De al bekende weg [dao] kan niet de alomvattende weg [dao] zijn (Daodejing 1, eerste zin)

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , ,

“De al bekende weg: onze vastgelegde kennis uit het verleden blijft altijd slechts een beeld van dat verleden. Als we niet ook open zijn voor wat nieuw is, missen we dat nieuwe door er aan voorbij te gaan.”

Toelichting: De “werkelijkheid”, inclusief “de wegen” daarin, is niet 100 % voorspelbaar op grond van onze kennis van het verleden. Openstaan voor wat nog niet bekend is, is onmisbaar naast het waarnemen van en reageren in de actuele situatie die allereerst dat nog niet bekende permanent onthult. Voortijdig reageren is even dwaas als menen dat de kennis van het verleden ons altijd precies de juiste handelwijze zal aanreiken. Het komt er dus op aan open te staan voor alles, ook dat wat we nog niet weten van de eindeloos diepe werkelijkheid waarvan we deel uitmaken.

“Voor wie tijd is als eeuwigheid en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd” (Jacob Böhme)
“Alleen een god kan ons redden*” (Martin Heidegger)
“… maar het mysterie blijft” (René Ransdorp)
“De zachte krachten zullen zeker winnen in ‘t eind**” (Henriëtte Roland Holst)
“De weg volgen brengt evenwicht: terugkeer naar het oorspronkelijke***” (Lao Zi, Daodejing 60)

* Het citaat van Heidegger lees ik niet als oproep tot een bepaald kerkelijk geloof maar als een verzuchting van een diepe denker over de ernstige situatie waarin wij ons volgens hem bevinden (door techniek als rationeel beheersbaar te beschouwen terwijl wij het gevaar lopen van de tovernaarsleerling die de krachten die hij oproept niet voldoende kent). Wij kunnen ons wel afvragen wat wij kunnen doen om onze situatie diepgaand serieus te nemen, inclusief de werkelijkheden die buiten onze macht liggen. En als het antwoord daarop is dat wij deels onmachtig zijn, is daarmee ook onze uiterlijke verantwoordelijkheid relatief; uiteraard niet onze verantwoordelijkheid ten aanzien van het serieus nemen van onze bijzondere mogelijkheden als zelfbewuste mensen. Heidegger is daarover vermoedelijk pessimistischer dan de idealistische traditie van het neoplatonisme, Böhme, Hegel, Schopenhauer, Jung en Kastrup.

** Henriette Roland Holst stond krachtig voor het socialistisch ideaal, dat haars inziens niet de harde krachten zou doen overwinnen, maar de zachte. Hoewel ik haar betrokkenheid bij en visie op het socialisme niet uitgebreid ken, vermoed ik dat zij het idealistische erin voorstond, niet in de zin van onpraktisch maar wel in de zin van zonder machtsmisbruik via onevenwichtigheden. Dat ideaal van evenwicht ‘hoor’ ik in deze beroemde dichtregel van haar. Het past bij een gebruik van de eenheid van tegenstellingen door alle processen heen, die het socialisme van Marx via Hegel aan Jacob Böhme ontleende. (Zie onder: over ‘Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen’ over het denken van Böhme en de historische en culturele parallellen ervan.) Nu in onze tijd het negentiende- en twintigste-eeuwse socialisme verbleekt zijn door de opkomst van het neo-kapitalistische neoliberalisme in het Westen en het staatscommunisme in het Oosten, is het van belang de oorspronkelijke inspiratie van het socialisme te herwaarderen. Mijn voorkeur daarbij is het duidelijk afstand nemen van het ook door veel socialisten overgenomen “automatisme” (resp. het nog sterkere “automatisch” als onfeilbaar beschouwen van) van de moderne wetenschappelijke methode (in filosofie en wetenschap sinds Descartes) en herwaarderen van het omvatten van alle tegenstellingen en hun dialectiek, zoals bij onder meer Böhme in het Westen en Lao Zi in het Oosten, inclusief de gevoeligheid voor wat taal in dit opzicht betekent, want: wel én niet kan …

Waarmee ik niet beweer dat ‘zacht’ socialisme de hardheid in de werkelijkheid ontkent, integendeel. Misschien verdedigde ook Roland Holst de methodische ‘waarheid’ van het socialisme als onderbouwing van haar streven. Maar dat het in de harde krachten om de zachte dient te gaan (en andersom!) lijkt mij duidelijk, op straffe van de zinloosheid die haar dichtregel anders zou treffen. De vraag is voor mij in ieder geval (en ik neem aan voor velen) hoe te leven in een wereld van tegenstellingen in permanente verandering, en die vraag niet bij voorbaat te beantwoorden met dood(slag) door geweld. Een niet minder (of zelfs meer) fundamentele vraag zou kunnen zijn of onthouden van eigen geweld niet altijd beter is dan voorkomen van erger geweld dan wat we zien gebeuren of gaan gebeuren. Die vraag houdt in dat we zelfs met ons beperkte zicht op onze huidige omgeving toch graag erger willen voorkomen; uiteraard zonder anderen in hun vrijheid meer te belemmeren dan daartoe nodig is. En nog meer dat we ons ons beperkte zicht realiseren, niet alleen in de taal die we gebruiken om dat zicht weer te geven, maar ook beseffend dat ons hele bestaan als individuen en delen van de grotere werkelijkheid (die we kunnen beseffen zonder haar volledig dat wil zeggen in alle details van buiten en van binnen te kennen), een belangrijker want fundamenteler aspect van ons bestaan is dan onze gedragingen om ons persoonlijke bewustzijn en dat van de levende wezens om ons heen te respecteren en te verzorgen, van opkomst tot bloei tot ondergang. Of dat laatste aspect (respect en zorg voor ons en alle levende wezens) misschien even zeer als het eerste (ons ontvangen en gegroeide individuele bestaan te midden van alle andere en de grotere werkelijkheid). In dat geval: beseffen dat we tijdelijke bewustzijnsvormen zijn binnen een veel groter geheel, waarbij dat bewustzijn zich mag verliezen om in het grotere geheel te dienen en op te gaan. Want het grotere geheel is ook bewustzijn, zij het niet zo individueel als dat van sommige van zijn delen. (Voor m lees ook m/v.) Hoeveel harde confrontatie is niet te vermijden en te vervangen door vruchtbare ontmoeting? Is dat ‘offer’ verlies of winst? Wie het ervaart, zal het weten.

***Hoofdstuk 78 van Lao Zi, Daodejing (Verder naar onder**** staan ook de kernachtige teksten van hoofdstukken 59 tot en met 64.)

Niets in de hele wereld is zachter en zwakker dan water.
Tegelijk kan niets beter het harde en sterke aanvallen
Doordat niets zijn plaats kan innemen.
Dat het zwakke het sterke
En het zachte het harde overwint:
Niemand in de hele wereld is er die dat niet weet
Maar ook is er niemand die dat in praktijk brengt.
Daarom zegt de wijze mens:
Juist degene die het vuil
van het land op zich neemt,
Kan ‘heer van de hele natie’ genoemd worden
En juist wie de tegenspoed van het land op zich neemt,
Kan koning van de hele wereld genoemd worden.
Ware woorden lijken tegenstrijdig.

Hs 78 werd geplaatst op 18 maart 2021. De teksten van de hoofdstukken 16 tot en met 76 van de Daodejing  publiceerde ik samen met mijn neef Boudewijn (DenJzn) † als kop van deze pagina, de laatste in oktober 2020. Mijn voortzetting vanaf hoofdstuk 77 vanaf februari 2021 is mee geïnspireerd door zijn warme, ook inhoudelijke betrokkenheid die ik ongaarne mis. [ Voor mijn bericht over het overlijden van Boudewijn zie in de kolom links ].

Wie teksten van meer hoofdstukken wil weten, of erop wil reageren, vindt die met korte toelichtingen in het aparte blogitem “DAOÏSME: inleiding & DAODEJING: lopende samenvatting en commentaar & LEZERSREACTIES” met verwijzing naar enkele Nederlandse inleidingen in de Dao De Jing en het daoïsme, naar vertalingen en literatuur, en over de context van zijn ontwerp. [ Bij een vraag of opmerking s.v.p. het tekstgedeelte (en hoofdstuk) noemen waarop je reactie betrekking heeft. ]

Over dit blog: ACHTERGROND, DOEL en REACTIES

ACHTERGROND

Als kind in Walcheren na WO II groeide ik op in een wereld waarin vooral de calvinistische naast andere varianten van de westers-christelijke tradities het leven bepaalde, althans in de zin dat het officieel als (onbewuste?) norm gehanteerd werd. Dat hanteren was sterk dogmatisch gekleurd, want verbonden met maatschappelijke en culturele dominantie en zekerheid, hoewel erkend werd dat er meerdere opvattingen en culturen bestonden. Die werden echter gezien als even dogmatische ‘zuilen’. De culturele sfeer werd sterk bepaald door wat toen de wederopbouw heette, na de zware rampen van WO II (met voor Walcheren de inundatie van 1944 tot 1946) en de Watersnoodramp van 1953. Solidariteit om nog enigszins leefbaar te leven stond eenvoudig voorop; de rijkdom van dit moment (tot de pandemie die in 2020 begon) was toen in het geheel niet voorstelbaar.

Het mijns inziens zwakste punt van deze calvinistische benadering was naar mijn overtuiging de opvatting dat ook de geestelijke wereld rationeel te bevatten zou zijn, althans zover er richtlijnen voor het aardse leven aan te ontlenen zijn. Mijn ontdekkingen in de loop van mijn leven (zij het dat ook ik mijn ratio lang als voornaamste instrument van mijn menszijn heb gehanteerd, ik geef het hierbij eerlijk toe) komen er op neer dat het ‘kennen’ van de (hele! …) werkelijkheid vele vormen en niveaus kent, en dat de hogere kennis (om met Böhme te spreken) op een andere wijze werkt dan de lagere rationele. Tegenwoordig zouden we de hogere wellicht eerder de intuïtieve kennis noemen, zij het dat ook daar van allerlei relaties sprake kan zijn die we niet in rationele (rekenkundig meetbare) maten kunnen meten maar die op andere aspecten van onze geestvermogens een beroep doen. Wie thuis is in die geestelijke ervaringen, weet wat ik bedoel. Je kunt ze niet door rationele bewijzen of redeneringen vervangen maar er wel naar ‘luisteren’ en er zo ‘gehoor’ aan geven. In mijn directe omgeving kwamen die rationalistische opvatting en die meer spirituele allebei aan bod, soms in een en dezelfde persoon, soms in geloofsgemeenschappen van een bepaalde kleur, soms het ene aspect dominerend soms het andere, soms in min of meer vaste combinaties van het rationele en geestelijke, meestal niet erg bespreekbaar. Die wereld verliet ik om studieredenen in 1965.

Mijn ontwikkeling en levenspad brachten mij via veel lezen, contacten hebben en studeren in contact met meer en andere en ruimere leef- en denkvormen. Deze site is daar een weerspiegeling van, zij het helaas in de vorm van woorden die waarheden aan zouden moeten duiden. Woorden zijn echter niet de enige manier om waarheden, laat staan werkelijkheden, aan te duiden. Voor degene die bepaalde achtergronden en interesses gemeen heeft met mij, zal echter veel  herkenbaar zijn. Merkwaardig genoeg passen veel van mijn ontdekkingen dan ook goed bij de beperktheden van mijn persoon, haar ontstaan in verschillende omgevingen, en haar confrontatie met allerlei historische en geografische verwante leefwijzen, culturen en denkbeelden. Woorden en kennis zijn bekende manieren om verbinding met andere werkelijkheden en personen te hebben; maar er zijn er veel meer: muziek, dromen, intuïties enzovoort.

