BK-Books.eu » Berichten » De denkkracht van het kwaad; of … wordt de (verstandelijke) Verlichting overschat?

De denkkracht van het kwaad; of … wordt de (verstandelijke) Verlichting overschat?

Kernwoorden: , , , , , , ,

Bas Heijne schreef in de NRC van 28 april 2017 (pp. C4-C5) een heldere bespreking van Bettina Stangneth’s boek “Het kwade denken”. Zij laat zien dat verstandelijk denken heel goed ten kwade gebruikt kan worden (ze is Eichmann-deskundige) en pleit voor een levenshouding die uitmondt in verantwoordelijkheid nemen ofwel bewust (niet) handelen, in tegenstelling tot de vage verwording van oorspronkelijke Verlichtingsidealen tot de suggestie dat vrijheid betekent dat je alles mag zeggen als je er maar niet naar handelt. Dat omdraaien is juist onze taak: probeer ten allen tijde aan de beste uitkomst te werken zonder die vooraf al precies te kunnen formuleren. Volgens Stangneth weten wij intuïtief wat moreel goed is en wat niet. Anderen zullen daar genuanceerder over willen spreken want er minder zeker over zijn. Maar het is waar dat onze verantwoordelijkheid ten allen tijde bouwt op ons moreel besef, en dat in iedere gemeenschap van mensen aan dat morele besef veel aandacht besteed wordt: moreel gesproken weten we vrijwel allemaal vrijwel altijd heel goed waar Abraham de mosterd haalt of zou kunnen dan wel behoren te halen. Vooral politieke leiders en verantwoordelijken (ook ambtenaren) dienen hieraan te beantwoorden en zich niet te verschuilen achter anderen of achter mooie redenaties of rapporten die eerder van een feitelijke oplossing (of veel beter: het moreel juiste doel) afvoeren dan er op aandringen en het pad ervoor banen. Bas Heijne vindt dan ook dat de stelling van Stangneth dat juist de Verlichting krachten heeft opgeroepen die de Verlichting nu dreigen te vernietigen, ver buiten de wereld van filosofie-lezers moet doorklinken.
Laat ieder die in de gelegenheid is, aan de gesprekken over deze thema’s deelnemen, want zij zouden wel eens heel fundamenteel en belangrijk kunnen blijken. Mis het kennis nemen ervan dus niet! Het gaat om uiterst praktische zaken die met onze levenshouding te maken hebben.
Behalve naar het artikel van Bas Heijne verwijs ik graag naar enkele commentaren in het Duits die ik op internet vond [ http://www.faz.net/aktuell/feuilleton/buecher/rezensionen/sachbuch/philosophin-bettina-stangneth-ueber-boeses-denken-14363243.html ] en die enkele filosofische aspecten van het probleem (de grenzen van ons taalgebruik en de verhouding van mens en dier, van geest en natuur; zaken die ik ook elders op deze site als belangrijk aanstip) raken:

[ N.B. Onderstaande commentaren zijn achtereenvolgende reacties op het artikel en op elkaar. ]

“In der Natur gibt es keine Moral.
RENÉE BÜRGLER (KURPFALZ) – 02.08.2016 11:54

In der Natur gibt es keine Moral. Der Löwe frisst das Gnu und das kann nicht moralisch bewertet werden. Auch der Mensch stammt aus der Natur, trägt tierisches in sich. Die Moral ist ein Ergebnis von Zivilisation, die eine evolutionär sehr junge Erscheinung ist. Entwicklungsgeschichtlich älter ist das, was die Tiere “jenseits von Gut und Böse” tun. Das steckt in uns drin, denn wir sind auch Tiere, und zwar Säugetiere, tragen raubtierhaftes in uns. In uns steckt also das unmoralische, das, was gemeinhin “das Böse” genannt wird, als Naturerbe, als biologisches Überbleibsel unseres tierisches Daseins. Die zivilisatorisch-moralische Schicht ist relativ “neu”, ist mühsam geschaffen und leicht zerbrechlich, kann nur durch hohen Aufwand (Pädagogik, Sanktionssystem usw.) erhalten werden. Die Moral ist Oberfläche. In der Tiefe steckt das Raubtier, das jederzeit ausbrechen kann. Ein solch skeptischer Blick ist realistischer und versteht das “so genannte Böse” besser als die “Ethik”.

