Eenvoud, verwarring en wijsheid – ‘verlichting’ en ‘eenheid van tegenstellingen/ non-dualisme’ in West en Oost

Kernwoorden: , , , , , , , , , , , , , , ,

Ken je de volgende tekst?


Klik op bovenstaande tekst om deze te vergroten of gebruik deze link: Dao De Jing-72.
Typografische combinatie door mijn neef Boudewijn Koole D.enJ.zn* van drie vertalingen (in geval van sommige hoofdstukken meer) van een hoofdstuk van de Dao De Jing of “Het Boek van de Weg en de Deugd”. Ik ben hem zeer erkentelijk dat hij deze hier deelt en aan de site deze bijzondere waarde toevoegt.

Telkens na ongeveer veertien dagen verschijnt hier het volgende hoofdstuk van de 81; het huidige hoofdstuk is geplaatst op 10 juli 2020. De drie complete vertalingen zijn te verkrijgen via boekhandel of bibliotheek: Tao Te Tsjing door Sam Hamill (2006), Tao Te Tsjing door Carolus Verhulst (2004) en Tao Te King door Huib Wilkes & Michael de Baker (1992). Aanvullingen komen uit: TE-TAO CHING naar de uitgave van Robert G. Hendricks (1991), Het boek van de Tao en de innerlijke kracht door Kristofer Schipper (2010) of TAU-TE-TSJING van J.J.L. Duijvendak ((1980-3e; 1e druk 1942).

Wie meer wil weten van deze teksten of die van eerdere hoofdstukken, of erop wil reageren, vindt dat in het aparte blogitem “DAOÏSME: inleiding & DAODEJING: lopende samenvatting en commentaar & LEZERSREACTIES” met verwijzing naar enkele Nederlandse inleidingen in de Dao De Jing en het daoïsme, naar vertalingen en literatuur, en over de context van bovenstaand ontwerp. Bij een vraag of opmerking s.v.p. het tekstgedeelte (en hoofdstuk) noemen waarop je reactie betrekking heeft.

Over dit blog: DOEL en REACTIES

DOEL is het delen van ervaring en inzicht

“Het is onmiskenbaar als volgt:

Wanneer we ontwaken en opstaan, is goede gezindheid en goed handelen onze hoogste plicht. Excuses zullen er nooit zijn.

Wanneer we ons ter ruste leggen om in te slapen, moeten we onze beperktheden in het doen van onze plicht erkennen. Wij geven ons over aan dat wat groter is dan wij zelf.

Betrokken niet op een dag maar op ieder afzonderlijk moment van ons bestaan, betekent dit dat wij beperkte wezens zijn die altijd heen en weer pendelen tussen het doen van onze plicht en overgave aan dat wat groter is dan wij zelf.
Zodra wij en voorzover wij ontwaakt zijn, roept onze plicht ons volledig. Dat wat groter is dan wij zelf, biedt ons de mogelijkheid erop te vertrouwen dat onze beperktheden zich in een groter geheel “oplossen”. Voorzover wij kunnen zien, verandert alles permanent en kunnen wij ieder moment weer verfrist beginnen aan nieuwe uitdagingen.

Onze beperktheden erkennen en loslaten is even wezenlijk als hen volledig inzetten. Voor beide is voorwaarde het openstaan voor en luisteren naar dat wat is: ons zelf, ons lichaam, de anderen, de wereld, het universum.

Integriteit is het begin en het einde van alles, als voortdurend proces.”

[ Bovenstaande tekst sloeg ik op in 2000. Ik voel mij er helemaal een mee maar weet de bron niet meer. Als ik zelf de bron zou zijn geweest, dan verbaast de enigszins plechtige taal me: ik ben bijna zeker dat ik niet de bron ben. Maar ieder vogeltje klinkt zoals het gebekt is, op zijn eigen wijze; en ook wie het vogeltje hoort, kan diep geraakt worden. Het kan zijn dat ik in die tijd op zoek ben geweest naar teksten over integriteit, een belangrijk thema! Het mooie van de tekst vind ik onder meer dat alle aspecten van de werkelijkheid erin ervaren of gelezen ofwel ermee verbonden kunnen worden, en dat hij niettemin direct begrijpelijk is en aanspreekt. ]

WAARSCHUWING

U bent vrij met de teksten op deze site iets of niets te doen, uiteraard liefst iets goeds. Vooraf maak ik graag de beperking duidelijk die aan de teksten op deze site kleeft. Deze site (met naast dit blog boekbesprekingen en andere berichten) bevat ook een aantal wetenschappelijke teksten. Teksten die aan een universiteit beoordeeld zijn als de doctorstitel waardig; uiteraard is ieder mens per definitie zeer beperkt in haar of zijn feitelijke kennis, omdat wij niet tegelijk alle feiten die anderen kennen, ook in ons ‘kennis’-bewustzijn hebben. Over die wetenschappelijk goedgekeurde teksten wil ik het volgende zeggen. ‘Wetenschap’ kenmerkt zich door zo precies mogelijk te definiëren wat binnen haar kennis valt. Door mijn opleiding heb ik geleerd dat die definities erg uiteen kunnen lopen, zelfs binnen vakgebieden en zeker binnen culturen. De pretentie dat iets wetenschappelijk is, heeft nooit absolute waarde en kracht, alleen maar binnen afgesproken grenzen en volgens de daar geldende definities. Door mijn opleiding heb ik ook geleerd dat wij ons best kunnen doen zo begrijpelijk mogelijk te zijn, allereerst binnen de context waarin wij zelf leven (daarbuiten is dat begrijpelijkerwijs per definitie heel wat moeilijker, omdat wij die context waarschijnlijk iets minder goed kennen). Daar komt nog door eigen studie en ontdekking (zie mijn a.s. publicatie Eenvoud en diepgang in en buiten alle tegenstellingen) bij, dat niets dat in taal uitgedrukt of überhaupt door ons verbeeld of vermoed wordt, compleet geacht kan worden dat niet ook zijn tegendeel – het erdoor afgegrensde – omvat. Het is dus sowieso altijd belangrijk de betrekkelijkheid van onze ‘kennis’ voor ogen te houden, ook al hebben wij op onze eigen – de ons bekende – terreinen uit eigen ervaring enig recht van spreken. Ervaren personen hebben meer recht van spreken over die ervaring, al blijft het belangrijk niet alleen naar het verleden maar ook naar de actuele werkelijkheid te kijken! Daarom stel ik vooraf over alle teksten in deze site dat zij al helemaal niet niet de exclusieve wetenschappelijke waarheid bevatten (zo die al zou bestaan), en ook al zijn zij geschreven in een taal die zo helder mogelijk is (en waar mogelijk binnen de eigen context logisch), nooit de pretentie hebben de exclusieve waarheid te verkondigen of of bevatten of zijn. Alle teksten zijn bedoeld om aanknopingspunten te bieden voor zoeken naar inzicht, wijsheid, soms ook kennis; maar nooit om die te pretenderen uitsluitende waarheid. De vraag is ook of dat met taal überhaupt kan, en zo niet waarmee dan wel. Zwijgen is wellicht een even goed, zo niet beter ‘middel’; al geloof ik wel dat er zoiets is als luisterend spreken ofwel sprekend luisteren. Als ik in plaats van te luisteren, te snel met woorden of interpretaties ben gekomen, bied ik mijn verontschuldigingen aan. Ik beschouw het als mijn actuele taak om allereerst te luisteren. Als u daarnaast iets mee kan nemen van de teksten op de site, bent u daar helemaal vrij in. Het belangrijkste is soms naar zichzelf luisteren, soms naar anderen; maar soms horen wij ook in anderen onszelf, en in onszelf anderen. Mag dat door elkaar lopen? Dat wordt door gewoonten en afspraken bepaald, en die veranderen. Maar ik streef er allereerst naar mij aan die gewoonten en afspraken te houden, om van daar uit eventueel verdere ruimten te verkennen. Dan kan soms blijken dat wat nieuwe ervaring lijkt, erg veel overeenkomst vertoont met vroegere, soms heel vroegere, en tegelijk dat ervaring en inzicht er niet alleen zijn om voortdurend te ontwikkelen maar tegelijk een heel praktische rol spelen. En wel een rol die het goede (handelen en bewustzijn) niet in de weg mag staan. Geluk hier en nu is geen verboden vrucht; tegelijk verandert hier en nu alles voortdurend en is het wijs om open te staan voor nieuwe inzichten zonder streven en verwerkelijken van het actueel goede in de weg te staan. Best complex maar ook best eenvoudig, want die beide bestaan niet zonder elkaar en dienen wellicht het best samen gerealiseerd te worden, zover dat op onze weg ligt. “Ik probeer te ervaren en te doen wat [“daar”-bij] past.” Dat streven wetenschappelijk noemen lijkt me een gotspe, ofwel overdreven zelfvertrouwen. Maar zonder wetenschappelijke pretentie lijkt het ook gauw erg pretentieus. Die pretentie wil ik graag bij voorbaat ontkrachten: de krachten die u zelf voelt, en waarmee u omgaat, zijn het die belangrijk zijn om te leren kennen. En de teksten op deze site hebben die pretentie niet. Hoogstens zijn zij uitzicht langs het pad waar u loopt, en heel af en toe misschien een vraag aan uzelf of over die omgeving. U bent helemaal vrij daar iets of niets mee te doen; wat, dat is uw eigen verantwoordelijkheid.

Dit blog is – NAAST TEKSTEN OVER DE ONDERWERPEN IN DE UITKLAPBARE LIJST BOVENAAN IN DE KOLOM LINKS – bedoeld om citaten, notities, vragen en discussies, literatuurverwijzingen, bespiegelingen en dergelijke te delen die jouw of mijn hart raken.
Als iets ons hart raakt, is dat een kans om wijs te worden. Wijsheid omvat zowel rationele (in beredeneerbare hokjes in te delen) kennis als (ten laatste alomvattende) intuïtie en verbondenheid, zowel aandacht als mogelijk handelen.
Ethische vragen kunnen aandacht krijgen zowel wanneer er vanuit de verbondenheid van ons hart evident aanleiding toe is met het oog op onze natuurlijke, sociale, culturele, politieke en kosmische omgeving als in verband met de site en het gebruik ervan. Ook gaan ethisch handelen en – om die reden en mits daarop gericht – ethische vragen in de praktijk per definitie voor (wat niet wil zeggen dat ieder van ons zich altijd van alle ethische aspecten bewust is), wat ook betekent dat de praktijk al verder is op het moment dat we een vraag erover krijgen en aan de orde stellen. Kortom, soberheid verdient voorrang; sterker, wijsheid die niet vanaf het begin ethisch is in genoemde zin, is zeker niet de hoogste wijsheid. Wat gedeeld wordt, kan ook aansluiten bij eerder op de site BK-BOOKS (bk-books.eu) aangeroerde onderwerpen, boekbesprekingen of andere publicaties (zie het uitklapbare menu in de kolom links).
U kunt op veel meer onderwerpen in deze site zoeken via de witte zoekbalk in die kolom, en vindt dan de betreffende pagina’s en blogitems. Het gaat mij eerder om het vergroten van individuele en gemeenschappelijke aandacht (bewustzijn) dan om het toevoegen van meer items: al kan dit in deze context zeker ook relevant zijn. Gewoon omdat iets je enorm bezig houdt.

Ik besef dat taal haar beperkingen heeft maar de mogelijkheden ervan zijn groot genoeg om er binnen die beperkingen zinvol gebruik van te maken. Over die beperking bied ik de volgende uitspraak aan om over na te denken dan wel permanent in het achterhoofd te houden.

Elke uitgesproken bewering of onuitgesproken gedachte impliceert het bestaan van zijn tegen-bewering (de tegenovergestelde mogelijkheid)

en

wat niet met alles samenvalt, valt wel samen met zijn tegendeel (ontkenning)

en

daarom is elke bewering of gedachte voorlopig (vanuit dat geheel gezien) en compleet (als impliciet met het geheel – alles – verbonden).