Voor het praktische leven zijn misschien sommige ontdekkingen die ik deed en op deze site verwoordde, wellicht ook voor jou interessant. Ik verwijs ook graag naar de mogelijkheid die ieder van ons ter beschikking staat, om openheid te ontwikkelen voor wat speciaal voor jou van belang en waarde kan zijn en is. Daar heb je niets voor nodig dan wie je nu bent, steeds opnieuw. Het gaat er alleen om dat jij open staat, niet alleen voor woorden maar voor alles wat zich aandient, zogenaamd concreet of zogenaamd in abstracte of geestelijke vorm, inclusief alle vormen van verbeelding. Daarbij hoef je niet uitsluitend rekening te houden met wat je directe omgeving van je eist (al is dat handig om praktische redenen, vooral in de zin dat je confrontaties probeert te voorkomen) maar vooral ook wat zich in je geest aandient. Je hebt die niet voor niets gekregen. Het is wel goed om er rekening mee te houden dat dit je volledige inzet kan vragen, tot en met volledig ´sterven´ toe. Er is niets anders dan ´sterven en opnieuw geboren worden´, tenzij je een oppervlakkig leven voldoende vindt (en ook dat bestaat uit niets anders dan permanente – snelle en langzame – veranderingen, zelfs als je zoals ik lange tijd dacht dat je verstand je er buiten zou kunnen houden, omdat je veronderstelde dat dat grip heeft op alle processen: wat niet het geval is!). ‘Echt verstandig´ (ofwel ‘wijs’) leven is volledig en open leven, inclusief het serieus nemen van je angsten en verlangens, en van alles wat daarmee al dan niet in overeenstemming lijkt. “Alles er uit te halen wat er in zit” (een in de laatste decennia sterk naar voren gebracht ideaal) bereik je overigens niet met jezelf of anderen (en dat heeft met elkaar te maken!) te forceren. Om praktische redenen is het dan ook goed in het algemeen de gewoontes van je uiterlijke omgeving te volgen, maar dan bij voorkeur in het besef dat dit slechts een zeer beperkte wijze van leven is (die uiterlijke omgeving en de gewoontes van de mensen erin veranderen al evenzeer als dat wat op het eerste gezicht ingrijpender en sneller verandert). Een wijze van leven die bij voorkeur zo verbonden is met alles, en open staat voor het besef van alles, dat er eindeloze ruimte is voor de verwerkelijking van alle essenties door jou heen. (En vergeet hierbij dan niet, dat woorden hiervan ´slechts´ een onderdeel zijn, hoe betekenisvol en waardevol soms ook. Net als zwijgen …) Dit houdt zeker in dat wie deze lijn volgt niet alles van publiciteit verwacht, integendeel, de grenzen en beperktheden ervan beseft. Ik speel dan ook (29 januari 2021) met de gedachte om  – na deze zin – met publiceren te stoppen.

Afstemming is toelaten en loslaten, steeds opnieuw; vertrouwen dat jouw weg vanzelf duidelijk wordt, in verbondenheid met alles in en buiten wat je persoonlijk ervaart, en met welke keuzes je in die ervaring en verbondenheid maakt. Meer mogelijkheden (vrijheid) impliceren meer verantwoordelijkheid, want meer kansen om te kiezen voor gaan in de richting van het goede. Het goede is dat wat aan de ervaren verbondenheden recht doet met de minste te verwachten schade. Ervaren en leven zijn een geschenk bestaande uit veranderende samenhangen, sommige kwetsbaarder dan andere. De meest fundamentele zijn ook de kwetsbaarste, wat betekent dat de bescherming van het kwetsbaarste het hoogste goed is, maar ook dat elke beweging de kans inhoudt op ontplooiing en de hoogste vreugde. Zij het niet zonder het ervaren van alle (ook alle genoemde en alle impliciete) tegenstellingen.

Een belangrijke term uit de Westerse geschiedenis van de filosofie is die van de “gelatenheid” sinds Eckehart, in kringen van Godsvereerders soms uitgelegd als (niet-assertieve) passiviteit. Mijns inziens is “gelatenheid” niet “niets doen” (louter lijdzaamheid), maar openheid (inclusief bereidheid tot goed handelen waar er aanleiding en kans toe is). Ook Böhme bestrijdt de “eigenwil” die tegen het goede ingaat door de tegenstelling aan te wakkeren maar prijst wel de afstemming van de eigen wil en geest op de op eenwording en evenwicht gerichte goddelijke wil en geest. Oog (!) hebben voor evenwicht is belangrijker dan lijdzaam het leed of de vreugde ondergaan. Böhme weet dan ook heel goed dat “lijden en pijn niet te vermijden zijn”. Zie verder naar onder in dit bericht: Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen (eenheid en complexiteit van alle tegendelen)

Vergelijk**** : Lao Zi, Daodejing (zie ook bovenaan)
59
De begrenzing door soberheid en geworteld zijn vormt de basis – hoe vroeger Dao gevolgd kan worden, hoe beter – waardoor men al groeiend eigen grenzen overstijgt, zowel persoonlijk als in de grote wereld.

60
Een groot land besturen is net als kleine visjes bakken.
De weg volgen betekent geen verstoring brengen door onnodige energie.
Geesten van voorouders (demonen) oefenen dan geen magische kracht meer uit,
Niet dat ze dat niet meer doen, maar ze doen de mensen er geen kwaad meer mee.
Niet alleen dat hun magie de mensen dan niet meer schaadt, maar de wijze machtigen zullen de mensen dan ook geen kwaad meer doen.
Welnu, als beide geen kwaad meer doen, dan kunnen zij hun innerlijke krachten bundelen en aanwenden voor het welzijn van allen en alles.
De weg volgen brengt evenwicht: terugkeer naar het oorspronkelijke.

61
Een groot land en een klein land bereiken de beste verhouding als ze beide de laagste positie in proberen te nemen. Als de vrouw en de man in vereniging tot evenwicht.
Zo krijgt het kleine, de man, dat het zijn bijdrage levert en in de bloei van het grote deelt, en het grote, de vrouw, nog groter en rijker bloei.
Zoals in de benedenloop van een rivier alles samenkomt, het kleine, dat deel van het grote wordt, en het grote land dat zijn bloei deelt met het kleine, en tot nog grotere bloei komt.

62
Dao is de veilige schuilplaats van alle dingen; de schat van goede mensen, de beschermer van slechte. Wie van de niet goede mensen zouden verworpen worden? Het kostbaarste geschenk van zijn raadslieden aan een beginnende vorst is Dao. Door Dao zal wie zoekt, vinden en door Dao zal wie misstappen begaan heeft, verlost worden. Dao is het kostbaarste van de hele wereld!

63
Doe door niet-doen. Grijp in door op te geven. Proef wat geen smaak heeft.
Zie het grote in het kleine, het vele in het weinige.
Beantwoord haat met welwillendheid.
Plan het moeilijke als het nog makkelijk is.
Doe het grote terwijl het nog klein is.
Want de moeilijkste dingen komen voort uit wat eens eenvoudig was,
De grootste uit wat eerst klein was.
Daarom:
De wijze streeft nooit naar het grote,
En is daarom in staat het grote te volbrengen.
Immers: wie lichtvaardig belooft, is niet geloofwaardig,
En wie zaken gemakkelijk opvat, ontmoet veel moeilijkheden.
Daarom:
Omdat de wijze mens deze dingen zelfs nog als moeilijk beschouwt,
Zal hij uiteindelijk geen probleem hebben.

64
Neem de oorzaken van verwarring en wanorde weg voordat zij hun werking uitoefenen.
Een lange reis begint onder je voet.
Wie ingrijpt, vernielt; wie vasthoudt, verliest. Daarom betracht de wijze mens het niet-doen en vernielt niets, houdt hij nergens aan vast en verliest niets.
Wees aan het eind even omzichtig en zorgvuldig als aan het begin, dan faal je niet op het laatst.
Daarom verlangt de wijze naar het niet-verlangen en acht moeilijk te verkrijgen goederen niet hoog. Hij leert het niet leren en keert terug naar waar de massa aan voorbijgaat.
Zo bevordert hij het uit zichzelf zo zijn van alle dingen.

DOEL is het delen van ervaring en inzicht

“Het is onmiskenbaar als volgt:

Wanneer we ontwaken en opstaan, is goede gezindheid en goed handelen onze hoogste plicht. Excuses zullen er nooit zijn.

Wanneer we ons ter ruste leggen om in te slapen, moeten we onze beperktheden in het doen van onze plicht erkennen. Wij geven ons over aan dat wat groter is dan wij zelf.

Betrokken niet op een dag maar op ieder afzonderlijk moment van ons bestaan, betekent dit dat wij beperkte wezens zijn die altijd heen en weer pendelen tussen het doen van onze plicht en overgave aan dat wat groter is dan wij zelf.
Zodra wij en voorzover wij ontwaakt zijn, roept onze plicht ons volledig. Dat wat groter is dan wij zelf, biedt ons de mogelijkheid erop te vertrouwen dat onze beperktheden zich in een groter geheel “oplossen”. Voorzover wij kunnen zien, verandert alles permanent en kunnen wij ieder moment weer verfrist beginnen aan nieuwe uitdagingen.

Onze beperktheden erkennen en loslaten is even wezenlijk als hen volledig inzetten. Voor beide is voorwaarde het openstaan voor en luisteren naar dat wat is: ons zelf, ons lichaam, de anderen, de wereld, het universum.

Integriteit is het begin en het einde van alles, als voortdurend proces.”

[ Bovenstaande tekst sloeg ik op in 2000. Ik voel mij er helemaal een mee maar weet de bron niet meer. Als ik zelf de bron zou zijn geweest, dan verbaast de enigszins plechtige taal me: ik ben bijna zeker dat ik niet de bron ben. Maar ieder vogeltje klinkt zoals het gebekt is, op zijn eigen wijze; en ook wie het vogeltje hoort, kan diep geraakt worden. Het kan zijn dat ik in die tijd op zoek ben geweest naar teksten over integriteit, een belangrijk thema! Het mooie van de tekst vind ik onder meer dat alle aspecten van de werkelijkheid erin ervaren of gelezen ofwel ermee verbonden kunnen worden, en dat hij niettemin direct begrijpelijk is en aanspreekt. ]

Dit blog is – NAAST TEKSTEN OVER DE ONDERWERPEN IN DE UITKLAPBARE LIJST BOVENAAN IN DE KOLOM LINKS – bedoeld om citaten, notities, vragen en discussies, literatuurverwijzingen, bespiegelingen en dergelijke te delen die jouw of mijn hart raken.
Als iets ons hart raakt, is dat een kans om wijs te worden. Wijsheid omvat zowel rationele (in beredeneerbare hokjes in te delen) kennis als (ten laatste alomvattende) intuïtie en verbondenheid, zowel aandacht als mogelijk handelen.

Ik besef dat taal haar beperkingen heeft maar de mogelijkheden ervan zijn groot genoeg om er binnen die beperkingen zinvol gebruik van te maken. Over die beperking bied ik de volgende uitspraak aan om over na te denken dan wel permanent in het achterhoofd te houden.

Elke uitgesproken bewering of onuitgesproken gedachte impliceert het bestaan van zijn tegen-bewering (de tegenovergestelde mogelijkheid)

en

wat niet met alles samenvalt, valt wel samen met zijn tegendeel (ontkenning)

en

daarom is elke bewering of gedachte voorlopig (vanuit dat geheel gezien) en compleet (als impliciet met het geheel – alles – verbonden).

Wie wil denken vanuit het geheel, krijgt te maken met verandering. Wie wil denken vanuit verandering, met het geheel.

Veel leerde ik van mijn verkenning van de inzichten van Jacob Böhme (zie lijst van publicaties in het menu linksboven). Omdat in mijn laatste boek vrijwel alles is samengevat wat ik leerde, noem ik mijn in 2020 verschenen boek hier.

Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen (eenheid en complexiteit van alle tegendelen): Inleiding in het denken van Jacob Böhme: Over grond, systeem, processen en magie van alle bestaansvormen in de context van open bewustzijn en niet-tweeheid in West en Oost en van wijsheid en verlichting in Böhmes ‘Theoscopia’, Haarlem 2020, 303 blzz.

