BK-Books.eu » Berichten » DAOÏSME: inleiding & DAODEJING: lopende samenvatting en commentaar

DAOÏSME: inleiding & DAODEJING: lopende samenvatting en commentaar

Kernwoorden: , , , , , , , , , ,

 

Reageren op de Daodejing-teksten

Het introbericht van dit blog dat bezoekers als eerste zien, begon jarenlang tot oktober 2020 met een telkens nieuw hoofdstuk van Lao Zi’s Dao De Jing of “Het Boek van de Weg en de Deugd” in de typografische combinatie door mijn neef Boudewijn Koole* van drie vertalingen. Die zijn gebaseerd op wat in de OB van Rotterdam indertijd (plm. 2007) toevallig beschikbaar was. Het treffende van zijn typografische combinaties vind ik dat zowel de verscheidenheid in ‘vorm’ als de overeenkomst in ‘inhoud’ van de vertalingen prachtig zichtbaar wordt. Mijn neef en ik waardeerden deze teksten juist daarom.

Onderaan dit bericht is zijn laatst aangedragen combinatie van drie vertalingen ook weergegeven: van hoofdstuk 76. Daaronder vindt u alle hoofdstukken ofwel verzen die tot nu toe zijn gepubliceerd, met toelichting. N.B. De volgorde is de omgekeerde van publicatie: 2-20 eerst, dan 1, dan 81-16. Maar let op:
DE COMPLETE VERTALING VAN DE DAODEJING 1-81 VINDT U BINNENKORT OP EEN APARTE PAGINA

* Hij is Boudewijn Koole D.enJ.zn (tot veler en mijn ontsteltenis plotseling overleden eind oktober 2020; zie het bericht in de linkerkolom) en ik ben L.enS.zn; wij zijn twee van zes volledig gelijknamige neven (vier in Nederland) en van zeven qua voornaam (vijf in Nederland). In British Columbia (Canada) woont zo Robert [=Boudewijn] Koole P.enP.zn. En samen zijn wij onderdeel van zo’n veertig nichten en neven, waarvan ongeveer de ene helft in Nederland en de andere in Canada woont.

Nederlandse auteurs over daoïsme

Deskundige Nederlandse auteurs die ons geholpen hebben over deze teksten na te denken zijn (Dr.) René Ransdorp, zie zijn fijnzinnige en leerzame boek “Zwerven met Zhuang Zi” (over de grote navolger van Lao Zi), en (Dr.) Woei Lien Chong, zie haar helder oriënterende boek “Filosofie met de vlinderslag” (over zowel Lao Zi als Zhuang Zi), die beide naar talloze andere auteurs verwijzen waar ook veel van te leren valt! Wij zien uit naar het moment dat René Ransdorp die al jaren lesgeeft over de grondtekst en betekenis van de Dao De Jing, zijn op diepgravende studie van onder meer de Chinese commentaren gebaseerde eigen vertaling ervan zal publiceren [opmerking: René Ransdorp is eind maart 2017 overleden; mij is op dit moment nog niet bekend of zijn vertaling al persklaar was/ is].
Hij leerde dat leven (in de meest omvattende zin) en ‘leren’ bij elkaar horen, dat forceren zelden gewenst is en dat de dingen vanzelf hun loop hebben; ook dat we ons ‘zelf’ daarin vinden/ loslaten (v.v.) kunnen.
Ook Elly Nooyen, leerling in de Internationale School van het Rozenkruis en tevens oud-leerling van René Ransdorp, deelde en deelt in boeken en lezingen haar inzichten vanuit, in en over Dao onder meer vanuit die tradities van Dao-uitleg mee. (N.B. Zij doet dat wel vanuit erg veel tradities tegelijk en naast elkaar waardoor de eenvoud en kernachtigheid vooral van de lezer[es] of van zijn[/haar] begeleiding wordt verwacht; de breedheid van het aangeboden materiaal biedt anderzijds meer mogelijkheden om alternatieve invalshoeken en wegen te verkennen waarbij de vraag is in hoeverre die wegen verschillen of elkaar aanvullen of uitsluiten, wat uiteraard een onderwerp apart is en wat ook kennisvermeerdering is die misschien niet past bij de eenvoud van de Daodejing: een punt om desgewenst in de gaten te houden).

Reageren?

Plaats voor een nieuwe reactie (nieuw onderwerp of nieuwe vraag) je cursor in het alleronderste lege vak en noem s.v.p. eerst het hoofdstuknummer of punt waarop je reageert of dat je zelf aandraagt. Je kunt ook op de bestaande reacties reageren: via het vak ‘Reacties’ dat onder ieder bericht staat. Hier nog even een blik op het laatste door mijn neef Boudewijn aangedragen en gepresenteerde hoofdstuk.

Klik op bovenstaande tekst om deze te vergroten of gebruik deze link: Dao De Jing-76 Geplaatst op 5 oktober 2020.

Gepubliceerd door

Boudewijn K. ⃝

--- In 1947 werd ik geboren in Sint Laurens. Ik woonde en werkte verder in Middelburg, Goes en plaatsen in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. --- Vanaf 1965 studeerde ik theologie en filosofie (mijn afstudeeronderwerp bij † prof. Otto Duintjer was de eenheid van de tegenstellingen in de westerse dialectiek speciaal bij Marx en zijn voorlopers). --- Onder leiding van † prof. Gilles Quispel (UvUtr) promoveerde ik op de visie op de ‘eenheid van man en vrouw’ in het christendom (speciaal bij Jacob Böhme). --- Terugkerende thema's vormden de relatie tussen taal, denken en werkelijkheid (filosofisch onder meer bij Wittgenstein, Boehme en het oosterse non-dualisme) en de directe verbanden hiervan met de visies op de man-vrouw-verhouding en alle andere 'dualiteiten' of liever 'non-dualiteiten'. Speciaal met het concept van de eenheid van tegenstellingen in West en Oost (vgl. yin en yang), met andere woorden een universeel thema dat ik deels al eerder had ontmoet als onderwerp van mijn doctoraalscriptie. --- Mijn recente publicaties betreffen de vertaling met commentaar van Jacob Böhmes "Theoscopia" (verlichting; het zien als God), 2019, en de nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme "Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen", 2020. Deze twee publicaties zijn inhoudelijk pendant van elkaar. --- Tegelijk is mijn aandacht verschoven ofwel uitgebreid van het hanteren én begrijpen van woorden naar subtiele andere 'tekens' en hun be-teken-is. Of liever naar hoe wij inclusief onze wereld(en) - vice versa - 'ons' vormen en ont-vormen (opkomen, blinken en verzinken) en daarbij tegelijk zowel geheel als tegengestelden zijn, zowel verschillen tonen als de eenheid of eenheden die het zien en vergelijken van 'alles' inclusief onszelf mogelijk maken. Of met de moderne term: wat 'inclusiviteit' en 'inclusief zijn' in [kunnen] houden. Want waar zijn de grenzen van onze 'hele' werkelijkheid?

68 gedachtes over “DAOÏSME: inleiding & DAODEJING: lopende samenvatting en commentaar”

  1. [Bij hoofdstukken 2-20]
    Bij hoofdstuk 2
    Wij weten:
    Schoonheid wordt als schoonheid slechts herkend wanneer men zich niet-schoonheid bewust wordt.
    Geschiktheid wordt als geschiktheid slechts herkend wanneer men zich niet-geschiktheid bewust wordt.
    Zodoende geldt:
    Bestaan en niet-bestaan brengen elkaar voort;
    Het moeilijke en het makkelijke vormen elkaar.
    Het lange en het korte maken elkaar duidelijk;
    Het hoge en het lage steunen op elkaar.
    Klank en stem harmoniëren met elkaar;
    Eerder en later volgen elkaar.
    Om deze reden beoefent de wijze de praktijk van het niet-doen,
    Onderwijst zonder woorden.
    Hij staat open voor alles wat op hem toe komt,
    En levert zijn bijdrage zonder in een verwachting voor zichzelf te blijven hangen.
    Juist omdat hij er niet in blijft steken, verlaat zijn verdienste hem niet.

    Aan het commentaar op dit hoofdstuk van René Ransdorp ontleen ik (in mijn woorden):
    Wanneer men inziet dat het leven zich (voor die blik) ontplooit in polariteiten (en dat bewustzijn en werkelijkheid geen absolute tegenstellingen zijn maar namen voor een en hetzelfde geheel van zich steeds vernieuwende processen) dan komt de wijze tot het inzicht dat zij de spelingen die daarin en daartussen mogelijk zijn, beter niet moeten bemoeilijken (met kortsluitingen en lijden als gevolg) door het daaraan opleggen van de eigen mening (over die processen waarvan men zelf onderdeel is). Dat geldt in het bijzonder voor het spreken van de wijze: hij vermijdt vastleggingen en laat ruimte aan de processen.
    Het onuitspreekbare van de dao maakt haar juist zo geschikt voor dagelijks gebruik. In de Chinese filosofie wordt de intellectuele vraag naar zin en doel van het leven niet gesteld omdat men het leven (inclusief de hele werkelijkheid v.v.) daardoor niet vast wil leggen. De zin en de loop worden vanuit het lopen en de beweging – vergelijk ‘levensloop’ – duidelijk. Daarbij wordt het ‘zachte’ (Yin, vergelijk het vrouwelijke en moederlijke) geacht het ‘harde’ (Yang, vergelijk het mannelijke en vaderlijke) te overwinnen. Zijn is beweging, eerder een spel dan een wetmatige afloop, zij het een spel waarin (steeds veranderende) patronen herkenbaar zijn – waardoor de ontwikkelingen gevolgd kunnen worden zonder (of liever: met vermijding van) forceren. Zijn aanwezigheid is alert steunend zonder gerichtheid op voorrang voor het eigen belang, integendeel juist op het belang van alle processen samen, ofwel op de processen van alle belangen samen in de gunstigste en vruchtbaarste verhoudingen.
    Commentaar:
    Leest men de hoofdstukken 1 en 2 na elkaar dan ziet men parallellen. De dualiteit van alle processen en waarnemingen wordt in beide naar voren gebracht nadat allereerst is bezworen dat dualiteit een onderscheid is dat kenmerkend is voor onszelf, namelijk als wezenlijk aspect van al ons weten, bewustzijn, en dat wij slechts daarbinnen kunnen spreken over wat ten diepste is en wordt: dao, maar zonder dat onze woorden dat zijn en worden kunnen omvatten.
    Toch bestaat de Daodejing uit de 81 hoofdstukken met woorden om ons wakker te maken en te houden voor wat het betekent onderdeel van die processen te zijn van die werkelijkheid. Een werkelijkheid die we graag de totale zouden noemen, maar die we noch met woorden noch met iets anders in de greep krijgen. En dat er dan toch manieren zijn om vruchtbaar in die werkelijkheid te staan, ons ertoe te verhouden, erdoor te laten inspireren en er onze rol in te spelen op een wijze die geen eenzijdigheid, geen forcering naar een of andere kant, met zich meebrengt. Maar in respect en aandacht alles laat bloeien en veranderen, misschien idealiter zo dat de grootste bloei niet gehinderd wordt door onze kleinste wensen en ingrepen. Of zelfs de kleinste bloei niet? Want wie zijn wij dat wij onze maatstaven aan anderen en andere delen van de werkelijkheid zouden mogen opleggen? Deze vragen zijn fundamenteel voor ons persoonlijke bewustzijn en leven dat nu eenmaal niet van het ons ruimer omringende leven en alle bestaansvormen daarin te scheiden valt. De uitdaging is dao te volgen en niemand en niets te schaden maar onze inbreng te leveren zonder (want door niet) aan ons eigenbelang voorrang te geven. Dan blijkt meer mogelijk dan wanneer we alleen van onze eigen vooronderstellingen en vaste waarheden uitgaan. Op deze wijze leven is niet aan vaste eigen of groepsbelangen hechten los van een open oog voor die van alle anderen en al het andere. Dat is leven zonder vooropgestelde zekerheden, maar ook leven in overeenstemming met het grote proces van dao, dat alle werkelijkheden en processen omvat. Veel later zullen we lezen dat deze manier van leven, aangeduid met de levenshouding ‘de’, haar eigen mogelijkheden heeft.

    Bij hoofdstuk 3
    Verhef de voortreffelijken niet,
    Dan vermijd je concurrentie tussen de mensen.
    Hecht geen waarde aan zeldzame waren,
    Dan zullen de mensen niet stelen.
    Stel het begerenswaardige niet ten toon,
    Dan raakt het hart van de mensen niet in de war.
    Daarom, als de wijze mens bestuurt:
    Houdt hij hun harten leeg,
    Vult hun buiken,
    Verzwakt hun ambities,
    Versterkt hun botten.
    Hij zorgt dat zijn mensen altijd zonder obsessies zijn,
    Zodat zij die weten niet overmoedig tot handelen overgaan.
    Wanneer hij zo handelt door niet-handelen
    is niets niet in orde.

    Bij hoofdstuk 4
    Dao is als een leeg vat
    dat bij gebruik toch nooit vol wordt.
    Zo bodemloos diep
    Dat dao wel de oervader van de tienduizend dingen lijkt te zijn.
    Dao vijlt scherpe hoeken af,
    Ontwart de knopen,
    Tempert de schittering,
    Maakt zich gelijk aan het stof van de wereld.
    Zo diep verzonken lijkt dao amper te bestaan.
    Ik weet niet van wie Dao de nakomeling zou kunnen zijn.
    Dao schijnt ouder te zijn dan de Heer van de hemel.

    De leegte van dao heeft betrekking op innerlijke ruimte, ontvankelijkheid, die een permanente voedingsbodem biedt, ruimte voor de tienduizend dingen om zich te ontwikkelen. Wat dao hier ‘doet’ komt in hs 56 precies zo terug als het hoogste wat de wijze in de wereld kan bereiken. Het is echter niet iets specifieks waartoe men kan besluiten, maar alleen een houding van in alle opzichten volledige “openheid”.
    De laatste regels geven de vraag aan die schrijver, lezers en hoorders dan zouden kunnen stellen: hoe verhoudt dao zich dan tot de goden? Zover die verondersteld worden als zelf de oorsprong (vergelijk hs 1 en andere plaatsen), kan gezegd worden dat zij dat in ieder geval niet zijn, zover zij met iets bestaands te vergelijken zouden zijn. En dao is dat zeker niet omdat het alles omvat zonder met welk bestaand iets dan ook samen te vallen.
    Belangrijker is ons af te vragen wat de functie van dao is die hier beschreven wordt. Wat is de werking van dao. En daar gaan alle hoofdstukken van de Daodejing over. René Ransdorp merkt op: westerse skepsis wordt gekenmerkt door de kritische houding, de daoïstische “skepsis” staat in dienst van de openheid. Het niet-weten van de daoïst is anders dan het niet-weten van de agnosticus, want vanuit openheid begrepen en op openheid gericht.
    Ik kan hier een vergelijking aanvoeren met de houding van Jezus toen hij gevangen genomen werd en tegen zijn gevangennemers zei: “Ik was hele dagen openlijk in de tempel in gesprek en waarom nemen jullie mij nu achterbaks en stiekem gevangen ergens in een tuin?” Ook Jezus deed hier geen uitspraken over een leer die hij al dan niet verdedigen zou anders dan dat hij het belang van volstrekte openheid naar voren bracht. Zonder die openheid is iedere regel immers waardeloos en achterbaks, alsof het gelijk stiekem of uitsluitend via uiterlijke middelen gehaald en gekregen kan of mag of moet worden. Die openheid is weerloos, fundamenteel, en helend. Dao en openheid horen bij elkaar op een manier die anders is dan die van veel traditionele machthebbers. Over machthebbers meer in volgende hoofdstukken.

    Bij hoofdstuk 5
    “Hemel en aarde” zijn niet barmhartig;
    Ze beschouwen alle dingen als strooien offerpoppen.
    De “wijze mens” is niet barmhartig;
    Hij beschouwt alle mensen als strooien offerpoppen.
    Zijn hemel en aarde niet als een blaasbalg?
    De ruimte ertussen is leeg en toch niet ongevuld;
    Beweeg haar en zij wordt steeds voller!
    Veel spreken leidt tot uitputting,
    Beter is: het midden te bewaren.

    De eerste helft van dit hoofdstuk wijst een bepaalde houding af, namelijk van de (confucianistische) rituele dus uiterlijke verplichtingen die innerlijk niets of weinig voorstellen. Met lege rituelen wordt geen innerlijke verandering open gehouden. Evenmin als met veel woorden (de wijze mens is hier dus niet de volger van dao). Het gaat niet om het uiterlijk spelen met pionnen maar om innerlijk mee bewegen met de stroom van de gebeurtenissen. Dit thema komt terug in latere hoofdstukken. Evenals de vraag welke rol de hier aangesproken mens dan wel kan spelen, uitgaand van dao en dao volgend.
    Strikt genomen zouden de woorden die hier tussen aanhalingstekens gezet zijn, ook letterlijk genomen kunnen worden en dan meer opgevat als representanten van dao. We weten echter dat de Daodejing zich verzette tegen dominante confucianistische opvattingen. En de woorden die we hier tussen aanhalingstekens zetten om ze als confucianistisch neer te zetten, zouden anders positief opgevat moeten worden als representatief voor dao. Dan verliezen de zinnen echter duidelijk aan betekenis; strooien poppen kunnen uitgelegd worden als onderdeel van confucianistische offerrituelen (waarbij de poppen de plaats innamen van kostbare levenden).
    Ook het vervolg past in deze uitleg. Hemel en aarde worden niet ontkend maar ze krijgen een betekenis vanuit dao. Zelfs lege dingen (en strooien poppen) hebben of krijgen betekenis vanuit dao. Maar zonder de dogmatische opgeblazenheid als die van de confucianisten. Dao heeft geen of veel minder woorden nodig, zoals de Daodejing uitlegt: door in het midden te blijven of zoals elders gezegd wordt innerlijk open te blijven: “vanzelf zo”. Hs 6 gaat daarover verder.

    Bij hoofdstuk 6
    De levensgeest van het dal sterft niet.
    Zij wordt het mysterieus vrouwelijke genoemd.
    De poort van haar vrouwelijkheid
    Is de wortel van hemel en aarde.
    Haar bestaan gaat continu door
    Maar raakt in het gebruik niet uitgeput.

    De leegte van het dal is de baarmoeder van alles. Het natuurlijke stromen van energie werkt in alles door. Zoals de vrouwelijke energie alles omvat en beschermt als een moeder. Er is geen begin en einde aan. Hier wordt de beeldspraak van vorige hoofdstukken voortgezet. Dao is de “niet bestaande” oorsprong van alles die in alles doorwerkt, door alles heen werkt zonder enige uitputting.

    Bij hoofdstuk 7
    De hemel bestaat al heel lang
    En de aarde duurt steeds voort.
    Dat komt doordat zij niet voor zichzelf leven.
    Daardoor kunnen ze lang voortbestaan.
    Om die reden stelt de wijze mens zijn persoon achteraan,
    En vindt zijn lijf en persoon vooraan terug.
    Door zich niet om zijn persoon te bekommeren
    Blijft zijn persoon bewaard.
    Is het niet omdat hij niet zijn zelf nastreeft
    Dat hij zijn eigenbelang verwerkelijk?

    De vraag is wel gesteld (zeker in het Westen) of zelfloosheid het ideaal is dan wel het niet prononceren maar wel erkennen van een zelf. Wie niet zijn zelf vooropstelt, hoeft nog niet van zijn zelfbewustzijn af te zien. Wie zijn zelf vooropstelt, gaat al gauw over de grens meer te wensen dan zijn zelf aankan of nog sterker zichzelf ofwel zijn zelf als groter machtiger en invloedrijker te zien dan in feite het geval is. Dit is in zekere zin het grondprobleem van ieder die over haar of zijn rol in de werkelijkheid nadenkt. In het Westen is de waarde van de persoon meestal vooropgesteld; vaak boven die van alle andere verschijnselen. Het Oosten voegt de persoon meestal gewoon in in het geheel van relaties van mensen en hun omgeving. Zij ontneemt het individu daarmee niet haar eigenheid, inclusief een eigen karakter en andere eigenschappen, maar legt de nadruk op de verhouding van persoon en omgeving.
    Wat in dit hoofdstuk gezegd wordt, is essentieel voor de Daodejing. Door zijn verbondenheid met heel de omgeving, uiteindelijk heel de werkelijkheid, te erkennen en in praktijk te brengen door zichzelf niet op de voorgrond of op de hoogste trede te plaatsen, is er juist ruimte voor iedere persoon om zijn eigen rol te spelen en zijn eigen inbreng in het geheel te hebben. Zelfverwerkelijking komt nooit (volledig) tot stand als niet ook de hele werkelijkheid verwerkelijkt wordt. Dit is bijvoorbeeld ook letterlijk terug te vinden in het traktaat Genjokoan (De werkelijkheid van verwerkelijking) van de Japanse Zenmeester en filosoof Dogen Kigen (13e eeuw).

    Bij hoofdstuk 8
    Het allerbeste is te zijn als water.
    Water doet al wat bestaat goed zonder met iets te wedijveren.
    Terwijl het vertoeft op zijn lage plaats die iedereen veracht.
    Juist daarom is het dicht bij de Dao.
    Bij wonen gaat het om de juiste plaats,
    Bij onze geest om diepgang,
    Bij geven om gulheid als van de hemel,
    Bij spreken om oprechtheid,
    Bij regeren om ordenen,
    Bij dingen in praktijk brengen om bekwaamheid,
    Bij handelen om het juiste moment.
    Juist door niet te wedijveren blijf je zonder blaam.

    Een vrijere (Duitse) vertaling vond ik bij Rudolf Backofen (uit 1949). Vertaald luidt die:
    “Echt leven lijkt op dat van water:
    Stil voegt het zich naar de grond die de mensen verachten,
    Goeddoend en onzelfzuchtig alles dienend,
    Lijkend op de grondeloze oerbron.
    Echt leven is:
    Bescheiden naar buiten en zonder verlangens naar binnen;
    Gevend in het dienen en waarachtig in het spreken;
    Ordenend in het leiding geven en effectief in het werken;
    Beheerst in het doen.
    Welwillend zich voegend is het onaantastbaar.”