Wie wil denken vanuit het geheel, krijgt te maken met verandering. Wie wil denken vanuit verandering, met het geheel.

De geschriften van Jacob Böhme, Lao Zi, Dogen Kigen e.v.a. (zie menu links boven) leerden mij veel, als verwijzing naar en resultaat van hύn ‘leerproces’.
Als stelling bied ik aan:
“De ultieme verlossing/ verlichting omvat – omdat zij ultiem is – alles altijd, ook al het vergankelijke, dus ook jou en jouw bewustzijn, keuzes en gedrag nu en altijd: ga – steeds opnieuw bij iedere gelegenheid voor jou – door om erin mee te gaan/ er aan bij te dragen/ eraan mee te werken; te beginnen met het ervaren, onderkennen en aanvaarden van je vergankelijkheid én unieke eigenheid als uitgangspunt voor jouw meegaan/ bijdragen/ meewerken.”
En als hint:
“Als je de Boeddha ontmoet (omschrijving van verlichting, BK), dood hem dan (hang niet aan dat moment, en aan die ervaring)!” (citaat van de Chinese Ch’an-leraar Linji). En zit er ook zo’n aspect aan of element in ons gezegde “Spreken is zilver, zwijgen is goud”? Dat relativeert uiteraard ook al het geschrevene – ook (op) deze site …
Het is dan ook goed ons te realiseren dat alle tot nu gebruikte en alle nog te gebruiken woorden nooit meer kunnen zijn dan tijdelijke vingers die naar de maan wijzen dan wel (als zodanig) ook tijdelijke representanten van de maan. (Waarbij ‘tijdelijk’ zowel een beperkt iets kan zijn, iets relatiefs, als in die vorm tegelijk iets alomvattends, althans het alomvattende volledig representerend in de zin dat “dit hier” de actuele en volledige verschijning is van wat er is maar zonder dat vroegere of latere of andere mogelijke of actuele (deel-)verschijningen die nu niet (direct) waarneembaar zijn, bij voorbaat ontkend worden. Er is immers altijd meer dan wij nu bewust waarnemen, en dan in onze taal nu weergegeven kan worden. En dat meerdere hoort – op uiteenlopende fascinerende manieren – ook bij ons, ofwel vice versa! En “alles stroomt”, om met Herakleitos te spreken.

In de laatste alinea ligt een conclusie besloten dat die stromende totaalwereld door ons alleen tijdelijk be-antwoord kan worden in onze intuïties, opvattingen, woorden en gedragingen. Maar ook dat dat precies de wijze is om van het grote veranderende geheel deel uit te maken. En zodoende geldt en omvat genoemde realisering zowel wat wij in het verleden hebben ervaren en en pogen weer te geven, als wat we nu hier ervaren en doen, als wat zich al dan niet via ons in de toekomst voordoet. Ook al zijn wij veranderende stipjes in een eindeloos veranderende oceaan, die oceaan kan en hoeft niet (te) bestaan zonder dat ieder apart veranderende stipje bewust of onbewust zijn rol speelt. Stel je voor …!

(Ter verduidelijking: Deze alinea komt er ook op neer dat er zeker nog enige betekenis schuilt in mijn veronderstelling dat de waarde van deze site ook bestaat in het kunnen aanwijzen van ontwikkelingen in leeskeuzes, perspectieven, wellicht iets van een eigen visie of eigen accenten etcetera – maar: dat het waarnemen van die ontwikkelingen niet tot een definitief eindstation hoeft te leiden. Want al zouden die ontwikkelingen aangewezen kunnen worden en eventueel als zinvol gewaardeerd of opgepakt en verder gebruikt of het omgekeerde van deze mogelijkheden, dan nog blijven zowel het vermelde als de interpretatie(s) altijd onderdelen van een zee of liever van oceanen van werkelijkheden en mogelijkheden die zich al dan niet al of nog in de tijd voordoen, al veranderend en samen (met hun ongerealiseerde voorstadia en aan de realisering voorbije nastadia) de eeuwigheid en het totaal omvattend die en dat mee in elk klein onderdeel of tijdsgewricht worden gerealiseerd. En die ver uitgaan boven wat in mijn beperkte woorden – en ik vermoed van alle woorden!!! – lijkt te zijn dan wel kon worden aangeduid (laat staan vastgelegd).)

Hoe je REACTIES, nieuwe items kan toevoegen of gesprekken beginnen

Reageren op een bestaande reactie kun je onder elke reactie via de knop ‘Reacties’. Je kunt nieuwe reacties helemaal onderaan ieder bericht noteren en doorgeven, dan vinden alle lezers je tekst hier binnenkort bovenaan (s.v.p. bij zo’n nieuw bericht aangeven over welk onderwerp je reactie gaat); lukt het niet om je bericht in te sturen, meld dit dan s.v.p. even aan mij via e-mail info_at_bk-books.eu (vervang “_at_” door apestaartje “@”). En zo ontstaat wellicht een ‘gesprek’ tussen een (kleine?) kring van lezers over een bepaald onderwerp. Daarbij is het uiteraard geen enkel bezwaar als onderwerpen gezien hun belang in de loop van langere tijd nog eens terugkeren … Verwijzingen naar verwante sites en gesprekken worden op hoge prijs gesteld.
Als je een eerdere reactie wilt verwijderen, kan dat door een verzoekje in een nieuwe ‘reactie’: elke reactie komt eerst binnen bij de websitebeheerder die je verzoek om verwijdering volgens de huidige afspraak altijd zal honoreren.
Niet publieke reacties worden graag door mij ontvangen via info_at_bk-books.eu (vervang “_at_” door apestaartje “@”).

* Zelf ben ik Boudewijn Koole L.enS.zn (of “LSz.” of “van Brigdamme” of
). Wij zijn twee van zes volledig gelijknamige neven (vier in Nederland) en van zeven qua voornaam (vijf in Nederland). In British Columbia (Canada) woont zo Robert [=Boudewijn] Koole P.enP.zn. En samen zijn wij onderdeel van zo’n veertig nichten en neven, waarvan ongeveer de ene helft in Nederland en de andere in Canada woont.

Hoogsensitiviteit in de actuele wetenschappelijke inzichten, toegelicht door Elke van Hoof

Elke van Hoof, HOOGSENSITIEF, Tielt (Lannoo) 2016, 2019-8e druk

 

[Onderstaande tekst is niet geschreven vanuit vakkennis op het betreffende gebied maar uit persoonlijke interesse, wat geldt voor de meeste teksten op mijn site. Ik heb in mijn weergave niet naar volledigheid gestreefd maar haal alleen zaken naar voren die mij speciaal troffen. Tussen haakjes heb ik met vermelding van mijn initialen enkele vermoedens toegevoegd op grond van eigen ervaring of eerder opgedane kennis. Onderstaande tekst heeft geen wetenschappelijke pretentie of pretentie dat die de ervaring van anderen kan vervangen.]

Van Hoof biedt een stand van zaken van het huidige wetenschappelijke onderzoek met betrekking tot hoogsensitiviteit (HS). Hoewel de woorden letterlijk genomen hetzelfde betekenen, onderscheidt zij hoogsensitiviteit, die de mate betreft waarin prikkels binnenkomen, van hooggevoeligheid welke zij een emotionele reactie noemt. Het boek gaat over de eigenschappen van hoogsensitiviteit en de betekenis van die eigenschap voor de personen die haar hebben.

Als informatie emotioneel gekleurd is, hebben hoogsensitieve personen (HSP) het daarmee moeilijker. Want HSP krijgen prikkels heviger binnen, en hebben voor die prikkels een langere verwerkingstijd nodig. (Deze eigenschap ken ik van mijzelf.) De overprikkeling gaat gepaard met grotere emotionele kleuring. Als HS gedwongen zijn zich hierbij te haasten, krijgen zij het moeilijk. Als zij erom gewaardeerd worden en genoeg tijd krijgen, leveren zij hoge prestaties en leveren hoge bijdragen.

HSP kunnen leren overprikkeling te vermijden, in tegenstelling tot personen met AD(H)D. HSP gaan vaak creatief aan de slag met hun input, gericht op het leveren van een hoge sociale bijdrage, begaafde HSP kunnen dit voldoende compenseren. HSP  hebben geen moeite met (redelijke) deadlines, in tegenstelling tot personen met AD(H)D, maar hogere energiekosten om hun processen binnen de deadline te halen. Opnieuw een aandachtspunt met betrekking tot de behoefte om tijdig uit te rusten. HSP kunnen bij complexe planning besluiteloos raken omdat zij alle gevolgen willen meenemen en doordenken; AD(H)D hebben dit niet. Onrust van HSP is vrijwel altijd te linken aan een te voorziene bekende situatie (negatief); die onrust is te dempen naarmate men die koppeling serieus neemt en veilig kan maken.

HSP kunnen uitstekend spelen en ontspannen. Ook dromen en wegdromen is hun niet vreemd. Dit is geen aandacht tekort maar hun aandacht is dan verder weg dan bij niet-HSP. Door voorzichtig en langzaam terug te koppelen naar ‘hier’ kunnen ze gewoon weer meedoen. Dit ‘wegvluchten’ heeft dezelfde functie als dagdromen of nadenken, alleen bij HSP is het intensiever en heeft meer tijd nodig, ook om te starten en te stoppen. Het is ook best rendabel, net als bij niet-HSP. Alleen is het gevaarlijk als het gecombineerd wordt met stimulerende middelen om rust en hersteltijd te vinden of te vervangen, in het geval die een verslavende rol gaan spelen. Dan is geen sprake meer van herstel naar een zelfstandige openheid en relatie tot de omgeving maar van afhankelijkheid van de middelen en onvolwaardige relatie tot of zelfs afscheiding van de omgeving. (BK: als deze middelen bestaan in de keuze voor een ingebeelde leefwereld die niet meer terugkeert naar of in verhouding gebracht wordt tot de directe leefwereld, kan onbalans ontstaan, zoals bekend uit religieuze en spirituele en artistieke en andere extreme verhoudingen die niet meer in voldoende verhouding tot de culturele en sociale realiteit staan. Hier wordt uiteraard verschillend over gedacht vanuit de ooghoeken van gebruikers en omstanders, waarom een open gesprek op een veilig moment en een veilige plaats belangrijk tussen betrokkenen altijd belangrijk is.) De kwaliteiten van HSP kunnen sociaal buitengewoon waardevol zijn, waar verwanten, groepsgenoten, gebruikers van hun producten, leidinggevenden en collega’s veel aan kunnen hebben.

Om hoogbegaafd te kunnen zijn, kan HS een belangrijke factor zijn, te weten bij 87 % van de hoogbegaafden. De samenhang heeft vooral te maken met de hoge mate waarin personen gevoelig zijn (zowel sensueel, psychomotorisch, emotioneel, qua verbeelding en intellectueel; het minst hiervan op psychomotorisch gebied, sterk op de andere gebieden).

De belangrijkste punten om HS positief uit te laten werken, zijn: 1. Herstel- en reflectietijd inbouwen, 2. Positieve gedachten opbouwen (dus negatieve herinneringen onderkennen en vermijden). Dat laatste houdt in het onderkennen en ontkrachten van negatieve gedachtenketens en het bieden van positief tegenwicht daaraan. Ofwel: wie focust op het positieve in het verleden en heden, zal de wereld als positiever ervaren. Feit is ook dat de negatieve lading van ervaringen uit het verleden verminderd kan worden door ze bewust op te roepen terwijl men vervolgens actief de ogen heen en weer beweegt (EMDR), waardoor hun actuele betekenis effectief en blijvend afgezwakt wordt. Hetzelfde effect wordt bereikt door heel regelmatig en voldoende te bewegen. Daardoor krijgen en houden de hersenen weer voldoende ruimte om nieuwe positieve ervaringen en herinneringen op te bouwen.

