DE WEG EN HET ZORGENDE GAAN

 

Boek van DAO (Weg / Ervaring/ Wereld) en DE (Zorgende Aandacht/ Energie)

 

[ – – Wat is de weg/ ervaring/ wereld en Hoe handel je erin met zorgende aandacht/ energie? – – ]

 

[ 81 hints op verzoek opgeschreven door Lao Zi;

verwoord door Boudewijn Koole 

op basis van onderzoek en uitleg

door sinoloog René Ransdorp ]

 

 

Copyright: vrij in de geest van de tekst

 

 

Deel I: Hoofdstuk 1-37

WEG / ERVARING/ WERELD (DAO)

of

Wat

is de weg/ de ervaring/ het bestaan in en met de wereld?

(Deel II: Hoofdstuk 38-71

zal heten

ZORGENDE AANDACHT/ ENERGIE (DE)

of

Hoe

handel je erin met zorgende aandacht/ energie?)

(Daarna zullen volgen

Verantwoording

en

Bronnen)

 

[

Let op: Ieder hoofdstuk bevat achtereenvolgens

a. de vertaalde tekst (cursief en genummerd per hoofdstuk)

b. (eventueel: een korte samenvatting (cursief),

na het niet-cursieve woord “Parafrase:”)

c. (eventueel: toelichting of commentaar, bijvoorbeeld

toespitsing op algemeen-culturele of actuele situaties)

d. (eventueel: verwijzing naar bepaalde vertalingen of commentaren – zie de achterin genoemde Bronnen – speciaal m.b.t. dit hoofdstuk)

]

 

1

De al bekende weg is niet de alomvattende weg;
De naam die al genoemd kan worden is niet de alomvattende ‘naam’.
‘Zonder naam’ of ‘het niets’: de hérkomst van de tienduizend dingen;
‘Met naam’ of ‘het iets’: de móeder van de tienduizend dingen.
Zodoende:
Wie permanent bevrijd zijn van eenzijdige verlangens zullen daardoor het diepe wonder en wezen aanschouwen;
Wie altijd vol eenzijdige verlangens zijn, zijn daartoe beperkt en komen hun grenzen tegen.
Deze tegenstelling is het gevolg van het scheiden van het oorspronkelijk éne en er verschillende namen aan geven.
Zij zijn oorspronkelijk één maar kregen een verschillende naam;
Samen verwijzen zij naar het diepe geheime, de poort tot de eindeloze hoeveelheid wonderen.

Toelichting bij de titel Daodejing en deze vertaling

(voor commentaar bij dit hs 1 zie verder naar onder; daarna volgt nog een iets uitgebreidere vertaling met toelichting tussen de tekst door)

Vooraf iets over ‘dao’ en ‘de’. Het woord ‘weg’ in de vertaling heeft betrekking op het Chinese woord ‘dao’; dit betekent echter meer dan louter ‘weg’. Het heeft ook het element ‘oorsprong’ in zich. Mijn voorkeur is om het niet te vertalen behalve waar de associaties met ‘weg’ of ‘oorsprong’ vooropstaan en het noemen daarvan belangrijk kan zijn. In dit eerste hoofdstuk komt het Chinese begrip ‘de’ niet voor. Daarom komt het hier ook verder niet aan de orde, behalve dat ik wil opmerken dat het ook meer betekenissen kan hebben: ‘deugd’, ‘energie’, ‘(innerlijke) kracht’. Dit woord ‘de’ beoogt beslist niet alleen of liever niet zozeer een ethische theorie, eerder een innerlijke houding of alertheid (zoals die hieronder overigens direct aan de orde komt). Ook voor dit woord ‘de’ geldt dat het zijn betekenis in bepaalde hoofdstukken pas in de context krijgt, zoals zal blijken.

Vertalen is altijd uitleggen, en uitleggen impliceert beperking tot wat in een nieuw gebied betekenis heeft, begrepen kan worden. De hier vertaalde hoofdstukken van Lao Zi’s Daodejing zijn voorzien van hints om de lezer(es) bij het zoeken naar een eigen vertaling (naar de betekenis voor haar en haar omgeving) te ondersteunen. Vaak zijn die hints verwijzingen naar mogelijke parallellen in de Westerse cultuurgeschiedenis, inclusief Westerse uitwerkingen van abrahamitische tradities en wijze uitspraken. Er is discussie of Lao Zi vooral filosofische accenten legde dan wel nauw verbonden was met rituele praktijken. Daarover kan men veel onderzoeken doen en redetwisten. In de voorliggende vertaling en bijgevoegde hints wordt niet gestreefd naar het vastleggen van betekenissen in een veronderstelde context behalve zover die historisch evident geacht mag worden (wat de riten en gewoontes waren tijdens het ontstaan van de Daodejing is niet met grote zekerheid bekend); ik streef wel naar een vertaling die zo goed mogelijk past in wat wij historisch weten over de (mogelijke en waarschijnlijke) ontstaanstijd. Het proces van het ontstaan van teksten en betekenissen is voorlopig niet voorzien een eindigend proces te zijn, behalve in de zin dat nieuwe interpretaties sommige oude wellicht overbodig maken of onder doen sneeuwen. De geschiedenis van die interpretaties is niet maatgevend voor welke nieuwe vertaling dan ook, al kan zij leerrijk zijn over welke mogelijkheden of eenzijdigheden men kan gebruiken of vermijden. Er is dus niets tegen nieuwe waardevolle interpretaties maar ik streef wel naar het historisch zo juist mogelijk vertalen van oude teksten; nieuwe interpretaties kunnen daar ook iets aan hebben.
Het is mijn ervaring dat we ons de betekenissen beter en dieper bewust worden, naarmate we de teksten hun belangrijke onderlinge verbanden al herlezend voor ons laten spreken in onze eigen contexten. Daarbij zullen momenten van inzicht en van kortzichtigheid elkaar ongetwijfeld afwisselen, en ook daarvan valt immers veel zo niet alles te leren. Iets dat uitmondt in minder (uitwendig) leren en meer open staan voor innerlijk en uiterlijk in hun verbanden, als we Lao zi mogen geloven.

Toelichting bij de vertaling van hoofdstuk 1
N.B. Vooraf merk ik op dat het woord ‘moeder’ nog vaker terug zal komen in de volgende hoofdstukken. In hs 1 lijkt sprake van stille verwijzing naar een bekend beeld. Al in hs 3 en 4 komen we “de herkomst van de tienduizend dingen” al opnieuw tegen en de “moeder” komt ook in verschillende hoofdstukken terug. Zij zijn onderdeel van “dao” maar zijn niet alles bepalend voor de uitleg en betekenis van dao. Dao ontkent niets, ook geen goden, maar vestigt aandacht op wat hier en nu aan de orde is, welke veranderingen plaatsvinden en hoe de wijze mens daarop “ten goede” kan inspelen zonder iets te forceren. Waarbij “ten goede” niet vooraf gedefinieerd is, maar telkens opnieuw als mogelijkheid en onderdeel van alle processen die ervaren worden, naar voren kan komen. Er wordt niet vooraf gedefinieerd tot welk nieuw evenwicht de bestaande situatie kan leiden, dat hangt helemaal af van dao en zo van de aandacht en betrokkenheid van de wijze die probeert dao daarin te volgen. Vanzelfsprekend spelen waarnemingen en inschattingen en oordelen daarbij een grote rol die ook steeds aan de orde zal komen. Maar niet als kant en klare waarheden of oordelen, alleen vanuit de respectvolle waarneming van en betrokkenheid bij de inhoud daarvan: wat er van moment tot moment gebeurt. De oergestalten die een rol hebben gespeeld bij de wording van wat hier en nu aan de orde is, zijn precies dat: oergestalten, en niet meer.

In het “Commentaar bij de titel Daodejing en deze vertaling” hierboven is al een bepaalde link gelegd met de openingsregels van hoofdstuk 1, en daarmee met het hele hoofdstuk en met alle volgende. Dit hoofdstuk 1 is erg algemeen en in zekere zin dan ook een samenvattende introductie in nogal algemene bewoordingen waarvan het echter steeds de moeite waard blijft alle uitspraken en aspecten die men later tekenkomt ermee te vergelijken. Het geven van namen wordt door Lao Zi bewust als een waardevolle mogelijkheid en tegelijk als een mogelijkheid vol risico’s gezien (zie ook Daodejing 32). In de geschiedenis van het Westerse denken inclusief het mystieke ofwel esoterische denken zijn die beide mogelijkheden ook aanwezig, zij het vaak elkaar uitsluitend. Eenzelfde spanning zien we in het Oosterse denken onder meer tussen het vrijere daoïsme en minder vrije, meer op conformiteit gerichte opvattingen als het confucianisme. Net als in het Westen zijn er ook in het Oosten echter zeer veel overlappingen en varianten daarvan. Vanuit en tegenover mijn calvinistisch-protestantse en modern-wetenschappelijke achtergronden waardeer ik vooral het erkennen van de risico’s van zich vastleggen op eeuwige wetten. In een wereld die altijd vol verandering is (behalve bij wie zich met veel moeite iets anders probeert voor te stellen en dat als onveranderlijk vast te houden) ervaar ik de eenvoud en de vrijheid van het ‘denken’ van Lao Zi op als buitengewoon verfrissend. Dit denken relativeert zichzelf bij voorbaat wel en niet: niet waar het vaststelt dat denken zich graag binnen vaste paden beweegt, terwijl de werkelijkheid ondertussen al veranderend verder gaat. Wel waar het erop wijst dat ons bewustzijn niet buiten die verandering om betekenis heeft maar zonder daar weer een nieuwe definitieve waarheid of ideologie van te maken.
Dat dat nogal wat consequenties heeft, en dat het zin heeft de valkuilen daarvan te vermijden, lijkt mij het centrale thema van de Daodejing. Met de toevoeging dat wie het verste in het leren daarvan komt, zich steeds minder gelegen laat liggen aan eigen (voor)oordelen, of het nu oude of nieuwe zijn (uiteraard niet door die vooroordelen te negeren of te ontkennen maar door ze niet tot [enige] maatstaf te nemen). Oordelen zijn belangrijk voor het bijdragen aan de actuele situatie, om leed te vermijden en bloei te veroorzaken. Maar nooit door ze aan de situatie op te leggen, slechts door ze in hun actuele ervaring eventueel in te zetten ten goede, om belemmeringen voor bloei op te ruimen of te voorkomen. En dan opnieuw de situatie met nieuwe openheid te ervaren en waar te nemen. Die laatste houding is waar het om gaat, niet de tijdelijke oordelen die eruit voortvloeien. Alles wat tijdelijke oordelen onnodig permanent maakt, inclusief dogmatische tradities, is uit den boze: omdat zij verstarren wat in zichzelf de potentie heeft voor ontwikkeling, groei en bloei. Dat kan uiteraard allerlei vragen oproepen, zoals wat de functie en betekenis van ‘kennis’ dan is. Daarover is Lao Zi echter duidelijk: kennis heeft slechts betekenis binnen het volledig openstaan voor de hele werkelijkheid. Daarmee wordt allerlei praktische en theoretische kennis die gegroeid is en gebruikt wordt of kan worden, niet bij voorbaat waardeloos geacht of voor onbruikbaar gehouden. Er wordt alleen van gezegd dat deze kennis slechts zin heeft binnen de ieder moment opnieuw te ervaren en beoefenen volledige openheid voor alles dat ervaren kan worden en wordt. Want wie deze openheid beperkt, mist het verband met wat niet meer opgemerkt wordt. Terwijl omgekeerd, als men die openheid toelaat en oefent, men vanzelf oog heeft voor nieuwe mogelijkheden voor evenwicht, vruchtbaarheid, en voor nieuwe gevaren die deze bedreigen. De term “vanzelf zo”, te vergelijken met wat wij tegenwoordig wel “natuurlijk” noemen (al is dit begrip in de Westerse geschiedenis verschillend ingevuld, onder andere door de cultuur als hogerstaand tegendeel ervan op te vatten), speelt bij Lao Zi dan ook een grote rol, evenals bij veel van zijn lezers en leerlingen. Ik zie hierin een parallel met de pedagogie van Paolo Freire: ga uit van het onderzoek naar de taal die je zelf en je groep gebruikt in vergelijking tot andere groepen, en je zult je bewust worden van de valkuilen en mogelijkheden van de taal voor elk handelen, en elk maatschappelijk optreden (bij Freire ook zeer politiek opgevat). Maatschappij en politiek zijn bij Lao Zi beslist nooit ver weg. Hij veronderstelt wel dat men de eigen taal goed moet leren kennen, alle aspecten van de situatie goed moet leren waarnemen, om misdaad en wanorde en dies meer te voorkomen en zo nodig te bestrijden. Voor die strijd biedt hij vervolgens prachtige aanwijzingen die neerkomen op het primaat van het innerlijk juist binnen de context van en in zijn betekenis voor het omgaan met en leven in de uiterlijke wereld. Tot zover deze inleiding als toelichting bij het eerste hoofdstuk: vergeet niet hoe belangrijk taal is als centrale uitdrukking van het leven. Je zult ontdekken dat Lao Zi je er op wijst dat niet jouw taal alleen maar vooral het luisteren naar de taal van alle anderen en zelfs van alle processen van de werkelijkheid het belangrijkst is.