In der Natur gibt es aber auch das Böse nicht
ANDREAS JENSCH 3 (MERLIN357) – 02.08.2016 18:11

dass ein Lebewesen sich in seinem Territorium behaupten und (wenn es kein Pflanzenfresser ist) auch jagen muss, ist eine zwingende Notwendigkeit. Mir sind keine Fälle von Löwen bekannt, welche aus reiner Bosheit Gnus oder Zebras “einfach so” terrorisiert hätten. Und auch, wenn es in Rudeln / Herden eben auch diejenigen geben muss, welche in der Hierarchie unten stehen, so wird auch für diese gesorgt. Dass ein unfähiges Leittier sich mit einer Entourage anderer Unfähiger umgibt, um die Privilegien dieser “Führungsschicht” zu sichern, auch wenn das die Herde / das Rudel ins Verderben stürzt, das sieht man nirgendwo in der Natur. Solchen Irrsinn bringen nur Menschen zustande. Nicht unbedingt aus dem Willen heraus, böse zu sein, aber aus Egoismus heraus, welcher die Bedürfnisse anderer weit hinter die eigenen stellt. Und der Gefolgsmann will halt etwas von den Privilegien abhaben, die er selbst so nicht erreichen kann.

Sie verklären die Natur.
RENÉE BÜRGLER (KURPFALZ) – 02.08.2016 19:35

Natürlich quälen sich Tiere gegenseitig. Ohne “vernünftigen” Grund. Katzen quälen Mäuse, ohne sie zu fressen, einfach so, weil es ihnen sozusagen “Spaß” macht. Es gibt in der Natur weder das Böse, noch das Gute, weil es in der Natur keine Moral gibt. Moral heißt Dichotomie Gut/Böse. Diese Gut/Böse-Dichotomie ist von Menschen ersonnen. Ist etwas “künstliches”. Ist zivilisatorische “Hülle”. In der Hülle steckt die Natur, die “jenseits von Gut und Böse” (Nietzsche) ist. Moralische Begriffe sind nicht auf die Natur anwendbar, weder “das Gute” noch “das Böse”. Wir Menschen sind von unserer (evolutionären) Geschichte her Naturwesen. Wir sind “Tiere mit Verstand” (Aristoteles). Weil wir Tiere sind, steckt in uns die Natur, die, wie dargelegt, jenseits von Gut und Böse ist. Daraus folgt, dass das, was die Moral “das Böse” nennt, unser unentrinnbares Schicksal ist. Es kann niemals eine “gute” Welt oder “gute” Menschen geben. Wer das behauptet, hat nicht nachgedacht.”

Mijn gedachten hierbij zijn: 1. er is veel voor te zeggen dat Bettina Stangneth een belangrijke stelling poneert met het hameren op onze permanente verantwoordelijkheid om ten goede te (niet-)handelen van welk ‘goede’ zij zegt dat wij dat intuïtief altijd beseffen, aanvoelen; 2. omdat dat ‘goede’ tegelijk een begrenzing is, namelijk een afgrenzing van wat niet goed, dus het ‘kwade’ is, komt die verantwoordelijkheid ook altijd neer op het omgaan met die afgrenzing zelf, met de taal waarmee wij ons wereldbeeld uitdrukken. Wie hierover nadenkt, komt op veel praktische en theoretische vragen uit, maar in ieder geval ook dat wat goed is en wat derhalve nu om (niet-)handelen vraagt, per situatie verandert en dus heroverwogen kan, mag en moet worden (tenzij die overweging het te bereiken goede schaadt; dus schade vermijden is soms belangrijker dan andere principes doordrukken of volgen). Voor mij is het tweede punt een afgeleide van wat mij geleerd wordt over taal (bijvoorbeeld door Wittgenstein en door het boeddhistische Diamant-soetra) en over het in het leven staan volgens de Dao De Jing van Lao Zi. (Over die laatste zie elders op de site.) Enerzijds dwingt de kritische stellingname van Stangneth inzake ons al te bekende (of onbekende?) opvattingen tot grondig nadenken en heroverwegen, anderzijds zijn daarvoor wellicht ook aanknopingspunten bij denkers over taal en in het leven staan die (ook) andere bronnen aanboren om met onze ratio om te gaan. (En die ik op deze site aandacht heb pogen te geven.)