In dit boek wordt eerst een overzicht geboden van Böhme’s leven en omgeving, en van de achtergrond van zijn enorme schriftelijke productie. Het Woord vooraf schetst wat deze inleiding toevoegt aan, en waarin zij verschilt van de behandeling van Böhme’s visie op man en vrouw (Böhme zag de mens als beeld van God als in beginsel androgyn, ofwel manvrouwelijk) die de auteur eerder beschreef (zie boven: Man en vrouw zijn een). Zodoende komen vele systematische vragen scherp naar voren, want Böhme was niet alleen een spirituele gids, hij was ook een visionair filosoof, en wel een met enorme invloed op veel schrijvers, schilders en andere kunstenaars na hem, en speciaal de voorloper van Hegel en Marx met hun dialectische denkmodellen. In deze inleiding wordt de belangrijke plaats van Böhme in de traditie van het Westerse dialectische denken tot leven gebracht, van de oude Grieken als Herakleitos tot en met de moderne Hegel en Marx; impliciet worden de verschillen met andere stromingen behandeld met name het modern-wetenschappelijke denken. En ten slotte komen de overeenkomsten aan het licht met Oosterse denkwijzen die de plaats van de taal verduidelijken en relativeren (zoals ook Wittgenstein in de twintigste eeuw in het Westen deed). Kortom, fascinerende lectuur, zij het soms overweldigend voor wie van vaste betekenissen en eeuwige waarheden houdt. Waar kunnen we ons wel op baseren, op welke grond? En wat betekent het voor systeemdenkers dat alles ten allen tijd onderhevig is aan veranderingsprocessen? Geldt dat ook voor onze taal en ons bewustzijn? En is dit hoopvol of gevaarlijk? Böhme ging in zijn denken geen ‘tegenstelling’ uit de weg. Hoe verbond hij de werkelijkheid van die eindeloos veranderende tegenstellingen met de eenheid en dus eenvoud waarop hij durfde vertrouwen? Hoe verbond hij rationeel inzicht met boven-rationele intuïtie? Als systeemdenken afhangt van de rationele samenhangen die wij vast menen te (kunnen) stellen, en ervaren en inzien dat wij met systeemdenken niet uitkomen als het om de diepste en hoogste vragen gaat, hoe kunnen wij dan het beste omgaan met onze mogelijkheden om de natuur te beïnvloeden, met wetenschap en techniek? Welke rol kunnen wij spelen door evenwicht even belangrijk te vinden als splitsing en vereniging van krachten en stoffen? Hoe ver reikt ons bewustzijn en waar doen we er goed aan onze grenzen te zien zonder de verbinding met al het gekende, het vermoede en het nog niet gekende en vermoede te verliezen? In het verloop van de inleiding komen vele verwante en tegengestelde denkers en hun denkbeelden aan de orde. Inclusief nieuwe inzichten over de verhouding tussen man en vrouw in de oude Hebreeuwse tempelvoorstellingen en riten om het evenwicht jaarlijks te herstellen. Hoe verbinden wij opnieuw kern en omtrek, boven en beneden, en alle andere tegenstellingen of onderscheidingen? Aan de hand van Böhme en van uiteenlopende maar zeer verwante historische voorstellingen verkennen we al deze ideeën, en hun belang voor onze tijd en de toekomst van onze cultuur.

Hoe je REACTIES, nieuwe items kan toevoegen of gesprekken beginnen

Je kunt nieuwe reacties helemaal onderaan ieder bericht noteren en doorgeven, dan vinden alle lezers je tekst hier binnenkort bovenaan (s.v.p. bij zo’n nieuw bericht aangeven over welk onderwerp je reactie gaat); lukt het niet om je bericht in te sturen, meld dit dan s.v.p. even aan mij via e-mail info_at_bk-books.eu (vervang “_at_” door apestaartje “@”). En zo ontstaat wellicht een ‘gesprek’ tussen een (kleine?) kring van lezers over een bepaald onderwerp. Daarbij is het uiteraard geen enkel bezwaar als onderwerpen gezien hun belang in de loop van langere tijd nog eens terugkeren … Verwijzingen naar verwante sites en gesprekken worden op hoge prijs gesteld.
Reageren op een bestaande reactie kun je onder elke reactie via de knop ‘Reacties’. Als je een eerdere reactie van jezelf wilt verwijderen, kan dat door een verzoekje in een nieuwe ‘reactie’: elke reactie komt eerst binnen bij de websitebeheerder die je verzoek om verwijdering volgens de huidige afspraak altijd zal honoreren.
Niet publieke reacties worden graag door mij ontvangen via info_at_bk-books.eu (vervang “_at_” door apestaartje “@”).

WAARSCHUWING inzake de wetenschappelijkheid van sommige teksten op deze site

U bent vrij met de teksten op deze site iets of niets te doen, uiteraard liefst iets goeds. Vooraf maak ik graag een van de beperkingen duidelijk die aan de teksten op deze site kleeft. Deze site (met naast dit blog boekbesprekingen en andere berichten) bevat ook een aantal wetenschappelijke teksten. Teksten die aan een universiteit beoordeeld zijn als de doctorstitel waardig; uiteraard is ieder mens per definitie zeer beperkt in haar of zijn feitelijke kennis, omdat wij niet tegelijk alle feiten die anderen kennen, ook in ons ‘kennis’-bewustzijn hebben. Over die wetenschappelijk goedgekeurde teksten wil ik het volgende zeggen. ‘Wetenschap’ kenmerkt zich door zo precies mogelijk te definiëren wat binnen haar kennis valt. Door mijn opleiding heb ik geleerd dat die definities erg uiteen kunnen lopen, zelfs binnen vakgebieden en zeker binnen culturen. De pretentie dat iets wetenschappelijk is, heeft nooit absolute waarde en kracht, alleen maar binnen afgesproken grenzen en volgens de daar geldende definities. Door mijn opleiding heb ik ook geleerd dat wij ons best kunnen doen zo begrijpelijk mogelijk te zijn, allereerst binnen de context waarin wij zelf leven (daarbuiten is dat begrijpelijkerwijs per definitie heel wat moeilijker, omdat wij die context waarschijnlijk iets minder goed kennen). Daar komt nog door eigen studie en ontdekking (zie Eenvoud en diepgang in en buiten alle tegenstellingen) bij, dat niets dat in taal uitgedrukt of überhaupt door ons verbeeld of vermoed wordt, compleet geacht kan worden dat niet ook zijn tegendeel – het erdoor afgegrensde – omvat. Het is dus sowieso altijd belangrijk de betrekkelijkheid van onze ‘kennis’ voor ogen te houden, ook al hebben wij op onze eigen – de ons bekende – terreinen uit eigen ervaring enig recht van spreken. Ervaren personen hebben meer recht van spreken over die ervaring, al blijft het belangrijk niet alleen naar het verleden maar ook naar de actuele werkelijkheid te kijken! Daarom stel ik vooraf over alle teksten in deze site dat zij al helemaal niet niet de exclusieve wetenschappelijke waarheid bevatten (zo die al zou bestaan), en ook al zijn zij geschreven in een taal die zo helder mogelijk is (en waar mogelijk binnen de eigen context logisch), nooit de pretentie hebben de exclusieve waarheid te verkondigen of te bevatten of te zijn. Alle teksten zijn bedoeld om aanknopingspunten te bieden voor zoeken naar inzicht, wijsheid, soms ook kennis; maar nooit om die te pretenderen als uitsluitende waarheid. De vraag is ook of dat met taal überhaupt kan, en zo niet waarmee dan wel. Zwijgen is wellicht een even goed, zo niet beter ‘middel’; al geloof ik wel dat er zoiets is als luisterend spreken ofwel sprekend luisteren. Als ik in plaats van te luisteren, te snel met woorden of interpretaties ben gekomen, bied ik mijn verontschuldigingen aan. Ik beschouw het als mijn actuele taak om allereerst te luisteren. Als u daarnaast iets mee kan nemen van de teksten op de site, bent u daar helemaal vrij in. Het belangrijkste is soms naar zichzelf luisteren, soms naar anderen; maar soms horen wij ook in anderen onszelf, en in onszelf anderen. Mag dat door elkaar lopen? Dat wordt door gewoonten en afspraken bepaald, en die veranderen. Maar ik streef er allereerst naar mij aan die gewoonten en afspraken te houden, om van daar uit eventueel verdere ruimten te verkennen. Dan kan soms blijken dat wat nieuwe ervaring lijkt, erg veel overeenkomst vertoont met vroegere, soms heel vroegere, en tegelijk dat ervaring en inzicht er niet alleen zijn om voortdurend te ontwikkelen maar tegelijk een heel praktische rol spelen. En wel een rol die het goede (handelen en bewustzijn) niet in de weg mag staan. Geluk hier en nu is geen verboden vrucht; tegelijk verandert hier en nu alles voortdurend en is het wijs om open te staan voor nieuwe inzichten zonder streven en verwerkelijken van het actueel goede in de weg te staan. Best complex maar ook best eenvoudig, want die beide bestaan niet zonder elkaar en dienen wellicht het best samen gerealiseerd te worden, zover dat op onze weg ligt. “Ik probeer te ervaren en te doen wat [“daar”-bij] past.” Dat streven wetenschappelijk noemen lijkt me een gotspe, ofwel overdreven zelfvertrouwen. Maar zonder wetenschappelijke pretentie lijkt het ook gauw erg pretentieus. Die pretentie wil ik graag bij voorbaat ontkrachten: de krachten die u zelf voelt, en waarmee u omgaat, zijn het die belangrijk zijn om te leren kennen. En de teksten op deze site hebben die pretentie niet. Hoogstens zijn zij uitzicht langs het pad waar u loopt, en heel af en toe misschien een vraag aan uzelf of over die omgeving. U bent helemaal vrij daar iets of niets mee te doen; wat, dat is uw eigen verantwoordelijkheid.

* Zelf ben ik Boudewijn Koole L.enS.zn (of “LSz.” of “van Brigdamme” of
). Wij zijn twee van zes gelijknamige neven (vier in Nederland, waarvan de jongste Boudewijn Willem als voornamen heeft) en van zeven neven qua voornaam (vijf in Nederland). In British Columbia (Canada) woont zo Robert [=Boudewijn] Koole P.enP.zn. En samen zijn wij onderdeel van zo’n veertig nichten en neven, waarvan ongeveer de ene helft in Nederland en de andere in Canada woont.

De groei naar volwassenheid in het omgaan met de omgeving begint vanuit (en met de erkenning van) het innerlijke kind in zijn omstandigheden en omgeving

Er zullen wel boeken zijn vol geschreven over het thema van de titel van dit bericht. Ik laat het daarom bij die titel, want daar zit best al ervaring en overweging in en achter.
Misschien kan dit thema alleen persoonlijk beleefd en verwerkt worden. Misschien is het ook mogelijk elkaar bij de groei naar “volwassenheid” (? houdt die ooit op ?!) te ondersteunen.
Dan is dit bericht misschien een signaal ter ondersteuning daarvan. Al kan het even goed zijn hierover te zwijgen om het proces niet te verstoren en daarmee te vertragen.
Een criterium daarvoor is wellicht bij de werkelijkheid van het moment te blijven, zodat het proces allereerst herkend, erkend ofwel innerlijk toegelaten kan worden. Om het proces vervolgens eventueel te ondersteunen in een goede richting, door welk (niet-)handelen dan ook. Maar wel naar omvattend bewustzijn te streven, naar openheid voor wat er nu en ten diepste aan de hand is.

Persoonlijke herinneringen: hoe belangrijk of zelfs noodzakelijk is het om ze met anderen te delen?