Iets uitgebreidere vertaling van dit hs met toelichting tussen de tekst door

Om dat aspect nog meer reliëf te geven laat ik hier de tekst van hoofdstuk 1 nog een keer volgen met tussen haakjes iets meer uitleg. Die uitleg komt voor mijn rekening, zij het dat ook ik ze pas al lezende en lerende heb ontdekt. Uiteraard is het toekennen van namen of woorden aan dat wat nog geen namen of woorden heeft, juist bedoeld als ‘vage’ aanduiding voor wat daaraan voorafgaat. Dit is een diep raadsel waarmee men slechts al doende mee leert ‘omgaan’, zonder ooit het stadium van definitieve duidelijkheid in woorden te (kunnen) bereiken. Het gaat er om te beseffen dat er een bereik is dat wordt gedefinieerd als een bereik waarin woorden (ofwel definities) worden gedefinieerd zodat er vervolgens twee bereiken zijn: die binnen en die buiten de definitie (het benoemde en het niet benoemde) vallen. Uit deze cirkel ontsnapt geen taalgebruiker; we kunnen het alleen ‘snappen’ ofwel ‘soms even zien of bewust zijn’).

De al bekende [als vaststaand opgevatte en in woorden gevatte] weg is niet de alomvattende ‘weg’ [en het gaan ervan];
De naam die al genoemd kan worden [en zo het genoemde onderscheidt en vastlegt] is niet de alomvattende ‘naam’ [die ook omvat wat buiten de definitie valt en wat verandert en die dus niets definitief vastlegt].
‘Zonder naam’ of ‘het niets’: de [onbeschrijflijke] hérkomst van [ofwel aanzet tot] de tienduizend dingen [nog voordat ze een naam hebben];
‘Met naam’ of ‘het iets’: de [als aanwijsbare en vrucht dragende schoot veronderstelde] móeder van de tienduizend dingen [die een naam hebben gekregen].
Zodoende:
Wie permanent bevrijd zijn van eenzijdige verlangens [en deelvisies] [ofwel wie volledig open zijn] zullen daardoor het diepe wonder en wezen [van dao] aanschouwen;
Wie altijd vol eenzijdige verlangens [en deelvisies] zijn, zijn daartoe beperkt en komen hun grenzen tegen [en zullen zich die grenzen permanent vanuit die deelverlangens en -visies bewust zijn].
Deze tegenstelling is het gevolg van het scheiden van het oorspronkelijk éne en er verschillende namen aan geven.
Zij zijn oorspronkelijk één maar kregen een verschillende naam [en een als het ware gescheiden werkelijkheid];
Samen verwijzen zij naar het diepe geheime, de poort tot de eindeloze hoeveelheid wonderen.

Vgl. 20, 25, 52 D, 37, 41, 32 Ch.

2

Wij weten:
Schoonheid wordt als schoonheid slechts herkend wanneer men zich niet-schoonheid bewust wordt.
Geschiktheid wordt als geschiktheid slechts herkend wanneer men zich niet-geschiktheid bewust wordt.
Zodoende geldt:
Bestaan en niet-bestaan brengen elkaar voort;
Het moeilijke en het makkelijke vormen elkaar.
Het lange en het korte maken elkaar duidelijk;
Het hoge en het lage steunen op elkaar.
Klank en stem harmoniëren met elkaar;
Eerder en later volgen elkaar.
Om deze reden beoefent de wijze de praktijk van het niet-doen,
Onderwijst zonder woorden.
Hij staat open voor alles wat op hem toe komt,
En levert zijn bijdrage zonder in een verwachting voor zichzelf te blijven hangen.
Juist omdat hij er niet in blijft steken, verlaat zijn verdienste hem niet.

Aan René Ransdorp ontleende toelichting op dit hoofdstuk (in mijn woorden)
Wanneer men inziet dat het leven zich (voor die blik) ontplooit in polariteiten (en dat bewustzijn en werkelijkheid geen absolute tegenstellingen zijn maar namen voor een en hetzelfde geheel van zich steeds vernieuwende processen) dan komt de wijze tot het inzicht dat zij de spelingen die daarin en daartussen mogelijk zijn, beter niet moeten bemoeilijken (met kortsluitingen en lijden als gevolg) door het daaraan opleggen van de eigen mening (over die processen waarvan men zelf onderdeel is). Dat geldt in het bijzonder voor het spreken van de wijze: hij vermijdt vastleggingen en laat ruimte aan de processen.
Het onuitspreekbare van de dao maakt haar juist zo geschikt voor dagelijks gebruik. In de Chinese filosofie wordt de intellectuele vraag naar zin en doel van het leven niet gesteld omdat men het leven (inclusief de hele werkelijkheid v.v.) daardoor niet vast wil leggen. De zin en de loop worden vanuit het lopen en de beweging – vergelijk ‘levensloop’ – duidelijk. Daarbij wordt het ‘zachte’ (Yin, vergelijk het vrouwelijke en moederlijke) geacht het ‘harde’ (Yang, vergelijk het mannelijke en vaderlijke) te overwinnen. Zijn is beweging, eerder een spel dan een wetmatige afloop, zij het een spel waarin (steeds veranderende) patronen herkenbaar zijn – waardoor de ontwikkelingen gevolgd kunnen worden zonder (of liever: met vermijding van) forceren. Zijn aanwezigheid is alert steunend zonder gerichtheid op voorrang voor het eigen belang, integendeel juist op het belang van alle processen samen, ofwel op de processen van alle belangen samen in de gunstigste en vruchtbaarste verhoudingen.

Eigen toelichting
Leest men de hoofdstukken 1 en 2 na elkaar dan ziet men parallellen. De dualiteit van alle processen en waarnemingen wordt in beide naar voren gebracht nadat allereerst is bezworen dat dualiteit een onderscheid is dat kenmerkend is voor onszelf, namelijk als wezenlijk aspect van al ons weten, bewustzijn, en dat wij slechts daarbinnen kunnen spreken over wat ten diepste is en wordt: dao, maar zonder dat onze woorden dat zijn en worden kunnen omvatten.
Toch bestaat de Daodejing uit de 81 hoofdstukken met woorden om ons wakker te maken en te houden voor wat het betekent onderdeel van die processen te zijn van die werkelijkheid. Een werkelijkheid die we graag de totale zouden noemen, maar die we noch met woorden noch met iets anders in de greep krijgen. En dat er dan toch manieren zijn om vruchtbaar in die werkelijkheid te staan, ons ertoe te verhouden, erdoor te laten inspireren en er onze rol in te spelen op een wijze die geen eenzijdigheid, geen forcering naar een of andere kant, met zich meebrengt. Maar in respect en aandacht alles laat bloeien en veranderen, misschien idealiter zo dat de grootste bloei niet gehinderd wordt door onze kleinste wensen en ingrepen. Of zelfs de kleinste bloei niet? Want wie zijn wij dat wij onze maatstaven aan anderen en andere delen van de werkelijkheid zouden mogen opleggen? Deze vragen zijn fundamenteel voor ons persoonlijke bewustzijn en leven dat nu eenmaal niet van het ons ruimer omringende leven en alle bestaansvormen daarin te scheiden valt. De uitdaging is dao te volgen en niemand en niets te schaden maar onze inbreng te leveren zonder (want door niet) aan ons eigenbelang voorrang te geven. Dan blijkt meer mogelijk dan wanneer we alleen van onze eigen vooronderstellingen en vaste waarheden uitgaan. Op deze wijze leven is niet aan vaste eigen of groepsbelangen hechten los van een open oog voor die van alle anderen en al het andere. Dat is leven zonder vooropgestelde zekerheden, maar ook leven in overeenstemming met het grote proces van dao, dat alle werkelijkheden en processen omvat. Veel later zullen we lezen dat deze manier van leven, aangeduid met de levenshouding ‘de’, haar eigen mogelijkheden heeft.

3

Verhef de voortreffelijken niet,
Dan vermijd je concurrentie tussen de mensen.
Hecht geen waarde aan zeldzame waren,
Dan zullen de mensen niet stelen.
Stel het begerenswaardige niet ten toon,
Dan raakt het hart van de mensen niet in de war.
Daarom, als de wijze mens bestuurt:
Houdt hij hun harten leeg,
Vult hun buiken,
Verzwakt hun ambities,
Versterkt hun botten.
Hij zorgt dat zijn mensen altijd zonder obsessies zijn,
Zodat zij die weten niet overmoedig tot handelen overgaan.
Wanneer hij zo handelt door niet-handelen
is niets niet in orde.

4

Dao is als een leeg vat
dat bij gebruik toch nooit vol wordt.
Zo bodemloos diep
Dat dao wel de oervader van de tienduizend dingen lijkt te zijn.
Dao vijlt scherpe hoeken af,
Ontwart de knopen,
Tempert de schittering,
Maakt zich gelijk aan het stof van de wereld.
Zo diep verzonken lijkt dao amper te bestaan.
Ik weet niet van wie Dao de nakomeling zou kunnen zijn.
Dao schijnt ouder te zijn dan de Heer van de hemel.

Toelichting
De leegte van dao heeft betrekking op innerlijke ruimte, ontvankelijkheid, die een permanente voedingsbodem biedt, ruimte voor de tienduizend dingen om zich te ontwikkelen. Wat dao hier ‘doet’ komt in hs 56 precies zo terug als het hoogste wat de wijze in de wereld kan bereiken. Het is echter niet iets specifieks waartoe men kan besluiten, maar alleen een houding van in alle opzichten volledige “openheid”.
De laatste regels geven de vraag aan die schrijver, lezers en hoorders dan zouden kunnen stellen: hoe verhoudt dao zich dan tot de goden? Zover die verondersteld worden als zelf de oorsprong (vergelijk hs 1 en andere plaatsen), kan gezegd worden dat zij dat in ieder geval niet zijn, zover zij met iets bestaands te vergelijken zouden zijn. En dao is dat zeker niet omdat het alles omvat zonder met welk bestaand iets dan ook samen te vallen.
Belangrijker is ons af te vragen wat de functie van dao is die hier beschreven wordt. Wat is de werking van dao. En daar gaan alle hoofdstukken van de Daodejing over. René Ransdorp merkt op: westerse skepsis wordt gekenmerkt door de kritische houding, de daoïstische “skepsis” staat in dienst van de openheid. Het niet-weten van de daoïst is anders dan het niet-weten van de agnosticus, want vanuit openheid begrepen en op openheid gericht.
Ik kan hier een vergelijking aanvoeren met de houding van Jezus toen hij gevangen genomen werd en tegen zijn gevangennemers zei: “Ik was hele dagen openlijk in de tempel in gesprek en waarom nemen jullie mij nu achterbaks en stiekem gevangen ergens in een tuin?” Ook Jezus deed hier geen uitspraken over een leer die hij al dan niet verdedigen zou anders dan dat hij het belang van volstrekte openheid naar voren bracht. Zonder die openheid is iedere regel immers waardeloos en achterbaks, alsof het gelijk stiekem of uitsluitend via uiterlijke middelen gehaald en gekregen kan of mag of moet worden. Die openheid is weerloos, fundamenteel, en helend. Dao en openheid horen bij elkaar op een manier die anders is dan die van veel traditionele machthebbers. Over machthebbers meer in volgende hoofdstukken.

Vgl. 4 D.

5

“Hemel en aarde” zijn niet barmhartig;
Ze beschouwen alle dingen als strooien offerpoppen.
De “wijze mens” is niet barmhartig;
Hij beschouwt alle mensen als strooien offerpoppen.
Zijn hemel en aarde niet als een blaasbalg?
De ruimte ertussen is leeg en toch niet ongevuld;
Beweeg haar en zij wordt steeds voller!
Veel spreken leidt tot uitputting,
Beter is: het midden te bewaren.

Toelichting
De eerste helft van dit hoofdstuk wijst een bepaalde houding af, namelijk van de (confucianistische) rituele dus uiterlijke verplichtingen die innerlijk niets of weinig voorstellen. Met lege rituelen wordt geen innerlijke verandering open gehouden. Evenmin als met veel woorden (de wijze mens is hier dus niet de volger van dao). Het gaat niet om het uiterlijk spelen met pionnen maar om innerlijk mee bewegen met de stroom van de gebeurtenissen. Dit thema komt terug in latere hoofdstukken. Evenals de vraag welke rol de hier aangesproken mens dan wel kan spelen, uitgaand van dao en dao volgend.
Strikt genomen zouden de woorden die hier tussen aanhalingstekens gezet zijn, ook letterlijk genomen kunnen worden en dan meer opgevat als representanten van dao. We weten echter dat de Daodejing zich verzette tegen dominante confucianistische opvattingen. En de woorden die we hier tussen aanhalingstekens zetten om ze als confucianistisch neer te zetten, zouden anders positief opgevat moeten worden als representatief voor dao. Dan verliezen de zinnen echter duidelijk aan betekenis; strooien poppen kunnen uitgelegd worden als onderdeel van confucianistische offerrituelen (waarbij de poppen de plaats innamen van kostbare levenden).
Ook het vervolg past in deze uitleg. Hemel en aarde worden niet ontkend maar ze krijgen een betekenis vanuit dao. Zelfs lege dingen (en strooien poppen) hebben of krijgen betekenis vanuit dao. Maar zonder de dogmatische opgeblazenheid als die van de confucianisten. Dao heeft geen of veel minder woorden nodig, zoals de Daodejing uitlegt: door in het midden te blijven of zoals elders gezegd wordt innerlijk open te blijven: “vanzelf zo”. Hs 6 gaat daarover verder.

6

De levensgeest van het dal sterft niet.
Zij wordt het mysterieus vrouwelijke genoemd.
De poort van haar vrouwelijkheid
Is de wortel van hemel en aarde.
Haar bestaan gaat continu door
Maar raakt in het gebruik niet uitgeput.

Toelichting
De leegte van het dal is de baarmoeder van alles. Het natuurlijke stromen van energie werkt in alles door. Zoals de vrouwelijke energie alles omvat en beschermt als een moeder. Er is geen begin en einde aan. Hier wordt de beeldspraak van vorige hoofdstukken voortgezet. Dao is de “niet bestaande” oorsprong van alles die in alles doorwerkt, door alles heen werkt zonder enige uitputting.

