BK-Books.eu » Wat Jezus werkelijk zei » Peter Nissen over meester Jezus: leraar waarin?

Peter Nissen over meester Jezus: leraar waarin?

Kernwoorden: , , , , , , , ,

In VolZin van 12 oktober 2012 op p. 36 verscheen onderstaande recensie van Peter Nissen, hoogleraar Spiritualiteit in Nijmegen. Ik dank VolZin en Peter Nissen voor hun welwillende aandacht voor “Wat Jezus werkelijk zei” (verder “WJWZ”). Verderop een kanttekening.

De hoogleraar Hebreeuws in mijn eerste studiejaar theologie, de hooggeleerde W.H. Gispen, had als stopwoord “… maar ik geef het voor beter” waarbij hij een schalkse blik op ons studenten wierp, wetend dat hij zowel met zeer geleerde lezers en collega’s als met ons uiteenlopend samengestelde groepje studenten te maken had. Dat stel ook ik graag voorop.

Vergeleken met uw laatste vraag, professor Nissen, kan ik me echter ook vragen voorstellen die meer voor de hand liggen. Te weten: 1. welk beeld roepen Jezus’ uitspraken op als je de uitkomsten van WJWS volgt? 2. hoe volledig of onvolledig is de context die in WJWZ van Jezus’ uitspraken geschetst wordt? 3. passen de uitkomsten van WJWZ in de context(en) die de lezer als realistisch en ter zake beschouwt? En (zo ja of zo nee) hoe en waarom?
Natuurlijk kunnen u noch ik voor anderen spreken. Maar heel in het algemeen kan ik zeggen dat wetenschappelijk gezien ook mijn beeld volledig ter discussie blijft staan tot er iets beters is, zoals dat in de wetenschap gebruikelijk is. Het kan immers altijd zijn dat nieuwe feiten tot nieuwe inzichten (moeten) leiden. En persoonlijk gezien heb ik in dit boek het achterste van mijn tong alleen indirect laten zien, enerzijds omdat dat een kunst is die ik nog aan het leren ben, anderzijds omdat ook indirect het een en ander getoond kan worden zoals de titel van uw bespreking bewijst. Die titel verwijst immers naar de context van een meester die bijzondere lessen deelt met zijn intieme leerlingen, en dat zegt toch het nodige?
Over de context wil ik nog het volgende aanvullen. Verderop in deze blog verwijs ik vrij uitvoerig naar het werk van Margaret Barker, het lijkt me een uiterst belangrijke toevoeging van die context. Hetzelfde geldt voor het boek “The Jewish Gospels” van Daniel Boyarin, die op uiterst deskundige en leesbare wijze een deel van hetzelfde materiaal dat Barker gebruikt, in een overzichtelijk verhaal onderbrengt dat minstens de Jezus van de synoptische evangelies op een voor onze tijd indrukwekkende wijze verheldert. Wat de laatste decennia aan conclusies is getrokken uit de studie van buitenbijbelse Joodse teksten, grenst aan het ongelooflijke. Niet omdat ze zo onzinnig zijn maar omdat er zoveel helder historisch licht geworpen wordt op het Nieuwe Testament, op de directe achtergronden en context van de historische Jezus en zijn leerlingen, en dus ook op de oorsprong (die nu verder nagegaan kan worden) van de latere stromingen die zich op Jezus zeggen te baseren. Een geweldige kans voor historici en voor diegenen die zich eerder door Jezus’ woorden en daden zelf dan door veel latere traditionele uitleg ervan aangesproken voelden … ! (OK: dat blijft een deels subjectieve, maar is zeker ook een deels objectieve, onderzoekbare zaak.)