Laat ik als uitgangspunt voor dit ‘bericht’ de stelling nemen dat persoonlijke ervaringen allereerst persoonlijk en privé zijn en als zodanig niet publiek maar door iedere persoon zelf verwerkt mogen worden. Of moeten worden, als het herinneringen zijn die zich steeds opdringen.
Mijn mening of indruk hierover heeft zich ontwikkeld van het vanzelfsprekende recht op privacy tot – van een heel andere kant bekeken – het in rekening brengen van de verbondenheid van alle mensen en verschijnselen met elkaar. Als ik die laatste als uitgangspunt neem, dan is het innerlijke, ‘persoonlijke’ welzijn van anderen net zo belangrijk voor mij als andersom.
Uiteraard is het een terechte publieke afspraak, althans die is gemaakt en geldt momenteel (!), dat privacy niet geschonden mag worden. Lees dit goed: het is een publieke afspraak, gebaseerd op publieke moraal en zelfs omgezet tot in rechtsregels toe.
Aan de andere kant is de vraag hoe we recht kunnen doen aan genoemde verbondenheid ook voor elkaars innerlijke, ‘persoonlijke’ welzijn. Dat kunnen we niet door er uiterlijke afspraken over te maken (zoals publieke moraal en rechtsregels) maar alleen door er innerlijk besef van te hebben en te ontwikkelen, en dat besef ook in rekening te brengen in ons hele gedrag.
Hoe doe je dat? Kan dat wel? Niet door collectief of individueel van buiten af gedrag aan te leren. Wel door je individueel (of bewust als individuen gedurende een bepaalde tijd samen, zover dat qua plaats kan) daarop af te stemmen, zou ik willen opperen. Maar dat kan alleen bij opperen blijven, en bij afstemmen, en niet tot regel verheven worden die de openheid afsnijdt. Voor openheid kan geen regel gemaakt worden immers?
Toch is openheid belangrijk, zou ik denken, en is mijn ervaring. Alleen als van moment tot moment en van plaats tot plaats steeds opnieuw te ervaren mogelijkheid en te zetten ‘stap’. Van hier en nu naar dadelijk en verder. Inclusief alle uiterlijke maar ook alle innerlijke aspecten daarvan. Of zover we erkennen dat (ook) deze woorden tekort schieten (zoals alle taal begrenst – tussen het genaamde en dat wat er buiten ligt – en begrensd is): ook buiten de wereld van gangbare opvattingen en feiten die we met onze taal en onze beperkte vormen van bewustzijn met elkaar delen. Want wij delen niet alleen die, maar wij zijn nu eenmaal onderdeel van alles wat maar denkbaar is en verondersteld kan worden, ook wat we (nog) niet (of niet meer) kennen, en het zou aanmatigend zijn om onze eigen beperktheid tot norm voor anderen of zelfs tot universele norm te verheffen.
Het is dus zaak de privacy van onszelf en anderen te respecteren, en ook onze eindeloze, alomvattende verbondenheid. En ook met de dingen.
Heeft dat iets te maken met hoe we omgaan met hoop wekken en rouwen, en de toekomende plaats daaraan geven?

Taoïsme. De weg om niet te volgen: lees een prachtige samenvatting van het boek van P. de Martelaere

(ontleend aan https://filosofiegroepseniahaarlem.wordpress.com/2016/10/21/patricia-de-martelaere-tao/ )

Patricia de Martelaere. Taoïsme. De weg om niet te volgen

Tao en de weg

Het Taoïsme is een stroming binnen de klassieke Chinese filosofie. Deze manier van denken lijkt haaks te staan op de westerse filosofische traditie en wijze van benaderen. Of is dit te simpel geredeneerd?
Patricia de Martelaere schreef een inleidend boek waarin ze probeert om aan de hand van thema’s uit de belangrijkste teksten de centrale vragen van Lao Zi en Zhuang Zi filosofisch te doorgronden. We lazen met plezier haar boek en oefenden ons in deze manier van ‘paradoxaal denken’. We bespraken dit boek in de filosofiegroep. Toch kun je hier vragen bij stellen. De Tao is meer dan een serie gedachten. Ze is een weg, iets wat je moet oefenen, ervaren, voordat je er van binnenuit iets zinnigs over kunt zeggen. Het is een geestelijke stroming, een zoeken naar levenswijsheid, dat wil zeggen iets van hoofd, hart en handen. We zagen bij het boek van Hadot al goed hoe hoe de vier Griekse scholen gericht waren op het wijsheid waarbij het doen van geestelijke oefeningen een belangrijk onderdeel was. Wij als rationeel geschoolde westerse mensen benaderen een thema verstandelijk en zijn gericht op kennis. En wij kunnen ons denken goed scheiden van de persoonlijke verbinding met mensen, thema’s, of bijv. de toekomst van de aarde. Maar zijn we daarmee niet een deel van ‘heel de mens’ kwijt geraakt?

De Martelaere begint in de eerste hoofdstukken met een bespreking van de belangrijkste boeken en plaatst ze in de tijd. Ook gaat ze in op de vraag wie de schrijvers zijn van de teksten en op welke manier ze tot stand zijn gekomen. In de inleiding verantwoordt ze hoe ze verslag doet van haar persoonlijke lezing van de teksten (exegese) en waarom ze er voor kiest om eigen accenten en interpretaties te geven.

Daarna bespreekt ze de via een aantal hoofdstukken en paragrafen de belangrijkste thema’s van deze denkwijze.  Ze gebruikt het woord afpellen. Vanuit algemene oriëntering graaft ze steeds dieper in de denkwijze. Op die manier, via toelichtingen, verhalen en citaten worden de kernwoorden Tao, Te, Ying en Yang, paradox, energie verder en verder gevuld.. Hieronder wat basisdenkbeelden.

  • Tao is een weg of spoor, concreet en een zinvolle oriëntering, het is een route met inzicht afgelegd en leidend tot bestemming. Het heeft betrekking op het hoofd( zien, inzicht) op de voeten (weg afleggen) en Weg (het zelf) . Tao is een beginsel, dat alles doordringt, en de tegenstelling tussen eenheid en veelheid overstijgt. Het is psychologisch, biologisch, strategisch en medisch van aard. Ook is het voorwerp en resultaat van logisch linguïstische overwegingen en redeneringen. De Tao is een transcendent quasi goddelijk principe, oerbeginsel, ontologisch fundament, maar ook radicaal praktisch en in verband te brengen met concrete menselijke vaardigheden.
  • ‘De Tao waarover men kan spreken, is niet de eeuwige Tao.’ Dit is de beroemde openingszin van de Dao De Jing. Zowel de Chinese wijsgeren Lao Zi (grondlegger van het Taoïsme) als Zhuang Zi gaan ervanuit dat ‘de Tao’ letterlijk alles in het universum aanduidt van hoog tot laag, van complex tot enkelvoudig.
  • Te, chi of qi  is de levenskracht, potentie, die een efficiënte uitwerking heeft. Het begrip qi is eigenlijk niet te duiden. De Martelaere zegt in de tekst toch het een en ander over qi. Ieder mens heeft een bepaalde hoeveelheid qi die een mens voor z’n aardse leven krijgt. Het afnemen van qi gebeurt door de gehechtheid aan aardse goederen, maar ook door het zwelgen in innerlijke gevoelens en gedachten. Het is aan de Taoïst om zuinig met zijn qi om te gaan. De Taoïst verdringt emoties niet en is niet onverstoorbaar. De strategie is om alles wat zich aandient, ook op innerlijk emotioneel vlak, te onthalen met ‘rustige tevredenheid’. De Taoïstische paradox zit in de spanning tussen tevreden willen zijn en het niet hardnekkig te willen. De openingen van het lichaam, waarmee door zintuigen emoties en ervaringen opdoen worden selectief geopend en gesloten om zo eigen qi-energie te versterken. De gerichtheid van de wijze is: Lichaam en geest zijn één bij mij, kracht en ziel zijn één, ik en niet ik zijn één. p. 104. Of een ander mooi citaat: Luister niet meer met je oren, maar luister met je hart. Luister niet meer met je hart, maar luister met je qi.
  • Taoïsme ziet af van ieder bewust na te streven doelstelling en geeft geen invulling van de ‘juiste weg’. Sleutelthema is het omgaan met de stroom  van het leven. Het is een paradoxale opdracht om mee te gaan en tegelijk afstand te houden. Door met de stroom mee te gaan en tegelijkertijd het punt in de stroom vinden, waardoor men buiten de orde van het bestaande komt te staan. De achtergrond is dat men een stroom niet kan tegenhouden door ertegen in te gaan. Het put je uit. De wijze gaat mee, maar iets in hem gaat niet mee. Wat niet verandert is dat wat alle verandering toelaat. Het is bewogen en onbewogen tegelijk. Een mysterieuze poort naar transformatie. p.99.
  • Deze spanning zit ook in het doen door niet te doen. De volmaakte mens doet niets om qi te cultiveren, maar alles wordt beïnvloedt door de aanwezigheid van qi. Centrale gedachten in het Taoïsme zijn ‘wu wei’ (niets doen) of ‘wei wu wei’ (het beoefenen van het niets doen).
  • Geluk is voor de Taoist tevredenheid, een energetische toestand, een innerlijke houding, zijn wijsheid steunt zowel op het uiterlijke als het innerlijke , hij of zij is tevreden met zowel het grote als het kleine. Voor de wijze is in het totaal van het universum innerlijk-uiterlijk, dit of dat, groot of klein inwisselbaar.
  • Kenmerkend zijn de Tao paradoxen. De Tao is de naamloze en onbenoembare kern van al wat bestaat en benoembaar is. Zo is de Tao onkenbaar. Tegelijk is ze aanwezig in alles wat bestaat en in die zin zijn alle  eigenschappen zonder uitzondering eveneens op hem toepasbaar. Hij is groot en klein. Kan niet worden gezien of gehoord. Niet aangeraakt en zo in zekere zin niets. p. 143. Iets verder in het boek legt ze uit dat de tegenstellingen conceptueel tegenstrijdig zijn, maar tegelijk een elementaire en zeer reële wetmatigheid verwoorden. (p. 153) Juist de tegenstellingen worden zo dynamisch en staan niet tegenover elkaar,  maar gaan in elkaar over.  In een citaat: ‘Grote volmaaktheid lijkt gebrekkig, maar het gebruik er van is onuitputtelijk. Grote volheid lijkt leeg, maar het gebruik er van is oneindig. Grote rechtheid lijkt gebogen; grote vaardigheid lijkt onhandig; grote welsprekendheid lijkt stamelend. Beweging overwint koude. Rust overwint hitte. Rust en stilte besturen al wat bestaat onder de hemel’. 
  • Illustratief is de vergelijking van de Tao met de leegte waaromheen de spaken van een wiel kunnen draaien of de holle binnenkant van een kruik die met vloeistof gevuld kan worden. Het is meer het beeld van dat wat er niet is. Er is een lege ruimte wat de dingen bruikbaar maakt. Die lege ruimte is de Tao.
  • Je zou kunnen spreken over een Tao kosmologie of orde. De Tao staat aan het begin van alles wat bestaat en valt samen met het einde van de afgelegde weg. De eeuwige Tao. De Tao brengt het ene voort. En Een brengt Twee voort en die Drie en zo verder tot tienduizend dingen. Het een staat voor  de oorspronkelijke toestand van onverdeelde energie. Vanuit dit ene ontstaat Yin en Yang. En van uit de Yang-fase of Hemel en de Yin-fase of aarde ontstaat de volgende fase: de mens. En als laatste de tienduizend dingen. Het is een cyclus die zich steeds herhaalt. Elk heeft een eigen waarde. In een citaat: ‘De Tao is groot, De Hemel is groot, De aarde is groot. En de mens is ook groot. Vier dingen zijn groot. (..) De mens volgt de Aarde. De Aarde volgt de Hemel. De hemel volgt de Tao. En de Tao volgt wat natuurlijk is’. p145.
  • In de paragraaf ‘de kracht van zwakheid’ gaat het om de strategie van de leider of de vechter. Moet deze sterk zijn of zit zijn kracht in het tegenovergestelde? Het gaat hier om de qi economie. De leider gaat zuinig om met zijn qi-kracht. De drie schatten van de echte wijze/leider zijn: Mededogen.  ‘Wie goed is behandel ik met goedheid; wie niet goed is behandel ik eveneens met goedheid; En zo bereik ik goedheid. Spaarzaamheid. Is dat wat leidt tot accumulatie van energie die vereist is om een maximale stabiliteit te bereiken. Nederigheid. Dit wordt ingevuld met de bereidheid om achterop te komen, het afzien van leiderschap en zo maximaal ontvangend te zijn om dat wat er in de omgeving gebeurt te ontvangen. ‘Wie afziet van de wens om te leiden kan juist daardoor de leider van de wereld worden’.
  • De laatste paragraaf over besturen zonder besturen, wat met name gaat over vertrouwen, sluit af met dit mooie citaat: ‘Óf hij nu als een kluizenaar in de bergen woont, dan wel een onmetelijk rijk bestuurt,de Wijze is zowel in zijn  houding naar binnen toe als in zijn omgang met de dingen buiten hem, net zoals de Tao is: ‘Hij geeft leven zonder te willen bezitten; hij handelt zonder weldoener te willen zijn; hij leidt zonder bestuurder te zijn- dit is de diepste Te’.