Vgl. 5 R, 36 D.

7

De hemel bestaat al heel lang
En de aarde duurt steeds voort.
Dat komt doordat zij niet voor zichzelf leven.
Daardoor kunnen ze lang voortbestaan.
Om die reden stelt de wijze mens zijn persoon achteraan,
En vindt zijn lijf en persoon vooraan terug.
Door zich niet om zijn persoon te bekommeren
Blijft zijn persoon bewaard.
Is het niet omdat hij niet zijn zelf nastreeft
Dat hij zijn eigenbelang verwerkelijk?

De vraag is wel gesteld (zeker in het Westen) of zelfloosheid het ideaal is dan wel het niet prononceren maar wel erkennen van een zelf. Wie niet zijn zelf vooropstelt, hoeft nog niet van zijn zelfbewustzijn af te zien. Wie zijn zelf vooropstelt, gaat al gauw over de grens meer te wensen dan zijn zelf aankan of nog sterker zichzelf ofwel zijn zelf als groter machtiger en invloedrijker te zien dan in feite het geval is. Dit is in zekere zin het grondprobleem van ieder die over haar of zijn rol in de werkelijkheid nadenkt. In het Westen is de waarde van de persoon meestal vooropgesteld; vaak boven die van alle andere verschijnselen. Het Oosten voegt de persoon meestal gewoon in in het geheel van relaties van mensen en hun omgeving. Zij ontneemt het individu daarmee niet haar eigenheid, inclusief een eigen karakter en andere eigenschappen, maar legt de nadruk op de verhouding van persoon en omgeving.
Wat in dit hoofdstuk gezegd wordt, is essentieel voor de Daodejing. Door zijn verbondenheid met heel de omgeving, uiteindelijk heel de werkelijkheid, te erkennen en in praktijk te brengen door zichzelf niet op de voorgrond of op de hoogste trede te plaatsen, is er juist ruimte voor iedere persoon om zijn eigen rol te spelen en zijn eigen inbreng in het geheel te hebben. Zelfverwerkelijking komt nooit (volledig) tot stand als niet ook de hele werkelijkheid verwerkelijkt wordt. Dit is bijvoorbeeld ook letterlijk terug te vinden in het traktaat Genjokoan (De werkelijkheid van verwerkelijking) van de Japanse Zenmeester en filosoof Dogen Kigen (13e eeuw).

8

Het allerbeste is te zijn als water.
Water doet al wat bestaat goed zonder met iets te wedijveren.
Terwijl het vertoeft op zijn lage plaats die iedereen veracht.
Juist daarom is het dicht bij de Dao.
Bij wonen gaat het om de juiste plaats,
Bij onze geest om diepgang,
Bij geven om gulheid als van de hemel,
Bij spreken om oprechtheid,
Bij regeren om ordenen,
Bij dingen in praktijk brengen om bekwaamheid,
Bij handelen om het juiste moment.
Juist door niet te wedijveren blijf je zonder blaam.

Een vrijere (Duitse) vertaling vond ik bij Rudolf Backofen (uit 1949). Vertaald luidt die:
“Echt leven lijkt op dat van water:
Stil voegt het zich naar de grond die de mensen verachten,
Goeddoend en onzelfzuchtig alles dienend,
Lijkend op de grondeloze oerbron.
Echt leven is:
Bescheiden naar buiten en zonder verlangens naar binnen;
Gevend in het dienen en waarachtig in het spreken;
Ordenend in het leiding geven en effectief in het werken;
Beheerst in het doen.
Welwillend zich voegend is het onaantastbaar.”

9

Tijdig stoppen
is beter dan blijven doorgaan met vullen tot er niets meer bij kan.
Hoe scherper je de punt maakt
Hoe vlugger de scherpte voorbij is.
Hoe voller je kamers met goud en jade zijn
Hoe moeilijker je ze kunt bewaren.
Door verwaand te zijn over je aanzien en rijkdom
Bewerk je je eigen onheil.
Je terugtrekken als je je werk hebt voltooid
Dat is de weg van de hemel.

Ook in dit hoofdstuk wordt de natuurlijke weg (dao), hier die “van de hemel” genoemd, aangeprezen. Het belangrijkste van die weg voor de mens is de dingen niet op de spits drijven, niet over de schreef gaan, jezelf noch een ander te zwaar belasten of ergens mee te overladen. Tijdig weten op te houden. Denk aan de relatie tussen yin en yang. Hun toe- en afnemen is aan elkaar omgekeerd, zo blijven ze samen in – én “uit” – het midden. De eenzijdige gerichtheid op de eigen kracht en het eigen bezit verhindert de openheid voor wat verder aan de hand is.

 

10

Je meer hemelse en je meer fysieke ziele-aspecten koesteren: kun je daarbij hun eenheid omarmen?
Je helemaal concentreren op je vitale kracht: kun je daarbij zo week als een pasgeborene zijn?
Je innerlijke spiegel reinigen: kun je daarbij smetteloos zijn?
Met liefde voor het volk het land besturen: kun je daarbij niet-handelen beoefenen?
De poorten naar de hemel openen en sluiten: kun je daarbij de vrouwelijke rol spelen?
De verlichting bereiken door alomvattend inzicht: kun je daarbij niet-weten beoefenen?
Om deze reden beoefent de wijze de praktijk van het niet-doen,
Onderwijst zonder woorden.
Hij staat open voor alles wat op hem toe komt,
En levert zijn bijdrage zonder in een verwachting voor zichzelf te blijven hangen.
Dit heet de mysterieuze deugd.

Ook hier worden tegenstellingen geschetst in ons innerlijke bewustzijn die overbrugd kunnen worden: van lijfelijke dan wel hogere functies, van vitaliteit en ontspannenheid, van innerlijke helderheid en zorg daarvoor, van landsbestuur met en zonder forceren, van verlichting door volledig inzicht dan wel met behoud van innerlijke openheid. Boeiend is dat het gewenste “ideaal” zowel aan de tegenstelling als aan de overbrugging ervan recht doet. Het vinden van het evenwicht hiertussen, telkens opnieuw, is de uitdaging. Hoofdstuk 11 gaat hiervoor een volgend beeld bieden. Merk op dat het woord deugd ook de verwerkelijkende energie omvat, dus niet uitsluitend morele betekenis heeft.

Vgl. 2 R, Ch, 51 Ch.

11

Dertig spaken zitten samen in één naaf,
Door de leegte van de naaf is de kar bruikbaar.
Klei wordt gevormd tot een pot,
Door de leegte ervan is de pot bruikbaar.
Deuren en ramen uitsparen vormt een huis,
Door de leegte van die openingen wordt het huis bruikbaar.
Daarom:
Gebruiken wat er is, brengt voordeel;
Dat is pas mogelijk door wat er niet is.

Vaak vroegen Westerse mensen zich af wat de sereniteit of stille houding van Aziatische monniken inhield. Zowel in de Indiase meditatietradities als in de Chinese Daodejing is open aandacht het begin van alles. In de Daodejing heeft dit een specifieke betekenis als niet-handelen ofwel niet zo maar ingrijpen. Handelen zonder volledige aandacht wordt afgeraden en mét volledige aandacht als voorbeeld gesteld. Het beeld van het huis en zijn deuren en ramen komt extra terug in een later hoofdstuk om innerlijke aandacht aan te bevelen als uitgangspunt. De vraag kan zijn hoe innerlijke en uiterlijke aandacht zich het beste verhouden. Het antwoord daarop is niet een theorie maar de permanente openheid (inclusief waarneming), die ieder moment opnieuw als mogelijkheid gegeven is en verwerkelijkt kan worden. De sleutel is dus ons actuele bewustzijn, steeds opnieuw; als de naaf.

12

De vijf kleuren verblinden het oog van de mens.
Paardenrennen en jagen maken de mens dol.
Moeilijk te bemachtigen goederen hinderen de gang van de mens.
De vijf smaken bederven het gehemelte.
De vijf tonen maken het oor van de mens doof.
Daarom kiest men waar de wijze regeert
voor de buik en niet voor de ogen,
verwerpt hij dit en kiest hij dat.

Ongekunsteldheid is het ideaal, niet het zich verliezen in dwaze uiterlijkheden. De ogen verliezen zich al gauw dieper of verder dan de buik die ons dagelijkse voedsel verteert, is de gedachte. De buik is eenvoudig en direct.

Vgl. 3, 64 D, 46 AH.

13

“Zowel in de gunst komen als vernederd worden vormen een gevaar.”
“Beschouw grote rampen zoals je gevaar voor jezelf beschouwt.”
Wat wordt bedoeld met “Zowel in de gunst komen als vernederd worden vormen een gevaar”?
Gunst is minderwaardig.
Als je haar krijgt, wees gewaarschuwd!
Als je haar verliest, wees gewaarschuwd!
Dát wordt bedoeld met “Zowel in de gunst komen als vernederd worden vormen een gevaar”
En wat wordt bedoeld met “Beschouw grote rampen zoals je gevaar voor jezelf beschouwt”?
De reden dat ik rampen ondervind is dat ik een lijf of ik heb.
Als ik dat niet zou hebben, wat voor rampen zou ik dan nog ondervinden?
Daarom:
Aan iemand die zijn leven evenzeer hoogschat als de hele wereld,
Aan zó iemand kun je de hele wereld toevertrouwen.
Aan iemand die zijn lijf liefheeft als de hele wereld,
Aan zó iemand kun je de hele wereld toevertrouwen.

De redenering lijkt deze te zijn. Wie niet voor zichzelf kan zorgen, kan dat ook niet voor anderen of de wereld buiten haar of hem. Wie dat wel kan, kan dat ook voor anderen of de wereld. Want die zal niet het ene deel bevoordelen boven het andere deel, de ene persoon of het ene goed boven de andere persoon of het andere goed. Ook hier speelt de voorstelling van het midden bewaren tussen de uitersten. En zo kan de spanning tussen het zorgen voor zichzelf en het geheel (vergelijk hs 7!) toch worden opgelost. Wij kunnen ons deze oplossing ‘voorstellen’, waar het om gaat is het vervolgens verwerkelijken ervan. De verhouding tussen voorstellen en verwerkelijken impliceert altijd een wisselende spanning die idealiter rust en beweging béide omvat. In de gunst staan of vernederd worden zijn ten opzichte daarvan relatief: zonder gehechtheid van en aan mijn ‘ik’ heb ik daar geen last van.

Vgl. 44 Ch.

14

Wij kijken ernaar en zien het niet; we noemen het het onzichtbare.
Wij luisteren ernaar en horen het niet; we noemen het het geluidloze.
Wij grijpen ernaar en raken het niet; we noemen het het nietige.
Deze drie kunnen niet dieper begrepen worden:
Zij vloeien samen tot Een.
Het Ene:
Zijn opgang is geen licht,
Zijn neergang is geen duisternis;
Zonder ophouden, onnoembaar,
Keert het terug tot Niets.
Daarom noemt men het vormloze vorm,
Beeld van Niets,
Illusionair en ontsnappend.
Ga er op af en je ziet zijn voorkant niet,
Volg het en je ziet zijn achterkant niet.
Leg je toe op de Dao van dit moment
Om te besturen wat precies nu gebeurt,
En te begrijpen waar het in het verleden begon.
Dat heet de draad van Dao volgen.

Gaandeweg lichten delen en aspecten van de Weg op die de Weg voor ons signaleren. Niet dat we er ook maar enige vaste greep op krijgen. Wij laten de manifestatie van de Weg in het hier en nu voortdurend toe en vervolgens weer los om met de Weg mee te kunnen gaan. Waar continuïteit blijkt, nemen we die serieus, en waar niet, doen we dat ook. Maar we maken er niet ons eigen systeem van maar volgen Dao. Als we dat niet doen, overschatten we onszelf en doen onrecht aan Dao en alle verschijnselen (ervan). Want Dao is niet definitief grijpbaar en voorspelbaar zover wij (niet) weten; wel weten wij dat Dao vanzelf, uit zichzelf, alle dingen voortbrengt en vormt en weer tot niets terug laat keren: zonder dat wij meer kennen dan alles wat zich manifesteert als, in, buiten en voor ons en dito alle dingen om ons heen (waarvoor wij ons op onze beurt weer voor en omheen manifesteren – ad infinitum). Dao is oneindig komen en gaan. (Voor wie van parallellen houdt: denk bij het Ene en het Niets ook eens aan Jacob Böhme’s Grond en Ongrond.)

Vgl. 4, 21, 25, 51 D, 1, 15 Ch.

15

Zij die vanouds goed waren in het beoefenen van de Weg
Waren subtiel, mysterieus, en drongen diep door in de duisternis.
Hun diepte ging alle begrip te boven.
Omdat zij niet te begrijpen zijn
Moet ik ze geweld aandoen met de volgende beschrijving:
Zo voorzichtig als bij het oversteken van een bevroren rivier.
Zo alert als mensen die van alle kanten bedreigd worden.
Zo respectvol als bezoekers past.
Zo voegzaam als ijs dat op het punt staat te smelten.
Zo puur als onbewerkt hout.
Zo troebel als modderig water.
Zo weids als een breed dal.
Troebel water wordt door rust langzaam helder: heb je dat geduld?
Wat onbeweeglijk is komt door een impuls langzaam tot leven: heb je dat geduld?
Zij die deze Weg omarmen kiezen er niet voor om overvol te worden.
Daarom kunnen zij zich aanpassen en alle dingen verwelkomen.