    Bij hoofdstuk 9
    Tijdig stoppen
    is beter dan blijven doorgaan met vullen tot er niets meer bij kan.
    Hoe scherper je de punt maakt
    Hoe vlugger de scherpte voorbij is.
    Hoe voller je kamers met goud en jade zijn
    Hoe moeilijker je ze kunt bewaren.
    Door verwaand te zijn over je aanzien en rijkdom
    Bewerk je je eigen onheil.
    Je terugtrekken als je je werk hebt voltooid
    Dat is de weg van de hemel.

    Ook in dit hoofdstuk wordt de natuurlijke weg (dao), hier die “van de hemel” genoemd, aangeprezen. Het belangrijkste van die weg voor de mens is de dingen niet op de spits drijven, niet over de schreef gaan, jezelf noch een ander te zwaar belasten of ergens mee te overladen. Tijdig weten op te houden. Denk aan de relatie tussen yin en yang. Hun toe- en afnemen is aan elkaar omgekeerd, zo blijven ze samen in – én “uit” – het midden. De eenzijdige gerichtheid op de eigen kracht en het eigen bezit verhindert de openheid voor wat verder aan de hand is.

    Bij hoofdstuk 10
    Je meer hemelse en je meer fysieke ziele-aspecten koesteren: kun je daarbij hun eenheid omarmen?
    Je helemaal concentreren op je vitale kracht: kun je daarbij zo week als een pasgeborene zijn?
    Je innerlijke spiegel reinigen: kun je daarbij smetteloos zijn?
    Met liefde voor het volk het land besturen: kun je daarbij niet-handelen beoefenen?
    De poorten naar de hemel openen en sluiten: kun je daarbij de vrouwelijke rol spelen?
    De verlichting bereiken door alomvattend inzicht: kun je daarbij niet-weten beoefenen?
    Om deze reden beoefent de wijze de praktijk van het niet-doen,
    Onderwijst zonder woorden.
    Hij staat open voor alles wat op hem toe komt,
    En levert zijn bijdrage zonder in een verwachting voor zichzelf te blijven hangen.
    Dit heet de mysterieuze deugd.

    Ook hier worden tegenstellingen geschetst in ons innerlijke bewustzijn die overbrugd kunnen worden: van lijfelijke dan wel hogere functies, van vitaliteit en ontspannenheid, van innerlijke helderheid en zorg daarvoor, van landsbestuur met en zonder forceren, van verlichting door volledig inzicht dan wel met behoud van innerlijke openheid. Boeiend is dat het gewenste “ideaal” zowel aan de tegenstelling als aan de overbrugging ervan recht doet. Het vinden van het evenwicht hiertussen, telkens opnieuw, is de uitdaging. Hoofdstuk 11 gaat hiervoor een volgend beeld bieden. Merk op dat het woord deugd ook de verwerkelijkende energie omvat, dus niet uitsluitend morele betekenis heeft.

    Bij hoofdstuk 11
    Dertig spaken zitten samen in één naaf,
    Door de leegte van de naaf is de kar bruikbaar.
    Klei wordt gevormd tot een pot,
    Door de leegte ervan is de pot bruikbaar.
    Deuren en ramen uitsparen vormt een huis,
    Door de leegte van die openingen wordt het huis bruikbaar.
    Daarom:
    Gebruiken wat er is, brengt voordeel;
    Dat is pas mogelijk door wat er niet is.

    Vaak vroegen Westerse mensen zich af wat de sereniteit of stille houding van Aziatische monniken inhield. Zowel in de Indiase meditatietradities als in de Chinese Daodejing is open aandacht het begin van alles. In de Daodejing heeft dit een specifieke betekenis als niet-handelen ofwel niet zo maar ingrijpen. Handelen zonder volledige aandacht wordt afgeraden en mét volledige aandacht als voorbeeld gesteld. Het beeld van het huis en zijn deuren en ramen komt extra terug in een later hoofdstuk om innerlijke aandacht aan te bevelen als uitgangspunt. De vraag kan zijn hoe innerlijke en uiterlijke aandacht zich het beste verhouden. Het antwoord daarop is niet een theorie maar de permanente openheid (inclusief waarneming), die ieder moment opnieuw als mogelijkheid gegeven is en verwerkelijkt kan worden. De sleutel is dus ons actuele bewustzijn, steeds opnieuw; als de naaf.

    Bij hoofdstuk 12
    De vijf kleuren verblinden het oog van de mens.
    Paardenrennen en jagen maken de mens dol.
    Moeilijk te bemachtigen goederen hinderen de gang van de mens.
    De vijf smaken bederven het gehemelte.
    De vijf tonen maken het oor van de mens doof.
    Daarom kiest men waar de wijze regeert
    voor de buik en niet voor de ogen,
    verwerpt hij dit en kiest hij dat.

    Ongekunsteldheid is het ideaal, niet het zich verliezen in dwaze uiterlijkheden. De ogen verliezen zich al gauw dieper of verder dan de buik die ons dagelijkse voedsel verteert, is de gedachte. De buik is eenvoudig en direct.

    Bij hoofdstuk 13
    “Zowel in de gunst komen als vernederd worden vormen een gevaar.”
    “Beschouw grote rampen zoals je gevaar voor jezelf beschouwt.”
    Wat wordt bedoeld met “Zowel in de gunst komen als vernederd worden vormen een gevaar”?
    Gunst is minderwaardig.
    Als je haar krijgt, wees gewaarschuwd!
    Als je haar verliest, wees gewaarschuwd!
    Dát wordt bedoeld met “Zowel in de gunst komen als vernederd worden vormen een gevaar”
    En wat wordt bedoeld met “Beschouw grote rampen zoals je gevaar voor jezelf beschouwt”?
    De reden dat ik rampen ondervind is dat ik een lijf of ik heb.
    Als ik dat niet zou hebben, wat voor rampen zou ik dan nog ondervinden?
    Daarom:
    Aan iemand die zijn leven evenzeer hoogschat als de hele wereld,
    Aan zó iemand kun je de hele wereld toevertrouwen.
    Aan iemand die zijn lijf liefheeft als de hele wereld,
    Aan zó iemand kun je de hele wereld toevertrouwen.

    De redenering lijkt deze te zijn. Wie niet voor zichzelf kan zorgen, kan dat ook niet voor anderen of de wereld buiten haar of hem. Wie dat wel kan, kan dat ook voor anderen of de wereld. Want die zal niet het ene deel bevoordelen boven het andere deel, de ene persoon of het ene goed boven de andere persoon of het andere goed. Ook hier speelt de voorstelling van het midden bewaren tussen de uitersten. En zo kan de spanning tussen het zorgen voor zichzelf en het geheel (vergelijk hs 7!) toch worden opgelost. Wij kunnen ons deze oplossing ‘voorstellen’, waar het om gaat is het vervolgens verwerkelijken ervan. De verhouding tussen voorstellen en verwerkelijken impliceert altijd een wisselende spanning die idealiter rust en beweging béide omvat. In de gunst staan of vernederd worden zijn ten opzichte daarvan relatief: zonder gehechtheid van en aan mijn ‘ik’ heb ik daar geen last van.

    Bij hoofdstuk 14
    Wij kijken ernaar en zien het niet; we noemen het het onzichtbare.
    Wij luisteren ernaar en horen het niet; we noemen het het geluidloze.
    Wij grijpen ernaar en raken het niet; we noemen het het nietige.
    Deze drie kunnen niet dieper begrepen worden:
    Zij vloeien samen tot Een.
    Het Ene:
    Zijn opgang is geen licht,
    Zijn neergang is geen duisternis;
    Zonder ophouden, onnoembaar,
    Keert het terug tot Niets.
    Daarom noemt men het vormloze vorm,
    Beeld van Niets,
    Illusionair en ontsnappend.
    Ga er op af en je ziet zijn voorkant niet,
    Volg het en je ziet zijn achterkant niet.
    Leg je toe op de Dao van dit moment
    Om te besturen wat precies nu gebeurt,
    En te begrijpen waar het in het verleden begon.
    Dat heet de draad van Dao volgen.

    Gaandeweg lichten delen en aspecten van de Weg op die de Weg voor ons signaleren. Niet dat we er ook maar enige vaste greep op krijgen. Wij laten de manifestatie van de Weg in het hier en nu voortdurend toe en vervolgens weer los om met de Weg mee te kunnen gaan. Waar continuïteit blijkt, nemen we die serieus, en waar niet, doen we dat ook. Maar we maken er niet ons eigen systeem van maar volgen Dao. Als we dat niet doen, overschatten we onszelf en doen onrecht aan Dao en alle verschijnselen (ervan). Want Dao is niet definitief grijpbaar en voorspelbaar zover wij (niet) weten; wel weten wij dat Dao vanzelf, uit zichzelf, alle dingen voortbrengt en vormt en weer tot niets terug laat keren: zonder dat wij meer kennen dan alles wat zich manifesteert als, in, buiten en voor ons en dito alle dingen om ons heen (waarvoor wij ons op onze beurt weer voor en omheen manifesteren – ad infinitum). Dao is oneindig komen en gaan. (Voor wie van parallellen houdt: denk bij het Ene en het Niets ook eens aan Jacob Böhme’s Grond en Ongrond.)

    Bij hoofdstuk 15
    Zij die vanouds goed waren in het beoefenen van de Weg
    Waren subtiel, mysterieus, en drongen diep door in de duisternis.
    Hun diepte ging alle begrip te boven.
    Omdat zij niet te begrijpen zijn
    Moet ik ze geweld aandoen met de volgende beschrijving:
    Zo voorzichtig als bij het oversteken van een bevroren rivier.
    Zo alert als mensen die van alle kanten bedreigd worden.
    Zo respectvol als bezoekers past.
    Zo voegzaam als ijs dat op het punt staat te smelten.
    Zo puur als onbewerkt hout.
    Zo troebel als modderig water.
    Zo weids als een breed dal.
    Troebel water wordt door rust langzaam helder: heb je dat geduld?
    Wat onbeweeglijk is komt door een impuls langzaam tot leven: heb je dat geduld?
    Zij die deze Weg omarmen kiezen er niet voor om overvol te worden.
    Daarom kunnen zij zich aanpassen en alle dingen verwelkomen.

    Deze beschrijving van de ‘ouden’ die de Weg bewandelden, is zo beeldrijk dat het de moeite waard is de soepelheid, voegzaamheid, alertheid, openheid die het verbeeldt, zich voor te stellen in alle processen om ons heen … en in ons. Waarbij opvalt dat dat beeld voor de schrijver(s) van de Daodejing opmerkelijk vaak een dal is waarin de vele processen hun natuurlijke loop vinden … eenvoudig door hun eigen natuur niet te buiten te gaan. Wie zich daarvan bewust is, blijft gemakkelijker binnen de grenzen van het vanzelfsprekende, en gaat niet over die grenzen heen. Open voor wat komt. Niet forcerend maar volgend.

    Bij hoofdstuk 16
    Zoek de uiterste leegte,
    Bewaar de rust in het midden.
    Alle dingen verrijzen dan samen,
    En we zien hun terugkeer.
    Zij bloeien groots op,
    En elk ervan keert terug naar zijn wortel.
    Terugkeer naar de wortel noemen we stilte,
    ‘Stilte’ dat is terugkeren naar de bestemming.
    Terugkeren naar de bestemming is diep inzicht hebben,
    Diep inzicht hebben is verlicht zijn.
    Geen diep inzicht hebben is roekeloos gedrag vertonen dat onheil brengt.
    Diep inzicht hebben betekent ruimte laten,
    Ruimte laten betekent fair zijn,
    Fair zijn betekent heel zijn,
    Heel zijn betekent natuurlijk zijn,
    Natuurlijk zijn is éen zijn met de Weg.
    Eén met de Weg betekent altijddurend zijn,
    Je hele leven geen uitputting hoeven vrezen.

    Het begin is meteen raak. “Zoek de uiterste leegte, bewaar de rust in het midden.” Verderop staat “Terugkeer naar de wortel noemen we stilte, ‘stilte’ dat is terugkeren naar de bestemming.” Oorsprong en bestemming liggen bij elkaar. De weg die wij afleggen, via ons bewustzijn en onze taal, ervaren wij als stukjes van een proces (weg=proces) maar in werkelijkheid zijn wij ook altijd aan het begin en aan het einde ervan, zelfs terwijl we onderweg zijn. Oorsprong [of begin] en verandering [of weg] en bestemming [of einde] veronderstellen elkaar, ook al nemen ze voor ons bewustzijn telkens andere vormen aan. Omdat we ons meestal druk maken om die vormen, om de verandering, is het goed ons te richten op de oorsprong, de bron, de stilte. Of liever: de verandering en de vormen hun gang te laten gaan, zodat de oorsprong ons kan sturen en wakker maken. Zodat wij op natuurlijke wijze deelnemen aan die “natuur”, de alles omvattende uitdrukking van het onnoembare Dao.

    Bij hoofdstuk 17
    Van de meest ideale vorst wist men niet dat hij er was.
    De daarna beste werden geprezen en bemind.
    Voor de daarna beste was men bang.
    De daarna beste schold men uit.
    Wanneer de vorst geen vertrouwen in anderen heeft,
    Zullen de onderdanen geen vertrouwen in hem hebben.
    Wie daarentegen ontspannen is, is zuinig met woorden!
    Als de taken volbracht zijn en het werk gedaan,
    Zeggen alle mensen “Wij zijn vanzelf zo”.

    De vorst wordt een spiegel voorgehouden die ook als algemeen menselijk ideaal is op te vatten. “Van de meest ideale vorst wist men niet dat hij er was.” De betekenis wordt pas duidelijk uit het vervolg. Naarmate de rangorde lager is, verdwijnt het vanzelfsprekende in het gehoorzamen en spreken over de vorst, tot het laagste niveau waarop de vorst slechts beschimpt wordt. De kern is de aan- of afwezigheid van vertrouwen (via het geven en krijgen ervan). “Als het vertrouwen [van de vorst] ontoereikend is, dan is er ook geen vertrouwen [van de onderdanen].” Dit is herkenbaar: “Ontspannen en zuinig met woorden is hij [de hoogste]. Als hij zijn werk heeft voltooid, zeggen alle mensen: “Wij zijn uit onszelf zo.”” Dit ideaal van vertrouwen geven kan iedereen zich ter harte nemen die met anderen te maken heeft.

    Bij hoofdstuk 18
    Als het grote Dao wordt afgedankt, rijzen “menslievendheid” en “rechtvaardigheid”.
    Als “intelligentie” en “kennis” verschijnen, ontstaat grote huichelarij.
    Als de familiepatronen niet meer harmonisch zijn, komen “respect voor de ouders” en “krachtige ouderliefde” naar voren.
    Wanneer het land in wanorde raakt, krijgen we “loyale ambtenaren”.

    Als het niet meer “vanzelf zo” gaat (hs 17), dat wil zeggen als de op zichzelf positieve waarden uitdrukkelijk genoemd moeten worden, is dat een teken dat die waarden (zijn gaan) ontbreken.

    Bij hoofdstuk 19
    Breek met “heiligheid” en gooi “kennis” weg
    En de mensen zullen honderdvoudig profiteren.
    Laat “menslievendheid” en “rechtvaardigheid” varen
    En de mensen zullen terugkeren naar respect voor de ouders en krachtige ouderliefde.
    Laat listen en profijt varen
    Dan zullen er geen rovers en dieven meer zijn!

    Deze drie uitspraken zijn mooie franje en nog niet voldoende,
    Laat daarom het aansluitende advies zijn:

    Wees onopgesmukt en eenvoudig,
    Verminder je zelfzucht en je begeerten.
    Breek met “leren” en wees zonder zorgen.

    N.B. De laatste regel staat in de bronnen als eerste van hs 20; toch menen veel experts dat zij hier minstens zo goed past gezien de drie uitspraken aan het begin en dan ook drie aan het eind. Voor de betekenis maakt het niet uit: hs 20 zal de hoofdstukken 17-19 nog eens samenvatten door ze toe te spitsen op het zelfinzicht van de schrijver/ lezer.
    Veel monden zijn vol van sociale idealen. Maar als de praktijk er niet naar is, zijn het holle woorden. Daarom wordt een en ander hier omgedraaid. Met de prachtige aanvulling dat je van die omdraaiing ook geen façade (“franje”) moet maken. Fundamenteler is je zelfzucht en je begeerten te leren kennen én af te leggen, dan is eenvoudig en onopgesmukt zijn naar buiten toe en naar binnen toe écht! “Van buiten” leren hoort daar evenmin bij.
    In onze Westerse cultuur is “kennis” eeuwenlang een hoog ideaal geweest, sinds de zeventiende eeuw spreken we zelfs van de Moderne Tijd gekenmerkt door wetenschappelijke kennis. Waardevolle kennis en wetenschap blijft dat altijd. Maar zij wint niet aan gezag waar pseudogeleerden ermee pronken of nog erger, hun pseudogezag misbruiken om amper werkzame producten aan de man te brengen. Dat heeft echter met een ander probleem (zeker ook van onze tijd) te maken: hoe betrouwbaar voorlichting en kennisoverdracht zijn. In een kleine, overzichtelijke samenleving wordt persoonlijk wangedrag sneller doorzien dan tijdens de opkomst van nieuwe media. Het is niettemin een voordeel als listen en profijt doorzien worden, en de rovers en dieven ontmaskerd. Dat begint met er zelf geen te zijn. En niet te pronken met wat dan ook: ook niet met kennis!

    Bij hoofdstuk 20
    Hoe groot is het verschil tussen (“beleefd”) instemmen en (“boos”) afwijzen?
    Wat is het verschil tussen wat geacht wordt “mooi” of “lelijk” te zijn?
    Wie door de mensen gevreesd wordt, “kan niet anders dan zelf ook” gevreesd worden.
    Hoe lang blijft deze klunzigheid voortduren? …

    De meeste mensen zijn uitgesproken uitgelaten,
    zoals ze bij het grote lentefeest de altaren bestijgen.
    Ik alleen ben innerlijk stil, zonder uitdrukking, sereen
    Als een ongeboren kindje, dat nog niet heeft leren lachen;
    Zonder verlangen alsof ik nog geen plaats weet om naar terug te keren.

    De mensen hebben overvloed, ik ontbeer alles.
    Mijn hart is dat van een eenvoudige dwaas, een chaos van verwarring.
    De mensen lopen te koop met hun lichtend inzicht,
    Ik alleen ben duister.
    De mensen zijn pienter en brengen fijne onderscheidingen aan,
    Ik alleen ben suf, op de hoogte van niets.
    Ongrijpbaar diep ben ik als de oceaan;
    Net als de hoge winden ga ik almaar door.
    De mensen hebben allemaal een functie,
    Ik alleen ben lomp en niet te polijsten.
    Alleen ik verschil van de mensen:
    Ik vereer de voedende Moeder!

    De fijne onderscheidingen die de gestudeerde of gecultiveerde mensen (lees: de volgelingen van Confucius) er op na houden om zich te onderscheiden van “de” minder gecultiveerde mensen, krijgen hier een tegenbeeld. Die fijne onderscheidingen zijn in de visie van de auteur kunstgrepen die haaks staan op de werkelijkheid, slechts uiterlijk middel voor een uiterlijk resultaat. De auteur van de Daodejing heeft in de vorige hoofdstukken – zie de laatste regel van hoofdstuk 19 – de basis voor zijn eigen visie al uitgewerkt en spitst die nu toe middels een persoonlijk gedicht over het geheel andere leven vanuit Dao. Toch valt op dat de dichter ook niet in die tegenovergestelde visie vast blijft zitten.
    Eerst schetst hij de dwaze zelfbedachte onderscheiden waarin die andere mensen zich verstrikken; hij maakt ze belachelijk en noemt ze klunzig. Dan geeft hij kort zijn eigen mentale instelling weer: zonder verlangen, innerlijk stil; in plaats van zich vooral in uiterlijkheden te verheugen. Ten slotte stelt hij tegenover een aantal van de houdingen van de meeste mensen zijn eigen houding die in de ogen van die anderen dom en klunzig is, maar die hij opmerkelijk uit laat lopen op de onderbouwing van zijn houding: hij vereert de voedende Moeder. Zonder aan te geven of hij daarmee een “tegengestelde” houding bedoelt of de overbrugging of overstijging ervan. Is er een heldere definitie van de ideale opvatting of houding te geven of gaat het er om ons niet in definities vast te leggen en open te staan voor de voeding van de Moeder? En waar staat die openheid ofwel verering voor?
    Hoe echt durf ik door het leven te gaan? Wat koop ik voor onechtheid, ook als het vertrouwd en veilig lijkt? Is de werkelijkheid echt zo veilig en vertrouwd als wij hopen of als wijzelf en anderen ons voorspiegelen? Wie daarentegen haar tegenstellingen accepteert zoals ze zijn en zich voordoen, dus wie openheid praktiseert, alleen die heeft kans echt met de werkelijkheid in diep contact te blijven. Niet als het buiten jou gelegen ideaal, maar zoals je bent en durft en wilt zijn in de omstandigheden die nu zo zijn.
    Betekent dit dat we het (Confucianistische maar ook modern-Westerse) ideaal van “leren” als thuis raken in diverse vakken en beroepen op moeten geven? Nee, het hier afgewezen leren is dat wat van het geleerde en de toepassing ervan een pretentie maakt die de lerende uit zijn ontvankelijkheid en openheid voor iedere nieuwe situatie haalt. Of erger, die de ene mens – uiteraard zonder grond – boven de andere verheft in waardigheid. Er is dus iets heel waardevols in de onnozelheid en openheid die de auteur hier naar voren brengt. Iets dat “niet geleerde” mensen vaak nog hebben; gelukkig ook gewone geleerden die hun ervaring en kennis in een beroep uitoefenen dat de samenleving waarneembaar maar zonder op te vallen dient.
    Het slot van dit hoofdstuk toont wat de grond van de dichter is. Niet als uiterlijke kennis, maar als verwijzing naar wat voor hem de diepst mogelijke werkelijkheid is – die tegelijk alles (alle mogelijke ervaringen, ook de tijdelijk niet meer of nog niet bekende) omvat. Woorden schieten per definitie tekort, maar omdat hij dat er bij zegt, wijst hij op wat buiten de woorden is en te ervaren valt. Dat vraagt dan wel om een houding die daar bij past, die zich niet bij voorbaat heeft vastgelegd op alle bestaande “fijne onderscheidingen”. Maar open staat voor alles wat zich in iedere nieuwe situatie aandient.
    Dat kan als pretentieus opgevat worden. Dat hoeft echter niet. Want wie de uitdaging aangaat, ervaart dat iedere nieuwe situatie ook nieuwe ervaringen en inzichten biedt. Maar zonder daar een pretentie van te maken! En wie zijn pretenties aflegt, heeft ook geen reden om zichzelf daaraan te meten en zichzelf te veroordelen voor het daaraan niet voldoen. Gewoon open en aanwezig zijn en je gewone best doen is al genoeg, en zo de Moeder te vereren die alles voedt.
    Dit hoofdstuk heeft het “ik” van de schrijver als onderwerp. Dat wil niet zeggen dat het ik in de Daodejing los gezien wordt van zijn omgeving: in hs 22 komt juist het ik in zijn omgeving al weer aan de orde.