In de epiloog probeert de schrijfster de essentie van het Taoïsme te schetsen. Ze stelt dat het de mildste en tegelijk hardste van de levensbeschouwingen is die ze kent. Mild omdat het niet op een normatieve manier richtinggevend wil zijn. Het Taoïsme ziet af van iedere bewust na te streven doelstelling en geeft geen invulling van de juiste weg. Alle wegen zijn even goed, de Weg valt samen met de hele wereld. Alles is toegelaten, niets wordt veroordeeld. Taoïsme is ook zwaar en hard, omdat het onze levensweg aan mensen zelf overlaat. Zonder enige richting of houvast. Toch wordt er in het Taöisme wel gesproken over de juiste of gepaste handelswijze. Maar voor ieder mens in elke situatie zal de vraag wat goed en en minder goed kunnen verschillen. Afhankelijk van omstandigheden en de doelstellingen voor zover die haalbaar zijn. ‘Het heeft geen zin te willen bloeien in de herfst, of te willen overleven in de aanschijn van de dood. – en alleen als het geen zin heeft , het getuigt ook van een gebrek aan inzicht. Wat goed is, is onvermijdelijk anders in de lente dan in de herfst, anders dan in het begin van het leven dan op het einde er van. (..) De goede levenshouding in het algemeen zou kunnen zijn: aanvaarden dat wat ‘goed’ is in bepaalde omstandigheden onvermijdelijk zal omslaan in wat ‘slecht’ is in andere omstandigheden. p. 168. Om te eindigen met de zin dat het er ook om gaat te aanvaarden dat het leven soms pijnlijk en moeilijk is. Tegen deze werkelijkheid in gaan is nog moeilijker en zwaarder.

Religieuze geschriften zijn mensenwerk: ieder bewust wezen heeft de mogelijkheid een eigen rol in de werkelijkheid te ervaren en er zich toe te verhouden en (tot op zekere hoogte ook zichzelf) weer los te laten

Religieuze geschriften zijn mensenwerk. Mensen en al hun voortbrengselen zijn net als alle verschijnselen onderdeel van het wereldraadsel, zij het met opmerkelijke kansen op bewustwording en groei met betrekking tot het alomvattende dat we mogen aannemen. Mensen noch andere verschijnselen verdienen onderdrukking. Heerschappij op basis van (doctrinaire uitleg van) religieuze geschriften is niet fundeerbaar tenzij ten koste van onnodige afgrenzingen. Jezus inspireerde mensen, net als Boeddha, maar anderen maakten daar (uiteenlopende maar ook vergelijkbare) religieuze organisaties bij. Kortom, van spirituele ervaringen en wijsheid hoeft geen doctrine afgeleid te worden. (Je kunt zelfs zeggen dat de bijbels en veel vergelijkbare geschriften eenzijdig mannelijk/patriarchaal/rationeel zijn samengesteld met uitsluiting of verdoezeling van vrouwelijk/matriarchale/intuïtieve trekken. Hierbij dient bedacht te worden dat holistisch herstel hiervan uiteraard meer of zelfs alle tegenpolen omvat. Zie onder over het besef van onderscheidingen en veranderingen.)

Vergelijk de wijze waarop Rudolf Steiner de idealen uit de tijd van de Franse Revolutie in evenwicht poogde te brengen: Broederschap in het economische vlak, gelijkheid in het juridische vlak, vrijheid in het geestelijke vlak. (Steiners ‘sociale driegeleding’)

Geweld van mens tegen mens en tegenstellingen tussen vele andere onderdelen van de werkelijkheid zijn niet altijd te voorkomen (al helpt het daar naar te streven). Geboorte en dood evenmin, evenals opkomst en ondergang van alle verschijnselen. Zelfs over de principes die we in de werkelijkheid menen waar te nemen, is geen absolute zekerheid. Dat impliceert de kans op vrijheid maar ook de waarschijnlijkheid van permanente (ondergang en) vernieuwing! Er is iets voor te zeggen dat zonder tegenstellingen niets waarneembaar zou zijn, en dat dat ook betekent dat slechts het opgeven van iedere ‘objectieve’ waarneming ons bevrijdt van lijden. Waarbij we onderscheid kunnen maken tussen opzettelijk veroorzaakt ‘onnodig’ lijden, en het loslaten van individueel (bewust)zijn als zodanig (waardoor geen onderscheid meer ervaren wordt) dat als positief of neutraal ervaren zou kunnen worden. Kortom, als we opgroeien en naar school gaan, leren we ook een ‘objectieve’ kijk op de wereld (inclusief onszelf als ‘subject’ ofwel ‘ik’) maar we kunnen het besef ontwikkelen dat die ‘objectieve’ kijk slechts een beperkt deel van ons bewustzijn is (of blijft, of zal blijken).

Leren afzien van het ‘ware geloof’ ofwel van de ‘double bind’ van macht zonder gezag

In dit korte stukje probeer ik uit te leggen hoe ik afstand probeer te nemen van gedrag (dat ik mezelf ooit aanleerde) dat zich niet baseert op het machtsvrij delen van ervaring; en van gedrag (dat ik zelf tentoon spreidde) dat niet gebaseerd was op luisteren maar op rationeel en analytisch inkaderen van wat de ander mij probeert te zeggen. [Over hoe ik mij later thuis vond bij meer moederlijke tradities van wijsheid en verlichting, waaronder die van de Hebreeuwse en Joodse wijsheid (Chochma) en haar gnostische en christelijke representanten (Sophia) zie elders.]

(Want ooit verliet ik mijn ouderlijk huis en geboortestreek om in de grote stad te gaan studeren. Theologie studeren aan de Vrije Universiteit en misschien wel dominee kunnen worden! Gelukkig leerde ik daar zoveel werelden en studies kennen dat mijn horizon wel erg veel breder werd dan alleen het calvinisme van Zeeland [waar mooie bevindelijke kanten aan zaten, zoals de beroemde predikant Smytegelt die tegen de slavenhandel preekte maar dit terzijde]. En na mijn uitgebreide verkenning van de historie van de godsdiensten en het denken van Oost en West (ook in de vorm van de studie filosofie aan de Universiteit van Amsterdam) kwamen daar later vele waardevolle praktische ervaringen bij, zoals cursussen tai chi en boeddhistische meditatie, en een proefschriftstudie aan de Universiteit van Utrecht over de vondsten van Nag Hammadi, waaronder de evangelies van Philippus en van Thomas, die samen met de geschriften van Qumran een heel nieuw beeld van Joden (van allerlei richting) en christenen (d.w.z. meest christelijke joden!) hebben opgeleverd. In het bijzonder valt op dat vele Jezusvereerders in de eerste twee eeuwen en daarna er nog geen dogma’s op na hielden, eerder heel gevarieerde vormen van religieuze beleving en praktijk. En dat zij de ‘opstanding’ van Jezus vooral ook als voorbeeld van een zo grote en diepe spirituele verandering zagen dat die niet in gangbare taal kon worden uitgelegd laat staan verklaard. Indien mogelijk wil ik in de toekomst opnieuw aan het Evangelie van Thomas extra aandacht schenken. Dat verbindt een groots innerlijk ideaal immers met vrijheid en soberheid in het leven die bij voorbaat genezend is: wie deze eenheid van de tegendelen vindt, zal niet meer sterven …)

Tot mijn achttiende jaar werd ik opgevoed in de Anti-Revolutionaire zuil die toen nog bestond. Hoewel mijn moeder pas bij haar trouwen overgestapt was (van de bevindelijke Gereformeerde Gemeente waar zij op negenjarige leeftijd met haar moeder bij was gaan horen) , was het gezin met vier kinderen deel van de (synodaal-)Gereformeerde Kerk in ons Walcherse dorp. Ik internaliseerde als kind de normen van het geloof en de levenspraktijk die in die gemeenschap de toon aangaven. Weliswaar  was mijn beste vriend Hervormd maar dergelijke vriendschappen waren geen probleem omdat ieder dorp verschillende kerkgenootschappen kende. Na de oorlog maakte men zich minder druk om de precieze verschillen en ontstond er zelfs “oecumenische” openheid (van ‘oikoumenè’ = ‘hele bewoonde wereld’ ofwel een verwijzing naar de verspreiding van het evangelie in de begintijd van het christendom). Dat neemt niet weg dat er in de officiële kerkelijke leer (dogmatiek) tamelijk rigide opvattingen bestonden die soms op funeste wijze gehanteerd werden om gemeenteleden in het gareel te houden. De bedoeling was liefde, de praktijk was vaak mentale dwang, waarvoor Aleid Schilder de term “hulpeloos maar schuldig” gebruikte (titel van haar boek over die ‘double bind’): er is geen ontkomen aan het gezag van de oordelende instantie die zowel het oordeel velt als het vonnis voltrekt: de machtsstructuur verandert in dit proces niet. De onderliggende partij is tot eeuwig onderliggen gedoemd. Iets waar vrouwen in dubbele mate last van hadden. Dat paste in het cultureel en ideologisch en theologisch bepaalde gezagspatroon: geestelijke leiding boven gewoon gemeentelid, man boven vrouw zoals (en want) God boven de mens.

Ik noem hier speciaal het theologische patroon nog eens. Ook bij mij thuis ervoer ik de opvoeding door mijn vader als rigide. Goed bedoeld maar altijd in zijn voordeel. Ik heb dat  overgenomen in die zin dat ik nooit verlies wens te accepteren: ook niet als een ander iets beter weet, of als ik een fout van mijzelf niet wens toe te geven. Een patroon dat deuren dicht houdt.

De kerkleer die daar achter zat, was dat Jezus “voor onze zonden gestorven was” en dat wij dus aan God en Jezus eeuwig in de schuld bleven staan tenzij iemand ons van die schuld verloste. En dat was ter beoordeling aan … de kerkelijke gezagsdragers en in het verlengde daarvan ook de ouders. Op die manier kun je het als gewoon mens of als simpel kind het nooit goed genoeg doen. Tenzij je kunt aantonen dat je het beter weet, iets dat in dogmatische christelijke kringen (net als in vele andere culturele omgevingen en groepen) een nogal gebruikelijk patroon was, vaak samengaand met patriarchale gewoonten en opvattingen.

Ik verklaar bij deze dat ik die patriarchale houding en het bijbehorende gedrag verafschuw, ook waar ik die zelf nog lang heb toegelaten of zelfs uitgeoefend. Men lijdt ook zelf daaronder, en ik beken dat ik ook mijzelf tekort heb gedaan door daar niet eerder openlijk afstand van te nemen. Ik heb geleden en lijd onder de opvatting dat lijden van wie dan ook zonder dat diegene daarvoor zelf zou kunnen kiezen, onvermijdelijk nodig is om opgestapelde schulden en wanverhoudingen te herstellen. Plicht tot herstelbetaling mag in de rechtspraak een begrijpelijke en verdedigbare norm zijn in bepaalde redelijke mate, maar waar dwang wordt toegepast zonder inspraak, leidt dit vaak nergens toe. Voordat overleg wordt afgebroken, is het belangrijk zoveel stappen met de overlegpartij te zetten als maar mogelijk is. Navolging in die zin is zelfgekozen en acceptabel, maar gedwongen navolging op basis van kadaverdiscipline (en die is er vaak geweest, zoals Alice Schwarzer in haar boek over de zwarte pedagogie in Europa van de laatste eeuwen heeft beschreven) is een uiterst schadelijke weg.