Deze beschrijving van de ‘ouden’ die de Weg bewandelden, is zo beeldrijk dat het de moeite waard is de soepelheid, voegzaamheid, alertheid, openheid die het verbeeldt, zich voor te stellen in alle processen om ons heen … en in ons. Waarbij opvalt dat dat beeld voor de schrijver(s) van de Daodejing opmerkelijk vaak een dal is waarin de vele processen hun natuurlijke loop vinden … eenvoudig door hun eigen natuur niet te buiten te gaan. Wie zich daarvan bewust is, blijft gemakkelijker binnen de grenzen van het vanzelfsprekende, en gaat niet over die grenzen heen. Open voor wat komt. Niet forcerend maar volgend.

16

Zoek de uiterste leegte,
Bewaar de rust in het midden.
Alle dingen verrijzen dan samen,
En we zien hun terugkeer.
Zij bloeien groots op,
En elk ervan keert terug naar zijn wortel.
Terugkeer naar de wortel noemen we stilte,
‘Stilte’ dat is terugkeren naar de bestemming.
Terugkeren naar de bestemming is diep inzicht hebben,
Diep inzicht hebben is verlicht zijn.
Geen diep inzicht hebben is roekeloos gedrag vertonen dat onheil brengt.
Diep inzicht hebben betekent ruimte laten,
Ruimte laten betekent fair zijn,
Fair zijn betekent heel zijn,
Heel zijn betekent natuurlijk zijn,
Natuurlijk zijn is éen zijn met de Weg.
Eén met de Weg betekent altijddurend zijn,
Je hele leven geen uitputting hoeven vrezen.

Het begin is meteen raak. “Zoek de uiterste leegte, bewaar de rust in het midden.” Verderop staat “Terugkeer naar de wortel noemen we stilte, ‘stilte’ dat is terugkeren naar de bestemming.” Oorsprong en bestemming liggen bij elkaar. De weg die wij afleggen, via ons bewustzijn en onze taal, ervaren wij als stukjes van een proces (weg=proces) maar in werkelijkheid zijn wij ook altijd aan het begin en aan het einde ervan, zelfs terwijl we onderweg zijn. Oorsprong [of begin] en verandering [of weg] en bestemming [of einde] veronderstellen elkaar, ook al nemen ze voor ons bewustzijn telkens andere vormen aan. Omdat we ons meestal druk maken om die vormen, om de verandering, is het goed ons te richten op de oorsprong, de bron, de stilte. Of liever: de verandering en de vormen hun gang te laten gaan, zodat de oorsprong ons kan sturen en wakker maken. Zodat wij op natuurlijke wijze deelnemen aan die “natuur”, de alles omvattende uitdrukking van het onnoembare Dao.

Vgl. 45 R.

17

Van de meest ideale vorst wist men niet dat hij er was.
De daarna beste werden geprezen en bemind.
Voor de daarna beste was men bang.
De daarna beste schold men uit.
Wanneer de vorst geen vertrouwen in anderen heeft,
Zullen de onderdanen geen vertrouwen in hem hebben.
Wie daarentegen ontspannen is, is zuinig met woorden!
Als de taken volbracht zijn en het werk gedaan,
Zeggen alle mensen “Wij zijn vanzelf zo”.

De vorst wordt een spiegel voorgehouden die ook als algemeen menselijk ideaal is op te vatten. “Van de meest ideale vorst wist men niet dat hij er was.” De betekenis wordt pas duidelijk uit het vervolg. Naarmate de rangorde lager is, verdwijnt het vanzelfsprekende in het gehoorzamen en spreken over de vorst, tot het laagste niveau waarop de vorst slechts beschimpt wordt. De kern is de aan- of afwezigheid van vertrouwen (via het geven en krijgen ervan). “Als het vertrouwen [van de vorst] ontoereikend is, dan is er ook geen vertrouwen [van de onderdanen].” Dit is herkenbaar: “Ontspannen en zuinig met woorden is hij [de hoogste]. Als hij zijn werk heeft voltooid, zeggen alle mensen: “Wij zijn uit onszelf zo.”” Dit ideaal van vertrouwen geven kan iedereen zich ter harte nemen die met anderen te maken heeft.

Vgl. 23 Ch.

18

Als het grote Dao wordt afgedankt, rijzen “menslievendheid” en “rechtvaardigheid”.
Als “intelligentie” en “kennis” verschijnen, ontstaat grote huichelarij.
Als de familiepatronen niet meer harmonisch zijn, komen “respect voor de ouders” en “krachtige ouderliefde” naar voren.
Wanneer het land in wanorde raakt, krijgen we “loyale ambtenaren”.

Als het niet meer “vanzelf zo” gaat (hs 17), dat wil zeggen als de op zichzelf positieve waarden uitdrukkelijk genoemd moeten worden, is dat een teken dat die waarden (zijn gaan) ontbreken.

19

Breek met “heiligheid” en gooi “kennis” weg
En de mensen zullen honderdvoudig profiteren.
Laat “menslievendheid” en “rechtvaardigheid” varen
En de mensen zullen terugkeren naar respect voor de ouders en krachtige ouderliefde.
Laat listen en profijt varen
Dan zullen er geen rovers en dieven meer zijn!

Deze drie uitspraken zijn mooie franje en nog niet voldoende,
Laat daarom het aansluitende advies zijn:

Wees onopgesmukt en eenvoudig,
Verminder je zelfzucht en je begeerten.
Breek met “leren” en wees zonder zorgen.

N.B. De laatste regel staat in de bronnen als eerste van hs 20; toch menen veel experts dat zij hier minstens zo goed past gezien de drie uitspraken aan het begin en dan ook drie aan het eind. Voor de betekenis maakt het niet uit: hs 20 zal de hoofdstukken 17-19 nog eens samenvatten door ze toe te spitsen op het zelfinzicht van de schrijver/ lezer.
Veel monden zijn vol van sociale idealen. Maar als de praktijk er niet naar is, zijn het holle woorden. Daarom wordt een en ander hier omgedraaid. Met de prachtige aanvulling dat je van die omdraaiing ook geen façade (“franje”) moet maken. Fundamenteler is je zelfzucht en je begeerten te leren kennen én af te leggen, dan is eenvoudig en onopgesmukt zijn naar buiten toe en naar binnen toe écht! “Van buiten” leren hoort daar evenmin bij.
In onze Westerse cultuur is “kennis” eeuwenlang een hoog ideaal geweest, sinds de zeventiende eeuw spreken we zelfs van de Moderne Tijd gekenmerkt door wetenschappelijke kennis. Waardevolle kennis en wetenschap blijft dat altijd. Maar zij wint niet aan gezag waar pseudogeleerden ermee pronken of nog erger, hun pseudogezag misbruiken om amper werkzame producten aan de man te brengen. Dat heeft echter met een ander probleem (zeker ook van onze tijd) te maken: hoe betrouwbaar voorlichting en kennisoverdracht zijn. In een kleine, overzichtelijke samenleving wordt persoonlijk wangedrag sneller doorzien dan tijdens de opkomst van nieuwe media. Het is niettemin een voordeel als listen en profijt doorzien worden, en de rovers en dieven ontmaskerd. Dat begint met er zelf geen te zijn. En niet te pronken met wat dan ook: ook niet met kennis!

20

“Wat is het verschil tussen “ja” en “jawel”?”
““Mooi” of “lelijk”: wat is het verschil?”
“Wie door de mensen gevreesd wordt, moet zelf oppassen gevreesd te worden.”
Hoe lang blijft deze klunzigheid voortduren? …

De massa mensen zijn uitgesproken uitgelaten bij een offerfeest,
Of als ze bij het grote lentefeest een hoogte bestijgen.
Ik alleen ben innerlijk stil, zonder uitdrukking, sereen
Als een ongeboren kindje, dat nog niet heeft leren lachen;
Zonder verlangen alsof ik nog geen plaats weet om naar terug te keren.

De mensen hebben overvloed, ik ontbeer alles.
Mijn hart is dat van een eenvoudige dwaas, een chaos van verwarring.
De mensen lopen te koop met hun lichtend inzicht,
Ik alleen ben duister.
De mensen zijn pienter en brengen fijne onderscheidingen aan,
Ik alleen ben suf, op de hoogte van niets.
Ongrijpbaar diep ben ik als de oceaan;
Net als de hoge winden ga ik almaar door.
De mensen hebben allemaal een functie,
Ik alleen ben lomp en niet te polijsten.
Alleen ik verschil van de mensen:
Ik vereer de voedende Moeder!

De fijne onderscheidingen die de gestudeerde of gecultiveerde mensen (lees: de volgelingen van Confucius) er op na houden om zich te onderscheiden van “de” minder gecultiveerde mensen, krijgen hier een tegenbeeld. Die fijne onderscheidingen zijn in de visie van de auteur kunstgrepen die haaks staan op de werkelijkheid, slechts uiterlijk middel voor een uiterlijk resultaat. De auteur van de Daodejing heeft in de vorige hoofdstukken – zie de laatste regel van hoofdstuk 19 – de basis voor zijn eigen visie al uitgewerkt en spitst die nu toe middels een persoonlijk gedicht over het geheel andere leven vanuit Dao. Toch valt op dat de dichter ook niet in die tegenovergestelde visie vast blijft zitten.
Eerst schetst hij de dwaze zelfbedachte onderscheiden waarin die andere mensen zich verstrikken; hij maakt ze belachelijk en noemt ze klunzig. Dan geeft hij kort zijn eigen mentale instelling weer: zonder verlangen, innerlijk stil; in plaats van zich vooral in uiterlijkheden te verheugen. Ten slotte stelt hij tegenover een aantal van de houdingen van de meeste mensen zijn eigen houding die in de ogen van die anderen dom en klunzig is, maar die hij opmerkelijk uit laat lopen op de onderbouwing van zijn houding: hij vereert de voedende Moeder. Zonder aan te geven of hij daarmee een “tegengestelde” houding bedoelt of de overbrugging of overstijging ervan. Is er een heldere definitie van de ideale opvatting of houding te geven of gaat het er om ons niet in definities vast te leggen en open te staan voor de voeding van de Moeder? En waar staat die openheid ofwel verering voor?
Hoe echt durf ik door het leven te gaan? Wat koop ik voor onechtheid, ook als het vertrouwd en veilig lijkt? Is de werkelijkheid echt zo veilig en vertrouwd als wij hopen of als wijzelf en anderen ons voorspiegelen? Wie daarentegen haar tegenstellingen accepteert zoals ze zijn en zich voordoen, dus wie openheid praktiseert, alleen die heeft kans echt met de werkelijkheid in diep contact te blijven. Niet als het buiten jou gelegen ideaal, maar zoals je bent en durft en wilt zijn in de omstandigheden die nu zo zijn.
Betekent dit dat we het (Confucianistische maar ook modern-Westerse) ideaal van “leren” als thuis raken in diverse vakken en beroepen op moeten geven? Nee, het hier afgewezen leren is dat wat van het geleerde en de toepassing ervan een pretentie maakt die de lerende uit zijn ontvankelijkheid en openheid voor iedere nieuwe situatie haalt. Of erger, die de ene mens – uiteraard zonder grond – boven de andere verheft in waardigheid. Er is dus iets heel waardevols in de onnozelheid en openheid die de auteur hier naar voren brengt. Iets dat “niet geleerde” mensen vaak nog hebben; gelukkig ook gewone geleerden die hun ervaring en kennis in een beroep uitoefenen dat de samenleving waarneembaar maar zonder op te vallen dient.
Het slot van dit hoofdstuk toont wat de grond van de dichter is. Niet als uiterlijke kennis, maar als verwijzing naar wat voor hem de diepst mogelijke werkelijkheid is – die tegelijk alles (alle mogelijke ervaringen, ook de tijdelijk niet meer of nog niet bekende) omvat. Woorden schieten per definitie tekort, maar omdat hij dat er bij zegt, wijst hij op wat buiten de woorden is en te ervaren valt. Dat vraagt dan wel om een houding die daar bij past, die zich niet bij voorbaat heeft vastgelegd op alle bestaande “fijne onderscheidingen”. Maar open staat voor alles wat zich in iedere nieuwe situatie aandient.
Dat kan als pretentieus opgevat worden. Dat hoeft echter niet. Want wie de uitdaging aangaat, ervaart dat iedere nieuwe situatie ook nieuwe ervaringen en inzichten biedt. Maar zonder daar een pretentie van te maken! En wie zijn pretenties aflegt, heeft ook geen reden om zichzelf daaraan te meten en zichzelf te veroordelen voor het daaraan niet voldoen. Gewoon open en aanwezig zijn en je gewone best doen is al genoeg, en zo de Moeder te vereren die alles voedt.
Dit hoofdstuk heeft het “ik” van de schrijver als onderwerp. Dat wil niet zeggen dat het ik in de Daodejing los gezien wordt van zijn omgeving: in hs 22 komt juist het ik in zijn omgeving al weer aan de orde.

Vgl. 15, 18 R, 9, 48 W, 1, 25, 52, 59 Ch.

21

De grote innerlijke kracht volgt in zijn manifestatie enkel Dao.
De wijze waarop Dao zich manifesteert, is vaag en nevelig.
Hoe vaag en nevelig ook, toch liggen de gestalten er in.
Hoe nevelig en vaag ook, toch liggen de essenties er in.
Hoe diep verscholen en duister ook, toch liggen de kiemen er in.
Deze kiemen zijn uitermate echt, er zit groeikracht in.
Van nu tot heel vroeger verdwijnen hun namen niet,
Zodat we het oerbegin van alle dingen gewaar worden.
Waardoor ken ik de gestalte van de Vader van al het bestaande?
Hierdoor!