Belangrijk is ook om kinderen met HS voldoende te beschermen (zorgen dat ze niet gepest worden!) zodat ze een positieve ervaringsbasis op kunnen bouwen.

Omgekeerd kunnen HSP een belangrijke functie hebben bij het signaleren van verstoorde verhoudingen in hun omgeving. De gevoeligheid die zij daarvoor hebben, kan gemeenschappen (van klein tot groot, in alle mogelijke situaties) enorm ten voordeel strekken.  Zij zijn gevoelig voor rechtvaardigheid, vertrouwen en samenwerking. Maar hebben altijd de vrijheid nodig om zich tijdelijk extra terug te trekken om bij te komen van hun intensieve waarneming en betrokkenheid. Want HSP scoren op de werkvloer (en in striktere sociale verbanden BK) duidelijk lager op autonomie, competentie en verbondenheid. Zij kunnen hun nuttige rol dus alleen spelen als zij erbij mogen horen, en door het geheel meegedragen worden. Er is een bewezen sterke correlatie tussen overprikkeling en stressgerelateerde krachten.

Leidinggevenden kunnen HSP waardevol inzetten door te mikken op

  • Co-creatie (samen ontwikkelen inclusief HSP)
  • Ruimte voor herstel van HSP in een prikkelarme omgeving
  • Mogelijkheden voor zelfontplooiing van HSP
  • Participatie van goed functionerende HSP in rollen als moreel kompas (signalementsfunctie)
  • Ondersteuning van HSP via sociale hulpbronnen: procedurele rechtvaardigheid, vertrouwen, samenwerking

Dit zijn de belangrijkste noties die ik oppikte uit dit boek.

Het boek is methodisch sterk gericht op de wetenschappelijke psychologie en de bijbehorende kwaliteitsnormen. Het bevat ook een belangrijk deel over de kwaliteit van wetenschappelijke onderzoeken in het gebied, en de bevordering daarvan. Dat deel heb ik hier niet behandeld maar is voor de beoefenaars van deze tak van wetenschap uiteraard onmisbaar, terwijl het aan de bredere groep van lezers waaronder mij, het vertrouwen biedt dat in deze gevoelige (!) zaken onmisbaar en waardevol is. Ik verwacht dat dit boek de studie van dit onderwerp sterk kan bevorderen, en hoop dat dat het geval zal zijn. Dit boek vind ik voor iedere geïnteresseerde leek een heldere inleiding en goed te lezen overzicht.

Nieuw boek verschenen: Hoogbegaafde senioren

Hoogbegaafde senioren is een verzameling praktijkverhalen, theoretische onderbouwing en verkenning van vele aspecten van de situatie van senioren die hoogbegaafd dan wel hoogsensitief zijn. Onder redactie van Noks Nauta & Ine Schouwstra, en met bijdragen van diverse anderen onder wie Gemma Geertshuis en Marieke Schuurman-van der Heyden.
De laatste decennia zijn hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit als nieuwe aandachtsgebieden in de samenleving en in de wetenschap naar voren gekomen. Ik heb in 2003 een boek van Suzan Marletta-Hart, Leven met hooggevoeligheid, op deze site besproken. Het thema intrigeert me. Vroeger was mijn eerste reactie: hooggevoelig dat is toch iedereen?! (Over de verschillen in benamingen en de oordelen die daarin opgesloten (kunnen) liggen zie het P.S.) Nu begin ik door te krijgen dat er grote verschillen kunnen zijn tussen individuen op het punt van gevoeligheid. De vraag is nu hoe die in kaart gebracht kan worden, en beschreven. Hoe verbanden zijn met (hoog)begaafdheid en hoe niet, en in welke richting het onderzoek het vruchtbaarst is voor de praktijk van mensen: hun leven met anderen samen, en allereerst met zichzelf. Uiteraard ook het vruchtbaarst voor verdere groei van inzicht, kennis, theorie, kortom “wetenschap”. Er blijken allerlei verbanden aanwijsbaar met hersenonderzoek en met psychologische tests op basis in wisselwerking daarmee. Dit boek richt zich op een speciaal thema: wat de ontdekking van hoogbegaafdheid/hooggevoeligheid voor senioren betekent. Wat zij aan die ontdekking kunnen hebben, en niet het minst belangrijk: hoe zij met die kennis hun leven prettiger en vruchtbaarder vorm kunnen geven. Uiteraard als uitgangspunt, niet als definitieve laatste woord en handleiding. Het boek is uitermate toegankelijk, vanuit de praktijk van het leven en er naar toe geschreven. Het boek bevat ook een uitgebreide literatuurlijst. Hier is iets in ontwikkeling dat van belang kan zijn voor de mensen om wie het gaat, naar schatting al gauw 20 % van alle mensen. Maar het is ook voor alle anderen leerzaam. Want wat betekent het voor de 20 % die we laagbegaafd/laaggevoelig zijn, en voor de 60 % ertussen in? Ik vermoed dat deze pioniers iets op het spoor zijn geweest, en iets naar voren brengen dat voor onze hele samenleving belangrijke vragen aan de orde stelt. Niet alleen over eigenschappen van individuen, maar ook over hoe wij als samenleving met elkaar om gaan. In een erkend individualistische cultuur waar ieder zichzelf maar moet redden – zegt men wel. Maar of dat zo is of moet blijven? Wordt ongetwijfeld vervolgd!

P.S. In de Westerse filosofische traditie werd intellect (‘denken’) vaak boven andere eigenschappen van de geest gesteld, speciaal boven waarneming (of ‘gevoel’). Met begaafd wordt in het besproken boek niet alleen intellectueel begaafd bedoeld; ook hooggevoeligen vallen in dit boek onder de hoogbegaafden, en niet alle hooggevoeligen zijn intellectueel hoog begaafd (en omgekeerd). Dat onderscheid is zich in de literatuur nog aan het uitkristalliseren. Gezien de vroegere (over?)waardering voor het intellect is dat een belangrijk punt om op te letten bij het gebruiken van en lezen over deze begrippen!

De psychiater Paul Verhaeghe over leven in onze maatschappij

De mij treffende tekst hieronder is deel van een groter interview met de psychiater Paul Verhaeghe van 4 februari 2020 door de RINO Groep onder de kop ‘We leven in een overspannen maatschappij’; sinds die datum is onze samenleving in verwarring en verandering door de pandemie ten gevolge van het COVID-19 virus. Ook nu nog lijkt de tekst me relevant, al was het maar om een rol te spelen in het bedenken van nieuwe manieren van samenleven in de post-COVID-19 samenleving. Wie inzicht wil krijgen in de aard van onze huidige samenleving, speciaal in veranderingen in ons bewustzijn,  hoe we ons zelf beleven en elkaar bezien en met elkaar omgaan, beveel ik alle publicaties van Paul Verhaeghe van harte aan. Zij houden ons belangrijke spiegels voor op een heel begrijpelijke manier. Zij maken ons tegelijk bewust dat wij zelf ook spelers zijn, die invloed kunnen uitoefenen door ons van onze rollen in die maatschappij bewust te zijn, en naar onze inzichten te handelen met zoeken naar en doen van het goede als leidraad. (Mijn persoonlijke droom is altijd nog die van een samenleving waar men naar elkaar omziet – al heb ik daar alleen ook niet het panacee voor.)

Moeten psychotherapeuten, meer dan thans wellicht het geval is, kennis hebben van maatschappelijke ontwikkelingen, en zich ook bewust zijn met welke bril ze daarnaar kijken?
‘Vijf jaar geleden vroeg de Gentse faculteit psychologie of ik een nieuw verplicht vak wilde doceren: cultuur- en maatschappijkritiek, gekoppeld aan psychodiagnostiek en behandeling. Niet om mijzelf op de borst te kloppen, maar het is inmiddels een vak dat door studenten het hoogste wordt gewaardeerd. Ze zien plots een groter en breder plaatje, begrijpen meer. Van mijn Groningse collega’s begreep ik gisteren dat zo’n vak in Nederland niet wordt gedoceerd. Wat ook opvalt in Vlaanderen is dat veel jonge therapeuten, niet zelden oud-studenten van mij, zich organiseren in autonome netwerkstructuren waarin verschillende disciplines zijn vertegenwoordigd. Ze bieden cliënten een multidisciplinaire behandeling aan: een stuk gesprekstherapie, een stuk lichaamsgericht, een stuk sociaal. En dat kan per maand per cliënt weer anders zijn. Die ‘systeemloze’ manier van werken levert prima resultaten op. In België kennen wij geen zorgverzekeraars die voorschrijven hoe er gewerkt moet worden om een behandeling vergoed te krijgen. Mijn indruk is dat jullie in Nederland over-geregulariseerd zijn. Het grote nadeel van ons systeem is dan weer dat mensen psychotherapie zelf moeten betalen.’

Is een goede psychotherapeut tegenwoordig ook maatschappijfilosoof?
‘We moeten niet vervallen in de fout van de antipsychiatrie uit de jaren zestig. Veel therapeuten beschouwden hun cliënten destijds als slachtoffer van een boze maatschappij. Bij samen aan de klaagmuur staan is niemand gebaat. Maar als psychotherapeuten moeten we problemen van onze cliënten beslist in een maatschappelijke context plaatsen. We moeten nadrukkelijk onze stem laten horen bij de overheid, dat er iets moet veranderen aan de maatschappij. Het neoliberale denken kweekt psychiatrische patiënten bij de vleet, heb ik in een interview met Knack gezegd. En als het zo doorgaat, komen er alleen maar meer bij.’

‘Heel veel medische en psychiatrische-psychologische problemen zijn tegenwoordig op stress terug te voeren.’ Paul Verhaeghe

Leven we in een overspannen maatschappij?
‘Overspannen is waarschijnlijk de beste term. Heel veel medische en psychiatrische-psychologische problemen zijn tegenwoordig op stress terug te voeren. Er zijn tevens aanwijzingen dat de toename van het aantal auto-immuunziektes met stress heeft te maken. Stress is een ruim begrip. Goede stress fungeert als aanjager. Maar negatieve stress, bijvoorbeeld in de vorm van opgefokte werkomstandigheden, is een sloper. Er is onderzoek dat laat zien dat mensen die voortdurend worden blootgesteld aan lawaai systematisch hogere cortisolniveaus hebben. Dat is zeer ongezond. Een teveel aan prikkels zet zich op ons lichaam, die prikkels branden lichaamssystemen op een gegeven moment als zekeringen door. Dat kan resulteren in somatische klachten, het kan zich ook psychiatrisch uiten in angst- en stemmingsstoornissen. Of in combinaties daarvan. Er is een fascinerend nieuw vakgebied dat zich hiermee bezighoudt: de psycho-neuro-endocrino-immunologie.’
Kan, cru gezegd, stress de samenleving gaan uitroeien? Zorgt de omgang met stress voor een soort van survival of the mental fittest?
‘Laat me een eenvoudig voorbeeld uit experimenteel onderzoek geven. Bij dertig jonge, gezonde volwassenen werd via een bloedprik het cortisolniveau bepaald, een indicatie van iemands stressniveau. De onderzoekers brachten bij de deelnemers met een pipetje vijf verschillende verkoudheidsvirussen in de neusholtes. Wat bleek? Mensen met de hoogste cortisolniveaus lopen de meeste kans op een verkoudheid. Hetzelfde met wondgenezing. Een aangebracht wondje op de onderarm geneest bij mensen met een hoog cortisolniveau minder snel dan bij mensen met minder hoge cortisolniveaus. Er is een vaststaand verband tussen een te hoog stressniveau en allerlei problemen. We bevinden ons voortdurend in stressvolle omgevingen, maar we lijken dat niet meer te beseffen. Wie gestrest is op of door zijn werk, geeft dat ook door naar collega’s. Stilstaan, letterlijk en figuurlijk, bij kleine dingen, bij goed doen voor anderen en niet alleen aan jezelf denken is zo belangrijk.’