Iets dat ook politieke regeringen en andere overheden zich beter kunnen realiseren als ze voeling met onderdanen en andere mogendheden willen houden.

Ik zeg dit echter allereerst en voorlopig alleen om mijzelf een spiegel voor te houden: hou op met beter weten voordat je geluisterd hebt. Er is zoveel moois en waardevols dat mij vrij aangeboden is en wordt en blijft worden: help mij ervoor open te blijven staan, steeds opnieuw. Ik wil leren toelaten en ontvangen, aannemen en verwerken, zodat ik te gelegener tijd weer weggeef, doorgeef en loslaat; zonder ook maar iets achter te houden. Altijd opnieuw!

“Jezus kondigde het koninkrijk aan en wat gekomen is*, is de kerk” (Alfred Loisy)


“Wat gekomen is”: Loisy verwees naar de verkondiging van Jezus als een oproep die niet per se hoeft samen te vallen met éen latere uitleg ervan. Jezus volgen houdt iets anders in dan alleen zo’n uitleg volgen, alsof  de kerkelijke leiders het alleenrecht zouden hebben op die uitleg en geloven zonder navolging een mogelijkheid of zelfs het ideaal zou zijn. Jezus dacht niet aan theologen maar aan leerlingen die zijn weg wilden volgen. De radicaliteit van die weg is een praktische die innerlijke omkeer inhoudt, met de uiterlijke gevolgen van dien. Namelijk dat het koninkrijk daar tot stand komt omdat het niet tegengehouden wordt. Iets wat wij en ook de kerk (dreigen te) doen als we onszelf in de weg van die mogelijkheid plaatsen. Het koninkrijk verwerkelijkt zich zonder dat wij het kunnen grijpen of vastbinden, met ons verstand of op welke wijze dan ook. In moderne termen: het koninkrijk kan niet rationeel gereduceerd worden tot een bepaalde godsdienst, politiek of welke uiterlijke of innerlijke vorm dan ook, omdat het altijd open is in alle richtingen; wat niet wil zeggen, dat we onze kennis van en omgang met de vormen zomaar achterwege kunnen laten zonder problemen. Leven is eenvoudig en complex tegelijk: tegelijk eeuwigheid en tijd, om met Jacob Böhme te spreken. Een beeld van de lessen van Jezus volgens de oudste bron (Q) van de evangelies van Matteüs, Markus en Lukas vindt u hier.

Deze lessen van Jezus ervaar ik als buitengewoon dynamisch hoewel tegelijk gebaseerd op overgave en dus op openheid, niet gehecht zijn (dus geen dwangmatige dynamiek!). Op dat punt zijn ze mijns inziens verwant aan de lessen van Lao Zi, zie direct hieronder bij **** en verder naar onder bij *****. Een belangrijke overeenkomst tussen genoemde lessen van Jezus en die van Lao Zi is ook iedere afwijzing van machtsmiddelen om de macht: want dan zou het effect ofwel doel bij voorbaat (het risico lopen) teniet gedaan (te) zijn door het middel. Lao Zi zegt evenmin als Jezus dat machtsmiddelen nooit gebruikt zouden mogen worden: ze mogen gebruikt worden in het uiterste geval (bij voorkeur voorbehouden aan opvoeders, leiders en bestuurders in elke kring waarin die rollen vervuld worden), om erger te voorkomen. Maar in alle eerdere gevallen ben je beter af door mee te buigen, op  de achtergrond te blijven en zo de kansen tot een goede afloop niet zelf te verstoren maar zo mogelijk te vergroten, eventueel door een (het liefst) kleine ingreep. Dat heet bij Jezus ‘helen’. Dan gaat het om een heling die gebaseerd is op en toewerkt naar balans en de daaruit voortkomende vreugdevolle ervaring van het heel zijn. Jezus en Lao Zi verkondigen geen onrealistische spirituele sprookjes, maar uiterst realistisch idealisme. Zij gaan niet voorbij aan welk lijden of welke tegenstelling dan ook maar erkennen de betrekkelijkheid van elk lijden vanwege het feit dat alles permanent in verandering is, zoals elk tegengestelde altijd op weg is naar een nieuw tegendeel. Lijden is niets zonder einde van lijden, vreugde niets zonder einde van vreugde. En volgens Jacob Böhme geldt dat voor alle mogelijke ervaringen van alle  mogelijke levende wezens in tijd en eeuwigheid. Bij wijsheid ofwel bij het besef van de eenheid of het samenvallen van alle tegenstellingen in beweging hoort derhalve de ervaring van het permanente steeds nieuwe samenvallen van tijd en eeuwigheid (of in filosofische termen van immanentie en transcendentie), in steeds nieuwe vormen. Een open spel met diepte- en hoogtepunten. Waarbij toe- en loslaten fundamenteler is dan grijpen, begrijpen en vasthouden.
Voor mij persoonlijk lijkt nog een aspect relevant: nabijheid vanuit onthechtheid lijkt in dit verband meer voor de hand te liggen dan opgeblazenheid (nabijheid vanuit ‘moeten’). Die opgeblazenheid kan mijns inziens voorkomen waar ‘aansporen’ overgegaan is in onvrije dwang gemaskeerd door zogenaamde vroomheid. In het perspectief van Loisy is het wellicht waardevol nadruk te leggen op het feit dat Jezus nooit uit geweest is op een dwangmatige handhaving van regels door een instituut dat de historische erfgenaam zou zijn van allerlei politieke of religieuze tradities, met de taak om vooral de daarmee verbonden posities en maatschappelijke verhoudingen te bewaken. Ten opzichte daarvan stelde Jezus zich zoals bekend ook geheel vrij op. Niet dat hij tradities afwees, maar alleen als ze in vrijheid konden functioneren. Zowel vrijheid van buiten in politieke zin, als vrijheid van binnen in psychologische en persoonlijke zin. Er is vaak genoeg gepoogd om de bijbel als grondwet voor vaste tradities en zelfs instituten te propageren, sterker: de aanwezigheid van de vele verschillende bijbels geven precies aan dat uiteenlopende tradities en groepen zich hun eigen bijbel bedacht en uitgekozen hebben (iedere groep haar eigen bijbel!) maar al is het vormen van tradities en groepen niet verboden, het wordt door Jezus net als heel ons bestaan en heel onze werkelijkheid uitsluitend gezien vanuit de actuele komst van het koninkrijk dat liefde en vrijheid inhoudt, alleen daarop gebaseerd is en wel in de vorm van permanente actuele verwerkelijking, niet buiten ons individuele en gezamenlijke bewustzijn om. Dit betekent een grote uitdaging voor wie (enkel- en meervoud) die openheid aanvaardt en aangaat. Want het houdt in dat ieder moment opnieuw eigen belangen worden gerelativeerd ten opzichte van het geheel waarvan men op dat moment (alleen of samen) deel uitmaakt. En dat betekent dus ook het accepteren van het gedrag van diegenen die hun gedrag niet aanpassen aan wat toevallig mijn visie of gedrag van dit moment is. Met als enige uitzondering de gewetensvrijheid om de beste keuze te maken voor het geheel en het evenwicht daarvan, inclusief de zwakken als eerste. Kortom, de bereidheid om zichzelf te offeren om erger te voorkomen. En dat erger hoeft niet per se te zijn dat men niet de normen van de machthebbers, of de eigen vrienden of medestanders, dus de eigen groep, volgt: die doen er meestal al veel aan om zich te redden, en hebben daarin ook hun eigen verantwoordelijkheid. Het betekent wel de bereidheid om het eigenbelang eventueel te offeren voor wat groter is: balans in een groter opzicht dan het individuele eigen belang. Het oordeel daarover is overigens niet aan anderen of derden, want wie durft te beweren dat zij of hij iets beter weet of vermoedt? Wie de keuze maakt die hier bedoeld is, laat geen sporen na van wantrouwen maar sporen van vertrouwen. Veiligheid is immers waardevoller dan gevaar of onveiligheid; ook houdt de keuze voor vertrouwen en veiligheid respect in voor wier gedrag wij niet begrijpen: het zou kunnen dat zij op bepaalde punten veel betere redenen en inzichten hadden voor hun gedrag dan wij in onze beperktheid van rationele kennis en intuïtieve kennis hebben. Het achterwege laten van oordelen over anderen is dan ook een belangrijk onderdeel van Jezus’ boodschap. En dat geldt ook voor oordelen over onszelf, mits wij als voorwaarde daarvoor aanleggen dat wij ons bescheiden en terughoudend (want respectvol) opgesteld hebben en blijven opstellen in alle opzichten en naar alle verschijnselen van moment tot moment. Inclusief het niet alleen bezig zijn met het verleden of met onszelf. Basiscriterium is volstrekte openheid, ook voor de gedachte dat verleden en toekomst omkeerbaar zijn, niet in de zin dat wat gebeurd is, niet gebeurd is, en dat wat zal gebeuren niet zal gebeuren, maar in de zin dat verleden en toekomst als vormen van tijd ook vallen in het gebied waar verandering kernaspect is. Iets wat derhalve ook voor eeuwigheid geldt, omdat tijd en eeuwigheid beide permanent aan de orde zijn, en wel in hun compleetheid. Het enige leven is hier en nu, maar toekomst en verleden zijn er onderdelen van; alles altijd in verandering, deels oppervlakkig, deels alomvattend.
Hoe dan ook, het zou nogal dwaas zijn om te veronderstellen dat er (apart te onderscheiden) instanties of personen zouden kunnen zijn die een volledige kennis van alles, of een complete intuïtie van alles, zouden hebben. Er zijn geen voorbeelden van. Een reden te meer om niet te beginnen met oordelen, maar openheid na te streven voor wat zich aan ons toont, in het besef van de beperktheid van iedere vorm van die openheid in elk individueel geval (verschijnsel). En bij ons gedrag met die (on)wetendheid rekening te houden. Dat wil ook zeggen: leren dat ‘weten’ een belangrijk onderdeel of kompas dient te zijn van ons gedrag, en dat zonder zekerheid vooraf dat ons gedrag en ons weten optimaal zullen correleren met de totale werkelijkheid (die we immers alleen kennen zover we die hebben leren kennen, en derhalve nooit volledig behalve door in dit moment op deze plaats er volledig voor open te staan en aan deel te nemen in de verschijning van dit moment, inclusief de verhalen en belevenissen van toekomst en verleden). ‘Het’ komt (er) voor ieder bewust en met ‘keuze’-mogelijkheden begiftigd verschijnsel steeds opnieuw (op aan).
Alle verschijnselen, ook die welke we niet kennen (inclusief niet meer of nog niet), zijn op een of andere wijze met elkaar verbonden, bewust of niet. Daaraan kunnen we recht doen door onze eigen wijze van verwerkelijking zo open en volledig mogelijk te laten zijn. Dat wil zeggen niet vooringenomen, alles liefhebbend.

Verwanten van vrijmetselarij: Jacob Böhme, het begin van de moderne tijd en de opkomst van nieuwe religieuze genootschappen

Rozenkruisers en vrijmetselaars zijn te vinden in historische bronnen vanaf het begin van de zeventiende eeuw, precies de tijd waarin Jacob Böhme zijn beroemde teksten schreef. De verdere geschiedenis van de vrijmetselaars en speciaal van hun ideeën tot en met de twintigste eeuw wordt prachtig weergegeven in het boek van de Belgische hoogleraar filosofie, tevens vrijmetselaar, Leo Apostel (titel: Vrijmetselarij). Mijn aantekeningen daarbij, onder de titel Jacob Böhme en de vrijmetselarij zijn hier te vinden.