Parafrase: De vormende innerlijke krachten (De) volgen alleen de Weg (Dao), waarvan het wezen chaos is maar dat altijd oervormen voortbrengt. In het duister vormen zich kiemen, die tot verschijnselen uitgroeien, wier achtereenvolgende namen bekend bleven. Hoe? Door dit hier.

Machthebbers beroepen zich graag op geleerdheid. De werkelijkheid wordt echter voortdurend in nieuwe vormen gevormd. Van dat proces vangen we signalen op door goed waar te nemen: onszelf en onze omgeving (vice versa). Niet vasthouden aan oude begrippen (ook al kunnen die soms een eindje op weg helpen) maar aanwezig zijn en open staan voor wat zich aandient (en daar wijs mee pogen om te gaan, inclusief het gebruik van wat langer blijvende – min of meer (!) bestendige – zaken).
Werd in het vorige hoofdstuk de voedende Moeder vereerd, hier wordt verteld dat de gestalte van de (oer-)Vader zichtbaar is via, dat wil zeggen ‘in’ de actuele verschijnselen. Daarmee is evenals elders ook gezegd dat we de (oer-)Moeder en de (oer-)Vader niet daarbuiten hoeven te zoeken. Onze weg tot Hen is hierdoor!

22

“Gebrekkig wordt gaaf;
Krom wordt recht;
Hol wordt vol;
Versleten wordt nieuw;
Weinig krijgt aanvulling;
Veel raakt in de war.”
Daarom omarmt de wijze het ene,
En wordt het model voor de wereld.
Hij laat zich niet zien en daarom is hij een helder licht.
Hij rechtvaardigt zich niet en daarom blinkt hij uit.
Hij schept niet op en daarom is hij verdienstelijk.
Hij is niet trots op zichzelf en daarom houdt hij het lang vol.
Juist omdat hij niet wedijvert, kan niemand in de wereld met hem wedijveren.

Wat in de oudheid gezegd werd “Gebrekkig wordt gaaf”: zijn dat slechts lege woorden?
Aan wie ze werkelijk volgt zal gaafheid toebehoren!

Wie rechtzinnig (van welke overtuiging dan ook) is opgevoed, zou gewend kunnen zijn geraakt aan de opvatting dat als zij of hij doet wat het “beste” is ofwel wat “officieel hoort” en zich vooral uiterlijk schikt naar de heersende moraal, wel op haar of zijn lauweren kan rusten en afwachten hoe dat uitpakt. Maar in dit hoofdstuk 22 staat iets van fundamentelere betekenis. Juist wie zich als persoon niet op de voorgrond plaatst, heeft kans aan het proces bij te dragen. En dat kan alleen, door jezelf te beschouwen in de context van al het andere en alle anderen. Alleen daar wordt je al bescheiden van. Wij zijn er niet om mee te doen aan een race naar de top maar om in alle bescheidenheid een bijdrage te vormen van het evenwichtige proces van het geheel. (Af)wisseling tussen top en bodem is de natuur eigen, net als tussen alle andere eigenschappen. Zij het niet alleen volgens altijd gelijkblijvende patronen en niet voor alle wisselingen tegelijk of even snel. Jezelf beschouwen in de context van alle andere, eveneens veranderende omstandigheden, is meer dan enkele bestaande groepsopvattingen of bekende regels volgen. Welke aandacht daarvoor nodig is, hoe die vindbaar is en waartoe die kan leiden, vormen het onderwerp van de Daodejing.

23

Weinig woorden gebruiken is natuurlijk.
Daarom: een orkaan duurt niet een hele morgen,
En een stortregen duurt niet de hele dag.
Wie veroorzaakt ze: hemel en aarde.
Als zelfs hemel en aarde ze niet lang kunnen laten duren,
Hoeveel te minder dan de mens?
Daarom: wie zich vereenzelvigt met de Weg, met hem zal de Weg zich verenigen,
En wie de Deugd volgt, met hem zal de Deugd zich verenigen;
En wie zich met verlies vereenzelvigt,
Verlies zal hem eveneens verwelkomen.
Wanneer het vertrouwen niet voldoende is,
Zal ook geen vertrouwen gegeven worden.

De tekst lijkt ook ruimte te bieden aan de gedachte dat de Weg (Dao) iets is waar je naar kunt streven, wat de vraag oproept of dat ideaal dan zo natuurlijk is als elders naar voren gebracht wordt. Hoe dan ook worden we een met dat waaraan we ons wijden (De): winst of verlies. Waarbij we de duur van onze ‘grip’ – en het nut van veel woorden – in geen geval hoeven te overschatten! Het woord ‘deugd’ kan ook ‘winnen’ of ‘krijgen’ betekenen, en dan gaat het hier – wellicht tegelijk! – ook om de constatering dat de Weg volgen ook verlies kan inhouden. Dat is een heel realistische bewering. Inclusief het tegenovergestelde. Dit hoofdstuk raakt precies aan het dilemma van het beginnen vanuit Dao en ook na (en dus in) het vandaaruit stappen zetten steeds opnieuw beginnen enzovoort. Het begin is er altijd; de weg wordt altijd gegaan. Hoe bewust? Vertrouwen is fundamenteler dan woorden. En als gevaar gesignaleerd wordt, telt dat ook.

24

Wie hoog van de toren blaast, staat niet stevig.
Wie wijdbeens loopt, komt niet vooruit.
Wie met zich te koop loopt, is geen lichtende figuur.
Wie opschept, krijgt geen eer.
Wie zich gewichtig acht, zal zich niet lang handhaven.
Vanuit Dao gezien komt dit neer op “overtollig voedsel en overbodig gedoe”.
Daar hebben heel wat mensen een afkeer van,
En wie zich toeleggen op Dao houden zich er verre van.

Verlang niet groter te zijn dan je bent, forceer noch anderen noch jezelf; dat werkt tegen je. Wie Dao volgen, houden zich niet bezig met het overbodige.
Hoe poëtisch de tekst ook is in het Chinees, de kracht ervan is niet alleen de schoonheid (die er zeker is) maar allereerst het ideaal van het natuurlijke. En bij het natuurlijke hoort erkennen wat is en kan (en wat gevaarlijk is en niet kan), en zo bescheiden onze vanzelfsprekende weg gaan. Past onze consumptie- en productiemaatschappij daar nog bij? Wanneer schieten reclame en eenzijdig nieuws aan hun doel voorbij? Laten we tegelijk niet vergeten dat er meer is dan wat we kunnen beredeneren, verwoorden, berekenen: we zijn verbonden met ‘alles’. Ooit kwamen we in deze concrete wereld en ooit zullen we haar weer verlaten, als deel van een groter geheel van komen en gaan. Dat mag ook in ons gewone gedrag doorklinken.

25

Er is een ding, nevelachtig en alomvattend,
Ontstaan nog vóór hemel en aarde geboren waren;
Stil en leeg, op zichzelf staand en niet veranderlijk,
Ronddraaiend zonder uitgeput te raken;
Te beschouwen als de Moeder van alle dingen.
De naam ervan weet ik niet;
Om er een woord aan te hechten zeg ik Dao.
Gedwongen er een naam aan te geven zeg ik “groot”,
Groot dat wil zeggen “stromen”,
Stromen dat houdt in: “ver”,
Ver dat houdt in: terugkeren naar de wortel.

Daarom: Dao is groot,
De hemel is groot,
De aarde is groot,
Ook de koning is groot.
In het universum zijn vier groten en de koning is er een van.

De mens neemt de aarde als model,
De aarde de hemel,
De hemel Dao,
Dao het “vanuit-zichzelf-zo”.

Parafrase: Vóór hemel en aarde (waar de mens en alles uit ontstonden) was er oer-chaos, dat zou je de moeder van alle dingen kunnen noemen. Alle dingen en hun verhoudingen komen er uit voort, een voorbeeld (model) nemend aan elkaar.
Ik noem het Dao, bij alle veranderingen neemt het een voorbeeld aan zichzelf.

Opnieuw het beeld van de eindeloze wording uit een begin, en dito terugkeer: in “wat vanuit zichzelf zo is”. Die wording en terugkeer gelden ook voor onszelf; zij omvatten het grootste (en meest grootse) maar zijn tegelijk buitengewoon rustgevend want vertrouwd, ook in het kleine en het particuliere die er niet minder deel van uitmaken. Wat niet wil zeggen dat we niet onze visie en onze kennis op natuurlijke wijze mogen scherpen en verruimen, maar wel dat proportionaliteit en het besef van de voortdurende veranderingen van alles in zijn context belangrijker zijn. Inclusief de concretisering in vormen en het oplossen daarvan: permanente ontplooiing en terugkeer naar de wortel en zo voort, in steeds nieuwe verschijningsvormen. Wij hebben geen woord voor “permanente verandering” want voor ons verstand lijkt dat een contradictie. Die contradictie is er echter in werkelijkheid niet: ons verstand hoeft het niet bij voorbaat of achteraf helemaal te be-grijpen! “De” werkelijkheid bestaat uit het eindeloos voortkomen vanuit en terugkeren naar een onnoembaar “beginpunt” of “nulpunt” dat voor ons verstand niet vast te grijpen is en misschien zelf ook “beweegt” ten opzichte van die werkelijkheid die er uit voortkomt en naar terugkeert. Maar dit meetpunt hoeft niet absoluut vast te liggen anders dan dat we het bestaan ervan “aannemen”. Zodra we het ergens op vastprikken, zetten wij ons hele bewustzijn, dus onszelf, aan die aanname vast. Terwijl “de” werkelijkheid ondertussen gewoon “vanuit zichzelf zo” is en gaat.
Oude beelden hierbij zijn onder meer in China het (bewegende!) yin-yangteken in zijn diverse fases en variaties; en in het Westen onder meer het beeld van de raderen die om een as draaien met een holle naaf. De kracht ervan schuilt in de combinatie van dynamiek en rust, evolutie en involutie. De beelden zijn geen “kloppende theorieën” maar “illustraties die hints geven”.

Vgl. 14, 16, 28, 40, 52 Ch.

26

Het zware is de wortel van het lichte,
Het kalme is de meester van het ondoordachte.
Daarom reist de wijze de hele dag
Dicht bij zijn bagagewagen.
Alleen wanneer hij binnen een ommuurde herberg is,
Reikt hij uit boven zijn zorgen.
Hoe kan een heerser over tienduizend strijdwagens
Zijn persoon lichtvaardiger behandelen dan het hele land?
Als je aan jezelf voorbijgaat, verlies je je wortel;
Als je opgewonden raakt, verlies je je troon.

Parafrase: De zware basis draagt de lichte bovenbouw. De rust van binnen houdt het evenwicht in de omgeving in stand; ofwel de rust aan de top stuurt de drukte aan de basis. Dus vermijdt de toonaangevende mens extraverte lichtzinnigheid en onrustige gejaagdheid.

Verantwoord leven is niet alleen het uiterste uiterlijke rendement halen uit jezelf en alles om je heen. Ook al nodigt de verleiding je uit om overal aan mee te doen en je winst te halen, zonder innerlijk evenwicht komt geen heelheid tot stand. Dat geldt te zwaarder naar mate je meer sociale verantwoordelijkheid hebt. Voor Lao Zi en Zhuang Zi betekende dit het voorrang geven aan innerlijk evenwicht en lichamelijke gezondheid boven het aanvaarden van – zelfs de eervolste – functies. Reden om in de spiegel te kijken: hoe evenwichtig durf ik zijn, dat wil zeggen: de natuurlijke, vanzelfsprekende weg volgen en me niet te buiten gaan (innerlijk én uiterlijk)? Hoe vind ik de aandacht die Dao volgt? Door bij mijzelf en de dingen te blijven en hun natuur te volgen (“vanuit-zich-zelf-zo”).

27

Wie goed is in het gaan, laat geen sporen achter.
Wie goed is in het spreken, doet dat zonder fouten.
Wie goed is in het rekenen, maakt geen gebruik van telramen.
Wie goed is in het afsluiten, heeft geen grendel of slot nodig: wat hij afsluit kan niet meer open.
Wie goed is in het vastbinden, heeft geen touw of koorden nodig: wat hij vastbindt, kan niet meer los.

Om deze reden zijn de wijze mensen voortdurend goed in het redden van mensen en wijzen zij nooit iemand af,
zijn zij voortdurend goed in het behouden van wat waardevol is in dingen en wordt nooit iets verworpen.
Dit heet: het licht (van de natuur) volgen.
Om deze reden is een bekwaam mens altijd de leermeester van het goede,
En levert een onbekwaam mens de grondstof voor het goede.

Zijn leermeester niet hoogachten, zijn grondstof niet beminnen:
Hoe intelligent iemand dan ook moge wezen, hij is grotelijks verblind.
Dit heet de essentie, het diepe mysterie.

Parafrase: Wie op natuurlijke wijze goed is in iets, laat geen sporen na, want is er niet aan gehecht en wil niet schitteren. Daarom is de wijze mens altijd goed in het helpen van anderen, zodat ze zich naar hun aard kunnen ontwikkelen. Dat heet het licht volgen. Daarom is de goede mens de leraar die anderen goed maakt en de slechte mens daarvoor de ruwe grondstof. Dwaas is wie zijn leraar niet hoogacht en zijn grondstof niet bemint. Dat heet de essentie.