Voor uw pamflet  Over normaliteit en andere afwijkingen kreeg u de vraag of er nog een wereld denkbaar is waarin we ons nog normaal kunnen wanen zonder etiket of diagnose. Is zo’n wereld nog mogelijk?

‘Ook dit moet je in groter verband zien. In West-Europa is er nogal een probleem op het vlak van identiteit. Identiteit is een sociaalpsychologische constructie die we al opgroeiend verwerven. Traditioneel was onze identiteit redelijk uniform. We leefden in stabiele, vaak starre maatschappijen, religie domineerde de politieke ideologie. Van een vrouw in de jaren zestig lag de identiteit vast. Vanaf de jaren tachtig en negentig is de mondialisering enorm toegenomen en is de verzuiling weggevallen. Sindsdien hebben we veel meer mogelijkheden om identiteiten te construeren en te kiezen, en dat al heel vroeg. Mensen die opgroeien in een stabiele omgeving zijn dan in het voordeel; voor mensen die in veel minder stabiele omgevingen opgroeien, zijn die ontwikkelingen zeer bedreigend en verwarrend. Onze identiteit is fragmentarisch: wie ben je als man, als vrouw, als professional. Voor velen zijn dat tegenwoordig moeilijk te beantwoorden vragen, met allerlei psychosociale problemen tot gevolg, zeker in combinatie met de verplichting tot excelleren. Merkwaardig genoeg kan een psychopathologisch etiketje dan weer een basis vormen voor een nieuwe identiteit.’

In uw pamflet stelt u dat psychiatrie draait om disciplinering. ‘Hoe wetenschappelijker de psychiater of de psychotherapeut wordt,’ schrijft u, ‘des te meer gaat hij te werk als een morele autoriteit die zijn patiënten dwingt in de richting van sociale aanpassing.’ Moet dat worden doorbroken?
‘Dat is de stelling van Foucault die ik uitgebreid heb naar de psychotherapie. Doorbreken is niet per definitie noodzakelijk, maar we moeten ons er wel bewust van zijn. De psychiatrie is historisch ontstaan als bescherming van de maatschappelijke orde: de groep moet beschermd worden tegen het gevaar van het individu. Daar is later de zorg voor het individu bijgekomen, ter bescherming van zichzelf. Geneeskunde en psychiatrie richten zich op ziekten, psychotherapie richt zich op de rede en het herstellen daarvan. Freud zei dat we verdrongen inhouden bewust moeten maken om onze verdrongen verlangens en driften te kunnen veroordelen. Iets vergelijkbaars gebeurt in cognitieve gedragstherapie: foute cognities moeten worden vervangen door juiste. Is dat verkeerd? Het wordt vooral gevaarlijk als we de bedoeling niet meer beseffen, en bijgevolg voorbijgaan aan het feit dat we sociale criteria hanteren. Welk bewijs is er voor psychiatrische ziekten? Influenza is een ziekte, maar ADHD? Criteria in de DSM voor diagnoses zijn zonder uitzondering sociaal-normerend. Geen probleem, mits je erover kunt discussiëren. We moeten de vraag kunnen stellen wie wij letterlijk een normaal persoon vinden en wie niet. Vergeet niet dat homoseksualiteit tot diep in de jaren zeventig als een psychiatrische ziekte werd beschouwd.’

‘Criteria in de DSM voor diagnoses zijn zonder uitzondering sociaal-normerend.’Paul Verhaeghe

Waar komt die behoefte aan categorisering vandaan?
‘We zijn groepsdieren. Je moet tot een groep behoren, en dat betekent dat je je op een bepaalde manier moet conformeren aan die groep. Wie te veel afwijkt, vormt een bedreiging van de groepscohesie.’
U eindigt uw pamflet met een flink fragment uit Foucault’s proefschrift. Met name deze zin valt op: ‘Hoe meer invloed het positivisme krijgt op de medische wetenschap in het algemeen en de psychiatrie in het bijzonder, des te duisterder wordt het praktische optreden van de arts en des te wonderbaarlijker de macht van de psychiater.’
‘Het zal geen verbazing wekken dat ik dat zeer onderschrijf.’

Hoe staat u tegenover de populariteit van neurobiologisch onderzoek?
‘Dubbel. Over de identificatie van de psychologie met het natuurwetenschappelijke ideaal, over de reductie van het psychologische tot iets neurobiologisch, ben ik niet enthousiast. Wel enthousiast ben ik over het idee dat we het biopsychosociale model echt ernstig moeten nemen. Wie de mens alleen biologisch, alleen psychologisch of alleen sociaal beschouwt, mist heel veel. Dat is zo vanzelfsprekend, vreemd dat we dat niet veel eerder door hebben gehad.’

Hoe ziet uw ideale maatschappij eruit?
‘Heel veel psychologische benaderingen en scholen hebben op één punt ongeveer dezelfde opvatting. Dat is het belang van de vroege kindertijd, pakweg onze eerste tien levensjaren. Een ideale maatschappij voor mij is een maatschappij die kinderen in staat stelt op te groeien in een rustige omgeving, waarin ze zich op een normale manier kunnen ontwikkelen. Als we dat voor elkaar krijgen, komt de rest vanzelf. Ook economisch is dat gunstig, want op de lange termijn levert zo’n veilige manier van opgroeien heel veel minder problemen en dus kosten op voor de maatschappij.’

Ter afsluiting: voelt u zich het meest therapeut, schrijver, wellicht een soort prediker, maatschappijfilosoof of zelfs maatschappijhervormer?
‘Mooi om met een vraag over identiteit te eindigen. Identiteit is voor mij een redelijk vloeibaar begrip, dat ook is gekoppeld aan bepaalde leeftijdsfases. Deze vraag had ik twintig jaar geleden vermoedelijk beantwoord met dat ik allereerst vader ben – mijn kinderen waren toen nog klein. In bepaalde periodes was ik weer meer therapeut of onderzoeker. Nu ben ik veel meer maatschappij-filosofisch bezig, maar dat sluit andere identiteiten niet uit. Als ervaren psychotherapeut en hoogleraar die bijna met emeritaat gaat, is het mijn verantwoordelijkheid me over maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot psychopathologie publiek te uiten. Ik citeer graag de Poolse socioloog Zygmunt Bauman: “Nooit waren we zo vrij. Nooit hebben we ons zo machteloos gevoeld.” Gelukkiger worden we niet van die paradox, eerder aangeleerd hulpeloos. Het is de hoogste tijd dat we ons daar als psychotherapeuten over uitspreken en daar ook iets aan doen.’

Overheid moet betrouwbaarheid van gegevens (data) bewaken om niet de overheid van een politiestaat te worden!!!

Maxim Februari schreef een belangrijke column in NRC van 14 april 2020 over ‘privacy’. Hij stelt dat bij het gebruik van apps door de overheid, zoals nu in bespreking is voor het beheersen van de corona-epidemie niet de privacy het belangrijkst is maar het voorkomen van misbruik van de apps door de overheid zelf. Hoe? Doordat het gebruik van de systemen net als bij de Belastingdienst niet gecontroleerd wordt op “verregaande fouten en conclusies”. Hij zegt dus niet dat privacy niet belangrijk is, maar dat het bij dataverwerking altijd gaat om zo omgaan met de data (dus om de procedures) dat burgers niet onnodig slachtoffer worden van die dataverwerking. Automatisering door de ‘anonieme’ overheid heeft alleen zin als de regels voor de software openbaar zijn!!!; anders gezegd: de overheid mag nooit ‘anoniem’zijn!!! Hier is de rechtsstaat in het geding. Onze ex-voorzitter van de Raad van State Herman Tjeenk Willink stelt dit ook steeds aan de orde, onder andere in zijn boek ‘Groter denken, kleiner doen’ en in een interview (een citaat) in het tv-programma Buitenhof.
De auteur Frissen schreef een boek over transparantie en de overheid. Hij liet daarin een aantal dilemma’s zien. Het belangrijkste is dat teveel transparantie ook schadelijk kan zijn voor het functioneren van de overheid, namelijk wanneer (betrouwbare!) vertrouwelijke informatie bij het naar buiten komen ervan zo grote schade zou bewerkstelligen dat het goed (!) functioneren van de overheid in het geding zou komen. Met andere woorden: je mond over iets houden ofwel iets onder de pet houden kan in bepaalde gevallen het beste zijn om te doen. Maar dan is duidelijk dat het om informatie gaat die in beginsel openbaar is, en waarvan het geheim houden idealiter achteraf getoetst zou moeten (kunnen) worden. Ook en zeker als die toetsing niet of niet meer mogelijk zou (kunnen) zijn, is de persoonlijke verantwoordelijkheid van de overheidsfunctionaris hier dus groot, en bij voorkeur dienen deze situaties voorkomen te worden. Dat kan alleen niet altijd. (Feit is ook dat geheime diensten software gebruiken waarvan de resultaten niet openbaar zijn, om niet openbare data en software van gevaarlijke aard op te sporen. Ook hier spelen echter dezelfde grenzen van persoonlijke verantwoordelijkheid.) Dat is echter een heel andere situatie, namelijk een uitzondering, dan de altijd kenbare en zichtbare functies van publieke automatisering: die functies zijn namelijk expliciet door mensen namens de overheid ingevuld! Alle door de overheid gebruikte software dient dus openbaar te zijn. Tenzij alle burgers kiezen voor een politiestaat. Zolang niet alle overheidssoftware openbaar is, leven we op die punten in een (ongecontroleerde!) politiestaat.
Wel eens van een mogelijke kloof tussen overheid en burgers gehoord?

‘Geef nu aan alles de ruimte, ook aan pijn en leed’, NRC interview over mindfulness met Wibo Koole

‘Geef nu aan alles de ruimte, ook aan pijn en leed’
Mindfulness Probeer juist in deze tijd elk gevoel te erkennen, raadt Wibo Koole, mede-directeur van het Centrum voor Mindfulness, aan. „Op het moment dat je emoties toelaat, vlakken ze sneller af.”
• Ykje Vriesinga
15 april 2020 om 14:18 (in de gedrukte krant 16 april; ik neem deze tekst over en geef er onderaan dit bericht een kleine reactie op)