  2. Bij hoofdstuk 1 van Lao Zi, Daodejing
    De al bekende weg is niet de alomvattende weg;
    De naam die al genoemd kan worden is niet de alomvattende ‘naam’.
    ‘Zonder naam’ of ‘het niets’: de hérkomst van de tienduizend dingen;
    ‘Met naam’ of ‘het iets’: de móeder van de tienduizend dingen.
    Zodoende:
    Wie permanent bevrijd zijn van eenzijdige verlangens zullen daardoor het diepe wonder en wezen aanschouwen;
    Wie altijd vol eenzijdige verlangens zijn, zijn daartoe beperkt en komen hun grenzen tegen.
    Deze tegenstelling is het gevolg van het scheiden van het oorspronkelijk éne en er verschillende namen aan geven.
    Zij zijn oorspronkelijk één maar kregen een verschillende naam;
    Samen verwijzen zij naar het diepe geheime, de poort tot de eindeloze hoeveelheid wonderen.

    Commentaar bij de titel Daodejing en deze vertaling (voor commentaar bij dit hs 1 zie verder naar onder; daarna volgt nog een iets uitgebreidere vertaling met toelichting tussen de tekst door)

    Vooraf iets over ‘dao’ en ‘de’. Het woord ‘weg’ in de vertaling heeft betrekking op het Chinese woord ‘dao’; dit betekent echter meer dan louter ‘weg’. Het heeft ook het element ‘oorsprong’ in zich. Mijn voorkeur is om het niet te vertalen behalve waar de associaties met ‘weg’ of ‘oorsprong’ vooropstaan en het noemen daarvan belangrijk kan zijn. In het eerste hoofdstuk komt het Chinese begrip ‘de’ niet voor. Daarom komt het hier ook verder niet aan de orde, behalve dat ik wil opmerken dat het ook meer betekenissen kan hebben: ‘deugd’, ‘energie’, ‘(innerlijke) kracht’. Dit woord ‘de’ beoogt beslist niet alleen of liever niet zozeer een ethische theorie, eerder een innerlijke houding of alertheid (zoals die hieronder overigens direct aan de orde komt). Ook voor dit woord ‘de’ geldt dat het zijn betekenis in bepaalde hoofdstukken pas in de context krijgt, zoals zal blijken.
    Vertalen is altijd uitleggen, en uitleggen impliceert beperking tot wat in een nieuw gebied betekenis heeft, begrepen kan worden. De hier vertaalde hoofdstukken van Lao Zi’s Daodejing zijn voorzien van hints om de lezeres bij het zoeken naar een eigen vertaling (naar de betekenis voor haar en haar omgeving) te ondersteunen. Vaak zijn die hints verwijzingen naar mogelijke parallellen in de Westerse cultuurgeschiedenis, inclusief Westerse uitwerkingen van abrahamitische tradities en wijze uitspraken. Er is discussie of Lao Zi vooral filosofische accenten legde dan wel nauw verbonden was met rituele praktijken. Daarover kan men veel onderzoeken doen en redetwisten. In de voorliggende vertaling en bijgevoegde hints wordt niet gestreefd naar het vastleggen van betekenissen in een veronderstelde context behalve zover die historisch evident geacht mag worden (wat de riten en gewoontes waren tijdens het ontstaan van de Daodejing is niet met grote zekerheid bekend); ik streef wel naar een vertaling die zo goed mogelijk past in wat wij historisch weten over de (mogelijke en waarschijnlijke) ontstaanstijd. Het proces van het ontstaan van teksten en betekenissen is voorlopig niet voorzien een eindigend proces te zijn, behalve in de zin dat nieuwe interpretaties sommige oude wellicht overbodig maken of onder doen sneeuwen. De geschiedenis van die interpretaties is niet maatgevend voor welke nieuwe vertaling dan ook, al kan zij leerrijk zijn over welke mogelijkheden of eenzijdigheden men kan gebruiken of vermijden. Er is dus niets tegen nieuwe waardevolle interpretaties maar ik streef wel naar het historisch zo juist mogelijk vertalen van oude teksten; nieuwe interpretaties kunnen daar ook iets aan hebben.
    Het is mijn ervaring dat we ons de betekenissen beter en dieper bewust worden, naarmate we de teksten hun belangrijke onderlinge verbanden al herlezend voor ons laten spreken in onze eigen contexten. Daarbij zullen momenten van inzicht en van kortzichtigheid elkaar ongetwijfeld afwisselen, en ook daarvan valt immers veel zo niet alles te leren. Iets dat uitmondt in minder (uitwendig) leren en meer open staan voor innerlijk en uiterlijk in hun verbanden, als we Lao zi mogen geloven.

    Commentaar bij de vertaling van hoofdstuk 1

    N.B. Vooraf merk ik op dat het woord ‘moeder’ nog vaker terug zal komen in de volgende hoofdstukken. In hs 1 lijkt sprake van stille verwijzing naar een bekend beeld. Al in hs 3 en 4 komen we “de herkomst van de tienduizend dingen” al opnieuw tegen en de “moeder” komt ook in verschillende hoofdstukken terug. Zij zijn onderdeel van “dao” maar zijn niet alles bepalend voor de uitleg en betekenis van dao. Dao ontkent niets, ook geen goden, maar vestigt aandacht op wat hier en nu aan de orde is, welke veranderingen plaatsvinden en hoe de wijze mens daarop “ten goede” kan inspelen zonder iets te forceren. Waarbij “ten goede” niet vooraf gedefinieerd is, maar telkens opnieuw als mogelijkheid en onderdeel van alle processen die ervaren worden, naar voren kan komen. Er wordt niet vooraf gedefinieerd tot welk nieuw evenwicht de bestaande situatie kan leiden, dat hangt helemaal af van dao en zo van de aandacht en betrokkenheid van de wijze die probeert dao daarin te volgen. Vanzelfsprekend spelen waarnemingen en inschattingen en oordelen daarbij een grote rol die ook steeds aan de orde zal komen. Maar niet als kant en klare waarheden of oordelen, alleen vanuit de respectvolle waarneming van en betrokkenheid bij de inhoud daarvan: wat er van moment tot moment gebeurt. De oergestalten die een rol hebben gespeeld bij de wording van wat hier en nu aan de orde is, zijn precies dat: oergestalten, en niet meer.

    In het “Commentaar bij de titel Daodejing en deze vertaling” hierboven is al een bepaalde link gelegd met de openingsregels van hoofdstuk 1, en daarmee met het hele hoofdstuk en met alle volgende. Dit hoofdstuk 1 is erg algemeen en in zekere zin dan ook een samenvattende introductie in nogal algemene bewoordingen waarvan het echter steeds de moeite waard blijft alle uitspraken en aspecten die men later tekenkomt ermee te vergelijken. Het geven van namen wordt door Lao Zi bewust als een waardevolle mogelijkheid en tegelijk als een mogelijkheid vol risico’s gezien (zie ook Daodejing 32). In de geschiedenis van het Westerse denken inclusief het mystieke ofwel esoterische denken zijn die beide mogelijkheden ook aanwezig, zij het vaak elkaar uitsluitend. Eenzelfde spanning zien we in het Oosterse denken onder meer tussen het vrijere daoïsme en minder vrije, meer op conformiteit gerichte opvattingen als het confucianisme. Net als in het Westen zijn er ook in het Oosten echter zeer veel overlappingen en varianten daarvan. Vanuit en tegenover mijn calvinistisch-protestantse en modern-wetenschappelijke achtergronden waardeer ik vooral het erkennen van de risico’s van zich vastleggen op eeuwige wetten. In een wereld die altijd vol verandering is (behalve bij wie zich met veel moeite iets anders probeert voor te stellen en dat als onveranderlijk vast te houden) ervaar ik de eenvoud en de vrijheid van het ‘denken’ van Lao Zi op als buitengewoon verfrissend. Dit denken relativeert zichzelf bij voorbaat wel en niet: niet waar het vaststelt dat denken zich graag binnen vaste paden beweegt, terwijl de werkelijkheid ondertussen al veranderend verder gaat. Wel waar het erop wijst dat ons bewustzijn niet buiten die verandering om betekenis heeft maar zonder daar weer een nieuwe definitieve waarheid of ideologie van te maken.
    Dat dat nogal wat consequenties heeft, en dat het zin heeft de valkuilen daarvan te vermijden, lijkt mij het centrale thema van de Daodejing. Met de toevoeging dat wie het verste in het leren daarvan komt, zich steeds minder gelegen laat liggen aan eigen (voor)oordelen, of het nu oude of nieuwe zijn (uiteraard niet door die vooroordelen te negeren of te ontkennen maar door ze niet tot [enige] maatstaf te nemen). Oordelen zijn belangrijk voor het bijdragen aan de actuele situatie, om leed te vermijden en bloei te veroorzaken. Maar nooit door ze aan de situatie op te leggen, slechts door ze in hun actuele ervaring eventueel in te zetten ten goede, om belemmeringen voor bloei op te ruimen of te voorkomen. En dan opnieuw de situatie met nieuwe openheid te ervaren en waar te nemen. Die laatste houding is waar het om gaat, niet de tijdelijke oordelen die eruit voortvloeien. Alles wat tijdelijke oordelen onnodig permanent maakt, inclusief dogmatische tradities, is uit den boze: omdat zij verstarren wat in zichzelf de potentie heeft voor ontwikkeling, groei en bloei. Dat kan uiteraard allerlei vragen oproepen, zoals wat de functie en betekenis van ‘kennis’ dan is. Daarover is Lao Zi echter duidelijk: kennis heeft slechts betekenis binnen het volledig openstaan voor de hele werkelijkheid. Daarmee wordt allerlei praktische en theoretische kennis die gegroeid is en gebruikt wordt of kan worden, niet bij voorbaat waardeloos geacht of voor onbruikbaar gehouden. Er wordt alleen van gezegd dat deze kennis slechts zin heeft binnen de ieder moment opnieuw te ervaren en beoefenen volledige openheid voor alles dat ervaren kan worden en wordt. Want wie deze openheid beperkt, mist het verband met wat niet meer opgemerkt wordt. Terwijl omgekeerd, als men die openheid toelaat en oefent, men vanzelf oog heeft voor nieuwe mogelijkheden voor evenwicht, vruchtbaarheid, en voor nieuwe gevaren die deze bedreigen. De term “vanzelf zo”, te vergelijken met wat wij tegenwoordig wel “natuurlijk” noemen (al is dit begrip in de Westerse geschiedenis verschillend ingevuld, onder andere door de cultuur als hogerstaand tegendeel ervan op te vatten), speelt bij Lao Zi dan ook een grote rol, evenals bij veel van zijn lezers en leerlingen. Ik zie hierin een parallel met de pedagogie van Paolo Freire: ga uit van het onderzoek naar de taal die je zelf en je groep gebruikt in vergelijking tot andere groepen, en je zult je bewust worden van de valkuilen en mogelijkheden van de taal voor elk handelen, en elk maatschappelijk optreden (bij Freire ook zeer politiek opgevat). Maatschappij en politiek zijn bij Lao Zi beslist nooit ver weg. Hij veronderstelt wel dat men de eigen taal goed moet leren kennen, alle aspecten van de situatie goed moet leren waarnemen, om misdaad en wanorde en dies meer te voorkomen en zo nodig te bestrijden. Voor die strijd biedt hij vervolgens prachtige aanwijzingen die neerkomen op het primaat van het innerlijk juist binnen de context van en in zijn betekenis voor het omgaan met en leven in de uiterlijke wereld. Tot zover deze inleiding als toelichting bij het eerste hoofdstuk: vergeet niet hoe belangrijk taal is als centrale uitdrukking van het leven. Je zult ontdekken dat Lao Zi je er op wijst dat niet jouw taal alleen maar vooral het luisteren naar de taal van alle anderen en zelfs van alle processen van de werkelijkheid het belangrijkst is.

    Iets uitgebreidere vertaling van dit hs met toelichting tussen de tekst door

    Om dat aspect nog meer reliëf te geven laat ik hier de tekst van hoofdstuk 1 nog een keer volgen met tussen haakjes iets meer uitleg. Die uitleg komt voor mijn rekening, zij het dat ook ik ze pas al lezende en lerende heb ontdekt.

    De al bekende [als vaststaand opgevatte en in woorden gevatte] weg is niet de alomvattende ‘weg’ [en het gaan ervan];
    De naam die al genoemd kan worden [en zo het genoemde onderscheidt en vastlegt] is niet de alomvattende ‘naam’ [die ook omvat wat buiten de definitie valt en wat verandert en die dus niets definitief vastlegt].
    ‘Zonder naam’ of ‘het niets’: de [onbeschrijflijke] hérkomst van [ofwel aanzet tot] de tienduizend dingen;
    ‘Met naam’ of ‘het iets’: de [als aanwijsbare en vrucht dragende schoot veronderstelde] móeder van de tienduizend dingen.
    Zodoende:
    Wie permanent bevrijd zijn van eenzijdige verlangens [en deelvisies] [ofwel wie volledig open zijn] zullen daardoor het diepe wonder en wezen [van dao] aanschouwen;
    Wie altijd vol eenzijdige verlangens [en deelvisies] zijn, zijn daartoe beperkt en komen hun grenzen tegen [en zullen zich die grenzen permanent vanuit die deelverlangens en -visies bewust zijn].
    Deze tegenstelling is het gevolg van het scheiden van het oorspronkelijk éne en er verschillende namen aan geven.
    Zij zijn oorspronkelijk één maar kregen een verschillende naam [en een als het ware gescheiden werkelijkheid];
    Samen verwijzen zij naar het diepe geheime, de poort tot de eindeloze hoeveelheid wonderen.

    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen (en voor de hoofdstukken 1-13 die van medecursist Patricia Meuws) van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu” en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet. Bij hoofdstuk 1-15 en 77-81 had ik niet meer de beschikking over de door mijn neef Boudewijn aangeleverde vertalingen die hij te beginnen met hs 16 altijd per hoofdstuk aanleverde (16-76), en naar aanleiding waarvan wij altijd onze interpretaties uitwisselden.]

  3. Bij hoofdstuk 81 van Lao Zi, Daodejing
    Betrouwbare woorden zijn niet opgesmukt,
    Opgesmukte woorden zijn niet betrouwbaar.
    Wie bedreven is redetwist niet,
    Wie redetwist is niet bedreven.
    Zij die echt weten zijn geen veelweters,
    Veelweters weten niet echt.
    De wijze hoopt geen dingen op.
    Hoe meer hij anderen bijstaat, des te meer bezit hij zelf.
    Hoe meer hij geeft aan anderen, hoe welvarender hij zelf wordt.
    De weg van de hemel is anderen wel te doen en niet te schaden.
    De weg van de wijze bestaat in doen zonder wedijveren.

    De wijze die Dao volgt, gaat het nooit om de show te stelen of het gevecht te winnen zonder inhoud te brengen maar om wat hij kan bijdragen en bevorderen zonder forceren. Hij streeft niet de schijn na, maar is gericht op het geven aan anderen, ofwel op het goede voor iedereen en alles. Omdat hij aandacht houdt voor wat er gebeurt, wat nodig is, en wat mogelijk. Zijn kracht en ervaring geeft hij daaraan, zichzelf en anderen beschermend zonder te overdrijven of kapot te maken. Zijn aandacht is gecentreerd en open zonder uit te zijn op forceren. Hij streeft er niet naar meer te bereiken dan wat de natuur, dat is de hele situatie van de werkelijkheid, zo mogelijk maakt. Vanzelf zo, natuurlijk, met alle bekende en variante vormen daarvan zoals die zich ontwikkelen hun in onderlinge relaties en zich aan de wijze voordoen. Dat is beslist het tegenovergestelde van anderen de loef afsteken; het is inclusief denken en leven, zij het met oog voor zelfbescherming, veiligheid en bloei van wat bloeien kan, en van het voorbij (laten) gaan van wat zijn tijd gehad heeft. Zonder overdrijven en zeker zonder aandacht voor zich te vragen. Hoe waardevol zou het zijn als we anderen geen schade toebrachten, al helemaal niet nodeloos! Zeker in rollen die expliciete grote(re) verantwoordelijkheid voor anderen omvatten (buren, partners, ouders, leraren, ondernemers, bestuurders, leidinggevenden). Vrijheid en verantwoordelijkheid komen dan – en dragen dan bij aan – bloei en het doorleven van alle fasen daarvan op natuurlijke wijze. Ik ken geen reden om dit voor welk moment dan ook niet opnieuw van toepassing te achten.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet. Vanaf hoofdstuk 77 had ik niet meer de beschikking had over de door mijn neef Boudewijn aangeleverde vertalingen die hij altijd per hoofdstuk aanleverde (16-76), en naar aanleiding waarvan wij altijd onze interpretaties uitwisselden.]

  4. Bij hoofdstuk 80 van Lao Zi, Daodejing
    Een klein land met weinig mensen:
    Maakt meer dan genoeg wapens mogelijk zonder die te gebruiken.
    Maakt mogelijk dat mensen die zwaar tillen aan de dood daarom niet reizen.
    Hoewel er boten en wagens zijn is er geen aanleiding er in te stappen.
    Hoewel er pantsers en wapens zijn is er geen aanleiding ze op te stellen.
    Maakt mogelijk dat de mensen terugkeren naar het gebruik van geknoopte koorden [om te rekenen].
    Dat hun voedsel zoet is en hun kleren mooi.
    Dat hun huizen veilig zijn en hun gebruiken aangenaam.
    Hoewel naburige gemeenschappen elkaar zien en de geluiden van elkaars hanen en honden horen,
    worden de mensen daar oud en sterven zonder elkaar te bezoeken.

    In bekende termen kun je dit een utopie noemen en daarbij denken dat het een onbereikbaar ideaal is. Je kunt ook iets dieper denken en dit opvatten als de best haalbare vorm, het meest realistische ideaal. Men gaat niet buiten zijn grenzen, maar is wel voorbereid op mogelijk kwetsbare situaties. Dan is het niet onbereikbaar maar wijs dat men met veel mogelijkheden rekening houdt zonder zich aan het pantseren daartegen te verliezen. De werkelijkheid is immers dat men slechts de voor de hand liggende mogelijkheden kan zien, en het is goed daarvoor gereed te zijn zonder alles aan die gereedheid op te offeren. Net zoals in de Joodse geschriften gewaarschuwd wordt voor de zware belastingen die koning Salomo aan het volk oplegde, waarschuwt Lao Zi voor te grote aspiraties met bijkomende kosten waarbij veiligheid en een goed leven verdwijnen: dat eenvoudige goede leven is vanuit bewuste aandacht denkbaar en haalbaar. Het vereist de wijsheid van en het vertrouwen op, kortom het volgen van Dao. René Ransdorp sprak vaak over een centrale boodschap van de Daodejing als ‘niet forceren’. Wellicht kun je het zo zeggen: soms kun je het beste vanuit het midden van de storm, het oog ervan, zien welke kant het opgaat, en daar naar handelen; en ook kun je leren zien dat zelfs waar handelen nog mogelijk is, dat geen positie van almacht inhoudt. Doen alsof we almachtig zijn, heeft geen enkele zin. Kijken hoe we Dao volgen kunnen, we zijn er immers zelf onderdeel van, lijkt meer voor de hand te liggen. Ook al omdat Dao zoveel groter is dan wij beseffen – zonder dat we hoeven op te geven dat we er zelf vormen van zijn, zolang we ‘zelfstandige’ zelven zijn. Weten wij precies temidden van hoeveel ‘stormen’ wij ons bevinden? (Zelfs de modernste natuurwetenschappen vinden steeds nieuwe ‘stormen’ en hun wetten: zijn dat werkelijk de enige echte?) Met iedere vorm van Dao is gegeven dat er bewustzijn kan zijn, en dat vormen en bewustzijn komen en gaan in vele soorten afwisseling – zonder dat we van ook maar één verschijnsel kunnen zeggen dat het blijvend is. Behalve Dao zelf, als (veranderende én zichzelf zo gelijk blijvende) grond van bewustzijn in verwerkelijking. Die verwerkelijking ziet er voor deze tekst heel concreet en bescheiden uit – maar wel evenwichtig, vrij en bewust bescheiden en voorkomend. Nu eens zijn we de ene pool, dan weer de andere; en dat met en in elkaar in oneindige variatie en complexiteit.
    Ten slotte een vraag bij de regels over boten en wagens, pantsers en wapens die er wel zijn zonder aanleiding om ze op te stellen. Alle middelen en restanten van middelen uit het verleden zijn beschikbaar maar dat betekent nog niet dat we hun gebruik uit het verleden per se dienen te herhalen. Iedere nieuwe situatie vraagt om nieuwe waarneming en inschatting van de mogelijkheden. Het lijkt hier niet te gaan om een verwijzing naar afschrikking (al zal die soms een reële variant kunnen zijn om een probleem te voorkomen?) maar om de openheid voor de nieuwe mogelijkheden van iedere nieuwe situatie binnen het kleine bereik van de beperkte eigen mogelijkheden zoals die van een leefgemeenschap of dorp. Wanneer iets eenvoudig op te lossen is waarom dan alle beschikbare zware middelen inzetten? Er is nooit een garantie dat die inzet bij voorbaat goed uitpakt. Houd het simpel, lijkt hier gezegd te worden; en die simpelheid impliceert het open oog voor wat er aan de hand is. Dat oog open houden is het allerbelangrijkst, steed opnieuw; zowel naar buiten als naar binnen. Zet maar open!
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet. Vanaf hoofdstuk 77 had ik niet meer de beschikking had over de door mijn neef Boudewijn aangeleverde vertalingen die hij altijd per hoofdstuk aanleverde (16-76), en naar aanleiding waarvan wij altijd onze interpretaties uitwisselden.]