Hoezeer ik ook geneigd ben in deze tekst te lezen dat er een eigenschap is die mensen ‘verlicht’ doet zijn, als die eigenschap niet allereerst openstaan en luisteren inhoudt (inclusief het ruimte laten voor de eigen opvattingen en ontwikkeling van alle mensen en dingen), dan ben ik kennelijk nog heel beperkt en leg ik mijn zogenaamde inzicht aan die anderen op. Wie Dao volgt, werkt vooral door allereerst goed waar te nemen, open en zorgvuldig, stelt zich niet op de voorgrond en is dus min of meer onopvallend. Hoe leer je dat licht volgen? Door niet af te wijzen, dat is: door voortdurend open te staan. Niet als eigenschap die je verworven hebt maar als gave die je ieder moment opnieuw bereid bent te … ontvangen (!). Kortom: het proces van ‘verlichting’ omvat het inclusief worden van het bewustzijn. Dat wordt ook wel het alomvattende bewustzijn genoemd, met dien verstande dat zo’n begripsmatige definitie dat nooit (helemaal) kan omvatten (omdat die altijd een grens aangeven terwijl het alomvattende ook alle grenzen in zich omvat; anders gezegd: omdat de definitie dan ook zichzelf zou moeten omvatten).

28

Zich zijn mannelijke zijde bewust zijn, zijn vrouwelijke zijde bewaren,
Dat is het rivierdal van de hele wereld zijn:
Wanneer je het rivierdal van de hele wereld bent, dan zal je innerlijke kracht altijd werkzaam zijn
En keer je terug tot de staat van pasgeboren zuigeling.

Wanneer je besef hebt van het witte in je, en het donkere in je vasthoudt,
Dan ben je het rivierdal van de hele wereld.
Wanneer je zo het rivierdal van de hele wereld bent,
Zal je innerlijke kracht niet falen.
Zo iemand keert terug naar de toestand zonder beperkingen.

Wanneer je besef hebt van het eervolle in je, en het smadelijke in je vasthoudt,
Dat is het rivierdal van de hele wereld zijn.
Wanneer je het rivierdal van de hele wereld bent,
Zal je innerlijke kracht compleet zijn
En zul je terugkeren naar de toestand van onbewerkt hout.

Als onbewerkt hout in stukken wordt gesplitst, dan worden er concrete voorwerpen van gemaakt.
Als je de wijze zo hanteert, wordt het een hoofdambtenaar!
Een sublieme regering houdt voeling met het geheel.

Parafrase: Van zijn mannelijke element besef hebben, en zijn vrouwelijke element koesteren, dat is als het rivierdal van de hele wereld. Alle tegendelen of complementariteiten erkennen en hun plaats gunnen: evenwicht in beweging. Wie van het natuurlijke, ongekunstelde, gave, uitgaat terwijl zij of hij zich bewust is van tegengestelde mogelijkheden, is gereed om zijn taak aan te vatten.

Het rivierdal van de hele wereld is het voor Lao Zi belangrijke voorbeeld voor de hele wereld van evenwicht in beweging. Lao Zi nodigt ons via de taal uit om zo open in het leven te staan – naar alle zijden en in alle opzichten – dat we ons (opnieuw of voor het eerst) bewust worden van de grote kracht die het natuurlijke, onbevangene, onpretentieuze heeft. Hij zegt dus niet dat het middel van de taal of de kennis per definitie tekort schiet maar dat elk middel (ook kennis of taal) zijn doel voorbij schiet als het niet meer geankerd is in zijn natuurlijke grond, en tot schade van alles en allen pretenties koestert die het uit die grond vandaan halen. Of die verbinding er is en in de ervaring van permanente veranderingen functioneert, is de uitdaging. Ik leen hier graag enkele kernachtige woorden van mijn neef Boudewijn DenJzn* bij dit hoofdstuk: “In het kennen van het ene en het vasthouden van het andere komen we tot ons volledige potentieel.”
Dit rijke hoofdstuk veronderstelt de oud-Chinese opvatting als bekend dat het (harde en dynamische) mannelijke hoog en het (zachte en rustige) vrouwelijke laag in aanzien staat. Lao Zi’s visie is dat het mannelijke als het ware gedragen wordt door het vrouwelijke waaraan hij de voorkeur geeft. Het zachte wordt de dragende grond van het dynamische, de basis die het mannelijke pas mogelijk maakt. Ofwel het dynamische in de natuur is een functie van de rust. Psychisch gezien is het vanuit de stilte, de concentratie, de rust, het zachte, dat je creativiteit pas gaat stromen. Zodat de bron tot een krachtige stroom wordt. De kracht van het zachte komt terug in de hoofdstukken 43 en 76.
* Met hem wisselde ik over een groot aantal hoofdstukken teksten en gedachten uit via email. Voor mij is hij ook na zijn overlijden in 2019 nauw met de betekenis van de Daodejing-tekst verbonden.

Vgl. 6, 32, 39, 61 AH.

29

Als iemand de hele wereld in zijn macht zou willen krijgen en daarop actie zou nemen,
Dan zien wij diegene eenvoudigweg niet slagen.
De wereld is een heilig offervat
Waarop je geen actie kunt uitvoeren,
Waaraan je je niet vast kunt klampen.
Wie daarop actie uitvoert, faalt erin,
Wie daaraan vasthoudt, verliest het.
Daarom is het zo:
Sommigen gaan voorop, anderen volgen,
Sommigen blazen om op te warmen, anderen blazen om af te koelen,
Sommigen zijn hecht en sterk, anderen zijn neergeslagen en zwak.
Om deze reden verwerpt de wijze mens het gewelddadig afdwingen, verwerpt het overdrijven, verwerpt het buitensporige.

“De natuur volgen” houdt ook in: eenvoudige en belangrijke zaken niet onnatuurlijk op het spel te zetten. En welke dat zijn is allereerst oog krijgen voor de natuurlijke evenwichten in de directe omgeving. Beslist niet allereerst een zaak van ervoor gestudeerd hebben, al kan het oog krijgen voor die natuurlijke evenwichten door opleiding gestimuleerd zijn. Sluiten de moderne industrialisatie en automatisering – of het nu innerlijke of uiterlijke processen zijn – meer aan bij het volgen van natuurlijke evenwichten of tasten zij die juist vaak aan? Daarom is openheid ofwel afstemming de eerste deugd. Hoe (niet) te handelen volgt daar vanzelf uit.

30

Zij die de vorst met Dao bijstaan,
Zullen niet met wapens dwang uitoefenen op de wereld.
Die handelwijze leidt gemakkelijk tot vergelding.
Waar een groot leger gehuisvest was, groeien slechts wilde struiken.
Na het optreden van grote legers volgt noodzakelijkerwijze een rampjaar.
De bedrevene bereikt zijn resultaat en stopt dan;
Hij waagt het niet om tot geweld over te gaan.
Hij bereikt zijn resultaat maar is er niet trots op.
Hij bereikt zijn resultaat maar pocht er niet op.
Hij bereikt zijn resultaat maar is niet verwaand.
Hij bereikt zijn resultaat maar slechts als onvermijdelijke stap.
Hij bereikt zijn resultaat maar zonder geweld te gebruiken.

Dingen op hun hoogtepunt blijven houden, terwijl ze oud worden,
Dit heet: niet in overeenstemming met Dao.
Niet in overeenstemming met Dao: een ontijdig einde.

Parafrase: Wie de leiders dienen met Dao, bewerken dat er geen wapens tegen de wereld gebruikt worden. Dat verkeert gauw in zijn tegendeel. Grote legers laten verwoeste velden na. Doe je best en laat het daarbij, zonder pochen of pretenties. Forceer niets, anders is het gauw over. Kortom: ga niet tegen de ontwikkelingen in maar houd oog voor de natuurlijke balans.

Dit hoofdstuk is een van de oudste teksten met kritiek op de gevolgen van oorlog met grote legers. Het is dus niet zo dat je deze tekst vooral als individuele richtlijn zou moeten lezen. Toch zit die er ook in. Hoe vaak is het me niet overkomen, dat iets dat me goed lukte en ik me daarmee publiekelijk vereenzelvigde, of dat iets me niet lukte en ik in de slachtofferrol kroop. Zo maakte ik mezelf volgende bijdragen veel moeilijker. Het ging en gaat immers om die bijdrage, toen of nu, niet om mij. Ik hoef alleen maar te doen wat mijn hand vindt om te doen, en daarbij mijn (on)mogelijkheden te erkennen: planning heeft een zekere waarde maar die is altijd betrekkelijk. Pas op voor bewapening en dogma’s en het daarmee betrekken van stellingen! Het is wellicht goed om daaraan toe te voegen dat in tijden van verwarring het bieden van overzicht aan alle betrokkenen een belangrijke voorwaarde kan zijn om het evenwicht te bewaren. Evenwicht – ook in publieke informatievoorziening – is in die zin een zowel individuele als collectieve verantwoordelijkheid.

31

Wapens: onheilspellende werktuigen zijn het.
Heel wat mensen haten ze.
Daarom houden zij die in harmonie zijn met de Weg,
zich er niet mee bezig.

Als de vorst thuis is, eert hij* de linkerkant
En als hij de wapens opneemt** eert hij de rechterkant.
Wapens als onheilspellende werktuigen zijn niet de instrumenten van de vorst.
Als je echt geen andere keus hebt dan ze te gebruiken,
Beschouw dan het kalme en zachtaardige als het hoogste.
Maar verheerlijk ze niet, want ze verheerlijken is vreugde scheppen in het doden van mensen.
Welnu, wie genoegen scheppen in het doden van mensen
zullen echt nooit slagen in hun ambitie om de hele wereld te besturen!

Daarom is in tijden van geluk de ereplaats links;
En is in tijden van rampspoed de ereplaats rechts.
Daarom staat de onderbevelhebber links,
En staat de opperbevelhebber rechts;
Net zoals dat bij rouwriten gaat.

Wanneer er heel veel mensen omgekomen zijn,
Beween ze dan met verdriet in rouw.
Als je de oorlog wint, laat dan een rouwdienst houden.

* Zie de uitleg in de volgende alinea. In China werd rangorde aangegeven door de plaatsing aan linker- of rechterzijde.
** Ofwel: ten strijde trekt.

Parafrase: Wie met Dao in harmonie zijn, houden zich niet met wapens bezig. Ontkom je er niet aan, gebruik ze dan met mildheid en kalmte. Generaals horen alleen in oorlogstijd vooraan te staan, beween na een oorlog de slachtoffers en houd na een overwinning een rouwritueel.

Dit hoofdstuk sluit direct aan bij het vorige. Een prachtig voorbeeld van inclusief denken! De reden om niet op te vallen is niet omdat aandacht krijgen op zichzelf moreel verwerpelijk zou zijn; opvallen ofwel aandacht vragen is minder waardevol omdat de aandacht afgeleid wordt van de situatie waarin men verkeert en die nu eenmaal voor iedereen en alles belangrijk is, (te weten) meer dan alleen voor de waarnemende en handelende persoon zelf.

32

Dao is permanent naamloos en ongekunsteld.
Hoewel onopvallend, kan niemand in de wereld Dao onderwerpen.
Als vorsten en edelen Dao konden respecteren, dan
Zou iedereen en alles zich spontaan aan hen aanpassen,
Zouden hemel en aarde zich met elkaar verenigen zodat zoete dauw neerdaalde,
En die zou, zonder dat iemand van de mensen haar daartoe opdracht gaf, vanzelf in balans zijn.

Vanaf het moment dat er systemen geschapen worden, zijn er namen.
Zo gauw er echter namen zijn, moet je ook weten te stoppen.
Als je op tijd weet te stoppen dan zul je niet in gevaar verkeren.

Ter vergelijking: Dao’s positie in de hele wereld
Is zoals de positie van valleibeekjes tot rivieren en de zee.

Parafrase: Dao valt niet op maar niemand kan het overwinnen. Als een vorst Dao kon bewaren, schikte alles zich vanzelf, regende het dauw en waren de mensen in balans. Een systeem beginnen is namen scheppen, er op tijd mee stoppen voorkomt gevaar. Dao is in de wereld zoals een valleibeekje in verhouding tot rivieren en de zee.

De laatste regel wordt ook omgekeerd vertaald: zoals rivieren en oceaan tot een valleibeekje. Ik denk dat het bovenstaande beter de bedoeling weergeeft; in de praktijk hebben we immers zowel te maken met de ‘kleine’ wereld om ons heen die we als eerste waarnemen als met de ‘grote’ wereld die oneindig en alomvattend is. Er is dus geen sprake van een absolute tegenstelling, verre daarvan! Het gaat permanent om verhoudingen (en daarvoor heb je uiteindelijk alle partners nodig). Ook de andere beelden in dit hoofdstuk zijn veelomvattend: alles schikt zich waar Dao mag heersen. En Dao wordt voorgesteld als het meest onopvallende, vanzelfsprekende, natuurlijke! Daar zwijg ik bij.
Zhuang Zi 14:V heeft deze prachtige toelichting op het gebruik van namen (uit: Kr. Schipper, Zhuang Zi, de volledige geschriften, Amsterdam/Antwerpen 2007):
“Namen zijn een algemeen werktuig dat je niet teveel moet gebruiken. Medemenselijkheid en gerechtigheid waren voor de heersers van weleer als herbergen waar je een avond kon overnachten, maar niet lang in kon verblijven, want hoe meer je van deze deugden gebruik maakt, des te meer de mensen er tegen zondigen.
De allerhoogste mensen uit de oudheid maakten soms gebruik van de weg van de medemenselijkheid en bivakkeerden soms in de herberg van de gerechtigheid, om daarop te gaan zwerven op de heuvel der vrijheid, zich te voeden van de akker van de eenvoud, zich te vestigen in de tuin van de schuldeloosheid.
Vrijheid is niets doen. Eenvoud is simpele voeding. Onschuldigheid is niets te hoeven opbrengen. De ouden noemden dit: ‘rondzwerven om het ware te plukken’.”

33

Wie anderen kent is goed op de hoogte;
Wie zichzelf kent, is verlicht.
Wie anderen overwint, bezit kracht;
Wie zichzelf overwint, is sterk.
Wie weet van genoeg, is rijk.