De stappen tellen tijdens zijn dagelijkse wandeling door de buurt. Kijken naar de kleuren en de vormen van de gebouwen om hem heen. Genieten van de bloeiende magnolia die hij ziet vanaf zijn balkon in Amsterdam. Het zijn allemaal dingen die Wibo Koole (66) bewust doet om zijn aandacht terug te brengen naar het hier en nu.
Koole heeft het nodig, om zijn zorgen los te laten. Het gaat slecht met het Centrum voor Mindfulness (CVM) in Amsterdam, dat hij in 2011 hielp oprichten en waar hij mede-directeur van is. De tientallen cursussen die ze wekelijks gaven aan bedrijven en particulieren zijn stilgelegd vanwege de coronamaatregelen. De ruim veertig trainers van het centrum, veelal zelfstandigen, zitten „in hetzelfde zure schuitje als de vele zzp’ers in Nederland. Afhankelijk van steun.”
Koole weet een paar trainers aan het werk te houden met het geven van betaalde online lessen. „Maar hoe het met het centrum afloopt, dat weten we nog niet. We vallen buiten de regelingen van de overheid. We zijn geen cultuurinstelling, we zijn geen horeca. We overleggen nu met de eigenaar van onze trainingsruimte over uitstel van de huur.”
Juist op dit soort onrustige momenten is mindfulness zijn redding, zegt Koole, die eerder als leidinggevende werkte bij onder meer de Consumentenbond, Oxfam Novib en de Stichting Natuur en Milieu. Ook was hij voorzitter van de PvdA in Amsterdam. „Toen ik in 2005 besloot voor mezelf te beginnen dacht ik: heerlijk, weg uit dat drukke leven. Vrijheid. Maar de eerste drie maanden was ik doodmoe.”
TRAINER CENTRUM VOOR MINDFULNESS
Wibo Koole (1954) studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en volgde een managementopleiding aan de Wharton School van de University of Pennsylvania. Hij had leidinggevende functies bij onder andere de Consumentenbond, Oxfam Novib en de Stichting Natuur en Milieu.
Meer
In die tijd ontdekte hij mindfulness, wat je volgens Mindful Werken (2013), een van de boeken die Koole sindsdien schreef, kunt omschrijven als het versterken van je aandachtsspier: „Wat je traint, is om elke ervaring – dat kan zijn een fysieke sensatie, gevoel, gedachte of emotie – te erkennen.” Deze opmerkzaamheid schept de ruimte om vervolgens te besluiten hoe je wilt handelen. Iets wat volgens hem bij uitstek belangrijk is in coronatijd.
Veel mensen hebben bij mindfulness een zweverige associatie.
Wibo Koole: „Die reactie herken ik wel, ik had die vroeger zelf ook. Maar er is volop wetenschappelijk bewijs dat het aanscherpen van je aandacht allerlei gunstige effecten heeft voor je mentale fitheid. Beoefenaars van mindfulness ervaren minder stress. Ze laten zich minder meeslepen door emoties en gedachten. Ze kunnen zich beter concentreren. En daarvoor hoef je echt geen uren op een meditatiekussen te zitten.”
Wat adviseert u bijvoorbeeld?
„De basis van mindfulness is onder ogen te zien wat we ervaren. Deze tijd roept veel emoties op, vaak pijnlijke. We zijn gewend die weg te drukken. Probeer er toch ruimte voor te geven, hoe ongemakkelijk het ook voelt. Huil, vertel een goede vriend of vriendin hoe gefrustreerd of machteloos je je voelt, of schrijf het van je af. Emoties hebben een cyclus. Op het moment dat je ze toelaat, vlakken ze sneller af.”
En verder?
„Geniet bewust van mooie dingen. Wat dat betreft leven we in een goede tijd, met de lente om ons heen.”
Maar dat is toch veel te gemakkelijk gezegd? Iedere dag overlijden er mensen.
„Zeker, ook dat is de realiteit. Het uitgangspunt van mindfulness is dat je ruimte geeft aan alles, dus ook aan de pijn en het leed. Het gaat om de realiteit te zien zoals die is. Zonder naïef optimistisch te zijn, maar ook zonder onnodig verlamd te raken.”
Wat helpt u persoonlijk?
„Ik merk dat ik trots ben op wat wij als team bij het CVM toch voor elkaar krijgen. Zoals het feit dat er iedere avond om half acht zo’n 300 tot 400 mensen door heel Nederland meedoen met de gratis meditatiesessies die we organiseren. De trainers reflecteren tijdens de geleide meditaties op de vragen van deelnemers. Zoals, hoe houd ik vertrouwen in de toekomst? Hoe om te gaan met verdriet en rouw? Na afloop wordt de podcast van de sessie door nog eens een paar honderd mensen geluisterd. Ik vind het fascinerend hoeveel behoefte hier aan is.
„Verder is er natuurlijk van alles om te waarderen in een welvarend land als Nederland, ook al besef ik dat ook hier mensen in precaire omstandigheden leven. Maar we hebben gelukkig een goed werkend zorgsysteem, de supermarkten blijven bevoorraad, de overheid geeft steun. We hebben relatief sterke collectieve systemen. Dat kunnen inwoners van veel andere landen helaas niet zeggen.”
Tijden van crisis zijn vaak een katalysator voor ontwikkelingen die al langer speelden
Wibo Koole
De avond voor het telefonische interview belandt Koole zelf op de huisartsenpost. Hij kan al uren niet stilzitten door een intense pijn in zijn buik. Galkoliek. Hij heeft het vaker gehad en weet dat de huisarts een sterke pijnstiller kan geven om de pijn af te vlakken. Daarna is het wachten tot de aanval voorbijgaat. Hij twijfelt: moet hij de zorg belasten terwijl ze hun handen vol hebben aan de pandemie? Maar hij is akelig van de pijn.
Eenmaal op de huisartsenpost zag hij dat er maar één andere patiënt was. „Ik had het erover met de arts, die vertelde dat zij vaak rustige diensten heeft tegenwoordig. Komt dat nou doordat mensen bang zijn om corona op te lopen als ze naar de dokter gaan? Of omdat ze de zorg willen ontzien? Besluiten mensen eerder dat hun klachten wel even kunnen wachten?”
Het zal een combinatie van factoren zijn, denkt Koole, maar het valt hem op dat mensen geduldiger zijn geworden sinds de coronamaatregelen. „Het afgelopen decennium is ons sociale leven steeds verder versneld geraakt. Veel mensen leefden van festival naar feest naar vakantie. Voortgedreven door het idee van: ik moet plezier hebben, ik moet eropuit. Ik mag niks missen.”
Die onrust is toch direct terug als we alles weer mogen?
„Het is nog te vroeg om daar wat over te zeggen. Wel merk ik als mindfulnesstrainer in het bedrijfsleven dat een deel van de mensen zegt: ‘ook als deze crisis straks voorbij is wil ik minder gejaagd leven’. Ze waarderen de tijd met hun geliefden, de mogelijkheid om meer tot rust te komen.”
Maar dan komen straks weer de uitnodigingen voor feestjes. De goedkope vluchten.
„Zeker. De neiging is heel groot om dan weer mee te gaan in de spektakelmaatschappij. Heel eerlijk: ik voel die drang ook. Ik zou ook graag deze zomer weer op vakantie kunnen naar Italië.”
Hoe gaat een mens daar mindful mee om?
„Ook hier geldt: het begint met opmerkzaam zijn. Erken dat je de drang voelt. Vervolgens kun je kiezen: wil je mee in die neiging om wéér op stedentrip te gaan in het buitenland, of beslis je dat je meer oplaadt van een lange wandeling in een bos bij je in de buurt?”
Of van het volgen van een mindfulnesstraining?
„Haha, dat hoop ik natuurlijk. Maar even los van mijn eigen overtuigingen: tijden van crisis zijn vaak een katalysator voor ontwikkelingen die al langer speelden. En iets wat je de afgelopen jaren zag, is dat veel mensen meer rust wilden, minder stress, een betere kwaliteit van leven. Minder verontreiniging, een stevigere aanpak van klimaatverandering.”
Maar de economie moet ook blijven draaien. Die roep zal sterker worden nu we aan het begin staan van een wereldwijde recessie.
„Het is inderdaad afwachten in hoeverre landen en mensen in een primaire overlevingsstand terecht gaan komen. Maar een economie kan ook groeien zonder de schade aan het milieu en het klimaat die we voor deze crisis veroorzaakten. Juist daar mag van mij het gesprek nu over gaan.”
Spreekt hier de PvdA’er in u, of de mindfulnesstrainer?
„Beiden. Het interessante is dat uit onderzoek is gebleken dat het beoefenen van mindfulness helpt om de betrokkenheid bij de maatschappij te versterken.”
Hoe wordt dat verklaard?
„Mensen gaan scherper zien hoe hun emoties, stemmingen en gedachten zich afspelen. Ze krijgen vaak ook een scherper beeld over hoe ze in relatie staan tot andere mensen. En voor veel mensen resulteert dat in een gevoel van altruïsme, van mede-burger willen zijn. Het goede willen doen voor anderen.”
Maar juist nu zijn we sociaal van elkaar geïsoleerd.
„Dat maakt deze crisis inderdaad uitdagend. Maar dat we elkaar geen knuffel mogen geven, betekent niet dat je niet op gepaste afstand steun aan elkaar kunt geven.
„In mindfulness stellen we de vraag: ga je door op automatische piloot? Of sta je even stil en denk je na over je respons? Dit is het moment om met z’n allen scherper voor ogen te krijgen in wat voor wereld we straks willen leven. Nederland heeft fantastische internetverbindingen. Ga met elkaar brainstormen. Bijvoorbeeld over hoe we onze samenlevingen veerkrachtiger kunnen maken. Want ook deze crisis gaat voorbij, en ook een nieuwe crisis zal komen.”

Reactie: wat boeiend om dit waardevolle en belangrijke bericht te lezen. Ook de psychiater Damiaan Denys schreef een week of wat geleden al in dezelfde krant dat het belangrijk is niet krampachtig met de impact van het COVID-19 virus om te gaan; Thich Nhat Hanh had het (net als mijn broer Wibo hier) altijd over het omarmen van negatieve gevoelens en van de zaken die hen veroorzaken. Dan ‘integreer’ je hen om met de psycholoog Jung te spreken. Die impact is in politieke en economische zin nog niet te bevatten. En veel oude samenlevingsvormen (en onze doden) komen niet meer in dezelfde vorm terug. Wat ik ten aanzien van het begrip mindfulness belangrijk vind, is dat de herkomst ervan juist ook het erkennen van ’emptiness’ ofwel leegheid inhoudt. Die leegheid of nietsheid betreft alle verschijnselen, niet alleen onze ‘mind’. Mindfulness veronderstelt dan de erkenning dat alles voorbij gaat. Inclusief mijn begrip of beleving ervan. Maar dat voorbijgaan biedt ook hoop op vernieuwing die even belangrijk is. Om met Johan Cruijff te spreken: “Elk nadeel heb z’n voordeel” (en omgekeerd natuurlijk). De impact van de “eenheid van de tegenstellingen” (of je die nu in Oosterse of in Westerse termen formuleert, of in welke dan ook) is eindeloos veelomvattend. Zo zei een oud-collega van mij wel dat het (toch of juist daarom?) belangrijk is precies te weten wat je met je woorden en begrippen bedoelt, en dat is ook waar: anders zouden we niet kunnen communiceren. Taal heeft enerzijds haar helderheid, anderzijds haar grenzen; en is zelf ook onderdeel van al die voorbijgaande steeds maar veranderende verschijnselen. “Geen leven zonder dood, en omgekeerd”: (geen koude vaststelling, maar) een gestamelde verwijzing naar de werkelijkheid die ons omvat, die wij ondergaan en beïnvloeden, en waarmee wij op alle mogelijke manieren verbonden zijn. Al veranderend. Mooi interview!

