de slechte zin van het woord (ik geef toe dat er ook een goede zin is). Daarover zou ik ook graag iets meer gelezen hebben.

Mijn voorlopige conclusie is dat Hubral een buitengewoon interessant onderwerp aan de orde stelt met veel aanknopingspunten om door te vragen en wellicht nog belangrijker, wegen te vinden die ons heel maken door bewustwording van de niet alleen fysieke maar ook geestelijke werelden waarin wij leven, en van hoe daar naar te luisteren en er onze weg in en mee te vinden.

Gepubliceerd door

bk_books

In mijn jonge jaren woonde ik in Sint Laurens, nu onderdeel van Middelburg. Met mijn vriend Peter Karstanje verkende ik de omgeving, behalve dicht bij huis en aan de kust (stranden en boulevard) ook tijdens zomerse fietstochten langs jeugdherbergen, tot Roden toe. Op de middelbare school in Middelburg en Goes leerde ik veel talen. Wim Wattel met wie ik vier jaar lang de gymnasiumlessen in Goes volgde, was met Piet Boon en enkele anderen een vaste reisgenoot in de trein. Tijdens mijn studie in Amsterdam leerde ik via Krina de Regt, Wims partner die ook in onze klas zat en in Baarn de sociale academie volgde, Nel Knip kennen: wij zijn sindsdien bij elkaar. Wij vervolgden onze studies en beroepsmatige werkzaamheden in Amsterdam, Tiel, Driebergen, en van daaruit in heel wat plaatsen in Nederland, Mijn eerste studie was theologie aan de Vrije Universiteit, waar ik vier jaar lang als student-assistent onder de zeer begaafde Harry Kuitert leerde hoe denken en taal samenhangen (en hoe machtsverhoudingen in kerkelijke kringen uitgespeeld worden, met Kuitert als kop van jut). Mijn tweede studie, filosofie, volgde ik vervolgens aan de Universiteit van Amsterdam, waar ik behalve allerlei aanvullende wijsgerige basiskennis het geluk had Otto Duintjer als mijn hoofddocent metafysica te treffen bij wie ik afstudeerde (Plato, Kant, Heidegger, Wittgenstein en de verschillen met oosterse denkwijzen; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Vanuit Driebergen werkte Nel als hoofd PZ van het VU Ziekenhuis in Amsterdam en later als interim manager PZ in vele grote ziekenhuizen en welzijnsinstellingen in Nederland. Ik werkte als wetenschappelijk medewerker in Amsterdam, cursusleider religie en samenleving in Driebergen, universitair bibliotheekmedewerker in Amsterdam, Utrecht en Den Haag (KB). Uiteindelijk als vertaler en auteur. Wij maakten de maatschappelijke en culturele veranderingen van de jaren zestig, zeventig en tachtig intensief van binnen uit mee. De onderwerpen van mijn interesse treft u hier aan in de vorm van leesverslagen, berichten. lezingen en een aantal vertalingen en boeken over de culturele betekenis van Oost en West voor elkaar (beginnend bij meditatie, boeddhisme, Jacob Boehme, niet-dualisme; en eindigend bij een herdruk van mijn vertaling van de Zen-leraar en -denker Dogen Kigen, en een nog te verschijnen nieuwe inleiding in het denken van Jacob Boehme over de eenheid van tegenstellingen). Met als grote studie onder leiding van Gilles Quispel de visie op man en vrouw in het christendom, bij enkele bijzondere denkers in de eerste eeuwen en bij Jacob Boehme en zijn kringen en erfgenamen. Een rijke leerschool! Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer via Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema. Hoewel mijn onderzoek in eerste instantie op kernvragen en op de innerlijke samenhang van (patronen in) denken en werkelijkheid (zowel de objectieve als de subjectieve) gericht was vanuit mijn westerse theologische en filosofische traditie, heb ik achteraf het gevoel ook veel verwantschap te hebben gevonden in oosters denken. Zowel dat van religieuze denkers en van fundamentele denkers over wetenschap, objectiviteit en subjectiviteit, als in het bijzonder over taal: dit leverde veel invalshoeken op waarmee naar oost en naar west gekeken kan worden! Op deze manier kon ik zelfs de eigen piëtistische calvinistische tradities van Walcheren en West-Europa, en later ook de gnostische en mystiek-theologische tradities van het Westen vergelijken met bepaalde opvattingen in het Oosten, en beide beter begrijpen en relativeren. Ik hoop dat u en anderen hier vruchten van plukken en tot een en ander een eigen verhouding ontwikkelen. Zij het dat die taak nooit af is. Maar zelfs over tijd en zijn, en tijd en eeuwigheid valt veel te leren, heb ik gemerkt. Dat heb ik graag doorgegeven, en u vindt er hier veel over. Ook dat er een tijd komt, zoals nu voor mij, dat het niet meer allereerst gaat om nog meer onderwerpen bij de kop te pakken om me er grondig in te verdiepen en ze vertaald, dat wil zeggen in een bepaalde context begrijpelijk neer te zetten. Maar om te erkennen dat er na een tijd van toelaten en verdiepen ook een tijd mag volgen van het rationele iets meer loslaten en van iets meer intuïtief bij de zich steeds vernieuwende (...) 'kern' blijven. Een proces dat opmerkelijk genoeg in de natuur (dat is de hele werkelijkheid) en het al (of de kosmos of de eeuwigheid) in het klein en in het groot al voortdurend aan de gang blijkt, zonder iets van zijn essentie, vreugde en spanning te verliezen, en dus ook van zijn soms subtiele soms grove tegenstellingen en de veranderingen daarin. Alle goeds en goede voortgang!

Een gedachte over “Hubral Geheime Dao-Schöpfungslehre”

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.