  5. Bij hoofdstuk 79 van Lao Zi, Daodejing
    Bij het verzoenen van grote wrok blijft beslist een restje wrok bestaan.
    Hoe kan men dat als goed beschouwen?
    Daarom bewaart de wijze het linkerdeel van het kerfstokje*
    En blameert de andere partij niet.
    Deugd hebben betekent voor het contract zorgen,
    Geen deugd hebben betekent op verplichtingen hameren.**
    “De weg van de hemel heeft geen voorliefde,
    Hij is altijd met de goede mens.”

    Voor een goed begrip is het belangrijk eerst de toelichtingen bij * en ** te lezen:
    * Bij een contract werden de twee helften van een kerfstokje verdeeld. De linkerhelft ging naar de schuldenaar, terwijl de schuldeiser het rechterdeel behield. Dat de wijze het linkerdeel bewaart, betekent dat hij niet op de machtspositie uit is. Hij is tevreden met het zorgen voor het evenwicht.
    ** De wijze bewaakt de afspraak (zonder het innen voorop te stellen), degene zonder deugd stelt het handhaven voorop (en het innen van bijvoorbeeld belastingen).
    Opnieuw zijn er parallellen met uitspraken van Jezus, speciaal in diens Bergrede. Jezus beveelt zijn hoorders aan niet op hun rechten te staan maar als iemand hen op de wang slaat, diegene zijn andere wang te tonen zodat hij nog een keer kan slaan en duidelijk kan worden dat naar vrede en overleg gestreefd wordt, en naar evenwicht en recht en relatie: naar het goede.
    Subtiliteit is niet ieder van ons vanaf het begin van ons leven gegeven, en ook niet ieder ander die we ontmoeten of van verhalen kennen. Als ik me niet vergis, wordt in dit hoofdstuk gezegd dat het er niet om gaat niet te verliezen door krampachtig vast te houden aan het eigen recht of eigen gelijk, maar door – allereerst – ook de intenties en de waarden te respecteren en hoog te houden die de context en diepste inhoud van ieder contract vormen.
    Een met lage intentie verkregen goed of winst is niet waardevol. En ook als de goede mens daarbij verdragen moet dat het uiterlijke recht aan hem voorbijgaat, dus dat hij niet verkrijgt waar hij recht op had, dan is het een groter goed dat hij het hogere goed heeft verdedigd. Hij heeft de ander noch zichzelf blaam bezorgd, maar wel het recht hoog gehouden. Het spreekwoord voegt dan nog toe dat dit grootse karakter door “de hemel” bevestigd en gedragen wordt. Niet dat de feitelijke uitvoering van het recht is gegarandeerd. De wijze kiest zijn positie zo dat hij allereerst het morele bewustzijn openhoudt en bewaakt, en zo de mogelijkheid van de feitelijke uitvoering open houdt en bevordert: en heeft dan de hemel aan zijn zijde.
    Het goede bestaat nooit zonder dat op voor- of achtergrond alle tegenstellingen een rol spelen. De wijze is zich hiervan bewust, en neemt zijn rol als hoeder van het recht serieus. Waarschijnlijk probeert hij steeds opnieuw de subtiele evenwichten die daarbij een rol spelen, recht te doen. Het morele bewustzijn en het alomvattende bewustzijn zijn in die zin identiek, zij het altijd in ontwikkeling.
    Net als in andere hoofdstukken, bijvoorbeeld 66-69, wordt de wijze aangeraden daarbij niet de voorste of meest vooraanstaande positie in te nemen, en door zelf in evenwicht te zijn vandaar het geheel in ogenschouw te kunnen houden. Om daar tegelijk zo positief en goed mogelijk op in te spelen en zijn bijdrage in te leveren zonder iets te forceren. Een ethisch dilemma is uiteraard wanneer men tot de overtuiging komt dat er geen andere keuze is dan een kleiner kwaad te accepteren om een veel groter te voorkomen. Maar zoals in dit hs 79 aangegeven hoort hierbij ook het besef dat men zich deze ooit gemaakte keuze bewust blijft en daar mee moet leven. Aan de andere kant helpt wroeging hierover niet om terug te keren tot de basisdeugd. Zichzelf en anderen vergeven is dus belangrijk. Dit hs 79 pleit ervoor om verzoenend te blijven en iedere wrok achter zich te laten.
    Door met de omstandigheden mee te bewegen wordt onrecht het best voorkomen: door ze vanuit en met zo groot mogelijke openheid – die van Dao ofwel de alomvattende grond – te zien kan men soms zelfs een bijdrage daaraan leveren, in feite de beste.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet. Vanaf hoofdstuk 77 had ik niet meer de beschikking had over de door mijn neef Boudewijn aangeleverde vertalingen die hij altijd per hoofdstuk aanleverde (16-76), en naar aanleiding waarvan wij altijd onze interpretaties uitwisselden.]

  6. Bij hoofdstuk 78 van Lao Zi, Daodejing
    Niets in de hele wereld is zachter en zwakker dan water.
    Tegelijk kan niets beter het harde en sterke aanvallen
    Doordat niets zijn plaats kan innemen.
    Dat het zwakke het sterke
    En het zachte het harde overwint:
    Niemand in de hele wereld is er die dat niet weet
    Maar ook is er niemand die dat in praktijk brengt.
    Daarom zegt de wijze mens:
    Juist degene die het vuil
    van het land op zich neemt,
    Kan “heer van de hele natie” genoemd worden
    En juist wie de tegenspoed van het land op zich neemt,
    Kan koning van de hele wereld genoemd worden.
    Ware woorden lijken tegenstrijdig.

    “Heer van de hele natie” slaat op de brenger van het offer dat geacht werd een goede oogst te bevorderen en “koning van de hele wereld” spreekt in dezelfde zin voor zich: bestaand of mogelijk onheil serieus nemen, er niet voor weglopen maar er verantwoordelijkheid voor nemen en zo mogelijk er iets aan doen, dát is de manier om wijs in het leven te staan. Werd in een eerder hoofdstuk accent gelegd op niet vooraan willen staan (en daardoor het zicht op de ontwikkelingen te behouden), hier wordt dat gelegd op mentaal en symbolisch verantwoordelijkheid nemen. Als twee zijden van dezelfde medaille. Dao als richtsnoer omvat voor ons beide. De verleiding is groot om ook hier te verwijzen naar het “offer” dat de hogepriester brengt als knecht van Jahoe, God van Israël, zoals beschreven door de profeet Jesaja. Ook die ontkrachtte zijn stille protest niet door opvliegend te worden. Kunnen wij ons de grootsheid van die houding (nog) indenken, namelijk een van ontferming over het (reële of mogelijke) lijden van alle volksgenoten? Inclusief denken bij uitstek (niet te verwarren met opgelegde lijdzaamheid). Dit is innerlijke kracht die haar werking uitoefent. Om die mogelijkheid gaat het, al is de kans om er een voorbeeld van te vinden niet groot. Want wie dit in praktijk brengt, spreekt er niet over; dat zou het effect volledig teniet doen. Zwijgen dus en ongekunsteld alert zijn op de kansen om het harde door het zachte te overwinnen. Zijn de “zachte krachten die zullen overwinnen in ‘t eind” uit het gedicht van Roland Holst hier wellicht een dochter of zelfs een zusje van? Dat ware woorden op hun tegendeel lijken, hoeft niet vreemd te zijn voor wie bedenkt dat werkelijkheid (zelfs ‘de’ werkelijkheid als geheel) altijd meer omvat dan de definitie (afgrenzing!) die taal tot stand brengt: wie het ene aanwijst, wijst tegelijk dat deel van de werkelijkheid aan dat niet aangewezen wordt. Opnieuw een vorm van inclusief bewustzijn, met non-dualisme als kenmerk (Oosters of Westers maakt ten diepste niet uit, al zijn er variaties in beide en tussen beide).
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet. Vanaf hs 77 had ik niet meer de beschikking over de door mijn neef Boudewijn aangeleverde vertalingen die hij altijd per hoofdstuk aanleverde (16-76), en naar aanleiding waarvan wij altijd onze interpretaties uitwisselden.]

  7. Bij hoofdstuk 77 van Lao Zi, Daodejing
    De weg (dao) van de hemel is als het spannen van een boog:
    Gaat het bovenstuk naar beneden, dan gaat het onderstuk omhoog.
    Wat teveel is wordt verminderd, wat te weinig is wordt aangevuld.
    Zo niet de weg van de mens:
    Wegnemen van wie gebrek lijdt en het aanbieden aan wie al overvloed hebben.
    Wie is in staat overvloed te hebben en die te schenken aan iedereen?
    Alleen degene die dao volgt.
    Daarom handelt de wijze zonder zich erop te laten voorstaan,
    Zonder te willen schitteren of eraan te hechten.

    Je eigen voordeel niet meerekenen? De redenering achter dit hoofdstuk is wellicht niet zo simpel als op het eerste gezicht. Het gaat er niet om goed over te komen bij anderen al is er ook niets op tegen. Het gaat er wel om dat dat niet het hoofddoel is. Dat hoofddoel is niet een rigide doel dat alles uit balans brengt maar het herstellen van evenwicht in alle situaties. Inclusief meebuigen waar dat ‘natuurlijk’ is! Wat daarna rest, is niet alleen het vanzelfsprekende nieuwe evenwicht maar ook de afwezigheid van iedere aanspraak op eer of voorrang, laat staan op voordeel. Want wie Dao volgt, deelt dat vanzelfsprekend, zonder aan zichzelf te (hoeven) denken. Bij dat evenwicht is men immers al ingesloten, ofwel daarin is men al omvat en meegenomen. Inclusief denken zegt men tegenwoordig wel. En als men daarbij een bepaalde richting op moet duwen, dan hoort daar het rekening houden met de tegenkracht bij: op even natuurlijke wijze. Het bijzondere daarbij is dat dit ook voor de wijze gunstig is. Zonder dat die zich wijs hoeft te noemen of zich ergens op hoeft te laten voorstaan.
    Een regel van dit hoofdstuk komt ook al voor in hoofdstuk 2.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet. Dit is het eerste hoofdstuk waarbij ik niet meer de beschikking had over de door mijn neef Boudewijn aangeleverde vertalingen die hij altijd per hoofdstuk aanleverde (16-76), en naar aanleiding waarvan wij altijd onze interpretaties uitwisselden.]

  8. Bij hoofdstuk 76 van Lao Zi, Daodejing
    Levende mensen zijn zacht en teer, dode stijf en hard.
    Dor en droog valt ook bij planten samen met de dood.
    Daarom:
    Hard en rigide zijn vrienden van de dood, zacht en soepel zijn vrienden van het leven.
    Onbuigzaamheid en zelfoverschatting staan op de laagste plaats.
    Zachtheid en zwakheid op de hoogste.

    René Ransdorp wijst bij dit hoofdstuk op de omkering van de gebruikelijke waardenladder. Stoer en krachtig en onbuigzaam en zichzelf vooraan zettend, dat is de norm die hier omgekeerd wordt. Lao Zi en zijn Daodejing draaien dat om. Het kost wel even om tot ons te laten doordringen wat dit niet alleen in het China van de Strijdende Staten (enkele eeuwen voor het begin van onze Westerse jaartelling) betekend heeft maar ook later en nu kan betekenen en metterdaad toegepast kan worden. Steeds opnieuw, en niet rigide, maar in en vanuit innerlijke vrijheid en openheid en welwillendheid. In die zin wijs worden lijkt toch wel omgekeerd aan het gangbare streven naar macht en invloed via ‘machtsmiddelen’. Inderdaad ontwikkelt alles zich in elkaar stuttende structuren, maar het langst houden de zachte structuren het uit, want die brengen vervanging van de harde. Ook zacht en hard kunnen niet zonder elkaar, maar Lao Zi pleit er hier voor het zachte als het hoogste te waarderen, want zacht brengt leven en hard brengt dood. Een cyclus van cycli die wij niet zonder schade kunnen doorbreken. En dus is er veel te oefenen of liever te beseffen dat dit inzicht een gift is die steeds opnieuw in praktijk mag (en ‘moet’, in de zin van wijze aanbeveling) worden gebracht.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  9. Bij hoofdstuk 75 van Lao Zi, Daodejing
    Dat de mensen honger hebben, komt omdat de hooggeplaatsten veel belasting verslinden.
    Dat de mensen moeilijk te besturen zijn, komt doordat van hogerhand teveel bemoeienis is.
    Dat de mensen de dood geringschatten, komt doordat hun hooggeplaatsten naar een overdadig leven streven.
    Alleen wie er niet op uit zijn het leven te forceren, zijn goed in het hoog schatten van het leven.

    Sommigen beweren dat de Daodejing aan de gewone man die zich boerig gedraagt, de voorkeur geeft omdat hij niet zo verfijnd is als de elite; er lijkt echter iets fundamentelers bedoeld te zijn. Ook de gewone man kan zich immers verslikken in gulzigheid. Niet het genieten van iets aangenaams is verkeerd, maar het zich toeëigenen van wat bij iets anders hoort, of preciezer: het overschrijden van grenzen door te forceren. Soms kan kracht zinvol ingezet worden om iets ergers te voorkomen. Maar inzetten van kracht als men daarmee dingen forceert, veroorzaakt geheel onnodige schade. Want met het forceren van wat buiten zich lijkt, forceert men ook zichzelf zichzelf en bereikt het tegendeel van wat men eigenlijk wil. Dit hoofdstuk heeft vele parallellen, onder andere in hoofdstuk 55. Wanneer overschrijdt iemand de grens tussen de eigen krachten leren kennen en aanwenden, en met die kracht zaken onnodig forceren? Wij kennen het gezegde “Wie het onderste uit de kan wil, krijgt het deksel op zijn neus.” Hier wordt gezegd dat men er niet alleen goed aan doet om het deksel niet op zijn neus te krijgen, maar er vooral op te letten dat men zichzelf en anderen geen kwaad doet door onnodig grenzen te overschrijden. De ideale basishouding lijkt die van de open aandacht, niet die van de overname daarvan door welke aandrift dan ook.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  10. Bij hoofdstuk 74 van Lao Zi, Daodejing
    Als [de situatie zo erg is dat] de mensen de dood niet meer vrezen,
    Waarom zou men ze dan nog vrees voor de dood inboezemen?
    Stel [daarentegen] dat de mensen de dood altijd vrezen en iemand zou een misdaad begaan
    en we zouden er in slagen diegene te pakken en te doden,
    wie zou dat [een misdaad begaan] dan nog durven?
    Welnu, degene die de plaats inneemt van wie bevoegd is om te doden [dat is alleen Dao] en doodt,
    Van die kun je zeggen:
    Hij neemt de plaats in van de meester timmerman en hakt.
    Onder diegenen die de plaats van de meester timmerman innemen en hakken
    Zijn er maar weinig die zich niet verwonden.

    Duidelijke kritiek op regeerders die hun bevoegdheden te buiten gaan. De beul is aangesteld om de precaire tegenstelling te overbruggen tussen overbodige straf en terechte straf (waarover regering, volk en rechters van mening kunnen verschillen).
    Maar alleen Dao is bevoegd, zeggen de commentaren want het is niet volgens Dao om levensjaren ‘onnatuurlijk’ te verkorten of te verlengen. Zhuang Zi: Dao doet leven en sterven, maar leeft en sterft zelf niet. Met andere woorden: we kunnen dao niet in begrippen vangen (hs. 1), ook al is het de bron, het doordringende en het omvattende van alles.
    Sommige commentatoren laten het durven [een misdaad te begaan] slaan op het doden van de misdadiger maar dat hoeft volgens de tekst niet.
    Duidelijk is dat Lao Zi voorkeur geeft aan zo natuurlijk mogelijke (vanzelfsprekende) maatschappelijke verhoudingen. Wie zich als verantwoordelijke te buiten gaat, schiet al snel in eigen voet.
    Interessant wordt dit nog meer als we ons de situatie voorstellen waarbij we feitelijk te maken hebben met die regeerders die hun bevoegdheden te buiten gaan. Hoe kunnen de geregeerden zich dan zo opstellen dat zij niet aan dat spel meedoen? Gezien de andere hoofdstukken zou ik zeggen dat we dergelijke regeerders niet klakkeloos moeten of hoeven te volgen maar dat we ons zo zouden kunnen opstellen dat we de grootste vrijheid houden om naar dao te luisteren en overbodig geweld te vermijden, bijvoorbeeld door niet te vroeg of te laat mee te werken of in te grijpen. Dat dan en daarbij soms toch slachtoffers vallen, hoeft niet te worden uitgesloten; maar het wordt tenminste zoveel mogelijk vermeden en gereduceerd.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  11. Bij hoofdstuk 73 van Lao Zi, Daodejing
    Dapper zijn in roekeloosheid brengt de dood,
    Dapper zijn in niet forceren leidt tot leven.
    Wie weet waarom de hemel iets haat?
    Hierom weet zelfs de wijze het moeilijk.
    De weg van de natuur:
    Niet wedijveren maar daardoor winnen,
    Niet invullen maar daardoor antwoorden,
    Niet gebieden maar daardoor uit zichzelf laten komen,
    Niet gehaast maar daardoor goed in het vooruitzien.
    Het net van de hemel is uiterst ruim maar daardoor mist het niets.

    De aantekeningen en opmerkingen van mijn leraar René Ransdorp bij dit hoofdstuk wijzen op het voor de Daodejing kenmerkende karakter ervan. Het heeft vele parallellen in andere hoofdstukken en vat de boodschap nog eens krachtig samen. Een andere commentator wijst er terecht op dat deze boodschap niet populair kan zijn bij vorsten en andere machthebbers. Want die kunnen zich alleen handhaven (denken ze) door anderen voor te zijn. Hier en elders in de Daodejing leren we dat we niet de voorste hoeven te zijn en dat open aandacht veel meer mogelijkheden openhoudt en kansen biedt. Dat impliceert mee bewegen met de ontwikkelingen zonder onze blik af te wenden, en helemaal zonder gehaast oordelen en geforceerd handelen. De wijze weet dat hij altijd ‘leerling’ of ‘beginner’ blijft ten aanzien van elke volgende situatie. De traditie van het ‘beginner blijven’ loopt in Azië van Lao Zi tot – als voorbeeld – de zenboeddhist Shunryu Suzuki in de twintigste eeuw, wiens bekende boek met toespraken terecht Zen-begin: eindelos met zen beginnen heet. En in het westen vinden we het steeds opnieuw beginnen ook, bij vele denkers over bewustzijn en zijn, bewustzijn en werkelijkheid, bijvoorbeeld in de twintigste eeuw bij de ‘fenomenologie’ (leer van de verschijnselen) of bij oude Grieken als Herakleitos, Pythagoras, Socrates en Plato op uiteenlopende, maar steeds boeiende manieren. Die moet je wel leren zoeken en kennen los van sommige latere of modern-wetenschappelijke interpretaties die deze “daoïstische” aspecten in de Westerse traditie reduceren of negeren. Ook vind je deze aspecten wel in sommige Westerse esoterische tradities waarin net als in het yin-yang denken in China aandacht wordt besteed aan de “eenheid van de tegenstellingen”. In het daoïsme van China ligt meestal overigens meer nadruk op de samenhang met “(niet-)handelen” dan in het Westen waar esoterie vaak als een louter innerlijk proces benaderd wordt. Ook daarop zijn uitzonderingen namelijk waar de hiërarchie van het subject-object denken doorbroken wordt en de “eenheid van (alle mogelijke) tegenstellingen” als idee (basistheorie) én tegelijk als levende mogelijkheid (oefening) hersteld wordt. Het lijkt mij terecht om dit niet per se te koppelen aan een enkele traditie of school. Net zoals het daoïsme in China tegelijk als filosofie voorkomt en in de vorm van praktische oefenscholen heb je ook in het Westen diverse leertradities van bijvoorbeeld pythagoreïsme, hermetisme en gnostiek naast afzonderlijke praktische ‘scholen’ waar esoterische leringen in de praktijk beoefend worden buiten of binnen de bestaande dominante religies. En tegenwoordig zijn er ook scholen die Oost en West min of meer en op uiteenlopende wijzen combineren. Het is waardevol om die niet allemaal te vereenzelvigen met de Daodejing van Lao Zi, wel om parallellen en verschillen te leren kennen. Bijvoorbeeld op het genoemde punt van “(niet-)handelen”: het gaat hier tegelijk om een geesteshouding én een levenspraktijk! En dus wordt begrijpelijk dat de ideale vorst wel maar zeker niet iedere bestaande machthebber veel met ‘weg en houding’ (dao de) in de zin van Lao Zi op heeft.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  12. Bij hoofdstuk 72 van Lao Zi, Daodejing
    “Als de mensen macht niet meer vrezen, dan is aangebroken wat zij grotelijks vrezen.”
    Bedreig de leefruimte van de mensen niet, belemmer ze niet in hun levensonderhoud.
    Als je de mensen niet belemmert zullen ze zich niet tegen je afzetten .
    Daarom is het dat de wijze mens
    Zichzelf kent maar zich niet op de voorgrond plaatst,
    Zichzelf bemint maar niet van zichzelf opgeeft:
    Dat verwerpt en dit verkiest.