De kern van Jacob Böhme’s denken: bronnen, betekenis, toekomst

Bronnen, uitgangspunten en betekenis van het rationele én veel-meer-dan-rationele denken van Jacob Böhme

van zijn Aurora tot zijn Theoscopia

Jacob Böhme schreef zijn spirituele en wijsgerige teksten naar eigen zeggen uit noodzaak. Na in een geestelijke crisis te zijn geraakt – zo diep dat hij elke grond onder de voeten verloren had – ervoer hij de genade van een nieuw geestelijk begin, “grond onder de voeten”, en niet alleen de behoefte om die ervaring met anderen te delen, maar ook de ermee verbonden diepe inzichten in de samenhang van alle verschijnselen, oorsprong en doel van de mensheid en van de kosmos en van alle patronen en processen die elk verschijnsel afzonderlijk en alle verschijnselen samen kenmerken inclusief het ontstaan en de toekomst van alles, en alle daarin voorkomende onderscheidingen en tegenstellingen. Zo ontstond zijn eerste geschrift, de Aurora of het Morgenrood. Zijn eigen proces, alle processen in de natuur/kosmos, inclusief die van al zijn medemensen, vormden zowel het onderwerp van zijn systematische visies als van zijn innerlijke drang om allen in zijn omgeving op te roepen om in die processen en in dat geheel hun rol te vervullen, erin mee te spelen. Inclusief een berekening van kosten en baten, en een schets van de uitkomsten.

In zijn Aurora zette hij zijn ‘systeem’ in de grondverf, in zijn traktaten sprak hij zijn hoorders en lezers aan op hun persoonlijke rol in het geheel, in zijn Theoscopia (een van zijn laatste traktaten) vatte hij de complete systematiek ervan samen. Die behandel ik aan de hand van het centrale concept van de eenheid van alle tegenstellingen in mijn inleiding in het denken van Jacob Böhme:  Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen (2020).

De voltooiing van deze inleiding maakte mij ook duidelijk dat woorden niet per definitie ‘het laatste woord’ hebben (…)! En wel omdat er een bereik of meer bereiken zijn dan die van woorden alleen; in die bereiken vormen woorden niet de belangrijkste taal. En dit in de zin dat er subtielere – en grovere – ‘talen’ of uitwisselingen zijn dan die welke in louter woorden gevat kunnen worden. Dit tenzij je het begrip ‘woorden’ uitrekt tot de meest subtiele uitwisselingen – maar dat is niet het gangbare gebruik van woorden waarin bewust of onbewust een grote dosis rationaliteit meespeelt.

Hoewel ik in deze inleiding gestreefd heb naar consistent en zelfs zo rationeel mogelijk (!) woordgebruik (zoals voor verstaanbaarheid in bredere kring nu eenmaal nodig is, zeker in een context waar rationalisering hoog in het vaandel staat zoals in onze ‘moderne’ tijd), moet ik vaststellen dat ik met rationaliteit alleen mijn doel niet bereik. Dat doel is immers ‘alomvattend’: als ervaring van open en alomvattende eenheid, en wel steeds opnieuw. Ook hier geldt dus: nadat de ladder van de rationaliteit beklommen is, mag hij achtergelaten worden tot hij eventueel opnieuw zijn diensten kan bewijzen.

De bijbehorende constatering is dat het ‘doel’ met de tijd verschuift naar een volgend zichtbaar wordend ‘doel’. In die zin althans dat elk einde een nieuw begin is (en omgekeerd; dit is een spreuk die in Böhmes werken voorkomt). Elk door ons voorgesteld einddoel verschuift naarmate het eerder voorgestelde doel in zicht komt of bereikt wordt. Ook dit behoort onmiskenbaar tot Böhmes inzichten die hij achtereenvolgens ontdekt en beschrijft.

In de Aurora sprak hij van de diepste grond (die hij bereikte via de grootste kwellingen die aan zijn verlichtingservaringen vooraf gingen), later spreekt hij van grond en ‘ongrond’, van iets en niets, van ja en nee. Daarmee geeft hij tegelijk aan dat in al deze tegenstellingen de grens van de taal bereikt wordt. In zijn Theoscopia spreekt hij dan ook letterlijk van de onmogelijkheid om überhaupt iets te ervaren buiten het erkennen van tegen(over)stellingen om. Pas die laatste maken de ervaring van wat dan ook mogelijk. Kennen is derhalve gebaseerd op het maken van onderscheidingen, en het erkennen van tegenstellingen. Want kennis is het benoemen van die ervaringen.

Alles bijeen brengt dit mij tot het besef dat bij de grootste en diepste verlichting hoort dat rationeel woordgebruik daarbij slechts de rol kan spelen die verwijst naar het alomvattende en tegelijk oneindige gebied buiten ieder beperkt kader (waaronder vermoedelijk ook ‘ruimte’ en ‘tijd’ zover wij die als rationeel toegankelijke en beheersbare grootheden opvatten). Als we de stortregens van Böhmes teksten zo lezen, hebben wij mijns inziens de beste kans om zijn ervaring en inzichten en bedoeling van zijn tekst serieus te nemen (vanuit die ervaring en bedoeling gezien).

Wie deze ervaring en dit inzicht (al) delen, zullen aan deze toelichting op Böhme wellicht (al) geen behoefte meer hebben. Maar er is niets wat buiten deze ervaring en dit inzicht valt. En voor diegenen voor wie mijn inleiding een rol op hun pad kan spelen of een betekenis daarvoor kan openen (want Böhme wijst als geestelijk leraar zijn leerlingen een spirituele weg),  hoop ik dat dat het geval is en zo van waarde is.

Conclusie: om uw verlichting te verwerkelijken is deze inleiding strikt genomen niet nodig. Want dan ontdekt u dat u zelf altijd al verlicht was, zij het niet altijd in het volle besef ervan verkeerde (en de vraag blijft hoe dat volle besef kan komen en gaan, en welke rol de aan- of afwezigheid van woorden daarbij spelen, laat staan dat die rol per se nodig zou zijn). Maar ook als u al verlicht bent, of af en toe, weet u dat u die verlichting altijd weer te realiseren hebt, zowel in de passieve als in de actieve vorm.

Daarbij komen we net als Böhme niet om de negatieve tot uiterst negatieve kanten van leven en bestaan heen, zoals hij gelukkigerwijs keer op keer niet nalaat duidelijk te maken in zijn zich steeds vernieuwende (beelden-)taal.

Theoscopia, het zien van God, is Böhmes uitdrukking voor wat in de christelijke teksten uit de Middeleeuwen illuminatio heet: ‘verlichting’, in geestelijke zin. Die illuminatio hield in dat de mens God schouwde, dat hij terug was in de hemel ofwel het paradijs waaruit hij was verdreven. Zij het dat die terugkeer voorlopig en onvolledig want nog voornamelijk geestelijk was. Slechts bij de tweede komst van Jezus op aarde zou de eenheid van de mens met God, en zijn terugkeer naar de hemelse of paradijselijke toestand volledig worden (zie ook verderop).

Orthodox-katholieken in het Oosten (oorspronkelijk oud-Syrisch en Grieks van taal, later ook Slavisch-talig waaronder Russisch) en Rooms-katholieken in het Westen (Latijns van taal) legden hierbij uiteenlopende accenten, afhankelijk van de manier waarop de toekomstige terugkeer naar het paradijs hier en nu mogelijk wordt geacht, en langs welke wegen. Jacob Böhme valt ten opzicht van deze tradities op door minstens twee visies. De ene is dat terugkeer naar de diepste of ook oorspronkelijke eenheid altijd overal dus ook altijd hier en nu mogelijk is (zij het eveneens in beginsel, zie de vorige alinea; de eenheid is geestelijk nu al volledig, de fysieke eenheid volgt de geestelijke in iets langzamer tempo maar niet minder volledig). Genoemde tradities hadden van de onmiddellijke komst van het koninkrijk dat Jezus predikte (het was er nu in dit moment al helemaal maar zou eveneens helemaal blijven komen) een komst in fasen gemaakt. De tweede visie volgt daar eigenlijk direct uit: geen enkel onderscheid of verschil, noch in concrete noch in  symbolische zin, valt buiten dit in beginsel reeds nu ervaarbare want bereikbare doel. Böhme zegt letterlijk: de hemel is niet vele mijlen boven de aarde maar altijd hier. Zoals Jezus tegen zijn medegekruisigde zegt dat hij vandaag (en dat is eigenlijk ook ‘hier’) met hem in het paradijs zal zijn. In het uiterste geval zou je van een klein verschil in bewustwording kunnen spreken, tussen individuen die het zich (nog) niet realiseren en die welke dat wel doen. Uit de tweede visie volgt logischerwijze ook de eerste. Het kernpunt van deze analyse is toch dat voor Jezus de komst van het koninkrijk altijd direct hier en nu al plaatsvond, innerlijk en gezien zijn genezingen en verdere optreden (tempelschoonmaak, doorbreken van onderdrukkende regels). Innerlijk en uiterlijk: die vormen bij Jezus geen tegenstelling en in de latere kerkelijke theologieën wel, vaak gekoppeld aan een bepaalde hiërarchie in de geestelijke of organisatorische wegen. Voor Jezus is die hiërarchie een volstrekt overbodig omweg.

In zijn eerste geschrift Aurora zette Böhme het ontstaan van alle tegenstellingen uiteen, waaronder de val van de engelenvorst Lucifer en de daarop volgende val  van de eerste mens en diens scheiding in man en vrouw. Die viel samen met de scheiding tussen spirituele hemel en fysieke aarde (voor Böhme een scheiding die de basis en kern vormde van alle tegenstellingen hier en nu, tot en met de moeilijkst te dragen vormen van lijden inclusief hun eindpunt in de dood. In zijn vrijwel laatste geschrift Theoscopia vat Böhme samen hoe ook alle andere daaruit voortvloeiende tegenstellingen ten diepste  terug te voeren zijn op het voorrang geven aan de eigen wil boven alle andere, dat wil zeggen boven het afstemmen van de eigen wil op de oorspronkelijke, allerdiepste, echtste, harmonische, samenbrengende en uiteindelijk alles herenigende wil, ook de wil van God genoemd.

Bekend is Böhme in de eerste plaats als spiritueel schrijver van inspirerende traktaten die de geestelijk zoekende mens opbeuren want een spiegel voorhouden en de weg wijzen (zie de herdrukken ervan in hedendaagse talen). Zijn Theoscopia laat zien dat hij de processen van eenheid, splitsing en herstel niet alleen voor het geestelijke terrein beschreef maar dat hij die processen evenzeer terugvond in de wereld van alle zichtbare verschijnselen in de hele natuur/ kosmos.

Böhme staat met deze visie haaks op het moderne ‘wetenschappelijke’ denken dat geest en natuur/kosmos uit elkaar haalt en ‘kennis’ beperkt tot de ratio. Ook niet minder in de traditie van het idee van de ‘eenheid van de tegenstellingen’, van Westerse denkers als Herakleitos en Empedokles tot de dialektiek van Hegel en diens leerling Marx (wiens rationalisering ervan losgelaten dient te worden). Een idee bovendien met opvallend diepe en belangrijke actuele parallellen in het Oosten. Daarbij komen behalve de ratio ook de intuïtie, en behalve de subject-objectverhouding ook de ‘eenheidservaring’ aan de orde. En dit inclusief hun betekenis voor ons taalgebruik. Net als Böhme verkennen wij daarbij de diepste grond en ‘ongrond’, tot we niet meer  op kunnen houden met spreken (zoals Böhme) of met zwijgen, en in die beide ook hún eenheid te respecteren. Waarbij Böhme opvalt door net als zijn voorgangers Plato, de bijbel en vele kabbalisten, mystici, literatoren en andere kunstenaars de verhouding van man tot vrouw en omgekeerd, en de daarop betrokken of van afgeleide aspecten, een centrale rol laat spelen. Wat betekent dat?