Wie krachtig handelt, heeft wil.
Wie zijn plaats niet verliest, houdt het lang vol.

Wie sterft maar niet vergeten wordt, leeft lang.

Zie ook hoofdstuk 19: intelligentie mag geen afweermiddel zijn om zich tegen anderen af te zetten, dan levert het onnatuurlijkheid op. Hier wordt duidelijk dat zelfkennis belangrijker is maar naar buiten gerichte kennis ook een rol heeft, zij het een van geringere waarde: gerelateerd aan haar positie onder zelfkennis (die respect voor al het andere omvat, dat al dan niet scherp gekend wordt). Ook hier wordt duidelijk dat innerlijk meebuigen een hoge waarde is, zo niet de hoogste. Ofwel: wie van een onderscheid of verschil een onverbeterlijke waarheid of richtlijn maakt, verliest de verbinding. Echt leren wordt dan meer iets van open staan en mee bewegen. We hebben in de hss 30 en 31 net gehoord (gelezen) dat wapens hanteren in ditzelfde perspectief gezien kan worden; ook opvattingen, kennis en zelfkennis, zijn zowel waardevolle middelen (in uitzonderingssituaties) als elementen van de natuur die (uit zichzelf, zonder onze hantering met macht) in harmonie kunnen zijn. Dat is een nogal andere opvatting van kennis (en waarheid) dan die van wetenschappelijke kennis in de moderne (en reeds in de aristotelische) wetenschappen en dan die van dogmatische kennis in sommige culturele tradities (van recht tot religie, het sterkst waar zij aan instituties gebonden is). Voor ons westerlingen betekent dit wellicht het subversieve in sommige eigen tradities weer te leren kennen: dat subversieve biedt perspectief op wat hier het natuurlijke heet (en vice versa?). Boeiend is verder dat dit ook het sterven omvat dat voor alle verschijnselen (in hun vele verschillende vormen) een rol speelt, ofwel de vergankelijkheid van alles. Waarin niettemin Dao altijd verborgen of openlijk aanwezig is. Het “lang duren” kan in theorie ook bestaan in het overgaan op andere bestaansvormen, plaats inruimen waardoor anderen kunnen groeien. De voorstelling van het niet vergeten worden is daarvan een prachtige variant.

Vgl. 46 AH.

34

Hoe stroomt Dao!
Het kan naar links en naar rechts!
Alle verschijnselen zijn ervan afhankelijk voor hun leven,
Dao laat ze niet in de steek.
Het voltooit zijn werken
Maar eigent zich die niet toe.
Het kleedt en voedt alle verschijnselen
Maar fungeert niet als hun meester – het is altijd zonder verlangen –:
Het kan genoemd worden bij het kleine.
Alle verschijnselen gaan er op terug
Maar het fungeert niet als hun meester:
Het kan genoemd worden bij het grote.
Juist doordat het zich van begin tot eind niet voordoet als groot
Daarom juist kan het het grote voltooien.

Parafrase: Het grote Dao is krachtig werkzaam naar alle kanten – door vanuit het verborgene te werken. Het voltooit zijn werk maar eigent zich dat niet toe, noem het klein. Alle dingen krijgen er hun bestemming door, noem het groot. Juist omdat het zich niet groot voordoet, kan het het grote voltooien.

Spreekt helemaal voor zichzelf, hoop ik. Toch voeg ik graag een citaat toe uit een artikel van René Ransdorp, uit zijn context gehaald (hij geeft door overdrijving aan dat het in het taoïsme niet om – in onze cultuur wellicht eerder – loze woorden gaat): “Een taoïstische leraar dient zijn gehoor te vragen of hij wel vaag genoeg is”. Met andere woorden: ook de woorden of spreuken van de Daodejing zijn geen waarheden om mensen mee om de oren te slaan, maar om ze te laten gebeuren in (de grote context, te weten) alles, inclusief het gedrag van degene die spreekt. Dat is niet wat ik vroeger leerde, dat was namelijk “voor je waarheid staan” door die altijd duidelijk in woorden (en bijbehorend gedrag) naar voren brengen, bijna alsof dat altijd in rationele termen mogelijk is (en onafhankelijk van de vraag of dat de meest geschikte gedragsvorm was in de situatie). Terwijl hier geleerd wordt: laat de waarheid uit zichzelf groeien, door zonder grootspraak de natuur te volgen en te doen wat daarbij past. Hoe? Door openheid voor alles, inclusief “zich” zelf. En door op die wijze terughoudend te zijn in handelen, wat ruimte biedt voor behoedzaamheid en erkenning van het opbloeiende en het voorbijgaande.

Vgl. 63 Ch.

35

Vasthouden aan de “grote vorm”:
De hele wereld zal volgen.
Volgend zal zij geen schade oplopen,
Alleen rust, vrede en kalmte.

Muziek en lekkernijen doen voorbijgangers stoppen.
Als Dao uit de mond komt, is het mild: hoe weinig smaak heeft het!

Je kijkt er naar maar kunt het niet zien,
Je luistert er naar maar kunt het niet horen.
Nuttig je het, blijkt het onuitputtelijk.

Parafrase: Houd vast aan het grote beeld* (Dao) en de wereld volgt zonder schade, zodat er rust en kalmte is. Opvallende muziek en lekkernijen doen de voorbijgaande gasten stoppen – wat daarentegen uit de mond van Dao komt: hoe licht van smaak! Je kijkt ernaar, maar kunt het niet zien; je luistert ernaar, maar kunt het niet horen; toch: als je het gebruikt blijkt het onuitputtelijk.

* Het woord ‘beeld’ of ‘vorm’ toegepast op Dao komt ook voor in de hss 14, 21 en 41 D, 41 Ch. De eerste vier regels zijn waarschijnlijk een oud liedje.

Wat vertoont de opvoeding in Europa in de ‘moderne tijd’ (de laatste vier eeuwen) met onder meer haar ‘zwarte pedagogiek’ (wie niet wil, moet maar voelen; ofwel dreigen en forceren als eerste opvoedingsregel) toch een wonderlijke tegenstelling met de natuurlijke ‘opvoeding’ volgens Lao Zi.
In beide gevallen is het goed waarnemen centraal (zodat gehoorzaamd dan wel gevolgd kan worden). Maar hoe vaak werd bij de zwarte pedagogiek niet bij voorbaat het dwangmiddel gebruikt? Waarop baseren wij zulk gedrag?
De Daodejing lijkt een reactie op de vernietigende legers uit de periode van ‘de strijdende staten’ in China. Ga de grenzen niet te buiten, volg gewoon de natuur, lijkt hier gezegd te worden, dan is er vrede en balans (dat geldt voor de vorst met het oog op de hele samenleving, en ook voor iedere mens in de eigen omgeving, neem ik aan; ongetwijfeld ook voor woordgebruik).

36

Wil je iets doen krimpen dan moet je het beslist eerst uitrekken.
Wil je iets verzwakken, dan moet je het beslist eerst versterken.
Wil je iets verwerpen, dan moet je er beslist eerst mee samenwerken.
Wil je iets nemen, dan moet je het beslist zeker eerst geven.

Dat heet subtiele manifestatie.
Het zachte en zwakke overwinnen het harde en sterke.

Vissen moeten het diepe water niet verlaten,
Scherpe wapens van een staat moeten niet vertoond worden.

Parafrase: Wil je iets veranderen, begin dan met het ruimte te geven. Langs deze weg overwint het zwakke het sterke subtiel en glansrijk. Vis haal je niet uit het diepste water, de scherpste wapens kun je niet aan mensen tonen.

Om dit prachtige hoofdstuk te begrijpen, kun je denken aan de cirkel met yin en yang die erin bewegen door elkaars ruimte in te nemen ofwel elkaar af te lossen waarbij (het vlak binnen) de cirkel gelijk blijft. Omkering is de beweging van Dao. Wanneer je de natuur volgt, komt (en gaat) je tijd vanzelf. Door de natuur ruimte te geven, komt de verandering een stapje dichterbij. Alles hangt met alles samen! Lao Zi geeft de voorkeur aan het zachte en zwakke boven het harde en sterke: vanwege hun verborgenheid en flexibiliteit zijn zij eigenlijk krachtiger. Bewustwording van beperkingen werkt ontgrenzend; gebruik van geweld beschadigt jezelf.
Ik wijs er op dat het genoemde symbool van de cirkel met yin en yan niet gelezen hoeft te worden als samengevatte complete waarheid over de (hele) werkelijkheid: dan zouden we van een beeld net als van taal een werkelijkheid maken die juist niet meer verandert, en dat is nu juist niet bedoeld, vergelijk de eerste regel van hs 1.
In het Westen is een belangrijke parallel voor dit geheel van ideeën, namelijk de “eenheid van de tegenstellingen (of tegendelen)”, onder andere bij Herakleitos, Cusanus, Böhme en Hegel, en hun vele bijzondere verwanten in literatuur, kunst en andere vooral op innerlijke ontwikkeling gerichte tradities. Deze parallel is net als in China meer onderstroom dan bij politiek-maatschappelijke hoofdstromen te vinden. Hoofdstromen kiezen vaker voor de ‘harde’ kant en onderstromen juist voor de ‘zachte’, zoals ook hier bij Lao ZI. Wie zich als hoofdstroom presenteert, loopt gevaar in de valkuil van het extreme te vallen: het onderdrukkende dat uiteindelijk toch ten onder gaat zonder dat laatste gezien te hebben en er rekening mee gehouden te hebben. Zelfverwerkelijking en zelfrelativering horen bij elkaar en complementeren elkaar!
Dat dit geen theoretische vragen en suggesties zijn, is juist het punt. Wie met zijn wapens paradeert, daagt gewild of niet ook uit. We leven niet in vacuüms en doen er wijs aan zowel voor het ergste en het beste oog te hebben als voor mogelijke middenwegen. Middenwegen: waarop de tegenstellingen in een zekere balans zijn. Vele hoofdstukken van de Daodejing gaan erover wat te doen als die balans verstoord dreigt te worden en nog beter hoe dat te voorkomen, zie bijvoorbeeld hs 67-69. Steeds opnieuw zoekend naar de minst schadelijke handelwijze (niet bij voorbaat als afleiding uit een ‘ware’ theorie).

Vergelijk 43 en 58 D, 43, 53, 76, 78, 30 en 22, 37 R; 1, 80, 81, 67-69.

37

Dao betracht permanent niet-handelen, en toch wordt niets niet gedaan.
Indien vorsten en koningen dit kunnen respecteren
Zullen alle verschijnselen zich uit zichzelf ontwikkelen.
Als zij zich zo zullen ontwikkelen dat er verlangens oprijzen,
Dan zal ik ze kalmeren met het ongekunstelde zonder naam.
Met het ongekunstelde zonder naam zullen ze dan ook zonder hartstochten zijn.
Door niet te begeren zullen ze kalmte bereiken.
En zo zullen alle verschijnselen uit zichzelf tot bedaren komen.

Parafrase: Dao betracht permanent het niet-handelen, toch wordt niets niet gedaan. Wie van dat beginsel uit gaat, bewerkt dat alle wezens zich vanzelf ontwikkelen. Passies kalmeren door de eenvoud van het naamloze (lees Dao). Zonder begeerte en daardoor kalm, komt de hele wereld spontaan tot zijn bestemming.

Er zijn vanuit een meer objectiverend en technisch denken nogal wat varianten te bedenken op dit uitgangspunt en de toepassing ervan. De varianten zwakken dan al gauw de kern af. Toch is er geen tegenstelling met wat de rol van ieder is zolang die die rol niet overdrijft. Wie de natuur vervangt door vaste patronen, loopt risico dat die patronen een dwangbuis worden of (allereerst mentaal) uit de hand lopen. Dat geldt dus zeker voor die ‘hand’ zelf en hoe je ernaar kijkt! Gelukkig maar dat als onze hand in de buurt van vuur komt, we hem al terug trekken voordat we ons bewust zijn dat we gevaar lopen. Des te belangrijker om ons bewuste waarnemen niet uitsluitend en zonder aandacht over ons onbewuste te laten heersen. Aandacht is de sleutel, bewust én onbewust. Opnieuw een waarschuwing om onze taal niet zonder aandacht over de werkelijkheid te laten heersen (denk aan de Confucianisten die alles graag in regels vast leggen). En ons gedrag niet allereerst vanuit een bedacht regelsysteem te laten besturen (soms kan dat uiteraard een belangrijke hulp zijn, mits beperkt en bewust, dus niet ongecontroleerd en buitenproportioneel).
Samengevat: er is geen moment waarin we Dao hoeven loslaten (en daarmee ontkennen dat Dao ons nooit loslaat). Zelfs als we onze waarneming en de conclusies daaruit ruimte geven, blijft Dao daarin altijd de grond waarop we staan en waarnaar we kunnen terugkeren. Omdat Dao altijd doorgaat als grond en weg, kan ons bewustzijn zich er aan toevertrouwen.
Daar hebben we meer aan dan aan het louter berekenen van kansen, al bestaat dat hulpmiddel en is in sommige gevallen nuttig in combinatie met waarnemingen en (deels ook eerdere) ervaringen. Onze samenleving is nu eenmaal op gedeelde taal en gedeelde afspraken gebaseerd; maar die kunnen veranderen net als de situaties en feiten die eraan ten grondslag liggen. De crux: in hoeverre zijn ons bewustzijn en ons handelen bepaald door wensen in plaats van dat we onze wensen aanpassen aan de mogelijkheden die we reëel waarnemen? Impliciet wordt klaar en duidelijk gesteld dat vorsten en koningen (en wij allemaal) er niet zijn om onze eigen wensen te verwerkelijken boven en buiten de wensen van alle verschijnselen, integendeel: precies het omgekeerde is het ideaal. Dan is er evenwicht en kan alles tot bloei komen.