Dan nu een enkele kanttekening bij uw vragen aan WJWZ.
Inderdaad is met het Thomasevangelie een belangrijke bron toegevoegd, zij het wellicht niet zo uniek als u meent te lezen. Dat de geschriften van de bijbel slechts een selectie uit een veel ruimere keuze waren, is immers al heel lang bekend en is ook nog eens bevestigd door de grote ontdekkingen van de twintigste eeuw: de rollen van de D ode-Zee en de geschriften van Nag Hammadi. Het gesprek dient dus te gaan over de context die al deze geschriften voor elkaar vormen (waarbij het achteraf toegekende canonieke karakter van sommige maar weinig aan hun ontstaansgeschiedenis en onderlinge verhoudingen toevoegt zover we die historisch willen onderzoeken en reconstrueren). Wat Jezus werkelijk zei, is dus niet zozeer afhankelijk van wat Boudewijn Koole daar persoonlijk van denkt, maar ik hoop dat de feiten die WJWZ te berde brengt, de lezer helpen om zelf een mening te vormen en een begin te maken met het plaatsen van die feiten in de juiste context. De suggestie (hoe relevant misschien ook in een zeker opzicht*) dat het mij zou gaan om een Jezus te vinden die mij past, leidt van het onderwerp van WJWZ af. Althans als je wetenschappelijk te werk wilt gaan, en dat is voor dit boek zonder meer mijn bedoeling. Ik licht enkele uitgangspunten hieronder graag toe.

* Ik vind wetenschap zeker niet het einde van alle dingen, en zeker bij het zoeken naar de boodschap van Jezus kun je je persoon niet buiten schot laten; dat zou dan trouwens even goed voor u gelden als voor mij, of welke persoon dan ook die met de ander, met zichzelf en in zekere zin met de hele kosmos zo diep of goed mogelijk ‘in gesprek’ wil gaan. En het zal ongetwijfeld het geval zijn – daar heeft u een punt – dat ook WJWZ tal van lagen heeft waarvan de in eerste instantie niet op de voorgrond staande of zelfs onbewuste achteraf relevant of interessant zouden kunnen blijken.

WJWZ gaat allereerst en eigenlijk (bijna) helemaal over welke uitspraken Jezus zelf gedaan heeft. Over hoe we die kunnen distilleren uit de veelheid aan uitspraken die aan hem worden toegeschreven. We kunnen niet zonder meer allerlei uitspraken die op Jezus’ naam staan, aan hem toeschrijven maar evenmin bij voorbaat aan hem ontzeggen, tenzij wij daar goede argumenten voor hebben. WJWZ brengt naar voren welke gezegden van Jezus volgens de moderne wetenschappen het meest aanspraak kunnen maken op historische waarschijnlijkheid. WJWZ vertelt meer over wat Jezus feitelijk gezegd heeft of gezegd zou kunnen hebben en minder over de boodschap die daaruit voortvloeit. Die laatste moeten we immers afleiden uit de totale context van Jezus’ woorden (en historisch waarschijnlijke daden).

Waarmee WJWZ minstens een begin maakt, en dat lijkt mij uiterst belangrijk, is die context(en) en de complexiteit ervan te schetsen met inachtneming van historische zorgvuldigheid. Er moet immers een verband zijn tussen de historische werkelijkheid en de latere geloofsopvattingen daarover, tenzij men – vaak en meestal zonder argumenten – beweert en meent dat die per definitie geen verband met elkaar kunnen hebben, behalve dan vanuit de optiek van degene die dat beweert. In WJWZ ga ik ervan uit dat ten aanzien van de (on)verenigbaarheid van ‘geloof’ en ‘wetenschap’ uiteenlopende standpunten mogelijk zijn die elkaar zelfs kunnen uitsluiten, maar ook dat die standpunten – vaak – in elkaars verlengde (kunnen) liggen, dan wel soms onverenigbaar zijn maar waarbij die onverenigbaarheid dan verklaard kan worden door uiteenlopende startposities, ofwel een bewuste, althans vanuit een specifieke vooronderstelling afgeleide (wellicht soms onbewust geworden of bewust genegeerde) context waarin ‘geloof’ dan wel ‘wetenschap’ geacht worden te functioneren. Met ‘waarheid’ worden dan in deze beide contexten of gebieden van werkelijkheid en van onderzoek daarvan heel verschillende soorten opvattingen bedoeld, en wel mogelijk bij voorbaat onverenigbare. Zoals een poëtische lofprijzing van een geliefde of een metafysische lofzang op een hoger geestelijk wezen nu eenmaal niet direct en volledig uitwisselbaar zijn met een wetenschappelijke analyse van de gebruikte taal (en vertalingen) of met een natuurkundige analyse van de bij de verwerking van deze lof in het geding zijnde chemische stoffen. In alle gevallen raken we aan wonderen maar verschillen de manieren waarop we de wonderen ervaren, omschrijven en interpreteren. WJWZ is er specifiek op gericht om historische feiten vast te stellen met betrekking tot de woorden die Jezus historisch gesproken heeft. Hoe de mogelijke verbanden liggen met latere verwerking van zijn boodschap, is een volgend verhaal waarop ik hieronder nog even terugkom. Maar dan bent u alvast op de hoogte waarom het in WJWZ wel gaat, en nogmaals: dat is (in wetenschappelijke zin) niet het antwoord op de vraag die u aan het einde van uw bespreking stelt. Of het dat in uiteindelijke zin (deels) wel is (en hoe dan), laat ik graag open.