Jacob Böhme is bij uitstek degene die in het Westen de sporen van de ‘splitsing’ van alle mogelijke ‘eenheden’ als gevolg van de meest elementaire daarvan, verkend heeft op basis van zijn persoonlijke ‘verlichtingservaring’. Hij wijst een ongelooflijk belangrijke (mogelijke) weg waarvan de voorbeelden in West en Oost te vinden zijn.

De kern is wel deze. Zonder tegenoverstelling (tegenstelling, splitsing, scheiding) is er geen bewustwording, want geen ervaring (mogelijk). Complete bewustwording impliceert derhgalve complete aanvaarding en doorleving van tegenstellingen die zich aanbieden, inclusief de ‘ergste’, diepste, zwaarste, inclusief het opgeven van zichzelf, en aanvaarding van de eigen dood als ‘offer’ en  ‘bijdrage’ maar ook ‘doorgang’ in dit proces dat uiteindelijk ‘helend’  is en leidt tot het herstel van (de eenheid of harmonie van) alles. Zelfs die van tijd en eeuwigheid zodat zij zijn beroemde vers kon schrijven: “Voor wie tijd is als eeuwigheid, en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd, van alle strijd’. ALLE VERSCHIJNSELEN ZIJN VIA HUN EINDELOZE VERSCHILLEN EEN. Dit is een uitspraak die je objectief kunt pogen te interpreteren maar die je slechts werkelijk ‘vat’ door de hele werkelijkheid met alles wat je in je hebt en wie je bent te omarmen en doorleven. Dat doorleven is altijd verlies en winst tegelijkertijd.

Dat betekent meteen ook dat toekomst en verleden (van alles!) hier en nu aanwezig zijn en zelfs ‘volledig’  verwerkelijkt worden. Omdat er geen onvolledig zonder volledig is.

En dat … steeds opnieuw. Verlichting en verwerkelijking schrijden oneindig voort vanaf dit moment en deze plek (en komen dus ook permanent weer retour, zij het niet ervaarbaar buiten de tegenstellingen en onderscheidingen om, via zich steeds vernieuwende verschijningsvormen ervan inclusief alle veranderingen van patronen en verschillende dieptes van bewustzijn die zich daarbij voordoen). Eenheid en delen kunnen niet zonder elkaar, komen altijd samen voor in wisselingen en processen, tegelijk alomvattend een, hoe veranderlijk en vergankelijk ook.

Voor wie het herkennen en willen horen: Jezus zei “wees heelmakers” (vroeger ook vertaald als “wees volmaakt”; de Griekse tekst spreekt van “gericht op het einddoel”). Dat kan op eindeloos vele manieren! Iedereen kan haar rol spelen, en hoeft daar geen apart diploma voor te hebben tenzij dat onmisbaar is voor specifieke taken van veiligheid (waar het om gaat is alomvattend welzijn).

Woorden hebben niet per se het “laatste woord”

(maar ook de niet-laatste woorden kunnen behulpzaam zijn als aansporing tot volledig dat is helend leven)

Literatuur:

Eenvoud en diepgang in en voorbij alle tegenstellingen: inleiding in het denken van Jacob Böhme, Haarlem 2020; 303 pp.; € 19,50

Zinnig gebruik van toekomst voorspellende en alle andere symbolische systemen

Zinnig gebruik van toekomst voorspellende en alle andere symbolische systemen
Over taalgebruik in (onder meer) toekomst voorspellende systemen en de subjectieve en objectieve waarde daarvan.

In deze tekst ga ik na dat de in voorspellende systemen gebruikte taal altijd zowel een subjectief als een objectief karakter heeft, en welke voordelen of nadelen dit kan hebben.
Voorspellende systemen bieden zonder uitzondering middels plaatjes, typeringen en woorden een variatie aan karaktereigenschappen en andere kwaliteiten in vele soorten aan als mogelijkheid om zich via de symbolische betekenis van ermee verbonden ervaringen of voorstellingen. Daarbij wordt de suggestie gewekt dat in deze spiegel het eigen karakter, de eigen kwaliteiten en de eigen toekomst van degene die deze er uit haalt, zichtbaar en kenbaar zal worden. Want iedere zoeker zal zijn zelfinzicht, zijn hoop of vrees, zijn gods-, mens- en wereldbeeld, zijn ervaringen en zijn relaties in de breedste zin van het woord projecteren op deze beelden en zo zelf de betekenis er aan toekennen, waarbij gesuggereerd en verondersteld wordt dat het betreffende systeem het totaal aan mogelijke projecties bij voorbaat omvat. (Als dit niet het geval is, hoeft niet het systeem tekort te schieten, het is immers gebaseerd op de projectie van de gebruiker. Wel kan het uitmaken voor de sterkte van de magie van het betreffende voorspellende systeem; welke magie overigens evenzeer afhankelijk is van de inzet en andere kwaliteiten van degene die het proces van de voorspelling over zichzelf aangaat.)
De voorspelling wordt dus in wezen gedaan door degene die er om vraagt! Zonder zelfwerkzaamheid doet het systeem niets. Elk systeem heeft een eigen beeld- en/of woordtaal en de historie ervan kan net als die van elke taal onderzocht en beschreven worden. In dit opzicht zijn deze systemen die informatie over karakters bieden of die helpen voorspellen, gelijk aan alle groepstalen. Ieder kent de wereld volgens de taal (woorden, beelden, tekens) van de groep waarin zij of hij is opgegroeid.
De moderne wetenschap zegt terecht dat dit geen objectieve (algemeen geldige) feiten oplevert (die gelden vermoedelijk alleen binnen strikt afgebakende gebieden waarbij de regels die afbakening vormen!). De geleverde voorspellingen worden als waarschijnlijke feiten gebracht maar komen niet zonder meer uit. Je mag deze systemen dus nooit gebruiken als voorspellingen die letterlijk zo zullen uitkomen.
Er is echter een gebruik dat heel zinvol is, namelijk in de sfeer van het subjectieve, letterlijk: van de belevingen, voorstellingen, verwachtingen enzovoort van individuen en groepen mensen. Te weten die groep mensen waarbinnen het gebruikte voorspellingssysteem (met zijn taal en beelden, of andere middelen) erkend en dus bruikbaar is (zolang die erkenning blijft).
Dat die erkenning wel eens kan veranderen of verschillen of verloren gaan, is een tamelijk algemeen bekend iets. Behalve binnen gesloten groepen die niet willen dat die erkenning hun groepseenheid doorbreekt. Hiervan wordt in de politieke sfeer gebruik gemaakt door telkens van taal te wisselen, enerzijds beter aansluitend bij ontwikkelingen in de samenleving, anderzijds beter aansluitend bij de eigen positionering. Het gebruik van taal is in die zin dus altijd riskant: de hoorders van taal willen graag iets betrouwbaars en duidelijks horen, terwijl de politici dat voorwenden te bieden maar door onduidelijkheid over de praktische invulling ofwel uitvoering erg veel ruimte over proberen te houden om een eigen koers te varen die niet altijd gunstig voor hun kiezers hoeft te zijn. In de geschiedenis van de politieke taal zijn nogal wat voorbeelden te vinden van zodanige verandering van taalgebruik dat grote delen van een bevolking hetzij in slaap gesust wordt hetzij anderszins ongeïnformeerd blijft. Wat dan achteraf weer tot opmerkelijke conclusies kan leiden in geval van bewustwording ervan.
Bij het gebruik of de beoordeling van genoemde systemen is vooral van belang dat men zich niet alleen de grenzen van de objectieve waarde en betekenissen goed realiseert (subjecten zijn emotioneel gebonden aan hun taal- en beeldenwereld, ook al is die deels altijd in verandering) maar ook dat deze systemen net als alle geloofs- en communicatiesystemen ook een waardevolle structurerende functie hebben. Zij het binnen de (altijd beperkte) groep waarvoor dat systeem een erkend geldig systeem is. (Dat die geldigheid instemming van de gebruikers behoeft, geldt alleen niet voor gebruikers binnen de genoemde gesloten groepen waarvan de leden dit recht hebben afgegeven, dan wel nooit de vraag om erkenning ervan hebben gesteld of die gekregen.)
Anders gezegd: de objectieve kant van de (hele) werkelijkheid en al haar onderdelen en de subjectieve kant ervan zijn nooit van elkaar los te maken, want zij zijn verbonden met de mogelijkheid van hun onderscheiden invalshoek.
De uitdaging is er zo bewust mogelijk gebruik van te maken. Inclusief zowel het besef dat men zich in een bepaalde ervaring of wereld of actie zal verliezen (door zich te engageren, tot en met het ‘sterven’dat daarbij kan horen) als dat juist daarin de verbinding met en de volledige verwerkelijking van het ‘al’ gelegen is. Want subject en object zijn altijd en per definitie twee zijden van één werkelijkheid.
Zo gaat de verwerkelijking van het ‘hogere’ nooit zonder die van het ‘lagere’. Bijvoorbeeld verwerkelijkt het ‘hogere verstand’ (intuïtie) zich nooit los van het ‘lagere verstand’ (ratio). Zoals die beide zich als ‘bewustzijn’ nooit verwerkelijken los van hun concrete ‘zijn’. En dit geldt ook voor wie zich (en als wij dit ons!) niet realiseren. Of liever: dit slechts realiseren binnen ons beperkte ofwel kleine bewustzijn.
Het is van het grootste belang om, bij ons zoeken van antwoorden op onze vragen, te beseffen binnen welke ‘kaders’ – zowel concreet als in woorden, beelden of welke andere tekens dan ook, tot en met de meest subtiele – wij ons bewegen. En als dit er meerdere tegelijk zijn (zoals meesstal het geval is, wij wisselen immers voortdurend van innerlijke en uiterlijke omgevingen) is dit des te belangrijker!
Net zo min als zogenaamd objectief-wetenschappelijke kennis (van de ‘moderne wetenschappen’ sinds Descartes) mogen wij subjectief-wetenschappelijke kennis als enig ware methode poneren. Zij gelden alleen binnen hun eigen bereiken. Zoals alle voorspellings- en zelfkennissystemen in bijvoorbeeld de Westerse culturen: runen, tarot, karaktervoorspelling, levenslot voorspelling enzovoort. Toch neemt dit niet het feit weg dat gebruikers erdoor op het spoor komen van hun innerlijke voorkeuren, en zich daarbij mogelijkheden en wegen kunnen voorstellen die bij hun innerlijk (van dat moment of zelfs veel omvattender) kunnen passen.
Dat geldt uiteraard niet alleen voor de genoemde systemen maar voor elk vergelijkbaar gebruik van voorstellingen, begrippen, woorden, enzovoort. Bijvoorbeeld getallenleer, getallensymboliek toegepast op oude teksten enzovoort. Beslissend is verder of de leider van deze processen (die meestal ook als geestelijk leraar/lerares of voorspeller/-ster optreedt) met deze processen zo omgaat dat de deelnemer er veilig in is, dan wel onbewust in een bepaalde richting gestuurd wordt die meer met de context van de groep(en) om voorspeller en voorspelden heen te maken heeft dan met de beoogde bewustwording van degene die om de voorspelling vraagt.
In die zin is wat hier over voorspellingssystemen gezegd is, ook van toepassing op het gebruik van andere symbolische systemen in vele contexten. Daarbij speelt als het goed is, een zekere magie of overdracht een rol. Zwarte magie noemt men die welke verkeerd uitpakt of zelfs ook zo bedoeld is; witte magie die welke op vrijheid gebaseerd en op vrijheid uit is, binnen de vrijheidsmarges die er zijn, derhalve bij voorkeur bewust ervaren complete vrijheidsmarges. Compleet betekent overigens inclusief de ervaring van alle tegenstellingen, zie daarover elders.
Ook deze tekst is (witte!) ‘magie’: zonder magie ofwel ‘werkelijkheid in een proces van verwerkelijking als van een wil’ is er geen enkele werkelijkheid die wij beleven. Ook daarover is elders meer te vinden.

(Deze tekst ontstond naar aanleiding van meerdere ervaringen en gesprekken over het onderwerp over een langere periode en in diverse omgevingen.)