Grote voordelen voor iedereen: een goede vorm van basisinkomen

(Twee korte teksten van deskundigen gepubliceerd in het dagblad Trouw en ook verder op internet te vinden; ik plaats deze teksten omdat het tot nu toe bestaande maatschappelijk systeem niet goed meer werkt. Om met ombudsman Reinier van Zutphen te spreken: “De overheid is een machine geworden.” Trouw 31 oktober 2019. En omdat de gevolgen van de corona-epidemie voor iedereen beter opgevangen kunnen worden met gebruikmaking van de voordelen van het basisinkomen.)
1
OpinieEconomie
Rutte moet nood-basisinkomen invoeren om als groot staatsman de boeken in te gaan

De kabinetssteun voor zelfstandigen in de coronacrisis is een goede aanzet tot een basisinkomen. Dat schrijft Alexander de Roo, voorzitter van de Vereniging Basisinkomen. Hij ziet genoeg politieke steun voor een volledig basisinkomen.
Alexander de Roo 6 april 2020
Mark Rutte is eind 2020 tien jaar ¬minister-president. Hem kennende wil hij nog wel vier jaar door. De uitdagingen waarvoor hij staat, worden steeds groter: klimaat, migratie, stikstof, meer ongelijkheid en nu corona.
Een deel van de zelfstandigen krijgt in de crisis een voorwaardelijk basis-inkomen. Een mooie eerste stap, maar wel met bureaucratische complicaties. Bovendien zullen mensen die tijdens deze crisis niet in beeld zijn, inkomsten missen. Het is een illusie dat het huidige pakket iedereen bereikt.
Waarom niet gewoon een tijdelijk basisinkomen – zolang de coronacrisis duurt – voor alle zelfstandigen? Of ¬beter: voor iedereen die inkomsten -misloopt? Honderdduizenden onder¬tekenden hier al petities voor.
Complex systeem van toelagen
Ik lees in het door VVD-prominent en hoogleraar Roelof Salomons -geschreven essay over belastinghervorming, ter voorbereiding van het verkiezingsprogramma: “Voor liberalen is het helder: het sociale stelsel is een vangnet voor wie echt niet kan. (-) Er is echter een hele industrie ontstaan rondom ons complexe systeem van toeslagen en voorzieningen. Tijd om terug te gaan naar de tekentafel. Ook hier een suggestie die zowel sociaal rechtvaardig is als financieel solide: het universeel ¬basisinkomen. Het is een oplossing waar traditioneel links en rechts elkaar kunnen vinden, want het brengt de prikkel om te werken terug.”
Forum voor Democratie heeft het Centraal Planbureau het basisinkomen laten doorrekenen. De kosten vallen reuze mee, het basisinkomen is goed betaalbaar. Lagere inkomens en middeninkomens gaan er in doorsnee op vooruit, hogere inkomens gaan er 2 of 3 procent op achteruit.
Combineren met basisbaan
D66 laat het CPB nu rekenen aan ¬Basisinkomen 2.0. Voor de zomer komen de resultaten. Het Sociaal en Cultureel Planbureau kijkt naar de zachte kanten van het basisinkomen: minder stress, meer welzijn en betere gezondheid. GroenLinks is het positiefst over het basisinkomen. In de PvdA blijven ze aan de basisbaan vasthouden, maar die kun je combineren met het basisinkomen. Het CDA houdt ook vast aan dit idee, maar ook CDA-kiezers zijn in ¬toenemende mate voor invoering.
Als Mark Rutte de geschiedenis wil ingaan als een groot staatsman zoals Thorbecke, dan moet hij nu een nood-basisinkomen invoeren en dat tijdens de volgende kabinetsperiode vervangen door een structureel basisinkomen. Dat geeft iedereen waardigheid.

2
Maak aftrek, toeslagen en uitkeringen overbodig met basisinkomen voor iedereen
Vervang het stelsel van toeslagen, aftrek en uitkeringen door een basisinkomen, bepleit financieel adviseur Sytze de Boer.

Sytze de Boer 4 december 2019
De president van De Nederlandsche Bank vindt het Nederlandse belastingstelsel te complex. Hypotheekrenteaftrek en belastingvrij sparen voor pensioenen verstoren de economie. Daar zit wat in. Sterker nog: het geheel van onze wetten en regels op financieel-economisch terrein kan simpeler.
De overheid corrigeert de marktwerking, omdat anders de economisch zwakkeren niet overleven. Ze doet dat via onder andere de AOW, de bijstand en uitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Dat is een groot goed, maar daar staan wel nadelen tegenover. Werknemers zijn verplicht om voor pensioen te sparen. Ontvangers van een uitkering hebben sollicitatieplicht. Ons belastingstelsel is complex en kent veel vrijstellingen. Om het geheel compleet te maken, zijn vijf miljoen huishoudens aangewezen op toeslagen. Het gevolg is een uitgebreide bureaucratie, waar lang niet alle burgers de weg kennen.
Dat complexe geheel van wetten en regels is desastreus voor de creativiteit in de samenleving. Veel mensen willen graag een bedrijf beginnen, maar zien op tegen het oerwoud van regels. Of willen een zieke buur helpen, maar schrikken terug voor mogelijke (financiële) consequenties. Goede bedoelingen stikken in de brij van regels.
Schrap verplichting te sparen voor pensioen
Dat kan anders. Een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen vanaf achttien jaar zou het stelsel een stuk eenvoudiger maken. Maak de hoogte van het basisinkomen gelijk aan die van een AOW-uitkering, en de AOW-leeftijd kan met pensioen. Schrap de verplichting om te sparen voor pensioen, en de pensioenleeftijd is eveneens verleden tijd. De pensioenpremie die werkgevers nu overmaken naar de pensioenfondsen, gaat rechtstreeks naar de werknemer en wordt belast.
Werknemers bepalen dan zelf of ze sparen voor pensioen, vanuit het netto inkomen. De vrijstelling in box 3 van het opgebouwde pensioenvermogen vervalt. Daarvoor in de plaats komt een vrijstelling die is afgestemd op de opbouw van een bescheiden aanvullend pensioen. Een vrijstelling die meebeweegt met de leeftijd van de belastingplichtige. De AOW gaat op in het basisinkomen en alle overige uitkeringen, de toeslagen en de sollicitatieplicht vervallen. Door het belasten van de pensioenpremie en het schrappen van toeslagen, ontstaat ruimte voor een verhoging van het basisinkomen met zo’n 200 euro per maand.
Minder geld rondpompen
In plaats van de heffingskortingen in de belastingen komt er een heffingsvrije voet die gelijk is aan de hoogte van het basisinkomen. Mensen die alleen een basisinkomen hebben, betalen daardoor geen inkomstenbelasting meer. Het basisinkomen kan zo netto worden uitgekeerd, wat leidt tot minder rondpompen van geld.
Boven de heffingsvrije voet volstaat een uniform tarief. Werkenden weten meteen hoeveel ze netto overhouden van hun loon.
Hoe hoog dat tarief moet zijn, is nog de vraag. De overheid bespaart op een groot aantal terreinen. De bureaucratie wordt aanzienlijk kleiner. Andere uitkeringen en toeslagen vervallen. Al die besparingen worden ingezet voor de financiering van het basisinkomen.
Naast die besparingen zal er echter ook een redelijk hoog belastingtarief in de inkomstenbelasting nodig zijn om het basisinkomen te financieren. De grote vraag is hoeveel mensen gaan werken naast het basisinkomen. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat het overgrote deel van de werkenden zal blijven werken. Verder mogen we verwachten dat door het wegvallen van een verstikkende bureaucratie de creativiteit in de samenleving juist wordt gestimuleerd. Daardoor kunnen hopelijk veel mensen die nu aan de kant staan, een meer zinvolle bijdrage leveren aan onze samenleving.

De raadselspreuk van Jacob Böhme in mijn persoonlijke ontwikkelingsgang

“Voor wie tijd is als eeuwigheid en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd”

Westerse achtergronden en een Oosterse parallel van de eenheid van de tegendelen

(De raadselspreuk van Jacob Böhme in mijn persoonlijke ontwikkelingsgang)

[Dit is de eerste van enkele teksten rondom het verschijnen van mijn nieuwe inleiding in het denken van Jacob Böhme in het jaar 2020. Deze inleiding vormt een geheel met de in december 2019 verschenen vertaling van zijn Theoscopia of de allerkostbaarste poort van het zien van God bij de Rozenkruis Pers in Haarlem, waarover hier eerdere berichten te vinden zijn. De verschijning van de inleiding laat ik vooraf gaan door het publiceren op mijn site van enkele teksten die tijdens de afronding van de publicatie ontstonden en niet in de inleiding zelf komen. Zij vormen echter een palet van toegangen tot de inleiding en het belang van Böhmes denken in verschillende contexten.Om te beginnen enkele Westerse achtergronden en een Oosterse parallel.]

In de ideeëngeschiedenis van het Westen is de eenheid van de tegendelen (ook coincidentia oppositorum ofwel het samenvallen van de tegengestelden genoemd) een steeds terugkerend thema binnen de verschillende gebieden die samengevat worden onder het ruimere begrip dialectiek. (“Dialectiek is in het algemeen gezegd ofwel een redeneervorm die door middel van het gebruik van tegenstellingen naar waarheid probeert te zoeken, dan wel een metafysica, volgens welke zowel het denken als de wereld verandert c.q. zich ontwikkelt, ten gevolge van tegenstellingen (Herakleitos, Hegel, Marx en navolgers). Het begrip heeft een lange geschiedenis in de traditie van het westerse denken.” Wikipedia) Ik hanteer dialectiek niet als een dogmatisch begrip, omdat daarmee de voor mij essentiele openheid zou verdwijnen; wel als een concentratie van verwante denkbeelden die kennelijk aan elkaar verwant zijn maar ook in de loop van de tijd kunnen veranderen en dan op hun verwantschap en verschillen bevraagd kunnen worden.

Op het verschijnsel van de dialectiek in het Westerse denken stuitte ik als student-assistent (VU A’dam 1967-1971; leerstoel “Ethiek en inleiding in de dogmatiek” bij prof. H.M. Kuitert) toen ik voor een doctoraalcollege ethiek een tekst uit Friedrich Engels’ Herrn Eugen Dühring’s Umwälzung der Wissenschaft kopieerde. Op Jacob Böhme stuitte ik tijdens mijn daarop volgende studie filosofie (UvA A’dam 1972-1977; hoofdvak metafysica bij prof. Otto Duintjer en bijvak fenomenologie bij Theo de Boer) in de dialectische filosofie van K. Marx die Engels’ inspiratiebron vormde, en van diens leermeester G.W.F. Hegel. Het intrigeerde mij dat materialisten en spiritualisten zich op dezelfde piëtistische bron baseerden. Dat ik mijn doctoraalscriptie filosofie (UvA) aan de eenheid van de tegenstellingen (coincidentia oppositorum) kon wijden, legde de basis voor verdere onderzoek en studie van Jacob Böhme. Zij bracht mij op het spoor van de dialectiek in heel de Westerse filosofiegeschiedenis, speciaal op de vraag hoe zij in (en na?) het ‘moderne’ tijdperk van de overheersing door het wetenschappelijke wereldbeeld geherwaardeerd zou kunnen worden. Want die herwaardering verdient de dialectiek.

Veel voormalige docenten ben ik erkentelijk voor ondersteuning en inspiratie bij mijn eerdere studie van Jacob Böhme en voor het verschaffen van basiselementen voor deze vervolgstudie. Tijdens vele ontmoetingen in het kader van de Bibliotheca Philosophica Hermetica (die de publicatie van mijn dissertatie mogelijk maakte), nu onderdeel van de Ambassade van de Vrije Geest (beide in Amsterdam), en in het kader van symposia van de Stichting Rozenkruis, ontving ik inzicht in opmerkelijke contemporaine contexten van Jacob Böhme, en inspiratie om zijn diepgang en eenvoud verder te onderzoeken. Ik ben allen die ik zo heb ontmoet erkentelijk voor hun grote betrokkenheid, daarnaast speciaal mevrouw R. Ritman-Kleingeld voor enkele vragen en directe suggesties. De aparte benadering, uitleg en vormgeving van deze inleiding blijven uiteraard voor mijn rekening.