    Dit hoofdstuk begint vermoedelijk met het citeren van de traditionele opvatting. En zet daar tegenover dat afzien van dwang en macht juist dwang en macht als reactie voorkomt. De wijze zorgt goed voor zichzelf en neemt zich in acht, maar stelt zich niet op de voorgrond. En blijft zo vrij om te zien en te helpen waar hulp nodig is.
    Het valt me op dat deze wijze niet allereerst als kenner en verdediger van de traditie en de gebruiken wordt voorgesteld (dat zou in de westerse inclusief de abrahamitische tradities al gauw het geval zijn) maar als iemand met open ogen en alertheid voor de veranderende situaties. Want als zodanig is hij ook in vorige hoofdstukken al voorgesteld. Kennis van tradities is daarbij niet waardeloos maar ook niet de enige maat waaraan het gedrag en het bewustzijn van de wijze gemeten wordt. Belangrijker is de zorgende aandacht voor zichzelf en heel de omgeving, beide in verandering. Zonder echter te vervallen in vooraf voorgeschreven invulling van wat het meest waardevolle gedrag is. Dat kan slechts al doende ingevuld worden, vanuit alerte en liefdevolle zorgende waarnemende aanwezigheid.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  13. Bij hoofdstuk 71 van Lao Zi, Daodejing
    “Weten dat men niet weet” is het hoogste weten.
    “Niet weten” als weten beschouwen is ziekte.
    Dáarom is de wijze mens niet ziek
    omdat hij z’n ziekte als ziekte erkent.
    Juist daarom is hij niet ziek.

    De inhoud van dit hoofdstuk is spannend omdat de vraag rijst hoe weten en niet-weten zich tot elkaar verhouden, hoe zij elkaar (zouden kunnen) aanvullen of omvatten; er is sprake van het hoogste weten dat bewustzijn van het eigen niet weten omvat. Commentatoren grijpen dan ook graag naar verwante teksten, of teksten die zij als verwant ervaren, om die algemener voorkomende spanning te signaleren. Zhuang Zi, de navolger van Lao Zi, wordt daarbij aangehaald, maar ook Socrates die over niet weten spreekt. Ik houd het er op dat dit vers zich niet uitspreekt tegen het weet hebben en kennen van iets, want dan zou men het dagelijks leven nooit doorkomen. Gelukkig zijn er diverse hoofdstukken in de Daodejing die een goede context bieden, allereerst het volgende hoofdstuk 72. Zo ook hoofdstuk 1 waar namen geven niet de werkelijkheid van Dao kan betrappen, en hoofdstuk 56 waar weten en spreken tegenover elkaar gesteld worden. Enerzijds heeft weten ook iets van besef dat weten beperkt is, anderzijds kunnen we er niet om heen te erkennen dat voor ons dagelijks leven bepaalde ‘kennis’ (vanuit ervaring) waardevol en handig is. Het gaat er dus bij ‘weten’ om dat men de grenzen ervan beseft, en vooral dat men dat doet vanuit het open blijven voor de levende stromen waarin Dao zich ontplooit; en daarbij is het laatste (open blijven) altijd veel omvattender dan het eerste (grenzen aangeven). Altijd ongrijpbaar zover we het niet met ons weten kunnen vatten en beheersen, ook altijd zich ontwikkelend en nieuwe mogelijkheden brengend waarbij we onszelf corrigerend kunnen aansluiten. Vanuit openheid en overzicht, achteraan in de rij. Dus niet vanuit een blijvend eureka-gevoel dat men deze ‘waarheid’ ontdekt, ervaren en toegepast heeft, maar als een permanent toelaten van wat zich aandient en weer loslaten ervan. Doen we dat niet dan reduceren we Dao tot onze uitleg ervan. En dat geldt ook nog eens voor elke verwoording daarvan. Zwijgen hoeft in dat geval geen ziekte te zijn.
    Omdat (de begrippen) weten en niet-weten, bewustzijn en onbewustheid, kennen en niet kennen (en hun varianten, die in verschillende cultuurgebieden en talen ook nog uiteenlopende connotaties hebben) zulke kernbegrippen zijn, dienen zij allereerst binnen hun eigen directe context uitgelegd te worden. Tegelijk kunnen wij leren van de vergelijking van parallelle begrippen in hun contexten. In de Daodejing is ongetwijfeld een kernpunt dat men liever achter in de rij staat dan het overzicht verliest door haantje de voorste te willen zijn. Want het gaat om ten dienste te staan van het geheel zonder zich zelf onnodig vroegtijdig uit te schakelen. En de slotregel voegt daar nog een diep inzicht aan toe: wie erkent dat zij of hij leeft te midden van en deel uitmakend van veranderende tegenstellingen, dat wil zeggen wie zijn beperkingen ten opzichte van anderen en het geheel erkent en tegelijk dat hij één is, verbonden is met dat geheel (dat uit dat soort verbindingen bestaat), diegene is ook ‘heel’. Een heelheid die enerzijds binding en anderzijds vrijheid omvat; in permanente vernieuwing.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  14. Bij hoofdstuk 70 van Lao Zi, Daodejing
    De woorden die ik zeg zijn heel simpel en evident om te begrijpen en in praktijk te brengen.
    Maar niemand begrijpt ze en brengt ze in praktijk.
    Woorden hebben een bron, daden een principe.
    Juist omdat het om niet begrijpen gaat, begrijpen ze mij niet.
    Indien wie mij begrijpen schaars zijn, ben ik kostbaar.
    Daarom draagt de wijze eenvoudige kleren waaronder hij jade verbergt.

    Een hoofdstuk dat wegens zijn subtiliteit uiteenlopend gelezen wordt. Datgene waar het om gaat, is licht te begrijpen maar wordt niet begrepen door wie de verkeerde maatstaf voor begrijpen hanteert. Die maatstaf is niet het allereerst indruk maken of uitsluitend de voor de hand liggende ratio volgen zoals dat gewoonlijk werkt. Het is juist door stapjes terug te doen, zich niet op de voorgrond te plaatsen, dat men vrij blijft om dienend en helpend aanwezig te zijn: zo nodig en waar nodig. Vanuit die onaanzienlijke maar vrije positie waar men ‘eindeloos’ overzicht heeft.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  15. Bij hoofdstuk 69 van Lao Zi, Daodejing
    Bij de Strategen* heet het
    “Ik matig me niet aan de gastheer te spelen maar de gast;
    ik matig me niet aan een duim op te trekken maar trek me een voet terug.”
    Dit heet:
    opstellen zonder troepen,
    zijn mouwen opstropen zonder armen,
    meeslepen zonder vijand,
    dragen zonder wapen.
    Geen groter onheil dan je vijand te onderschatten.
    De vijand onderschatten is riskeren je schatten te verliezen.
    Daarom, wanneer even krachtige legers tegenover elkaar staan voor de strijd,
    zal het meedogende overwinnen.

    * De Strategen zijn een groep uit de Chinese geschiedenis.

    Deze tekst vormt een geheel samen met de hoofdstukken 67 en 68.
    Hoofdstuk 67 zei dat de meedogenden zullen overwinnen (net als de zachte krachten in het gedicht van Henriëtte Roland Holst uit 1918) en prees mededogen, soberheid en zich niet aanmatigen de eerste te zijn. Hoofdstuk 68 zei dat de echte vooraanstaande persoon niet provoceert maar zich lager opstelt en zo met mensen weet om te gaan: summum van overeenstemming met de natuur. Hoofdstuk 69 voegt toe dat dit voor elke denkbare confrontatie geldt. De tegenstander nooit onderschatten maar het gevecht uitwijken door zich niet bij voorbaat tot overwinnaar te verklaren en dus ook niet voortdurend zijn tanden te laten zien. Dan zal de partij met mededogen overwinnen. Is dit niet ook wat je (ook) tegenwoordig inclusief denken noemt?
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  16. Bij hoofdstuk 68 van Lao Zi, Daodejing
    Een ware deskundige provoceert niet.
    Een ware strijder is niet boos.
    Een ware overwinnaar gaat de strijd niet aan.
    Een echte leider van mensen stelt zich lager op dan zij.
    Dit heet de deugd van niet wedijveren, de deugd van het omgaan met mensen.
    Dit heet het summum van overeenstemming met de natuur.

    Deze tekst vormt een geheel samen met de hoofdstukken 67 en 69.
    De voorgestane houding of instelling houdt in dat men zich bewust is van de factoren die de de huidige situatie bepalen. Alles begint met zich daarvan bewustzijn. De krachten van onszelf en onze omgeving zijn ons dan bewust, en wij gaan er zo mee om dat niet wij of onze krachten of de krachten buiten ons de uitsluitende maat der dingen zijn maar dat wij er zo mee omgaan dat ze elkaar allereerst respecteren. Dat betekent onder meer dat we de dwingende, forcerende elementen die in de uitoefening ervan aanwezig zijn, onderkennen en de overbodige spanning ervan af halen. Overbodig: zover ze onnatuurlijk is, nodeloos forceert. Vervolgens nemen we onze natuurlijke plaats in, wat als we bekwaam zijn niet betekent dat we allereerst via imponeren werken maar via de kracht en de uitwerking van ons gewone, natuurlijke doen – naar de mate van onze inzichten en vermogens, niet onszelf en zeker niet anderen overtroevend. Dan zal blijken dat de ware deskundigen, strijders, overwinnaars en leiders geen haantjes hoeven zijn maar vanzelf erkenning vinden. Vgl. hs 31: je zwaarste wapens gebruik je uitsluitend wanneer het niet anders kan. Houdt dat niet in dat onze beste inzet die is welke aan onze omgeving bijdraagt zonder individueel te willen schitteren? Naast onze schoenen lopen is bepaald niet de weg van dao. Wat dan wel: net als de mensen om ons heen ons ding doen, onze bijdrage leveren, zodat we samen de weg gaan van de innerlijke kracht die zich uit in samenleven dat op die innerlijke kracht(en) samen gebaseerd is. Wat neerkomt op voortdurende aanpassing, voortdurend luisteren en inspelen. En dan komt de “harmonie”, als zij komt, vanzelf en des te dieper, krachtiger, omvattender en “schoner” (in alle soorten vormen en talen, van uiterst concreet tot uiterst subtiel): van binnen uit en door geen van de betrokkenen uitsluitend als vreemd ervaren. In eindeloze variatie, van bekende herhaling tot onbekende vernieuwing. Zonder grootspraak, zelfverheffing of andere dwang; met vanzelfsprekendheid die bij ware betrokkenheid hoort. De eersten zullen de laatsten zijn, en de laatsten de eersten, om zo te zeggen.
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  17. Bij hoofdstuk 67 van Lao Zi, Daodejing
    De hele wereld noemt mij [Dao] groot, nergens op lijkend.
    Groot en daarom nergens op lijkend.
    Indien wel op iets lijkend, zou ik al heel lang geleden van weinig betekenis geweest zijn.
    Ik koester drie schatten: mededogen, soberheid, me niet aanmatigen om de eerste te zijn.
    Meedogend: daarom kan ik dapper zijn; sober: daarom kan ik gul zijn; me niet aanmatigend om de eerste te zijn: daarom kan ik tot de meest vooraanstaande uitgroeien.
    Mededogen opgeven en toch moedig willen zijn, soberheid opgeven en toch royaal willen zijn, me achteraan te plaatsen en toch de eerste willen zijn: dat leidt tot de dood!
    De meedogenden zegevieren in de strijd, zijn onoverwinnelijk in de verdediging.
    De hemel zal hen bevestigen als door een muur van mededogen.

    Hs 67 hoort samen met 68 en 69. Vergelijk 67 bijvoorbeeld met de beroemde profetie van de profeet Jesaja, hoofdstuk 53, waarin de “dienaar van God” het lijden van zijn volk en land op zich neemt; waarschijnlijk is een beeld gebruikt van de hogepriester op de jaarlijkse verzoendag waar alle balansen hersteld werden: tussen hemel en aarde, leiders en volk, volk en land, volksgenoten onderling. Deze profetie (namens Jahoe, god van de Hebreeërs) werd voorgehouden aan de Hebreeërs in de Babylonische ballingschap: een belofte van herstel. En door alle eeuwen heen gelezen als een voorbeeld van de kracht die mededogen en een daaruit voortvloeiend offer kan hebben, en bijvoorbeeld door volgelingen van Jezus na zijn lijden en dood op hem van betrekking geacht. Die kracht werd vaak gelezen als een minstens innerlijke overwinning, groter dan welke uiterlijke ook. Maar uiterlijk en innerlijk hoeven niet altijd tegengesteld te zijn. Als een offer zelfgekozen of minstens zelfbeaamd is, dus niet met tegenzin of halfhartig gebracht, dan heeft dat offer een grotere betekenis dan de fysieke: het wordt een grote innerlijke kracht met grote uiterlijke effecten. Het bijzondere daarbij is dat de heldhaftige daden dat niet louter om uiterlijke en tijdelijke winst zijn maar zowel volledig van binnenuit komen als uiterlijke gevolgen hebben. Met de innerlijke kracht van het mededogen of de liefde als basis: omdat zij niet zichzelf zoekt maar zichzelf helemaal geeft. Elk sprankje daarvan in welk leven dan ook telt hierbij helemaal mee.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  18. Bij hoofdstuk 66 van Lao Zi, Daodejing
    De macht van rivieren en zeeën ligt in hun bedrevenheid om lager te zijn dan alle stromen.
    Zo stelt zich de wijze beneden de mensen op en staat daarmee boven hen zonder dat zij zijn gewicht voelen, en hij gaat hen voor zonder dat zij hem kwaad doen.
    Zo verheugt de wereld zich in hem zonder tegenzin te krijgen.
    Juist omdat hij de strijd niet aangaat, kan de wereld niet met hem strijden.

    Dit vers heeft parallellen met diverse andere hoofdstukken. Omkering is de beweging van Dao (40), de vorst definieert zichzelf publiekelijk als behoeftig (het welzijn van de mensen gaat voor), zodat de mensen hem boven zich plaatsen (39, 41). Zie ook 32, 28, 22, 8, 2. Energie volgen mag niet ontaarden in verabsolutering van de tegenstellingen, in wedijver om de wedijver in plaats van wedijver als spel, zij is er slechts om te dienen in het grotere proces van de verbondenheid en samenwerking. Dat geldt ook voor de wijze mens: wie het “streven” naar wijsheid “boven alles” stelt, heeft dat “doel” (!) op een vreselijke wijze gemist. Dao let juist op balans, op bewust waarnemen “op en vanuit de achtergrond”, om vandaaruit op natuurlijke wijze en vanuit openstaan voor het geheel bij te dragen aan het waargenomen proces. Wat vinden de mensen van iemand die publiekelijk aandacht voor zichzelf als wijze vraagt?! Streven is niet verkeerd als het zich bewust is van zichzelf binnen het hele veld van tegenstellingen waarbinnen het zich wil ontplooien, maar wordt gevaarlijk als het zichzelf verabsoluteert en boven of buiten dat hele veld plaatst, en (de andere verschijnselen in) dat veld zo miskent. Het gaat niet om een doel dat na eenmaal bereikt te zijn, vanzelf voor altijd bereikt blijft; integendeel, met het eventueel bereiken treedt direct een nieuwe fase in van waarnemen van (het geheel van) veranderingen en zich bewust worden van de nieuwe uitdagingen. De wijze is degene die zich daarvoor openstelt, in plaats van zich innerlijk of uiterlijk te laten voorstaan op een ‘bereikt succes’. Met dat laatste verliest zij of hij immers de ontvankelijkheid die tot de kern van wijsheid behoort, het ‘zelfloos’ waarnemen en volgen van dao. ‘Zelfloos’ niet in de zin van zonder bewustzijn van zichzelf, maar in de zin van zichzelf nergens aan de werkelijkheid opdringen, nergens de werkelijkheid louter aan ‘zichzelf’ aanpassen. Zelf en ander horen onverbrekelijk bij elkaar, net als hetzelfde en het andere. Het onderscheid zo te hanteren dat het natuurlijke resultaat ‘vanzelf zo’ volgt, is waardevol; het onderscheid zo te hanteren dat één element het andere volledig in zijn mal dwingt of negeert, brengt onbalans en verwoesting. Ook in onze westerse cultuur lijkt mij dat een oefening voor het leven. Steeds opnieuw beginnen.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  19. Bij hoofdstuk 65 van Lao Zi, Daodejing
    Hanteer kennis niet als machtsmiddel
    Maar laat het zijn natuurlijke functie vervullen.
    Dan krijgt bedrog geen kans
    en brengt ongekunsteld zijn geluk.
    Dit is het verschil tussen een dief van het land of een zegen voor het land zijn.
    Dit permanent beseffen heet mysterieuze kracht. Hoe diep, hoe ver!
    Zo keren alle dingen terug in de grote stroom.

    Er is nogal wat verwarring over dit hoofdstuk, omdat het de onnatuurlijkheid van kennis lijkt te benadrukken. Dan stelt men kennis tegenover onkunde, alsof men met de laatste beter af zou zijn. Deze oude tekst kijkt naar kennis niet als iets dat je technisch en waardevrij gebruikt maar waarmee je bij het gebruik ervan al gauw uit het grote verband kan raken (zowel dat verband uit het oog verliezen als van het voor de hand liggende pad afwijken), zodat het los daarvan gaat functioneren. Dit staat haaks op een wijze van indeling in “functies” die op een onoverzichtelijke en vooral onnatuurlijke manier aan elkaar of van elkaar los gekoppeld worden … bijvoorbeeld waar automatiseringsprojecten en andere taakverdelingen uit het verband dreigen te raken. Ideaal lijkt dan dat alle onderdelen van het project, allereerst alle betrokken mensen, een gezamenlijk natuurlijk besef houden van waar men mee bezig is. Waar dat besef is, is afstemming op de juiste weg en het volgen daarvan immers een vanzelfsprekendheid. Hoe belangrijk dat juist een leid(st)er niet die dief van de processen wordt door eerder op “het altijd zelf beter weten” te sturen dan op “samen luisteren naar de processen en conclusies trekken”.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  20. Bij hoofdstuk 64 van Lao Zi, Daodejing
    Neem de oorzaken van verwarring en wanorde weg voordat zij hun werking uitoefenen.
    Een lange reis begint onder je voet.
    Wie ingrijpt, vernielt; wie vasthoudt, verliest. Daarom betracht de wijze mens het niet-doen en vernielt niets, houdt hij nergens aan vast en verliest niets.
    Wees aan het eind even omzichtig en zorgvuldig als aan het begin, dan faal je niet op het laatst.
    Daarom verlangt de wijze naar het niet-verlangen en acht moeilijk te verkrijgen goederen niet hoog. Hij leert het niet leren en keert terug naar waar de massa aan voorbijgaat.
    Zo bevordert hij het uit zichzelf zo zijn van alle dingen.

    Met forceren (bijvoorbeeld uit angst …) bereiken we vaak het tegendeel. Door bij de kern te blijven, dat is bij onze eigen essentie en onze waarneming, hoeven we geen onnodige ingrepen te doen maar volgen de natuurlijke weg. Veel te grote inzet, of inzet die te laat komt, of die helemaal niet meer komt doordat de heldere waarneming en de energie op zijn, werken verkeerd uit. Zij belasten de natuurlijke voortgang, het natuurlijke verloop van de dingen. Daarbij blijven is wat de wijze verlangt, niet het forceren van moeilijk te verkrijgen zaken.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  21. Bij hoofdstuk 63 van Lao Zi, Daodejing
    Doe door niet-doen. Grijp in door op te geven. Proef wat geen smaak heeft.
    Zie het grote in het kleine, het vele in het weinige.
    Beantwoord haat met welwillendheid.
    Plan het moeilijke als het nog makkelijk is.
    Doe het grote terwijl het nog klein is.
    Want de moeilijkste dingen komen voort uit wat eens eenvoudig was,
    De grootste uit wat eerst klein was.
    Daarom:
    De wijze streeft nooit naar het grote,
    En is daarom in staat het grote te volbrengen.
    Immers: wie lichtvaardig belooft, is niet geloofwaardig,
    En wie zaken gemakkelijk opvat, ontmoet veel moeilijkheden.
    Daarom:
    Omdat de wijze mens deze dingen zelfs nog als moeilijk beschouwt,
    Zal hij uiteindelijk geen probleem hebben.