Overigens ben ik blij dat u zo te lezen geen inhoudelijke kritiek heeft op de resultaten in de hoofdinhoud, te weten wat Jezus historisch gesproken nu werkelijk (feitelijk) zei, want die zou u anders immers wel genoemd hebben, mag ik aannemen. (Voor de duidelijkheid: alleen het Nawoord en de passage over Pilatus zijn niet wetenschappelijk; die laatste passage – waarin ik doe alsof de historiciteit vanzelf spreekt terwijl ik die in heel WJWZ juist problematiseer – is een impliciete verwijzing naar het bekende verhaal van Dostojewski over de grootinquisiteur.) U heeft kennelijk geen enkele moeite met welke door mij uiteindelijk gemaakte concrete keuze voor (of vaststelling van) bepaalde gezegden die ik feitelijk aan Jezus toeschrijf; dan wel vragen bij de verhouding tussen wat die vaststellingen opleveren en diverse latere opvattingen over de boodschap van (laat staan over) Jezus. Terwijl dat natuurlijk cruciale punten zijn! Op enkele door u wel genoemde details ga ik verderop in.

Op zijn minst lijkt mij echter allereerst het vermelden waard dat WJWZ duidelijk maakt dat er opmerkelijke, zelfs grote verschillen zijn tussen de boodschap van Jezus en die over hem bij zijn latere vereerders (in de eerste eeuwen van onze jaartelling), die daarin ook nog eens van elkaar verschillen. En dat van een ‘christendom’ pas sprake is vanaf de concilies waar het staatskerkelijke “centrisme” werd vastgelegd; het ‘koninkrijk’ dat Jezus op het oog had, is daartoe echter nooit beperkt geweest. De herleiding door christelijke kerken van hun belang of waarde of van de geldigheid van hun ‘leer’ op Jezus berust historisch gezien nergens op in zoverre ze die claim voor zichzelf alleen opeisen. Theologen, historici en wetenschappers die dit niet vooropstellen, lopen nog steeds het gevaar zichzelf en anderen (minstens op dit punt en wat erger zou zijn, vervolgens op meer punten) te misleiden. Diegenen waar Jezus zich allereerst op richtte, hadden aan Jezus’ daden en de uitleg daarvan genoeg, en wordt nog steeds begrepen door wie de hoopgevende verslagen over Jezus’ woorden en daden leest.
Hoewel het in veel kringen de gewoonte is geworden, ‘politiek’ en ‘godsdienst’ ofwel ‘kerk’ en ‘staat’ te (onder)scheiden, moet men diegenen gelijk geven die beweren dat er historisch altijd een groot verband tussen die beide geweest is, en dat het ene niet zonder (verhouding tot) het andere voorstelbaar is. De verhouding tussen beide is dan ook uiterst belangrijk, zowel het bestuderen van de historie en mogelijke variaties en voor-en nadelen ervan als praktisch het in wijsheid hanteren ervan in de praktijk.
En dat geldt dus niet een vrijblijvende theorie (hoewel nadenken zonder de vrijheid daartoe niet voorstelbaar is of werkt) maar het praktische leven altijd en overal. Want daar had Jezus en hadden zijn voorgangers en verwanten en ook zijn volgelingen en latere vereerders het toevallig zonder enige twijfel over, in de kern, altijd, direct. Ik zal dat hieronder nog kort toelichten.