Onze natuur ofwel kosmos zit buitengewoon kunstig in elkaar (kosmos betekent oorspronkelijk onder meer ‘sieraad’; en natuur ‘(dat) wat groeit; groei’). ‘Intelligent design’ noemen sommigen dat, daarmee zinspelend op de mogel ijkheid van een goddelijke Ontwerper. (Die mogelijkheid komt in de nieuwe inleiding terug in verband met de belangrijke vraag wanneer taal toereikend is en wanneer niet.) Wie een appel doormidden snijdt, kan zich blijven verbazen over de prachtige symmetrie van de helften. Van het eenvoudigste verschijnsel en zijn omgeving tot de meest complexe die wij waarnemen, zij vertonen allemaal bijzondere wetmatigheden in vorm, in beweging, kortom in gelijk blijven en in verandering. Meestal wordt de ontdekking van die wetmatigheden toegeschreven aan wat de oudste voorlopers van de moderne wetenschap worden genoemd: Pythagoras, Archimedes, Euclides, Plato en Aristoteles, om enkele voorbeelden te noemen. Daarmee doen wij absoluut geen recht aan de breedte van de oude kennissystemen. Die verbonden namelijk natuurwetenschap en wat wij later theologie zijn gaan noemen, sterker: toenmalige theologie was eigenlijk esoterie. Dat laatste weten we omdat pas sinds de middeleeuwen de gevestigde theologie van de universiteiten en de grote christelijke godsdiensten – te weten katholicisme en protestantisme – eerst het aristotelisme en later de wetenschappelijke methode van Descartes omarmden. Voor die tijd lieten filosofische stromingen naast het rationele (en wetenschappelijke) denken ruimte voor het magische denken en de esoterie, die van iedere vorm van spiritualiteit deel uitmaken en er essentieel voor zijn. De stroming die daarin het meest uitblonk, was in het Westen het neoplatonisme, dat ook onder christenen een grote plaats innam. Dat veranderde met de opkomst van de moderne tijd, van de Reformatie en van de moderne natuurfilosofie en natuurwetenschappen. Het neoplatonisme werd met alle esoterie opzij gezet.

De opkomst van die moderne tijd viel samen met onze Gouden Eeuw. In Holland en speciaal Amsterdam, Leiden en Den Haag genoten niet alleen Rembrandt en zijn vrienden en opdrachtgevers maar ook vele geleerden uit Europa van het ondernemende en relatief vrije geestelijke klimaat, zoals de wijsgeren Descartes en Spinoza. In het voetspoor van Descartes en later de wetenschapsfilosofen van de negentiende eeuw delen wij de natuur graag op in de strikt methodische en meetbare wereld van de natuurwetenschappen en de zogenaamd diffuse want niet exacte wereld van de geesteswetenschappen, de kunsten, de letterkunde, de religie en de wijsbegeerte (veel natuurwetenschappers bestreden dat die ‘over’ de natuurwetenschappen mee zou mogen denken want dan zou men immers het strikte pad van de herhaalbaarheid van testresultaten verlaten). Dat strikte onderscheid zijn velen tegenwoordig aan het betwijfelen, omdat de invloed van de wetenschapper op zijn ontdekkingen ook in de natuurwetenschappen herkend wordt – denk aan de kwantummechanica –  en omdat er in de geesteswetenschappen in ruime zin ook allerlei wetmatigheden te constateren zijn, tussen culturen onderling maar ook hoe binnen iedere (sub)cultuur van een eigen taal sprake is. En hoe een en ander zich dan tot elkaar verhoudt, is zeker in de twintigste eeuw opnieuw een van de grote thema’s van de kunst en filosofie geworden. Het onderscheid tussen natuur en cultuur is een kunstmatig onderscheid, ooit gemaakt door de Grieken om menselijke beïnvloeding (cultuur) van niet-menselijke (natuur) te onderscheiden. Iets dat tegenwoordig niet ten onrechte ter discussie gesteld wordt: is er wel dode natuur? En zo niet …? Die dode natuur is precies wat de moderne natuurwetenschappen van de natuur maakten: een louter mechanische wereld. Maar daarop komen we momenteel terug, hopelijk op tijd.

Terzijde zij opgemerkt waar de opvatting van een louter mechanische wereld toe heeft geleid. De geneeskunde is zo technisch geworden dat het menselijke aspect daar onder dreigt te lijden. De computertechnologie heeft zulke grote invloed op alle menselijke aspecten van het leven dat mensen zich verbaasd afvragen wat het recht van individuen op eigenheid nog inhoudt, en hoe intermenselijke contacten nog tot bloei kunnen komen anders dan als losse ‘dates’ via internet. Kan de staat haar burgers nog enig tegenwicht helpen bieden tegen de greep van commercie, van grote ondernemingen, van de wereld van willekeurige reclame en ‘fake news’ zoals misleidende informatie tegenwoordig genoemd wordt? Dit zijn overigens niet specifiek nieuwe vragen, zij werden al gesteld door de oude Grieken. Een van hen, Socrates, meende dan ook zijn medeburgers en leerlingen het best te kunnen dienen door ‘niet weten’ te stellen boven onbeproefde kennis, en dat niet als iets wat je kunt leren door een leerboekje uit je hoofd te leren maar door permanent alles (vooral ook jezelf, je diepste motieven en inspiraties, en je grootste ambities) met anderen te delen en zo ter discussie te stellen, te weten op een zo eerlijk en zuiver mogelijke wijze. Dat was wat Plato poogde te beschrijven in zijn dialogen, voor het overgrote deel verslagen van gesprekken tussen Socrates en zijn leerlingen. We weten dat de machthebbers beslist niet blij waren met die houding van Socrates. Want zij hadden veel te verliezen, en de waarheid veel te winnen.

Nu heeft in de gesprekken die daaruit in de loop der eeuwen voortvloeiden, en in de vele geschriften van filosofen en religieuze leiders de socratische houding niet altijd vooropgestaan. Een veelheid van wereldbeelden, mensbeelden, godsopvattingen vormde de basis voor de hoofdstromen van onze Westerse cultuur. Jodendom, christendom, humanisme op godsdienstig gebied; op staatkundig gebied diverse politieke stromingen; op het culturele gebied een veelheid aan kunstvormen en literaire vormen. Sinds de tijd van de Verlichting is er geen dominantie meer geweest van een bepaalde culturele stroming, al helemaal niet meer sinds de verwoestende Wereldoorlogen. Wel waren er individuen en stromingen die poogden iets van een breed algemeen perspectief neer te zetten, maar dat leidde niet tot brede erkenning of een rustige maatschappij, laat staan een rustige cultuur. Na de laatste Wereldoorlog vonden sterk mondiaal bepaalde ontwikkelingen plaats, nieuwe evenwichten moeten nog steeds gezocht worden. Het Westen is onzeker. Er zijn bepaald niet alleen succesvolle groepen in de samenleving, er is integendeel opnieuw een grote kloof tussen superrijken enerzijds en grote groepen wie het water soms letterlijk maar minstens economisch aan de lippen staat.

In iedere tijd, ook in de moderne met haar technocratische vooruitgangspositivisme, zijn er tegenbewegingen ontstaan die perspectieven zochten op eenzijdige ontwikkelingen. Ik noem er enkele. In de negentiende eeuw waren dat bijvoorbeeld de cultureel alternatieve theosofen in het Westen die inspiratie vonden in sommige Oosterse voorstellingen en gedachten en leefvormen, vooral die welke wij tegenwoordig niet-dualistisch noemen (dat in tegenstelling staat tot het dualistische denken dat tweedelingen – ofwel onderscheidingen, om een voor de nieuwe inleiding centraal begrip naar voren te halen – zo sterk verabsoluteert dat er alleen hiërarchisch denken mogelijk is; het gaat hier om verschillende in culturele systemen ingebakken logica’s). In maatschappelijk opzicht waren er het communisme en het socialisme die al dan niet met een onrealistisch vooruitzicht op de heilstaat veel mensen hebben geïnspireerd tot zelfvertrouwen en solidariteit, daarbij teruggrijpend op oude Joodse en christelijke universele idealen (die ik als actuele troost en dus ‘werkelijkheid’ waardeer, niet als voorspelling van een definitieve eindtijd). En nog steeds zijn zij die inspiratie voor velen, ondanks de buitengewone schade die de verbinding met de moderne ‘wetenschappelijke’ methoden en technieken heeft versterkt en misbruikt (universeel gericht ‘wetenschappelijk socialisme’ en ‘marxisme-leninisme’). Eenzelfde verbinding maar dan omgekeerd (solidariteit alleen in eigen kring, niet universeel tenzij via overheersing) ziet men overigens ook bij hun uiteindelijk grootste tegenstanders, de fascistische bewegingen (die ten slotte nauw gelieerd bleken aan traditionele machthebbers). Overigens moet vermeld worden dat Karl Marx (geen leninist) en zijn leermeester Hegel (geen marxist) zich baseerden op oude bronnen, alleen: zij probeerden die te verenigen met de moderne wetenschapsfilosofie in het spoor van Descartes. Dat deden de theosofen niet, maar die baseerden zich vrijwel uitsluitend op Oosterse metafysische grondslagen en niet op wat in het Westen aan vergelijkbaars aanwezig was.

Het leek mij een uitnodiging om te zoeken naar Westerse voorbeelden van niet-dualisme en tegelijk van niet-verabsolutering van de moderne wetenschappelijke methoden of bijpassende organisatorische verkokering. Dat was een hele klus, al zijn er vermoedelijk meer mensen naar op zoek geweest (andere zoekers hebben ongetwijfeld andere vondsten gedaan of andere conclusies getrokken. En zo stuitte ik op de voorstellingswereld en het denken van Jacob Böhme. Karl Marx en Georg Wilhelm Friedrich Hegel beschouwden hem evenzeer een belangrijke denker en inspiratiebron als Goethe en andere schrijvers, naast vele kunstenaars en … vroomheidsbewegingen. In de nieuwe inleiding komen die aan de orde zover zij met Böhmes dialectiek verwant zijn.

Want daarbij moeten we teruggrijpen op voor-moderne voorstellingen uit onze Westerse cultuur, waarvan de filosoof Jacob Böhme net zo’n interessant voorbeeld is als zijn in de magische rol van religie geïnteresseerde tijdgenoten en voorgangers: Rozenkruisers, spirituele alchemisten, christelijke kabbalisten en de spirituele geneeskunde en filosofie van Paracelsus. Deze mensen konden geen ijzer met handen breken of goud uit lood maken, maar ervoeren wel dat hun geest in vervoering raakte van aspecten van de werkelijkheid die hen omgaf en waar zij mee van doen hadden en op inspeelden. Niet alleen louter psychisch maar ook praktisch helend, met een oog voor lichamelijke en concrete problemen en evenwichten en niet minder voor mentale en kosmische. Zij putten uit oeroude tradities in het Westen, van de oude Perzen en Grieken tot de oude Egyptenaren en Hebreeërs. Sommige pre-socratische denkers, Socrates zelf, zijn leerling Plato en de neoplatoonse traditie zijn er belangrijke voorbeelden van, mits we ze niet reduceren tot rationele (Aristotelische of modern-natuurwetenschappelijke) wetenschappen, of nog erger politieke ideologieën op basis van die zogenaamde want op reductie gebouwde ‘wetenschappelijke zekerheid’. Wat in de moderne tijd werd weggezet als dwaze magie van ‘esoterische’ tradities, bevat juist grote schatten aan inzicht. Zoals ook literatuur daar gelukkig ruimte voor bleef bieden, te weten literatuur die zich niet tot oppervlakkige ‘romantiek’ beperkte maar ook de diepte in durfde gaan. Zo kunnen wij de diepte peilen van onze kosmos, van onszelf, van onze werelden. En dat gebeurde niet alleen in de voormoderne tijd maar (zij het deels ondergronds) ook daarna, en niet alleen in het Westen maar ook in andere delen van de wereld. Zoals we in onze tijd herontdekken.