    Ditmaal leest u de complete tekst van het hoofdstuk in vertaling, want ik vind het de kern weergeven, of minstens tot de kern behoren, van wat Lao Zi hoofdstuk na hoofdstuk toelicht. Niet doen houdt niet in niets doen, wel houdt het in dat we ons ervan bewust (kunnen) (leren) zijn dat onze houding, innerlijk en uiterlijk, van essentiële invloed is – en blijft – op wat er het gevolg van is; en omdat het gevolg van onze houding, innerlijk en uiterlijk, niet bij voorbaat datgene is wat we graag zouden willen, is het van belang alle subtiliteit te betrachten bij het waarnemen en eventueel handelen. Het zorgvuldig waarnemen en overwegen, en uitproberen (! naar gelang de middelen die ons ter beschikking [lijken te] staan; en zonder te forceren !) is vruchtbaarder dan innerlijke of uiterlijke macht of veronderstelde macht zonder meer toepassen. Ervaring en subtiliteit helpen om precies de juiste maat te zoeken en eventueel toe te passen. Dat is geen sinecure voor de wijze, en daarom slaagt juist hij. Het commentaar van Wing-tsit Chan (vertaler van de Daodejing in het Engels: The way of Lao Tzu : (Tao-tê ching) 1963) onderaan hoofdstuk 63 vermeld ik ook graag: “The Taoist doctrine of walking the second mile [Repeats the sentence in Lao Tzu, ch. 34], which was unacceptable to Confucius.” Dat is een verwijzing naar het Evangelie van Matteüs 5:42 (38-47, een gedeelte dat ook op andere punten sterke gelijkenis vertoont met de boodschap van Lao Zi).
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  22. Bij hoofdstuk 62 van Lao Zi, Daodejing
    Dao is de veilige schuilplaats van alle dingen; de schat van goede mensen, de beschermer van slechte. Wie van de niet goede mensen zouden verworpen worden? Het kostbaarste geschenk van zijn raadslieden aan een beginnende vorst is Dao. Door Dao zal wie zoekt, vinden en door Dao zal wie misstappen begaan heeft, verlost worden. Dao is het kostbaarste van de hele wereld!
    ‘Niet goede mensen’ worden beslist niet bij voorbaat verworpen of uitgesloten! Dao werkt voor iedereen, ook voor wie geen (altijd minder!) kostbare geschenken te geven heeft. Deze kostbaarste schat koesteren en zijn werking laten hebben, dat is het!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003), en Wing-tsit Chan, “A source book in Chinese philosophy”, hoofdstuk 7 “The Natural Way of Lao Tzu’ en Ellen Marie Chen, “The Tao Te Ching by Lao Tzu”, English version 1989, beide laatste op internet.]

  23. Bij hoofdstuk 61 van Lao Zi, Daodejing
    Een groot land en een klein land bereiken de beste verhouding als ze beide de laagste positie in proberen te nemen. Als de vrouw en de man in vereniging tot evenwicht.
    Zo krijgt het kleine, de man, dat het zijn bijdrage levert en in de bloei van het grote deelt, en het grote, de vrouw, nog groter en rijker bloei.
    Zoals in de benedenloop van een rivier alles samenkomt, het kleine, dat deel van het grote wordt, en het grote land dat zijn bloei deelt met het kleine, en tot nog grotere bloei komt.

    In dit vers wordt de samenwerking van grote en kleine landen vergeleken met het samengaan van vrouw en man. Essentieel is niet wie de hoogste status of macht heeft maar dat beiden het verst komen als ze naar de onderliggende positie streven die het samenzijn het beste steunt en voedt. Want stel je het beeld van de rivieren die naar beneden stromen, voor: hoe hebben de ontvangende vallei en de brengende stromen elkaar nodig? Alleen samen vinden en vormen ze het optimum. En daar horen alle fases en onderdelen bij.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003).]

  24. Bij hoofdstuk 60 van Lao Zi, Daodejing
    Een groot land besturen is net als kleine visjes bakken.
    De weg volgen betekent geen verstoring brengen door onnodige energie.
    Geesten van voorouders (demonen) oefenen dan geen magische kracht meer uit,
    Niet dat ze dat niet meer doen, maar ze doen de mensen er geen kwaad meer mee.
    Niet alleen dat hun magie de mensen dan niet meer schaadt, maar de wijze machtigen zullen de mensen dan ook geen kwaad meer doen.
    Welnu, als beide geen kwaad meer doen, dan kunnen zij hun innerlijke krachten bundelen en aanwenden voor het welzijn van allen en alles.
    De weg volgen brengt evenwicht: terugkeer naar het oorspronkelijke.

    Dit hoofdstuk kun je ook samenvatten door alleen de eerste en de laatste regels te citeren. Maar dan missen we toch veel van de context. Zoals dit hoofdstuk hier vertaald is (met de machtige leiders opgevat als de de wijzen, wat kennelijk een oude opvatting was), is er een heel duidelijke boodschap. Toch iets anders dan Macchiavelli bracht, al vond die ook dat de vorst beter in stilte dan openlijk kon regeren; zij het wat bruter dan hier bedoeld lijkt. Hoewel het visje van Lao Zi hopelijk het bijbehorende respect ontving: namelijk respect in de zin van Dao volgen, niet in de zin van overbodige kracht gebruiken. Wie de culturele boodschap van Lao Zi tot zich laat doordringen, is noch bang voor de geesten van de voorouders, noch zelf iemand die anderen zomaar bang maakt met het oog op eigen voordeel. Wat een vooruitzicht, dat natuurlijk bundelen van krachten zonder onnodige weerstanden!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003).]

  25. Bij hoofdstuk 59 van Lao Zi, Daodejing
    De begrenzing door soberheid en geworteld zijn vormt de basis – hoe vroeger Dao gevolgd kan worden, hoe beter – waardoor men al groeiend eigen grenzen overstijgt, zowel persoonlijk als in de grote wereld.
    Het geworteld zijn heeft betrekking op Dao, die van de diepe wortels, de hechte ondergrond van het lange leven en de blijvende visie. De soberheid verwijst ook naar de voorraden die van de vruchten van het land aangelegd kunnen worden. Wat zou men aan deze prachtige tekst toevoegen? Wij Westerlingen zien theoretische intelligentie al gauw als basis voor vooruitgang; Lao Zi is daar duidelijk over: allereerst gewoon de natuur volgen. Dat houdt beslist niet per se in dat men innerlijk instemt met alles wat anderen te berde brengen, ook regeerders niet; wel dat men zich niet mengt in datgene waarvoor (nog) geen basis aanwezig is bij onszelf. En die basis dient ‘zowel materieel als mentaal geworteld zijn’ te omvatten. Vraag aan mezelf: waar ben je in geworteld? Hoe open ben je voor krachtige, want grond vindende, groei? Ben je meer bezig met voorverkenning of heb je grondstuk, zaad en bemesting samengevoegd en bescherm je de groei, niet speciaal (hoewel allereerst gevraagd) van jezelf maar juist ook van allen?
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003).]

  26. Bij hoofdstuk 58 van Lao Zi, Daodejing
    Tolerant bestuur maakt de mensen slap, repressief bestuur tegendraads. Ongeluk is waar geluk op steunt, in geluk ligt ongeluk verborgen. Wie weet waar precies de grens ligt? Dat ligt niet vast. Normaal slaat om in vreemd, goed slaat om in onheil: het dwalen van de mensen is inderdaad al van lange duur. Daarom zegt de wijze: Vierkant maar niet hoekig, zuiver maar niet snijdend, rechtop maar niet strak, lichtend maar niet verblindend.
    Een zo heldere tekst samenvatten hoeft niet, al komt “geen Prinzipienreiterei” er dicht bij. Wie het onderste uit de kan wil halen, krijgt het deksel op zijn neus, zegt ons spreekwoord. Hier wordt een diepere reden gegeven: de werkelijkheid bestaat uit schuivende balansen, denk aan het yin-yang-teken dat opgevat kan worden als tweedimensionaal maar ook als multidimensionaal. Ook wordt de door dat teken afgebeelde wereld anders gezien naarmate het standpunt van waar uit men het bekijkt, verschilt van andere standpunten. En wie zal zeggen of die standpunten zelf niet verschuiven? Wij zijn immers onderdeel van dat bewegende, veranderende geheel, niet zo maar alleen een buitenstaander met een uniek eigen standpunt en dito visie. Leidt dit tot een visie waarin alle verschillen er niet meer toe doen? Zeker niet. Wel tot een houding waarin op de spits drijven zich even bewust is van zijn tegendeel en complement als van ‘zijn’ eigen beoogde positie en doel. De ‘tegendelen’ zijn in elkaar verborgen. Dit is een besef dat in vele hoofdstukken van de Daodejing terugkeert.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003).]

  27. Bij hoofdstuk 57 van Lao Zi, Daodejing
    De staat bestuur je door het normale. Het leger zet je in bij uitzonderlijke situaties. Helder en rustig is normaal. De wereld bestuur je door alles de gewone loop te laten, niet in te grijpen. Hoe meer verboden en taboes, hoe armer de mensen; hoe meer scherp tuig, hoe groter de wanorde; hoe meer sluwe handigheid, hoe meer buitenissigheden; hoe meer wetten en bevelen, hoe meer rovers en dieven. Daarom zegt de wijze: “Ik betracht niet-doen en daardoor transformeren de mensen zich vanzelf. Ik bemin stilte en daardoor corrigeren de mensen zich vanzelf. Ik betracht niet-bedrijvigheid en daardoor worden de mensen vanzelf rijk. Ik koester geen zelfzuchtige verlangens en daardoor worden de mensen vanzelf ongekunsteld.”
    Dit belangrijke hoofdstuk legt de kern van het beroemde niet-handelen (wuwei) uit. Ook het streven naar kennis kan een enorm blok aan het been worden, even goed als het vergroten van het wapenarsenaal of het uitbreiden van regels en taboes. Hoe dan evenwicht en rust te laten groeien of ‘bevorderen’? Door niet te forceren, niet overdreven te begeren: wat een baby doet om aandacht en voedsel en verzorging te krijgen, is natuurlijk, maar wie dat doet op onnatuurlijke wijze en dus ten koste van anderen en zichzelf, bereikt juist het tegendeel. Dat geldt niet minder sterk voor het gebruik van namen en het uitspreken van oordelen: daarmee bereikt men al gauw het tegendeel want men herinnert evenzeer aan het tegendeel als aan het beoogde. Dit hoofdstuk vertoont veel parallellen met andere hoofdstukken (48, 31, 45, 18, 19, 49; ook 36, 53).
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003).]

  28. Bij hoofdstuk 56 van Lao Zi, Daodejing
    Wie weet, spreekt niet. Wie spreekt, weet niet. Met je geest of met inspanning greep op Dao pogen te krijgen is een garantie voor niet bereiken van Dao. Doe wat aansluit. Dat is wat je ‘een zijn met en van alles’ noemt. Met de wijze kun je niet intiem worden, noch van hem verwijderd raken. Hem voordeel of nadeel toebrengen is onmogelijk. Daarom is hij het kostbaarste in de wereld.
    In woorden over Dao valt Dao niet uit te leggen. Met streven naar Dao bereik je Dao niet. Met andere woorden: “hecht niet aan iets bereiken via uitersten of via opvallen”. Toch hebben we intuïtie van Dao als grond van alle bestaan, die uit zichzelf werkzaam is. De wijze is daarom het kostbaarst in de wereld, want met Dao in verbinding, open voor Dao.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003).]

  29. Bij hoofdstuk 55 van Lao Zi, Daodejing
    Wie vol ongekunstelde energie is, is als een pasgeborene, berokkent geen kwaad en wordt niet door wilde dieren gegrepen. Slap en teer, is hij toch krachtig, en ook van seksuele energie het summum. De hele dag schreeuwt hij zonder schor te worden: het toppunt van harmonie van de tegenstellingen. Harmonie ervaren wil zeggen bestendig zijn; bestendigheid kennen is inzicht. Maar het hart dat de levenskracht forceert, buit het leven uit. Dat is in strijd met de Dao, dan is het gauw gedaan.
    Kunstgrepen die niet de basiskracht ondersteunen, verergeren de situatie. Natuurlijkheid mag er voluit zijn en heeft geen kwade bedoelingen. Evenwicht in beweging is spontaan. Forceren brengt een vlug einde.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003)].

  30. Bij hoofdstuk 54 van Lao Zi, Daodejing
    Het stevig gevestigde wordt niet uitgerukt; het stevig omarmde wordt niet weggehaald. Zo is er continuïteit tussen de generaties en in de samenleving.
    Dit cultiveren in je zelf, betekent deugd van waarachtigheid; in je familie, deugd van overvloed; in je geboortestreek, deugd van duurzaamheid; in je land, deugd van rijke bloei; in de hele wereld, deugd alom.
    Beschouw je zelf vanuit je zelf, familie vanuit familie, streek vanuit streek, land vanuit land, hele wereld vanuit hele wereld.
    Hoe weet ik dat de wereld zo is als ik haar zie? Hierdoor!

    ‘Deugd’ kan zowel energie of innerlijke kracht als goede moraal of morele kracht aanduiden. Het gaat om meegaan met de beweging zoals die het meest natuurlijk gevoeld wordt, zowel die van buiten als uiteindelijk allemaal en helemaal ‘van binnen’ (anders zouden we het geen voelen noemen). Allemaal: alle bewegingen zover we ervaren; helemaal: precies zo fundamenteel als dicht bij en door ons ‘zelf’ ervaren wordt. (Dit is geen wetenschappelijke beschrijving van fysieke processen maar een vanuit en met de ervaring kloppende beschrijving van wat zich voordoet, en waargenomen wordt.) De vertaling is nauwelijks ingekort, omdat de tekst van dit hoofdstuk uit samenhangende delen bestaat die voor de betekenis amper gemist kunnen worden. Het kan goed zijn te weten dat dit hoofdstuk een daoïstische visie biedt op wat ook in het confucianisme centraal staat: deugd manifesteren ofwel kracht herstellen (maar dan niet zo zeer van binnen uit, maar allereerst conform aan de traditionele – uiterlijke – maatschappelijke verhoudingen). Het daoïsme geeft voorrang aan innerlijke kracht boven alleen uiterlijk conformeren!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003)].

  31. Bij hoofdstuk 53 van Lao Zi, Daodejing
    Het enige waarvoor ik bij het gaan van de grote weg (Dao) beducht hoef te zijn is hem te verlaten. De grote weg is uitermate effen, maar de mensen nemen graag de kleine zijpaden. De hoven uitermate schoongeveegd, de velden uitermate verwilderd en de voorraadschuren uitermate leeg. Rijk versierde kleren en prachtige wapens dragen, zich te buiten gaan aan drank en spijzen, luxe en weelde. Dit is diefstal (“dao”-klank in het chinees) en buitensporigheid, zeker niet de weg (Dao).
    De weg van het midden vinden, is in onze Westerse cultuur niet altijd de norm. Toch is die weg ook in het Westen mogelijk en waardevol. Dat begint niet bij een algemene theorie; het begint bij jezelf: bij je omgeving serieus nemen, te beginnen het dichtst bij: loop niet bij “jezelf” weg! Maar maak van jezelf ook niet de norm voor iedereen. Als ieder het midden zoekt en praktiseert, wordt de middenweg vanzelf gevonden. Wie daar niet aan meedoet, valt op (door “buitensporigheid”). Daarbij is ruimte voor verschillen, anders zou evenwicht niet te vinden zijn. Dit gaat over innerlijk evenwicht (en afstemming) als basis voor al het uiterlijke; waarbij ook innerlijk en uiterlijk in evenwicht kunnen zijn, te beginnen in het klein, maar zover wij kunnen zien, ook in het groot.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand. In enkele gevallen raadpleegde ik ook: R.T. Ames/ D.L. Hall, Daodejing: “Making This Life Significant”: A Philosophical Translation (2003)].

  32. Bij hoofdstuk 52 van Lao Zi, Daodejing
    De onzichtbare oorsprong van de verschijnselen is als hun moeder: dao. Moeder en kinderen verwijzen naar elkaar. Door voeling te houden met hun moeder vermijden we levenslang gevaar. Dicht de openingen dan raak je niet uitgeput; door ze te openen en in bedrijvigheid te vervallen, red je het niet. Het vermogen om het kleine te zien, is helder inzicht; voeling houden met het zachte, betekent sterkte. Zijn uiterlijke licht gebruikend gaat men terug naar die helderheid. Dan vermijdt men onheil. Dit heet bestendigheid beoefenen.
    Ook hier kom ik weer de oproep tegen om niet te forceren, maar voeling te houden met het zachte. Een heel verschil met alles van krachtdadigheid verwachten, al hoeft die niet met aandacht voor het zachte in strijd te zijn. In dat geval is kracht inzetten geen forceren zonder meer. Voeling leren houden betekent ondertussen wel ons bewustzijn van het hele plaatje niet op te offeren aan strak vasthouden aan een vooropgezet schema of een vooropgezette invalshoek. Objectiviteit die alleen gebruikt wordt om macht uit te oefenen, is iets anders dan openheid voor de verschillende kanten van een zaak of ontwikkeling.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.].

  33. Bij hoofdstuk 51 van Lao Zi, Daodejing
    Dao (weg van het vanzelf zo gaan) manifesteert zich via alle verschijnselen vanuit het verborgene via De (energie, innerlijke kracht, deugd, karakter). Alle verschijnselen eren Dao en schatten De hoog. De doet haar werk in het verborgene, niet om haar zelfs wil. Dao doet dat zo: ze tot wasdom brengen door hen de mogelijkheden tot zelfontwikkeling te geven, ze royaal begunstigen, voeden en bedekken zonder hen zich toe te eigenen, ze bewerken maar zich daarop niet laten voorstaan of ze afhankelijk van zich te maken. Dit heet diepe deugd.
    Het is moeilijk dit hoofdstuk samen te vatten: gewoon dóen is waarschijnlijk beter. De herhalingen versterken het hoofdstuk telkens zodat ons tegelijk geleerd wordt hoe Dao en De werken, én dat wij daar niet tussen hoeven te komen maar er in mee gaan. Dat herinnert me meteen aan een centraal en steeds terugkerend punt bij het lezen van de Daodejing. Zelfs het vanzelf zo zijn en gaan van de dingen en ook van ons mensen mag en kan geen automatisme zijn (dan zou ons bewustzijn er niet toe doen), maar zichzelf in het middelpunt stellen of daarbij onnodig naar voren halen zou al teveel ingrijpen zijn. Het evenwicht herstelt zich beter zonder (maar ook met) dat extraatje. Het is dus niet verkeerd ons ook van onszelf bewust te zijn, net als van al het andere wat tot ons bewustzijn doordringt (en dat is uiteraard niet alleen wat past bij de schema’s waartoe wij de werkelijkheid vaak reduceren, vooral via onze emoties of vooral via ons redeneervermogen of welke combinatie ervan ook). Kortom, hier is sprake van de mogelijkheid van lussen in ons bewustzijn waarmee we ‘vanzelf zo’ ofwel natuurlijk kunnen pogen om te gaan (biedt ons ‘ik’ en ons redeneervermogen onze grootste risico’s van lussen – naast hulp bij het vinden van evenwicht?!). Wat ons vooral geleerd wordt, is open (blijven) staan voor het (steeds) nieuwe en daar natuurlijk op ingaan, en daarbij onze ervaring tegelijk noch de processen te doen blokkeren, noch achteloos aan ze voorbij te zien. Dat doen we echter niet louter afstandelijk, evenmin louter intuïtief of emotioneel, maar ‘vanzelf zo’, natuurlijk, misschien kun je zeggen ‘in balans’. En als het dan uit balans is, is het volgende moment er alweer net zo goed als wanneer het in balans was. Ik sluit niet uit dat er vormen van ruimer bewustzijn zijn waarin deze balans vaker gevonden wordt, door opgebouwde ervaring. Maar dat is precies wat bijvoorbeeld Zhuang Zi vertelt: de kok of de slager zijn zo ervaren dat ze moeiteloos hun weg lijken te vinden bij wat ze doen. En sommigen zijn specialisten in het een en anderen in het ander. Werkend met gedeelde en persoonlijke basismogelijkheden geeft ieder van ons Dao door via De. We zijn onderdelen van ‘het’ proces van alle processen. ‘Het’ zien we alleen in ‘dit’ en ‘dat’ maar dat is bepaald niet niets! Want (deel van) alles. Overigens niets om ons op te beroemen, het wonder blijft een mysterie. (N.B. Schipper citeert bij dit hoofdstuk de prachtige passage uit de Zhuang Zi 6:V over de Dao).
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.].

  34. Bij hoofdstuk 50 van Lao Zi, Daodejing
    Leven en sterven is van nature verschijnen en verdwijnen.
    Een kort, lang of overspannen leven: elk van deze [geldt voor] 3 op de 10.
    [Wat overblijft:]
    Je van overdrijven onthouden is het natuurlijke, ware leven.
    Dan ga je de oorlog binnen zonder wapens en bied je geen houvast voor tanden en klauwen.
    Omdat in jou geen plek voor de dood is.

    De tekst suggereert dat er een 10e variant is van leven en sterven. Het natuurlijke, ware leven. Niet omdat er geen tegenstellingen zijn, maar omdat zij er altijd zijn en altijd in elkaar overgaan. Het is niet nodig ons koste wat kost (…) tegen dood of minder leven te verzetten. En wie die natuur volgt … hoeft nooit te overdrijven.
    Het doet mij denken aan het aanvaarden van leven en dood en al hun wederwaardigheden, in Europa ook wel gelatenheid genoemd. Niet alleen omdat het een wapen tegen de dood zou zijn, maar ook omdat leven en sterven dan beide als een verheugend iets kunnen worden ervaren, en vreugde en droefheid beide als leven. Zij bestaan bovendien nooit zonder elkaar … omdat elke definitie haar tegendeel (afgrenst en dus de mogelijkheid ervan, minstens in gedachte,) insluit. Dat kan echter niet bij een theorie blijven, maar gaat om wat echt natuurlijk, waar leven is. Zelfs ons verstandswapen en onze andere kracht-, pronk- en verleidingswapens, zijn iets waarmee wij niet permanent te koop moeten lopen, willen wij geen frictie en oorlog oproepen. Zo beginnen en eindigen we ons leven natuurlijk, laten toe en los en gaan mee met de stroom.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.].