Boudewijn Koole

Gepubliceerd door

bk_books

In mijn jonge jaren woonde ik in Sint Laurens, nu onderdeel van Middelburg. Met mijn vriend Peter Karstanje verkende ik de omgeving, behalve dicht bij huis en aan de kust (stranden en boulevard) ook tijdens zomerse fietstochten langs jeugdherbergen, tot Roden toe. Op de middelbare school in Middelburg en Goes leerde ik veel talen. Wim Wattel met wie ik vier jaar lang de gymnasiumlessen in Goes volgde, was met Piet Boon en enkele anderen een vaste reisgenoot in de trein. Tijdens mijn studie in Amsterdam leerde ik via Krina de Regt, Wims partner die ook in onze klas zat en in Baarn de sociale academie volgde, Nel Knip kennen: wij zijn sindsdien bij elkaar. Wij vervolgden onze studies en beroepsmatige werkzaamheden in Amsterdam, Tiel, Driebergen, en van daaruit in heel wat plaatsen in Nederland, Mijn eerste studie was theologie aan de Vrije Universiteit, waar ik vier jaar lang als student-assistent onder de zeer begaafde Harry Kuitert leerde hoe denken en taal samenhangen (en hoe machtsverhoudingen in kerkelijke kringen uitgespeeld worden, met Kuitert als kop van jut). Mijn tweede studie, filosofie, volgde ik vervolgens aan de Universiteit van Amsterdam, waar ik behalve allerlei aanvullende wijsgerige basiskennis het geluk had Otto Duintjer als mijn hoofddocent metafysica te treffen bij wie ik afstudeerde (Plato, Kant, Heidegger, Wittgenstein en de verschillen met oosterse denkwijzen; mijn afstudeeronderwerp was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). Vanuit Driebergen werkte Nel als hoofd PZ van het VU Ziekenhuis in Amsterdam en later als interim manager PZ in vele grote ziekenhuizen en welzijnsinstellingen in Nederland. Ik werkte als wetenschappelijk medewerker in Amsterdam, cursusleider religie en samenleving in Driebergen, universitair bibliotheekmedewerker in Amsterdam, Utrecht en Den Haag (KB). Uiteindelijk als vertaler en auteur. Wij maakten de maatschappelijke en culturele veranderingen van de jaren zestig, zeventig en tachtig intensief van binnen uit mee. De onderwerpen van mijn interesse treft u hier aan in de vorm van leesverslagen, berichten. lezingen en een aantal vertalingen en boeken over de culturele betekenis van Oost en West voor elkaar (beginnend bij meditatie, boeddhisme, Jacob Boehme, niet-dualisme; en eindigend bij een herdruk van mijn vertaling van de Zen-leraar en -denker Dogen Kigen, en een nog te verschijnen nieuwe inleiding in het denken van Jacob Boehme over de eenheid van tegenstellingen). Met als grote studie onder leiding van Gilles Quispel de visie op man en vrouw in het christendom, bij enkele bijzondere denkers in de eerste eeuwen en bij Jacob Boehme en zijn kringen en erfgenamen. Een rijke leerschool! Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer via Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere dualiteiten of liever non-dualiteiten via het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost, met andere woorden een universeel thema. Hoewel mijn onderzoek in eerste instantie op kernvragen en op de innerlijke samenhang van (patronen in) denken en werkelijkheid (zowel de objectieve als de subjectieve) gericht was vanuit mijn westerse theologische en filosofische traditie, heb ik achteraf het gevoel ook veel verwantschap te hebben gevonden in oosters denken. Zowel dat van religieuze denkers en van fundamentele denkers over wetenschap, objectiviteit en subjectiviteit, als in het bijzonder over taal: dit leverde veel invalshoeken op waarmee naar oost en naar west gekeken kan worden! Op deze manier kon ik zelfs de eigen piëtistische calvinistische tradities van Walcheren en West-Europa, en later ook de gnostische en mystiek-theologische tradities van het Westen vergelijken met bepaalde opvattingen in het Oosten, en beide beter begrijpen en relativeren. Ik hoop dat u en anderen hier vruchten van plukken en tot een en ander een eigen verhouding ontwikkelen. Zij het dat die taak nooit af is. Maar zelfs over tijd en zijn, en tijd en eeuwigheid valt veel te leren, heb ik gemerkt. Dat heb ik graag doorgegeven, en u vindt er hier veel over. Ook dat er een tijd komt, zoals nu voor mij, dat het niet meer allereerst gaat om nog meer onderwerpen bij de kop te pakken om me er grondig in te verdiepen en ze vertaald, dat wil zeggen in een bepaalde context begrijpelijk neer te zetten. Maar om te erkennen dat er na een tijd van toelaten en verdiepen ook een tijd mag volgen van het rationele iets meer loslaten en van iets meer intuïtief bij de zich steeds vernieuwende (...) 'kern' blijven. Een proces dat opmerkelijk genoeg in de natuur (dat is de hele werkelijkheid) en het al (of de kosmos of de eeuwigheid) in het klein en in het groot al voortdurend aan de gang blijkt, zonder iets van zijn essentie, vreugde en spanning te verliezen, en dus ook van zijn soms subtiele soms grove tegenstellingen en de veranderingen daarin. Alle goeds en goede voortgang!

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.