Kortom, in de nieuwe inleiding treft u mijn verkenning aan van Böhmes samenvattende geschrift Theoscopia, van zijn Westerse voorlopers en navolgers, in het bijzonder zijn niet-dualistische parallellen. De uitkomst daarvan vergelijk ik met enkele Oosterse visies. Speciaal die van de Japanse Zen-leraar en filosoof Dogen Kigen uit de dertiende eeuw, die niet alleen een wonder van taalvernuft en denken over niet-dualiteit was, maar ook voortkwam uit de diepste bronnen daarvan, het Chinese daoïsme en Indiase boeddhisme die in China tot een vruchtbare stroming versmolten, de Ch’an-traditie. Die traditie hield nuchterheid in ere ofwel: verlichting is prachtig, maar het leven – ieders gewone leven – gaat verder en vraagt je volledige inzet. “Voordat je verlicht bent: hout hakken en water dragen; nadat je verlicht bent: hout hakken en water dragen” (uit het geschrift Hsin Hsin Ming). “Oefening en verwerkelijking (verlichting) zijn éen en gaan eindeloos door” (Dogen Kigen). Böhme kende die tradities niet maar uitdrukkelijk wel de vergelijkbare Westerse die hij in zijn denken opnam. Zoals Jezus zijn leerlingen opdroeg zieken te verzorgen en genezen, voedsel te verschaffen aan de armen, en het koninkrijk dat er al is, aan het licht te brengen: “Laat de doden (dat is zij die hun ogen nog dicht hebben) hun doden begraven maar jullie: ga er op uit, kondig het koninkrijk aan en breng het aan het licht”. Niet om uitsluitend schijnveilige bastions op te bouwen (“de mens lijdt vaak het meest door het lijden dat hij vreest maar dat nooit op komt dagen”) maar om wat aan hen geschonken is, vruchtbaar te maken door het te delen (want niets van ons is ongedeeld behalve onze eigenwijze blik voordat die zich door de wijsheid laat leiden, dat is door openheid voor het leven en het delen daarvan). Hoe meer dat samen gedaan wordt, hoe vruchtbaarder. Dat maakt het bestaan niet pijnloos of moeiteloos, maar zeker vrijer en vreugdevoller. Vormen daarvoor vinden in steeds nieuwe tijden was ook Böhmes grote uitdaging. Dat komt ook tot uiting in de spreuk die Böhme in het gastenboek van zijn logeeradressen schreef. Voor mij is dat de raadselspreuk geworden die de toegang heeft verschaft tot het inzicht in de werkelijkheid dat hij ons wilde overbrengen, zijn zowel (!) filosofische als spirituele kernuitspraak.

Je kunt die namelijk heel goed vergelijken met de koans (raadselspreuken) die Chinese en Japanse Zen-meesters aan hun leerlingen opdroegen om erover te mediteren tot ze ‘de’ betekenis ervan ontdekt hadden. Koan betekent letterlijk ‘casus’ ofwel ‘wat het geval is’. ‘De’ betekenis bleek er niet een te zijn van definitie of van logische conclusie maar de leraar hielp de leerling zo te ontdekken dat hij niet aan één betekenis vast moest zitten, sterker dat er soms geen andere betekenis is dan een woordloze, of nog sterker: dat er in  ieder geval geen antwoord goed was dat de werkelijkheid buiten (en van) de woorden niet ten diepste recht deed. Daarom kon het ‘goede’ antwoord ook een handeling zonder woorden zijn, al spreekt het vanzelf dat de vraag in woorden ook impliceerde dat woorden deel konden uitmaken van het antwoord. De meester die dat goedkeurde beoordeelde het antwoord niet op basis van louter logische criteria, maar van het in de handeling die het antwoord omvatte zichtbaar wordende openheid voor de combinatie van relevantie van het antwoord (dat dus ook een gedraging of actie zonder woorden kon zijn) in de context van de actuele situatie en ook nog eens in de context van het besef van de uniekheid daarvan binnen het niettemin altijd aanwezige en ook wisselende geheel van de veranderende werkelijkheid (inclusief verleden en toekomst) en zijn zich voortdurend realiserende mogelijkheden. Daaraan zitten nog wel een paar haken en ogen vast, zoals de gebondenheid van het oordeel aan de beperktheid van de leraar: ook die laatste is onderdeel van de veranderende werkelijkheid en zelfs dat kunnen leraar en leerling met elkaar delen in het moment van het antwoord van de leerling op de koan, en de reactie van de leraar erop. Zo bijzonder is het dus ook weer niet (er is uiteindelijk geen definitief antwoord maar de leraar en de leerling kunnen wel de bijzonderheid van een antwoord ervaren en erkennen en beleven), wel is het een manier om naar onze werkelijkheden te leren kijken. Net zoals ook alle Westerse leerlingen in een bepaald vak of praktijk die later beroemd worden altijd wijzen op het persoonlijke contact dat zij met hun leraar hadden bij hun opleiding. De leerlingen zijn als het ware gevormd door het contact met de leraar, enerzijds door inspiratie en anderzijds door de uitdaging om precies het pad te vinden en vervolgens te gaan dat bij de leerling persoonlijk past. Deze Oosterse parallel van Böhmes raadselspreuk en kernuitspraak heeft overigens ook Oosterse parallellen en wortels

Zo ook in mijn geval bij Jacob Böhme. Jaren en jaren heb ik mij afgevraagd wat hij bedoelde met die spreuk “Voor wie tijd is als eeuwigheid en eeuwigheid als de tijd, die is bevrijd van alle strijd.” Mijn inleiding in zijn denken is een illustratie van wat ik op mijn weg met die spreuk ben tegengekomen. En wat ik ervan geleerd heb, niet alleen in de zin van Böhmes plaats in de ideegeschiedenis met zijn voorlopers en navolgers, maar ook en vooral in de manier waarop hij zijn leerlingen, mij en u, aanspreekt om zich geheel te laten leiden door de diepste tevens hoogste geest van de werkelijkheid en daarbij geen element te ontkennen, want elk element – welk dan ook –kunnen wij slechts waarnemen door een onderscheid te erkennen (en in taal aan te brengen). Daarmee leerde Böhme ons op een manier naar de taal te kijken die buitengewoon vruchtbaar is en die tevens lijkt op de wijze waarop taal non-dualistisch gehanteerd wordt: in het besef dat taal niet denkbaar is zonder onderscheid te maken. En dus ook niet zonder een situatie te veronderstellen waar nog geen taal is, of geen taal meer is, althans taal in de onderscheid makende zin. Ook dat element heb ik steeds meer leren waarnemen en toepassen bij de studie voor deze inleiding en merkwaardig genoeg ook in mijn leven en denken. Want ook al heb ik te midden van alle elementen van de werkelijkheid buiten mij geen apart aanwijsbare meester die mij daarin bevestigd heeft, Böhmes raadselspreuk heeft mij geholpen de inzichten in deze inleiding te ontdekken. En, voeg ik daar haastig aan toe, wat nog belangrijker is, mij geholpen mijn eigen neiging tot systematiseren en de daaraan ten grondslag liggende angst voor het verlies van eigenheid ofwel voor de dood onder ogen te zien. Zij boden geen houvast, en van hen bevrijd blijft een merkwaardig grote openheid over die niet bij mijn eindigheid ophoudt. Geen houvast hoeven hebben wil niet zeggen mijzelf of anderen geen veiligheid bieden waar nodig, integendeel, maar wel steeds meer ervaren en leren dat dat niet automatisch moet binnen door anderen opgelegde kaders maar binnen bewuste en zo mogelijk aanvaarde kaders. En waar dat niet helpt, is aanvaarding zelfs van uiterlijk opgelegde kaders een mogelijke weg, zonder dat die de innerlijke vrijheid hoeft aan te tasten (zoals in de geschiedenis is bewezen door diegenen die een weg ten dode die anderen hen afdwongen, toch aanvaarden konden, soms zelfs innerlijk dankbaar en in vrede). Ook diegene die deze weg niet geestelijk gaat, komt in haar of zijn leven de uitdaging van de tegenstellingen tot en met de dood tegen. Maar lang niet alleen die tegenstellingen, en dan ook nog hun komen en gaan.

Deze thematiek is daarom zowel persoonlijk als theoretisch (systematisch). Hoe wordt aan Böhme en zijn uitspraken duidelijk.

Persoonlijk: zie ook een eenvoudige aanroeping van het thema in de vorm van historische citaten gepresenteerd bij de presentatie van de vertaling van Böhmes boek Theoscopia

Vragen en antwoorden bij de overheidsmaatregelen in het spoor van COVID-19

Gelukkig wijzen politici en andere gewone mensen op dit moment op cruciale aandachtspunten in het omgaan met de sociale en medische veranderingen door de COVID-19 epidemie. Ik voel op sommige punten een spanning tussen sociale, economische en medische belangen.

Wat is kwaliteit van leven voor iemand (elk individu apart) en ons in heel onze omgeving samen en hoe vertaal je dat in de (steeds aanpassing behoevende) maatregelen n.a.v. de COVID-19 crisis? Hier enkele actuele vragen over patiënten in de thuiszorg, patiënten in de GGZ, in de gehandicaptenzorg, en alleenstaande ouderen. Bij de situatie van 31 maart 2020.

Waarom krijgen veel mensen nu geen thuiszorg (wassen, wondverzorging enzovoort voor mensen die nog niet opgenomen hoeven te worden in ziekenhuizen of verzorgingshuizen), terwijl zij bepaalde zorg simpelweg niet kunnen missen? Het gevolg is dat de ‘economie’ van huishoudens van degenen die dit plotseling op moeten vangen (gezinnen,  alleenstaanden, buren enzovoort) zélf onderuit gaat. Nog afgezien van de factor van het menselijke contact dat er een belangrijk element van was en is. Het laatste kan wellicht door sommige veranderingen (maatregelen en hun gevolgen) ook opbloeien, maar hoe wordt dit economisch ondersteund?  Of wordt dit economisch aan zijn lot overgelaten?

Kan niet centraal een pool geregeld worden (net als bij IC-bedden) van thuiszorgmedewerkers die weinig gevaar lopen anderen te besmetten als ze zelf besmet zouden raken? Bijvoorbeeld die het zelf gehad hebben of – zover daar sprake van is – nauwelijks risico lopen op zware complicaties (in eerste instantie als ze daar zelf voor kiezen en als er meer info is over zeer geringe kans op complicaties, ook gewoon net als alle andere zorgmedewerkers? Wat kan er aan bescherming gedaan worden op korte termijn en langere termijn van de thuiszorgmedewerkers?

En waarom gaat de publieke berichtgeving over de IC-bedden terwijl dat (behalve qua bemensing!) een technisch probleem is, en niet over de spanning tussen voorkomen en bestrijden van de sociale gevolgen? En dan bedoel ik niet de terechte tijdelijke economische steun maar het beschermen van het sociale weefsel van de samenleving, zodat mensen onder bepaalde voorwaarden elkaar weer kunnen ontmoeten, bijvoorbeeld na gebleken testen dat mensen niet besmet zijn? Wanneer komt het moment dat er genoeg testen zijn om dit weer langzamerhand mogelijk te maken?

Waarom gaat het geld niet naar sneller en completer testen in plaats van naar het overeind houden van de economie? Zijn voldoende gezonde mensen niet het eerste wat nodig is?

Heeft de overheid een strategie die (voor mensen die thuiszorg nodig hebben, voor patiënten in de GGZ, in de gehandicaptenzorg enzovoort, alleenstaande ouderen) duidelijk is en kwaliteit van leven oplevert?

En wat doen u en ik en wij allemaal om dit ook internationaal rechtvaardig te verkennen en uit te voeren?

Vragen waar vast veel deskundigen en andere gewone mensen een mening over hebben, ik hoop dat die in wijsheid en goede zorg voor allen vertaald kunnen worden. (Vragen en meningen die elk moment waarschijnlijk aangepast kunnen worden aan de situatie die verandert.) En ook waar die ontbreken, wens ik alle betrokkenen heel veel sterkte. Speciaal wie heel alleen zijn. Zij hoeven zich niet per se alleen te voelen. Want hun lot is net als dat van alles en allen onderdeel van een grotere werkelijkheid, die ook goede, waardevolle aandacht kan inhouden en omvatten, niet alleen voor wat beter maar ook voor wat slechter gaat. En de betekenis van die laatste hangt sterk af van wat wij als zodanig betitelen. Onze taal is beperkt, daarom is het nuttig haar te vergezellen met herkenbaar streven naar het goede. Luisteren, luisteren, zou mijn vader zeggen; ook naar wat buiten mijn kraam valt, voeg ik toe.