  35. Bij hoofdstuk 49 van Lao Zi, Daodejing
    De wijze is los van fixaties, hij heeft zijn hart leeggemaakt en beschouwt het hart van alle families als zijn hart. De goeden en betrouwbaren behandelt hij met goedheid en vertrouwen, en de niet goeden en niet betrouwbaren eveneens; zo worden goedheid en vertrouwen verkregen. De wijze mens in de wereld vereenzelvigt zich daarmee en smelt zijn hart met de hele wereld samen. Alle families richten zich op hem, hij behandelt alle mensen als zijn kinderen.
    [N.B. Het hart staat ook voor de zetel van kennis, oordeel, beoordeling, niet alleen voor gevoel en voelen.] Het is in de meeste omgevingen niet toonaangevend om kwaad met goed te beantwoorden. Toch is dit precies wat hier wijs genoemd en aangeprezen wordt, om de eenvoudige reden dat anders van kwaad erger wordt, terwijl dit aangeprezen gedrag de samenleving draaiend en dragelijk houdt. Deze houding is geen masochisme maar eigenbelang, vanuit de wijsheid gezien. Van welk standpunt uit zie ik dat? Als ik moet kiezen tussen het benadelen van een ander of van mijzelf wat is dan wijsheid? Die vraag kan volgens deze tekst alleen beantwoord worden vanuit volledige vereenzelviging. Waarbij tegelijk iedere situatie verschillend is.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  36. Bij hoofdstuk 48 van Lao Zi, Daodejing
    Zich toeleggen op leren is van dag tot dag toenemen; de Dao volgen is dagelijks afnemen. Als niet-doen wordt betracht, dan is er tóch niets dat niet wordt gedaan. Dit geldt voor alle bedrijvigheid, ook voor het bestuur van de wereld.
    Het gaat hier om de kern, het diepste van alle bestaan: niet via de buitenkant, maar door zich af te stemmen van binnen uit, steeds opnieuw. En dat is steeds opnieuw loslaten. Vergelijk hoofdstuk 20. Want dan is alles al gedaan! ‘Handelen’ komt vanzelf uit loslaten en afstemmen voort, anders is het gekunsteld. Dat (‘niet’-!!!)handelen levert altijd meer op dan over de dingen bazen met geweld of kracht van buiten, ook met geweld van kennis, als dit niet vanzelf uit afstemming volgt. Ook iets heel anders dan ‘studeren voor het diploma’ waar de Confucianen veel waarde aan hechtten.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van J.J.L. Duyvendak (1942-1e; 1980-3e verbeterde druk), Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  37. Bij hoofdstuk 47 van Lao Zi, Daodejing
    Ga niet buiten je deur en je kent alles, de weg van wat vanuit zichzelf zo is. De wijze mens weet juist door niet op reis te gaan, heeft helder inzicht juist door niet naar buiten te gaan, slaagt juist door niet te handelen.
    Het blijft heel moeilijk om in bekende woorden weer te geven wat hier bedoeld is, omdat de verleiding ook groot is om de wereld van de bekende woorden als iets te zien wat veroverd kan en moet worden (als middel van en tot macht). Terwijl de hele wereld al gekend is zodra we ons ook maar iets bewust zijn. Dat roept vragen op en blijft vragen oproepen. We groeien immers als individuen op in steeds grotere kringen en het is zeker zo dat onze taal daarbij ook toeneemt en preciezer wordt. Maar de kern is al gegeven voordat wij ook maar iets kunnen verwoorden, of zelfs voordat wij ons iets bewust zijn. Die kern is belangrijker of omvattender dan alle woorden en wij zijn er altijd mee verbonden. Zij is niet toegankelijk door naar buiten gaan, door steeds meer leren, maar alleen door haar en onze verbinding ermee te erkennen en toe te laten, zodat wij van haar leren en in overeenstemming met haar leven en sterven. Die kern en de hele wereld zijn in wezen hetzelfde, althans één (waarbij ik voor lief neem dat woorden of ons bewustzijn hier zoals gezegd te kort kunnen schieten, zij het ook dat ze ook dan nog naar het meerdere, de verbindingen van alles met alles, verwijzen).
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  38. Bij hoofdstuk 46 van Lao Zi, Daodejing
    Als de wereld Dao heeft, worden paarden gewoon gehouden om het land te bemesten. Als de wereld geen Dao heeft, worden legerpaarden geboren op de slagvelden. Geen groter misdaad dan teveel willen hebben, geen groter ongeluk dan niet van ophouden te weten. Daarom, wie weet dat genoeg genoeg is, heeft altijd genoeg.
    Nadrukkelijk streven naar verbetering (‘progressie’) is een modern Westers ideaal gekoppeld aan waardering voor het verstand en de op wetenschap gebaseerde benadering van de techniek. Andere culturen beleven en zien dat niet op dezelfde wijze. Tijd wordt bijvoorbeeld als een mentale houding opgevat, die zorgvuldig in evenwicht dient te blijven, om evenwicht in de natuur te behouden. Kortom, wij en de natuur horen bij elkaar, en niet alleen als heersers en ‘materiaal’. Dat wordt zichtbaar in oorlog en vrede, in het groot en in het klein.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  39. Bij hoofdstuk 45 van Lao Zi, Daodejing
    Het volmaakte beschouwen als onaf, maakt verandering mogelijk. Stilte en ontvankelijkheid zijn de richtlijn voor de hele wereld.
    Volmaaktheid wordt vaak voorgesteld als einddoel, of minstens als ideaal. Hier staat iets anders: volmaaktheid bestaat niet zonder haar tegendeel. Wie dat niet erkent, bereikt de volmaaktheid nooit. Wie dat wel erkent, ontdekt dat innerlijke openheid voor elke verandering de basis voor omgaan met beperktheid en volmaaktheid is op alle terreinen. Ofwel ‘niet handelen’ is de basis voor elk ‘handelen’. Niet als theorie, maar als steeds opnieuw te ontvangen houding vanwaaruit elke volgende stap opbloeit en waarnaar die terugkeert. Dao volgend, en zo de natuurlijke gang van zaken volgend.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  40. Bij hoofdstuk 44 van Lao Zi, Daodejing
    Begeerte brengt moeite, vergaren verlies. Wie weet wat genoeg is, is minder kwetsbaar. Wie tijdig weet op te houden, raakt niet uitgeput. Wie zich inzet voor wat minder waard is dan het leven, schaadt dat leven.
    Ik heb de indruk dat deze woorden in onze huidige (brede?!) culturele hoofdstroom van zoveel mogelijk consumeren en produceren (niet alleen op materieel gebied) te weinig aan bod komen in de opvoeding. Het is nooit te laat om tot inzicht en ander gedrag te komen. Maar hoe moeilijk is dit om te bereiken (zie 43)? Of heeft het vooral met loslaten te maken, en met niet opnieuw in de valkuilen van de begeerte te vallen? Laat ik tijd nemen om er mezelf aan te herinneren.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  41. Bij hoofdstuk 43 van Lao Zi, Daodejing
    Niet handelen brengt alles voort: niet spreken wat betreft de lering, niet doen wat betreft het behalen van voordeel. Want het zachtste controleert het hardste. Bijna niemand in de hele wereld komt daartoe.
    Dit diepe hoofdstuk nodigt uit tot uitgebreide uitleg. Die is echter al (verborgen?) aanwezig (!): het gaat om toe- en loslaten wat vanzelf al gebeurt, en daarin onze natuurlijke rol spelen. Niet doen is niet niets doen, wel onze natuur volgen (en die van de wezens en dingen om ons heen) door (alleen) ingrijpen wanneer dat op een bepaald moment vanzelf spreekt. De afweging met behulp van onze kennis en ons redeneren is daarvan onderdeel, niet hoofdzaak. Want dan zouden kennis en redeneren overhand hebben op de natuur, en dat is niet natuurlijk. De natuur omvat meer en gaat dieper dan kennis en redeneren.
    In de praktijk houdt dit ook leren omgaan in met de beperktheid van onze kennis en ons redeneren, en daarbij is ervaring belangrijk. Onze (interactie met onze) omgeving, eerst onze ouders en langzamerhand alles om ons heen, ook als onze ouders er niet meer zijn, helpen ons daarbij. Zonder dat ook maar iets van individuele sterktes en zwakheden, of van wezens of zaken buiten ons, ontkend wordt. We leren thuis raken in de veranderingen die (v.v.) leven en wereldprocessen omvatten, door ervaring; en vertrouwen op de natuur van het zachtste en het hardste. Iets heel anders dan alleen het beheersen door machten en krachten, al zijn die er natuurlijk.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  42. Bij hoofdstuk 42 van Lao Zi, Daodejing
    Dao brengt Een voort. Een brengt Twee voort. Twee brengt Drie voort. Drie brengt de tienduizenden wezens voort.
    Hoe meer woorden ik hier gebruik, hoe groter gevaar van misverstanden. Het Ene is niet de oorsprong, maar Dao is dat. Het Ene, dat is het bestaan, wordt ervaarbaar wanneer het zich splitst. De Twee delen zijn yin en yang die samen Drie baren. Drie is het begin van de tienduizenden wezens. Als yin en yang in harmonie zijn, is alles in orde. Die harmonie kan ook begin en eind en het proces ertussen omvatten. Wat minder harmonisch is, kan uitgangspunt voor de harmonie zijn en omgekeerd. Hoewel woorden en theorieën deel uitmaken van het leven, vervangen zij dat niet. Geweld met of zonder woorden slaat de plank mis. Aan de arme of zwakke kant van processen staan biedt vrijheid. Elk einde is een begin, elk begin vindt ook een einde.
    Vergeleken met de Westerse traditie die hecht aan met wetenschappelijke of wijsgerige taal benoemde hiërarchische orde, is de maatschappelijke orde in het Oosten niet per se gebonden aan tweedelingen in de taal. Wat hier gezegd wordt geldt evenzeer voor hoog- als voor laaggeplaatsten. De eersten en de laatsten kunnen niet zonder elkaar. Althans volgens denkers als Lao Zi en Zhuang Zi. Wie deze houding in het Westen wil praktiseren, heeft dus een opdracht om onopvallend duidelijk te zijn over de bedoeling van gedrag en woorden. Onopvallend duidelijk (pogen te) zijn is in het Oosten gangbaar, in het Westen nog niet overal. Wie Westers (hiërarchisch of wetenschappelijk) denken in het Oosten wil praktiseren, kan dat het beste doen door precies aan te geven binnen welke kaders en werkruimte dat gedaan wordt: een bekend probleem bij Westerse productiebedrijven in Azië (die arbeidsverhoudingen uitbuiten) en Oosterse praktijken (meditatie, geneeskunst, etc. die maatschappelijke en politieke vragen uit de weg gaan) in het Westen. Tegelijk ligt hier een enorme kans voor het afleren van overbodig eenzijdig gedrag: rationalistisch (Westers) of dominant (Oosters) optreden.
    Uiteindelijk hoort bij alles een natuurlijke levenscyclus. Die kan beter niet geforceerd worden. Toen Lie Zi dat begreep, keerde hij naar huis en kwam drie jaar lang niet naar buiten. Hij kookte voor zijn vrouw en voerde de varkens alsof ze mensen waren, zich ver houdend van zakelijke beslommeringen. Hij keerde terug tot natuurlijke eenvoud. Zo bleef hij in eenheid, krachtig en ongekunsteld. (Zhuang Zi 7:V). Is dat alleen een Oosters ideaal?
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  43. Bij hoofdstuk 41 van Lao Zi, Daodejing
    “Dao is verborgen en heeft geen naam. Welnu: Alleen dao is bedreven in een begin geven en tot voltooiing brengen” (slotregels). Schitteren met je deugden komt neer op het opleggen van je eigen vormen aan anderen, terwijl de deugd die werkt vanuit het verborgene het andere bevoorraadt en de eigen (!) ontwikkeling van het andere volgens zijn eigen (!) aard bevordert.
    Dit hoofdstuk is lang en bevat prachtige beelden die bijna voor zichzelf spreken. Hoe zou je hier nog een samenvatting van willen maken? Gelukkig gaf René Ransdorp tijdens zijn cursus van dit hoofdstuk een eigen samenvatting, die ik hier letterlijk overneem (met dank!). Misschien is het wel gevaarlijk samenvattingen te maken als die er op neer komen dat het samengevatte wel begrepen wordt maar niet in praktijk gebracht. De waarheid volgen is een Westerse deugd maar kan gevaarlijk zijn als degene die dat aanprijst niet de waarheid maar zichzelf de hoogte in steekt of volgt, zoals ik als kind wel te horen kreeg dat ik zo goed kon leren en daar vervolgens ook een tijd lang uit afleidde dat dat een altijddurende voorsprong ‘was’. Natuurlijk is er verschil maar allen kunnen de dao volgen door de ontwikkeling van anderen te bevorderen volgens hun eigen aard die net zo waardevol is als welke dan ook. Het meest zichtbare wordt uiteindelijk onzichtbaar, en zo is het met alle eigenschappen. Daarbij kunnen en mogen wij onze rol spelen: zo natuurlijk en vanzelfsprekend mogelijk. Niet om uitsluitend zelf te schitteren ten koste van welke of welk andere dan ook. Want de ontwikkeling gaat altijd door, en het een heeft het ander nodig. Dao heeft geen naam.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  44. Bij hoofdstuk 40 van Lao Zi, Daodejing
    De beweging van dao is terugkeren. Zwakheid zonder forceren is hoe dao functioneert. Alles komt voort uit het bestaan, het bestaan uit niets.
    In onze Westerse cultuur worden zwakheid en gelatenheid al gauw met onverantwoordelijkheid gelijkgesteld, omdat er een sterk plichtsgevoel aan rechtsgevoel gekoppeld is. Hier leren we dat forceren van rechten en plichten weinig zin heeft als het met onnatuurlijke overcompensatie ofwel bruutheid gepaard gaat. Die laatste brengen niet alleen wat ze beogen, maar ook altijd geweld, pijn en dood. Die er ook gewoon zijn zonder forceren, maar dan natuurlijk. Een nuance om tot me door te laten dringen. Forceren kan erger voorkomen, maar brengt al gauw erger mee … Beter is het de krachten in en om ons te leren aanvoelen en kennen en zo er onze weg in en mee te weten – en te gaan. Gaan dat ook altijd loslaten is, kan zijn en mag zijn!!
    (Hoofdstuk 40 en 41 komen ook in omgekeerde volgorde voor.)
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  45. Bij hoofdstuk 39 van Lao Zi, Daodejing
    Degenen die vroeger één bereikten, bereikten hun verwerkelijking als volgt: de hemel werd daardoor helder, de aarde stabiel, de natuurgeesten werden werkzaam, het dal vol, alles in leven, de vorsten model voor de hele wereld. Ofwel: anders zou de hemel kapot gaan, de aarde in verval raken, zouden de natuurgeesten stoppen, het dal uitgeput raken, alles uitgeblust zijn, de vorsten struikelen. Daarom neemt het hoge het nederige tot fundament. Hierom noemen vorsten zich wezen, weduwen/weduwnaars en behoeftigen, niet dan? Daarom is de hoogste faam zonder faam. Verlang niet briljant en schitterend te zijn als jade maar gewoon en ruw als steen.
    Iedere keer als ik de betekenis van de laatste regel tot mij laat doordringen, merk ik hoe zelf-opgefokt ik in het leven sta. Gewoon is immers goed genoeg want zonder de basis houdt geen opbouw stand. Ben ik diep verbonden met het diepste begin? Of zweef ik ver van de realiteit in mijn zelf verzonnen of nageaapte droom?
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  46. Bij hoofdstuk 38 van Lao Zi, Daodejing
    Wie in de kern ofwel het echte woont, woont niet in de schone schijn. De deugd ofwel innerlijke kracht van Dao werkt nooit met dwang maar vanuit het verborgene; in de mate dat de mens met zijn deugd wil schitteren, verwijdert die deugd zich van Dao. Beter onbehouwen, echt en dus natuurlijk dan zogenaamd verfijnder, geleerder en normatiever maar in feite onnatuurlijker.
    Het is niet te vermijden zich in de drukte van het menselijk verkeer en het verdere leven te begeven, maar men kan hier een vertoning van maken of extra voorschriften toevoegen (en zo naast het doel schieten) dan wel zich zo natuurlijk ofwel zo onbehouwen mogelijk aanpassen aan wat zich voordoet en vanzelf aanbiedt, en daarop inspelen. In het laatste geval verwerkelijkt Dao zich in alles vanzelf.
    Het komt derhalve zowel op authenticiteit aan, zonder dat variaties te veroordelen zijn. Hoewel inclusiviteit niet met zoveel woorden genoemd wordt, is zij in dao inbegrepen. En exclusiviteit daarbinnen evengoed. Neem in onze cultuur het bekende verhaal van de barmhartige Samaritaan: past dat niet prachtig in deze gedachte? De exclusiviteit is bij voorbaat doorbroken, maar exclusiviteit mag desondanks bestaan. Mensen die hun neus optrekken voor andere mensen, doen er goed aan het probleem dat zij signaleren bij de wortel aan te pakken: dat kunnen zij omdat zij kennelijk een probleem zien en dat kunnen delen om er iets aan te helpen doen. Alles binnen de grenzen van het natuurlijke en voor de hand liggende: uitwisseling, eventueel actie. Het leren verstaan van elkaars gewoonten en talen lijkt me dan wel een belangrijk aspect! Respect voor alles, niet speciaal voor de zogenaamde hogere cultuur; respect omvat het recht doen aan alle bestaande en waargenomen verschillen. Een ruwe bolster kan een heel zachte pit hebben. Hoe leer ik daar zicht op krijgen?
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  47. Bij hoofdstuk 37 van Lao Zi, Daodejing
    Dao betracht permanent het niet-handelen, toch wordt niets niet gedaan. Wie van dat beginsel uit gaat, bewerkt dat alle wenzens zich vanzelf ontwikkelen. Passies kalmeren door de eenvoud van het naamloze. Zonder begeerte en daardoor kalm, komt de hele wereld spontaan tot zijn bestemming.
    Dit is het laatste hoofdstuk van het deel ‘Dao’ (‘Weg’ of ‘Dao’; het andere deel is ‘De’ ofwel deugd/ energie). Er zijn nogal wat varianten te bedenken op dit uitgangspunt, te meer als men zich de toepassing indenkt. De varianten zwakken dan al gauw de kern af. Toch is er geen tegenstelling met wat de rol van ieder is zolang die die rol niet overdrijft. Wie de natuur vervangt door vaste patronen, passe op dat die patronen geen dwangbuis worden of (allereerst mentaal) uit de hand lopen. Dat geldt dus zeker voor die ‘hand’ en hoe je ernaar kijkt!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  48. Bij hoofdstuk 36 van Lao Zi, Daodejing
    Wil je iets veranderen, begin dan met het ruimte te geven. Langs deze weg overwint het zwakke het sterke subtiel en glansrijk. Vis haal je niet uit het diepste water, de scherpste wapens kun je niet aan mensen tonen.
    Om dit prachtige hoofdstuk te begrijpen, dacht ik aan de cirkel met yin en yang. Wanneer je de natuur volgt, komt je tijd vanzelf. Door de natuur ruimte te geven, komt de verandering een stapje dichterbij. Alles hangt met alles samen!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  49. Bij hoofdstuk 35 van Lao Zi, Daodejing
    Houd vast aan het grote symbool (Dao), en de wereld volgt. Volgt zonder schade, zodat er rust en kalmte is. Opvallende muziek en lekkernijen doen de voorbijgaande gasten stoppen – wat uit de mond van Dao komt, hoe licht van smaak! Je kijkt ernaar, maar kunt het niet zien; je luistert ernaar, maar kunt het niet horen; je gebruikt het, maar kunt het niet uitputten.
    Wat een wonderlijke tegenstelling tussen de opvoeding in Europa in de ‘moderne tijd’ (laatste eeuwen) met haar ‘zwarte (wie niet wil, moet maar voelen) pedagogiek’ ofwel het forceren, en de natuurlijke ‘opvoeding’ volgens Lao Zi. In beide gevallen is het goed waarnemen centraal (zodat gehoorzaamd dan wel gevolgd kan worden). Maar hoe vaak werd bij de zwarte pedagogiek niet bij voorbaat het dwangmiddel gebruikt? Fascisme kon zo een grote beweging worden in Europa die tot grote oorlogen en vernietiging leidde. Lao Zi lijkt een reactie op de vernietigende legers uit de periode van ‘de strijdende staten’ in China. Ga de grenzen niet te buiten, volg gewoon de natuur, lijkt hier gezegd te worden, dan is er vrede en balans (dat geldt voor de vorst met het oog op de hele samenleving, en ook voor iedere mens in de eigen omgeving, neem ik aan; ongetwijfeld ook voor woordgebruik).
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  50. Bij hoofdstuk 34 van Lao Zi, Daodejing
    Het grote Dao is krachtig werkzaam naar alle kanten – door vanuit het verborgene te werken. Het voltooit zijn werk maar eigent zich dat niet toe, noem het klein. Alle dingen krijgen er hun bestemming door, noem het groot. Juist omdat het zich niet groot voordoet, kan het het grote voltooien.
    Spreekt helemaal voor zichzelf, hoop ik. Toch voeg ik graag een citaat toe uit een artikel van René Ransdorp, uit zijn context gehaald (hij geeft door overdrijving aan dat het in het taoïsme niet om – in onze cultuur wellicht eerder – loze woorden gaat): “Een taoïstische leraar dient zijn gehoor te vragen of hij wel vaag genoeg is”. Met andere woorden: ook de woorden of spreuken van de Daodejing zijn geen waarheden om mensen mee om de oren te slaan, maar om ze te laten gebeuren in en als de grote context van alles, inclusief het gedrag van degene die spreekt. Dat is niet wat ik vroeger leerde, dat was namelijk “voor je waarheid staan” door die altijd duidelijk in woorden (en bijbehorend gedrag) naar voren brengen, bijna alsof dat altijd in rationele termen mogelijk is (en onafhankelijk van de vraag of dat de meest geschikte gedragsvorm was in de situatie). Terwijl hier geleerd wordt: laat de waarheid uit zichzelf groeien, door zonder grootspraak de natuur te volgen en te doen wat daarbij past.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  51. Bij hoofdstuk 33 van Lao Zi, Daodejing
    Wie anderen kent is intelligent, wie zichzelf kent is verlicht. Wie anderen overwint bezit kracht, wie zichzelf overwint is sterk. Wie weet wat genoeg is, is rijk. Wie krachtig handelt bezit wilskracht, wie zijn plek niet verliest heeft een lange duur. Wie sterft maar niet verdwijnt, leeft lang.
    Zie ook hoofdstuk 19: intelligentie mag geen afweermiddel zijn om zich tegen anderen af te zetten, dan levert het onnatuurlijkheid op. Hier wordt duidelijk dat zelfkennis belangrijker is maar naar buiten gerichte kennis ook een rol heeft, zij het een van geringere waarde: gerelateerd aan haar positie onder zelfkennis (die respect voor al het andere omvat, dat al dan niet scherp gekend wordt). Ook hier wordt duidelijk dat innerlijk meebuigen een hoge waarde is, zo niet de hoogste. Ofwel: wie van een onderscheid of verschil een onverbeterlijke waarheid of richtlijn maakt, verliest de verbinding. Echt leren wordt dan meer iets van open staan en mee bewegen. We hebben in de hss 30 en 31 net gehoord (gelezen) dat wapens hanteren in ditzelfde perspectief gezien kan worden; ook opvattingen, kennis en zelfkennis, zijn zowel waardevolle middelen (in uitzonderingssituaties) als elementen van de natuur die (uit zichzelf, zonder onze hantering met macht) in harmonie kunnen zijn. Dat is een nogal andere opvatting van kennis (en waarheid) dan die van wetenschappelijke kennis in de moderne (en reeds aristotelische) wetenschappen en dan die van dogmatische kennis in sommige culturele tradities (van recht tot religie, het sterkst waar zij aan instituties gebonden is). Voor ons westerlingen betekent dit wellicht het subversieve in sommige eigen tradities weer te leren kennen: dat subversieve biedt perspectief op wat hier het natuurlijke heet (en vice versa?). Boeiend is verder dat dit ook het sterven omvat dat voor alle verschijnselen (in hun vele verschillende vormen) een rol speelt, ofwel de vergankelijkheid van alles. Waarin niettemin Dao altijd verborgen of openlijk aanwezig is.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  52. Bij hoofdstuk 32 van Lao Zi, Daodejing
    Dao valt niet op maar niemand kan het overwinnen. Als een vorst Dao kon bewaren, schikte alles zich vanzelf, regende het dauw en waren de mensen in balans. Een systeem beginnen is namen scheppen, er op tijd mee stoppen voorkomt gevaar. Dao is in de wereld zoals een valleibeekje in verhouding tot rivieren en de zee.
    De laatste regel wordt ook omgekeerd vertaald: zoals rivieren en oceaan tot een valleibeekje. Ik denk dat het bovenstaande beter de bedoeling weergeeft. Ook de andere beelden in dit hoofdstuk zijn veelomvattend: alles schikt zich waar Dao mag heersen. En Dao wordt voorgesteld als het meest onopvallende, vanzelfsprekende, natuurlijke! Daar zwijg ik bij.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  53. Bij hoofdstuk 31 van Lao Zi, Daodejing
    Wie met Dao in harmonie zijn, houden zich niet met wapens bezig. Ontkom je er niet aan, gebruik ze dan met mildheid en kalmte. Generaals horen alleen in oorlogstijd vooraan te staan, beween na een oorlog de slachtoffers en houd na een overwinning een rouwritueel.
    Een prachtig voorbeeld van inclusief denken! Het relativeert ook iedere “Prinzipienreiterei”. Het moet voor een goede vorst of leider wel heel bijzonder zijn om te regeren zonder zelf op te vallen, zoals Lao Zi elders aanprijst. En dat terwijl ik er altijd maar op uit blijf om mijn kennis ten toon te spreiden in de veronderstelling dat het verspreiden van die kennis ‘vanzelf’ veel problemen op zal lossen. Kennis is in zichzelf niet slecht maar het tentoon spreiden ervan kan dat heel gauw zijn (…). Waar leer ik het laatste af en het eerste (kennis hanteren) op een manier die het geheel op een natuurlijke wijze laat verlopen en daaraan – en dus aan alle onderdelen – ten goede komt? Eerst maar eens kijken naar de oneffenheden in eigen oog en de zwakheden en beperktheden van het eigen bestaan en leven? Daar is meer dan genoeg om aandacht aan te schenken en niet te streven naar opvallen bij anderen.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  54. Bij hoofdstuk 30 van Lao Zi, Daodejing
    Wie de leiders dienen met Dao, bewerken dat er geen wapens tegen de wereld gebruikt worden. Dat verkeert gauw in zijn tegendeel. Grote legers laten verwoeste velden na. Doe je best en laat het daarbij, zonder pochen of pretenties. Forceer niets, anders is het gauw over.
    Hoe vaak is het me niet overkomen, dat iets dat me goed lukte en ik me daarmee publiekelijk vereenzelvigde, of dat iets me niet lukte en ik in de slachtofferrol kroop. Zo maakte ik mezelf volgende bijdragen veel moeilijker. Het ging en gaat immers om die bijdrage, toen of nu, niet om mij. Ik hoef alleen maar te doen wat mijn hand vindt om te doen, en daarbij mijn (on)mogelijkheden te erkennen: planning heeft een zekere waarde maar die is altijd betrekkelijk. Pas op voor bewapening en dogma’s en het daarmee betrekken van stellingen!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  55. Bij hoofdstuk 29 van Lao Zi, Daodejing
    Mensen en dingen volgen in de wereld hun karakter. Overdrijf en forceer daarom niet naar de ene of andere kant door je te hechten aan iets in of buiten jezelf.
    Gewoon de natuur volgen: hoewel ik graag scoor voor de bühne, is het wijzer eenvoudiger en belangrijker zaken niet op het spel te zetten. Dat kan ik ieder moment gewoon doen zonder er voor gestudeerd te hebben …!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  56. Bij hoofdstuk 28 van Lao Zi, Daodejing
    Van zijn mannelijke element besef hebben, en zijn vrouwelijke element koesteren, dat is als het rivierdal van de hele wereld. Wie van het natuurlijke uitgaat terwijl zij of hij zich bewust is van tegengestelde mogelijkheden, is gereed om zijn taak aan te vatten.
    Heel, heel langzaam dringt enigszins tot mij door dat Lao Zi ons via de taal uitnodigt om zo open in het leven te staan – naar alle zijden en in alle opzichten – dat we ons (opnieuw of voor het eerst) bewust worden van de grote kracht die het natuurlijke, onbevangene, onpretentieuze heeft. Hij zegt dus niet dat het middel van de taal of de kennis per definitie tekort schiet maar dat elk middel (ook kennis of taal) zijn doel voorbij schiet als het niet meer geankerd is in zijn natuurlijke grond, en pretenties koestert die het uit die grond vandaan halen tot schade van alles en allen. Of die verbinding er is en in de ervaring van de permanente veranderingen functioneert, is de uitdaging. Of in de kernachtige woorden bij dit hoofdstuk van mijn neef Boudewijn die de typografische combi van de teksten maakte: “In het kennen van het ene en het vasthouden van het andere komen we tot ons volledige potentieel.”
    Dit rijke hoofdstuk veronderstelt de oud-Chinese opvatting als bekend dat het (harde en dynamische) mannelijke hoog en het (zachte en rustige) vrouwelijke laag in aanzien staat. Lao Zi’s visie is dat het mannelijke als het ware gedragen wordt door het vrouwelijke. Het zachte wordt de dragende grond van het harde, de basis die het mannelijke pas mogelijk maakt. Ofwel het dynamische in de natuur is een functie van de rust. Psychisch gezien is het vanuit de stilte, de concentratie, de rust, het zachte, dat je creativiteit pas gaat stromen. Zodat de bron tot een krachtige stroom wordt. De kracht van het zachte komt terug in de hoofdstukken 43 en 76.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  57. Bij hoofdstuk 27 van Lao Zi, Daodejing
    Wie op natuurlijke wijze goed is in iets, laat geen sporen na, want is er niet aan gehecht en wil niet schitteren. Daarom is de wijze mens altijd goed in het helpen van anderen, zodat ze zich naar hun aard kunnen ontwikkelen. Dat heet het licht volgen. Daarom is de goede man de leraar die anderen goed maakt en de slechte man daarvoor de ruwe grondstof. Dwaas is wie zijn leraar niet hoogacht en zijn grondstof niet bemint. Dat heet de essentie.
    Hoezeer ik ook geneigd ben in deze tekst te lezen dat er een eigenschap is die mensen verlicht kan maken, als die eigenschap niet inhoudt het ruimte laten voor de eigen opvattingen en ontwikkeling van alle (andere) mensen en dingen, dan vind ik mijn eigen opvattingen kennelijk toch beter, en leg ik mijn zogenaamde inzicht aan die anderen op. De wijze werkt vooral onopgemerkt, althans vanzelfsprekend en dus min of meer onopvallend. Zo niet, dan is zij of hij (heel) eigenwijs en niet helpend. Hmmm … die kan ik boven mijn bureau hangen. En hoe passen ‘de media’ daarin en mijn gebruik ervan?
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  58. Bij hoofdstuk 26 van Lao Zi, Daodejing
    De zware basis draagt de lichte bovenbouw. De rust aan de top stuurt de drukte aan de basis. Dus vermijdt de toonaangevende mens extraverte lichtzinnigheid en onrustige gejaagdheid.
    Verantwoord leven is niet alleen het uiterste uiterlijke rendement halen uit jezelf en alles om je heen. Ook al nodigt de verleiding je uit om overal aan mee te doen en je winst te halen, zonder innerlijk evenwicht komt geen heelheid tot stand. Dat geldt te zwaarder naar mate je meer sociale verantwoordelijkheid hebt. Maar het geldt voor iedereen op alle terreinen en niveaus. Voor Lao Zi en Zhuang Zi betekende dit het voorrang geven aan innerlijk evenwicht en lichamelijke gezondheid boven het aanvaarden van – zelfs de eervolste – functies. Reden om heel goed in de spiegel te kijken hoe evenwichtig ik durf te zijn, dat wil zeggen de natuurlijke, vanzelfsprekende weg volgen en me niet te buiten gaan, innerlijk laat staan uiterlijk. Voor mij voelt dit als een les die ik nog wel een tijdje (…) blijf moeten leren. Over wijsheid gesproken …
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  59. Bij hoofdstuk 25 van Lao Zi, Daodejing
    Vóór hemel en aarde (waar de mens en alles uit ontstond) ontstond iets uit de chaos, dat zou je hun moeder kunnen noemen. Alle dingen en hun verhoudingen komen er uit voort, een voorbeeld nemend aan elkaar.
    Ik noem het Dao, bij alle veranderingen neemt het een voorbeeld aan zichzelf.