Vergelijk 25, 48, 42, 32, 57, 16, 64 R.

 

 

 

 

Hoofdstuk 38-81

DE GOEDE VAART (DE)

[hier nog in te voegen de hss 38-81]

 

 

Verantwoording

Waarom geef ik aan de Daodejing de ondertitel “81 hints” mee en bijvoorbeeld niet “81 voorschriften“? Omdat die laatste aanduiding niet past bij de bedoeling van dit werk. Het vat zijn boodschap juist niet op als een afgerond aantal stellingen, uitspraken of voorschriften die je alleen maar een voor een hoeft op te volgen. De eerste vaststelling is dat wij mensen (en onze boodschappen) niet los te zien zijn van de wereld waarin wij wonen. De tweede is dat elke uitspraak daarover slechts geldt binnen een context waarbinnen de taal van die uitspraak geldt. Strikt genomen kan zelfs niets in taal voorgeschreven worden in absolute zin. Dan zet je jezelf vast in een zelfgekozen mal en elke mal schiet per definitie te kort. Want woorden (taal) schieten altijd te kort om de hele werkelijkheid te vatten op zo’n manier dat op dat moment niets niet ofwel alles wel gezegd is. Want de werkelijkheid gaat ten diepste altijd door en omvat behalve wat je met je woorden hebt afgebakend ook datgene wat je daarbuiten laat. Elke nieuwe situatie vraagt om de houding (doen of niet doen, spreken of zwijgen) die bij die unieke situatie past; ook als het een herkenbare en met eerdere situaties vergelijkbare situatie is, ook dan moet de werkelijkheid in die situatie zich opnieuw verwerkelijken, dat is tot stand komen of tot stand gebracht worden.

Niettemin zoeken we houvast om onze weg in het leven te vinden, of met een groot woord in de werkelijkheid die alles omvat (ook de dood). Hoe kun je het beste maken van het feit dat we ons nu eenmaal in die werkelijkheid bevinden? Waar is “het begin waar we steeds opnieuw kunnen beginnen”? En hoe hanteren we daarbij eerdere ervaring en kennis, als die er zijn? Kennelijk bestaat ons leven en onze werkelijkheid uit het steeds opnieuw verbindingen vinden en benoemen in steeds nieuwe taal (want beide vernieuwen zich zover wij kunnen nagaan (!) voortdurend: omdat wij ze steeds opnieuw nagaan om ze te kunnen waarnemen en erin te kunnen handelen, daarmee onze werkelijkheid voortdurend opnieuw verwerkelijkend).

Laten we hier eens dieper naar kijken. We weten dat alle groepen mensen hun onderlinge afspraken maken in hun eigen taal. Taalgebruik is zelfs iets waarmee we ons van andere groepen onderscheiden, of het nu groepen vrienden of vriendinnen, dorpen en landen naast andere dorpen en landen of nog andere onderscheiden groepen betreft. Maar hoe leer je dan vreemden te verstaan? Sommigen kiezen op dit punt in eerste instantie voor het zich terugtrekken op de eigen groepstaal, dat ligt voor de hand en lijkt het veiligst. Maar dat hoeft niet per se, en bovendien kom je altijd nieuwe verschijnselen tegen en ook de taal vernieuwt zich steeds, net als hun sprekers.

Het is ook in het Westen gebruikelijk om onze zelf gekozen mal in ere te houden. Velen denken zelfs dat de Westerse mal de beste weergave van de werkelijkheid is. In onze Westerse tradities (grofweg filosofie en theologie) hechten we veel waarde aan het zuiver formuleren van wat waar is. De moderne wetenschap heeft als stelling dat uitspraken over feiten waar zijn mits op juistheid gecontroleerd (en mits passend in de door ons als betrouwbaar veronderstelde theorieën). Daar zit echter het eerder genoemde probleem aan vast dat je dan alleen verwoordt wat je binnen jouw bestaande taal of mal kunt formuleren. En zo doe geen recht aan het bestaan van andere talen dan de je eigen huidige.  Sterker,  ook in de wetenschappen lijken we vaak een tijd lang gevangen in groepsopvattingen en -talen. Daarom zijn er ook Westerse denkers die nadenken over de grenzen van ons taalgebruik, en over communicatievormen (niet alleen woordentaal) die verbinding over de grenzen van onze groepstaal mogelijk maken.

Het boek van Lao Zi is een voorbeeld van een andere benadering, en ook nog eens een heel oude en eerbiedwaardige. De 81 korte hoofdstukjes zijn zeker in het Chinees pareltjes van dichtkunst, en tegelijk van een groot bewustzijn hoe wij niet alleen met taal om kunnen gaan, maar met de hele werkelijkheid en onszelf  als onderdeel daarvan. Belangrijk is te weten dat de Daodejing zich afzet tegen een andere oude Chinese stroming, het Confucianisme dat alle problemen te lijf wil gaan en wil oplossen door mensen te scholen in de beste kennis en de beste theorie en die dan streng toe te passen. Belangrijk is ook te weten dat de Daodejing een reactie is op een vreselijke periode in China, die van de Strijdende Staten, die onnoemelijk oorlogsleed meebracht. Het latere daoïsme verbond Lao Zi’s van het natuurlijke uitgaande en op het natuurlijke gerichte benadering sterker met geneeskundige, religieuze en andere culturele tradities – of maakte die ervan; we zien echter duidelijk dat de Daodejing een filosofische tekst is. Niet alleen de verschillende tekstregels en hoofdstukken maar ook de achterliggende gedachten en voorstellingen vormen een uiterst boeiende samenhang. Zoals bij veel goede filosofische teksten levert ook bij de Daodejing dieper erin doordringen steeds nieuwe en diepere inzichten op. En wel: over onszelf en de werkelijkheid. Waarbij een bijzonderheid is dat we er niet zijn als we de tekst intellectueel begrijpen maar dat we hem ieder moment opnieuw in praktijk kunnen en zouden dienen te brengen. Zo niet, dan verliezen we voeling met alles inclusief onszelf. Wie de Daodejing op zich laat inwerken, komt voor de vraag te staan wat we nu precies kunnen hebben aan een 81 hints die beginnen met hun eigen beperktheid aan te geven: de beperktheid van de taal. Die hint hint ook op allerlei andere beperkingen en mogelijkheden, misschien meer dan we eerst dachten. En zeker meer dan diegenen die zich al verslingerd hebben aan een bepaalde theorie of visie ofwel mal waarin alles klopt en past. Dat kan natuurlijk wel een vrij fundamentele vraag opleveren: is een weg die niet vooraf helemaal past en klopt wel begaanbaar? Of gaat het er om die vraag al doende zelf te  helpen beantwoorden door er telkens nieuwe antwoorden op te zoeken? Eén ding is zeker: zelfs als we op een gegeven ogenblik zo’n antwoord vinden, is dat een momentopname die al weer de volgende uitdaging impliceert. En dat geeft te denken …

De Daodejing bevat genoeg denkbeelden om ons door te laten inspireren. Van de lessen van René Ransdorp (zie onder) herinner ik mij onder meer dat hij na zijn uitleg en onze gesprekken erover vaak een opmerking maakte om onze daarin gewonnen inzichten vooral ook weer te relativeren: niets moest in komen te staan tussen onze openheid en de steeds veranderende werkelijkheid, steeds opnieuw bleef openheid voor die veranderingen aan te bevelen. En als het om mogelijke voorschriften voor ons gedrag ging, herhaalde hij dat het er steeds om blijft gaan niet te forceren, soepel met de dingen om te blijven gaan. Bepaald geen louter theoretische benadering dus. En een benadering die hoe zeer zij ook in voorbeelden van de Daodejing wordt gegeven, toch ieder moment openheid voor een nieuwe inhoud en vorm vragen. Inhouden en vormen die passen bij de werkelijkheid van het moment, bij die van onze altijd zich vernieuwende maar ook lerende ervaring, als deel van de zich altijd vernieuwende werkelijkheid waarvan wij op onze eigen bewuste manieren deel uitmaken. Die mal die wij ons maken, is dus maar een heel beperkte, en er open mee om leren gaan is onze persoonlijke en (met alle levende wezens en dingen) gezamenlijke weg, als onderdeel van heel de werkelijkheid.

In de Daodejing komt een beschrijving van de daoïst voor van zichzelf, die neerkomt op een wat wazige figuur die zich niet weet te verhouden tot de uitgesproken zekerheden en plezierige tradities van de massa. Daar maakte René van dat het misschien het meest ideaal zou zijn als we na zijn lessen wat waziger zouden zijn in plaats van onze standpunten als enige waarheid naar voren te brengen. Zeker in een periode en omgeving waarin veel traditionele zekerheden ter discussie staan zijn de lessen en vragen van de Daodejing waardevol om ons op onze mogelijkheden en onze inzet te bezinnen. Allereerst schade vermijden, ook dat was zo’n punt uit de Daodejing dat René vaak naar voren bracht. Daarop mag je uiteraard best bewust letten; omdat we in een omgeving leven die steeds verandert en omdat we voortdurend risico’s tegenkomen, voor anderen en voor onszelf, is dat geen dwaasheid.

Bronnen

Belangrijke inspiratie ontleende ik aan de serie lessen “Daodejing lezen” van René Ransdorp in Utrecht in het kader van de Stichting Filosofie Oost-West. Per hoofdstuk deelde hij de Chinese tekst met woordenlijst uit. Vervolgens las hij de Chinese tekst voor en behandelde woord voor woord, zin voor zin de betekenis. Hij gebruikte daarbij zijn brede kennis van de achtergronden van de teksten, speciaal die van Lao Zi en Zhuang Zi (over de laatste publiceerde hij het prachtige boek Zwerven met Zhuang Zi). Ook gebruikte hij veel Chinese commentaren. Zijn opvatting was dat de teksten van deze vooral levensbeschouwelijke (filosofische) daoïsten niet bij voorbaat vereenzelvigd dienden te worden met de tamelijk vastliggende interpretaties van latere opvattingen van vooral georganiseerde “daoïstische” stromingen (gericht op training van diverse aspecten van lichaam en geest, of beïnvloeding van natuurkrachten). De boeiende gesprekken, eerder ‘aftastingen’, naar aanleiding van ieder hoofdstuk sloot hij graag af met een opmerking om niet te zeer te hechten aan wat we zojuist hadden gevonden. Bekend is dat de oudere daoïsten ervoor waakten als leraar of wijze te worden gezien: zij vonden dat de echte wijsheid niet als handelswaar uitgebaat maar stil in praktijk gebracht dient te worden.

René Ransdorp meende ook dat de oorspronkelijke betekenis van een uitspraak zijn context nog wel eens kan variëren en dat soms meerdere van die oorspronkelijke variaties meeklinken (iets dat we ook kunnen aantreffen bij de uitleg van zeer oude ‘Westerse’ teksten, bijvoorbeeld oud-Griekse en oud-Hebreeuwse). Om die oudste betekenissen goed te vinden, is het belangrijk de oudste contexten zo goed mogelijk te kennen en pas daarna de latere betekenissen in rekening te brengen. Volgens René is het juist de intentie van schrijvers als Lao Zi en Zhuang Zi om daarbij open te blijven en ons niet al te zeer vast te leggen op ‘vaste waarheden’. Natuurlijk kunnen die best even handig of waardevol zijn, maar dat hangt altijd van de steeds nieuwe contexten en omstandigheden af, en meestal veranderen ze dan in het gebruik weer van betekenis. Hoewel het oude daoïsme zich afzette tegen de unieke waarheidsaanspraak van de confucianistische methoden, was het wars van het gebruik van machtsmiddelen door wie dan ook, en liet het aan degenen die haar boodschap serieus namen over om in de eigen situatie naar bevind van zaken te handelen, bij voorkeur zo geweldloos mogelijk. Kortom: het daoïsme is een voorbeeld van inclusief denken. Is het dan wel een eigenstandige vorm van denken? Niet in de zin dat het wil concurreren met andere denkvormen en filosofieën. Wel en uitsluitend in de zin dat het een denkvorm is die alles, ook andere denkvormen, respecteert en insluit, althans intendeert dat te doen. Niet door die vormen te onderschrijven maar door ze te relativeren ten opzichte van  de alomvattende Dao en De. Zou men van het daoïsme slechts een denkvorm maken dan zou dat tekort doen aan zijn respect voor alle verschijnselen, ook die welke niet denkvormen genoemd kunnen worden. Dao en De volgens Lao Zi vormen een benadering van en een wijsheid inzake alle verschijnselen, beginnend met hun eerste begin, gestalte aannemend in alle verschijnselen inclusief onszelf en na onze zo zorgvuldig mogelijke omgang ermee uitlopend op hun overgang in alle navolgende verschijnselen. Aandachtig en zorgvuldig delen in en meedoen aan die processen, zoveel mogelijk zonder overdrijven en met vermijding van schade. Dat houdt in: – een bescheiden en open inzet zonder enig poeha; – open waarneming en vrij handelen (zo weinig mogelijk tot schade en zo veel mogelijk ten goede) niet storen; – in alle innerlijke en uiterlijke communicatie ruimte open houden en zoeken; – zelfrelativering zonder zelfverwerping. Alles zich laten ontwikkelen ‘uit zichzelf zo’, ‘van nature’.

Vanuit die achtergrond en in die geest gebruikte ik naast mijn cursusaantekeningen ter vergelijking een aantal vertalingen in moderne Europese talen, vooral ook om op het idee te komen welke Nederlandse woorden het bruikbaarst zouden kunnen zijn.

X
X
X
X
X
X

 

Aanwijzingen voor het lezen