    Opnieuw het beeld van de eindeloze wording uit een begin, en dito terugkeer: in “wat vanuit zichzelf zo is”. Die wording en terugkeer geldt ook voor onszelf; dat omvat het grootste maar is tegelijk buitengewoon rustgevend want vertrouwd, ook in het kleine en particuliere. Wat niet wil zeggen dat we niet onze blik mogen scherpen of kennis gebruiken, maar wel dat proportionaliteit belangrijker is.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  60. Bij hoofdstuk 24 van Lao Zi, Daodejing
    Verlang niet groter te zijn dan je bent, forceer niets; dat werkt tegen je. Wie Dao volgen, houden zich niet bezig met het overbodige.
    Hoe poëtisch de tekst ook is in het Chinees, de kracht ervan is niet alleen het overtuigende van de schoonheid (die er zeker is), maar van het natuurlijke. En bij het natuurlijke hoort erkennen wat is en kan (en wat gevaarlijk is en niet kan), en zo bescheiden onze vanzelfsprekende weg gaan. Past onze consumenten- en producentenmaatschappij daar nog bij? Wanneer schiet reclame aan zijn doel voorbij? Hoe houd ik oog voor de menselijke maat, en ruimte voor empathie in het sociale verkeer, de economie en de politiek? Zonder verschillen te bagatelliseren? Laten we tegelijk niet vergeten dat er meer is dan wat we kunnen beredeneren, verwoorden, berekenen: we zijn verbonden met ‘alles’. Ooit kwamen we in deze concrete wereld en ooit zullen we haar weer verlaten, als deel van een groter geheel van komen en gaan.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  61. Bij hoofdstuk 23 van Lao Zi, Daodejing
    Weinig spreken is natuurlijk, geen stortbui valt de hele dag. Als hemel en aarde het niet lang volhouden, hoeveel minder dan de mens? Wie zich toelegt op de Weg en de Deugd, is er een mee; wie op verliezen, krijgt dat.
    De tekst biedt ook ruimte voor de gedachte dat de Weg (Dao) ook iets is waar je naar kunt streven, wat de vraag oproept of dat dan zo natuurlijk is als elders als ideaal naar voren gebracht wordt. Hoe dan ook, worden we een met dat waaraan we ons wijden (De): winst of verlies. Waarbij we de duur van onze ‘grip’ – en het nut van veel woorden – in geen geval hoeven te overschatten!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  62. Bij hoofdstuk 22 van Lao Zi, Daodejing
    Wat buigt, blijft heel. Wie weinig heeft, zal ontvangen, maar wie veel heeft, raakt het spoor bijster. Door zich zonder pretenties aan dit Ene te houden, wordt de Wijze de herder van de wereld.
    Persoonlijke reactie: Vaak denk ik dat als ik als persoon maar doe wat het “beste” is ofwel wat “moet”, dat ik dan op mijn lauweren kan rusten en afwachten hoe het uitpakt. Maar hier staat iets van fundamentelere betekenis. Juist wie zich als persoon niet op de voorgrond plaatst, heeft kans aan het proces bij te dragen. En dat kan alleen, door jezelf te beschouwen in de context van al het andere en alle anderen. Alleen daar wordt je al bescheiden van. Wij zijn er niet om mee te doen aan een race naar de top maar om in alle bescheidenheid een bijdrage te vormen van het evenwichtige proces van het geheel. (Af)wisseling tussen top en bodem is de natuur eigen.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  63. Bij hoofdstuk 21 van Lao Zi, Daodejing
    De vormende krachten (De) volgen alleen de Weg (Dao), waarvan het wezen chaos is maar dat altijd oervormen voortbrengt. In het duister vormen zich kiemen, wier namen bekend bleven. Hoe? Door dit hier.
    Persoonlijke reactie: Machthebbers beroepen zich graag op geleerdheid. De werkelijkheid wordt echter voortdurend in nieuwe vormen gevormd. Van dat proces vangen we signalen op door goed waar te nemen: onszelf en onze omgeving (vice versa). Niet vasthouden aan oude begrippen (ook al kunnen die soms een eindje op weg helpen) maar aanwezig zijn en open staan voor wat zich aandient (en daar wijs mee pogen om te gaan, inclusief het gebruik van wat langer blijvende – min of meer (!) bestendige – zaken).
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  64. Bij hoofdstuk 20 van Lao Zi, Daodejing
    (Zie voor het begin hiervan de opmerking bij hoofdstuk 19.)
    Als ik de uitermate tegengestelde ervaringen bij de meeste anderen zie, waar bevind ik me dan? Zijn zij uitgelaten, ik ben stil als een ongeborene; hebben zij overdaad, ik alleen gebrek; weten zij alles, ik ben een dwaas in het duister; zijn zij kenners, ik tast maar wat rond. Moet wie gevreesd wordt, niet ook zelf vrezen? Ja vormloos ben ik, zonder houvast, ik kan alle kanten op. De massa heeft zijn vaste doelen en verlangens, ik blijf een dommerik die anders wil zijn … ik laat me voeden door de Moeder.
    Persoonlijke reactie: Ook hier lees ik de deugd van echt als unieke persoon in het leven te durven staan, en conventies te doorzien. Wat koop je voor onechtheid, ook als het vertrouwd en veilig lijkt? Want de werkelijkheid is bepaald niet veilig en vertrouwd, behalve voor wie haar tegenstellingen accepteert zoals ze zijn en zich voordoen, nog belangrijker: zoals je die alleen zelf ervaren kan en aan kan gaan op jouw wijze. Niet als het buiten jou gelegen ideaal, maar zoals je bent en durft en wilt zijn in de omstandigheden die nu zo zijn.
    Durf ik het ideaal van ‘geleerdheid’ (ideaal met welk doel?!) te laten voor wat het is? Is het natuurlijke leren niet voldoende? Hoe weten we precies dat we niet met vooroordelen werken? Heb een open hart en blijf ontvankelijk en ‘onnozel’ = onbevooroordeeld: dan heb je alles. Ik heb vertrouwen dat deze tekst mij krachtig helpt in de goede richting: open en vrij verbonden leven zonder buitenkant-opsmuk!
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  65. Bij hoofdstuk 19 van Lao Zi, Daodejing
    (Mogelijk en waarschijnlijk hoort de eerste regel van het volgende hoofdstuk (20) bij hoofdstuk 19 en is hiervan dan de laatste regel: “Doe leren weg, dan leef je onbezorgd!” Ook zijn er enkele verschillen tussen gevonden teksten.)
    Stop met voortdurend nadruk leggen op wijsheid, kennis en leren, en het volk gaat sterk vooruit; met voortdurende nadruk op normen, dan keert de natuurlijkheid terug; met voortdurende nadruk op list en profijt, dan heb je geen rovers. Leg je in plaats van op deze schijn toe op ongekunsteldheid, eenvoud, weinig eigenbelang, geringe begeerte. Doe leren weg, dan leef je onbezorgd!
    Persoonlijke reactie: ik zou mijn sterke neiging tot ‘het voortdurend in eigen kring [aan de orde stellen van precies en] beter weten’ op grond van deze les als weinig bevorderlijk kunnen beschouwen: zinloos, contraproductief, kortom beschamend! Anderen – bijvoorbeeld in opvoeding en onderwijs (let op de relativering van mijn verantwoordelijkheid …) – mogen mij die nagestreefde en door mij bewonderde en nagevolgde (zonder meer waar, geef ik toe) kennis of kunde ooit aangeleerd hebben, ik prijs mij gelukkig met de boodschap van dit hoofdstuk: het overdragen kan eenvoudiger, natuurlijker en effectiever, zelfs bij hen die kennis en kunde gekregen en ontwikkeld hebben. Want het gaat dan niet meer om het ermee pronken of er heimelijk beter van worden; hopelijk nog wel gewoon om waardevolle informatie (inzicht en kennis): zie ook hoofdstuk 33. En dan is er meer ruimte voor echte ontmoeting en genegenheid (bijvoorbeeld niet alleen afhankelijk van wat iemand kan of weet, maar met respect voor wie en wat er al dan niet is). Al besef ik dat het verschil in context van tijd en plaats van ontstaan en van huidige lezing in de Europese cultuur meegewogen mag worden: is een tekst als deze niet uiterst relevant in onze zogenaamde moderne wetenschappelijke (Westerse? of globale?) wereld?
    Boudewijn Koole Brigdammensis
    [Bij het schrijven van de samenvatting van dit hoofdstuk maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de buitengewoon leerzame en waardevolle cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp, die daarbij uitvoerig vertaling en commentaar gaf. Zie boven. Ook had ik de vertalingen met toelichting van Robert G. Henricks (Ned. vert. 1991 uit Engels 1990) en Kristofer Schipper (2010) bij de hand.]

  66. Bij hoofdstuk 18 van Lao Zi, Daodejing
    In parafrase:
    Wanneer natuurlijkheid verdwijnt, komen de idealen van menslievendheid en plichtsbetrachting naar voren.
    Als intelligentie en wijsheid op de voorgrond treden, komt grote huichelarij om de hoek kijken.
    Bij onharmonische familieverhoudingen komen de idealen van ouderliefde en genegenheid naar voren.
    Waar harmonie niet vanzelfsprekend is, wordt loyaliteit geprezen.
    (Blijf in het midden, vertrouw op de natuur.)

    Boudewijn Koole Brigdammensis
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de buitengewoon leerzame en waardevolle cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven.]

  67. Bij hoofdstuk 17 van Lao Zi, Daodejing
    De vorst wordt een spiegel voorgehouden die ook als algemeen menselijk ideaal is op te vatten. “Van de hoogste weet men niet dat hij bestaat.” De betekenis wordt pas duidelijk uit het vervolg. Naarmate de rangorde lager is, verdwijnt het vanzelfsprekende in het gehoorzamen en spreken over de vorst, tot het laagste niveau waarop de vorst slechts beschimpt wordt. De kern is de aan- of afwezigheid van vertrouwen (via het geven en krijgen ervan). “Als het vertrouwen [van de vorst] ontoereikend is, dan is er ook geen vertrouwen [van de onderdanen].” Dit is herkenbaar: “Ontspannen en zuinig met woorden is hij [de hoogste]. Als hij zijn werk heeft voltooid, zeggen alle mensen: “Wij zijn uit onszelf zo.”” Dit ideaal van vertrouwen geven kan iedereen zich ter harte nemen die met anderen te maken heeft.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (=LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de buitengewoon leerzame en waardevolle cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven.]

  68. Bij hoofdstuk 16 van Lao Zi, Daodejing
    Parafrase en persoonlijke reactie:
    Het begin is meteen raak. “Tracht de uiterste leegte te bereiken, bewaar de uiterste stilte.” Verderop staat “Terugkeer naar de wortel wil zeggen: stilte, dit heet terugkeren naar de bestemming.” Oorsprong en bestemming liggen bij elkaar. De weg die wij afleggen, via ons bewustzijn en onze taal, ervaren wij als stukjes van een proces (weg=proces) maar in werkelijkheid zijn wij ook altijd aan het begin en aan het einde ervan, zelfs terwijl we onderweg zijn. Oorsprong [of begin] en verandering [of weg] en bestemming [of einde] veronderstellen elkaar, ook al nemen ze voor ons bewustzijn telkens andere vormen aan. Omdat we ons meestal druk maken om die vormen, om de verandering, is het goed ons te richten op de oorsprong, de bron, de stilte. Of liever: de verandering en de vormen hun gang te laten gaan, zodat de oorsprong ons kan sturen en wakker maken. Zodat wij op natuurlijke wijze deelnemen aan de natuur die alles omvat als uitdrukking van het onnoembare Dao.
    Boudewijn Koole Brigdammensis (‘van Brigdamme’; =LSz.)
    [Bij het schrijven van deze reactie maakte ik onder meer gebruik van mijn aantekeningen van de buitengewoon leerzame en waardevolle cursus “Daodejing lezen” van René Ransdorp. Zie boven.]

Geef een antwoord

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.