WJWZ heeft als inhoud wat er historisch-wetenschappelijk vastgesteld kan worden over wat Jezus werkelijk zei. Aanvullend op WJWZ wil ik daarover graag alvast het volgende zeggen. “Jezus radicaal verstaan uit zijn context: het jodendom van de eerste eeuw”, lijkt mij precies wat ook WJWZ nastreeft (over Borg zie een apart item verderop in deze blog, naar aanleiding van een bericht in het dagblad Trouw bij Borgs overlijden). Wat verwijzingen naar het Evangelie naar Markus betreft, verwijs ik op twee plaatsen naar de verhouding tussen Markus en Paulus (zie de paginanummers in het register die naar hen beiden verwijzen). Ik beschouw Markus hier als een vergeleken met de bronnen Q en Th latere schriftelijke neerslag omdat die waarschijnlijk door Paulus is beïnvloed.
Wat betreft mijn visie op en gebruik van het werk van Mack deel ik de kritiek van Margaret Barker (over haar werk zie een aantal andere items in deze blog) in haar boek The Risen Lord (p. 7 nt 10,i) dat de Brief aan de Hebreeën en het Evangelie naar Johannes in het licht van de ook door mij naar voren gehaalde Henochitische traditie waardevoller bronnen zijn dan Mack heeft gezien in zijn door mij gebruikte studie. Dat haalt mijn gebruik van Mack als getuige van de waarde van de bron Q echter niet onderuit, maar vraagt om een aanvullende interpretatie van de zelfopvatting van Jezus en zijn vroege vereerders die aansluit bij die van de Hebreeuwse tempeltradities waar Barker zo terecht naar verwijst.

Het laatste door mij nog niet genoemde punt van uw bespreking betreft de ouderdom van het evangelie naar Thomas. Inderdaad zijn er theologen die een late oorsprong van dit evangelie verdedigen. Het is echter onmiskenbaar en algemeen erkend dat het evangelie van Thomas ook zeer oude gezegden van Jezus bevat, naast gezegden die hun vorm pas later gekregen hebben. Het valt niet te ontkennen dat er zeer oude bronnen in verwerkt zijn. De discussie gaat erover hoe deze oudste gedeelten zich ontwikkeld hebben tot de huidige vorm van het evangelie. En die hangt weer af van de datering van stromingen, opvattingen en teksten die eveneens omstreeks de eerste drie eeuwen van onze jaartelling een belangrijke rol speelden, waaronder niet alleen de geschriften die in de nieuwtestamentische canon terecht zijn gekomen maar ook heel wat andere voor wie dat niet geldt. Die canon is echter pas laat tot stand gekomen, aan het eind van die periode. Zij is geen maatstaf voor de ouderdom van afzonderlijke teksten of evangelies. Van de nieuwtestamentische evangelies nemen we ook aan dat die uit de eerste eeuw of de tijd zeer kort daarna stammen maar het feit dat ze in de canon opgenomen zijn, is daarvoor niet maatgevend. Heel opmerkelijk is nu dat de discussie over het evangelie van Thomas tot twee kampen heeft geleid die samenvallen met de waardering van de canon: zij die de laatste het hoogst waarderen (in aansluiting aan de latere kerkelijke traditie) kiezen ervoor om het ‘concurrerende’ evangelie naar Thomas zo laat mogelijk te dateren en het de schijn van ‘gevaarlijke’ ketterij mee te geven, terwijl niet dogmatisch gebonden historici liever gewoon kijken hoe de historische ontwikkeling – in dit geval van het evangelie naar Thomas – het meest waarschijnlijk verlopen is.
En dan is er merkwaardig genoeg geen reden om de oudste laag van het evangelie van Thomas niet te erkennen als een echt heel oude. Historisch is dat zelfs even waarschijnlijk als dat de oudste lagen van de nieuwtestamentische evangelies echt heel oude zijn. Dat maakt de opvatting van een late datering van de oudste laag van het evangelie naar Thomas eerder onwaarschijnlijk dan waarschijnlijk, historisch gezien. Want een late datering is historisch nergens voor nodig. Het spreekt vanzelf dat dit op zijn beurt weer betekenis kan hebben voor de waardering van de latere kerkelijke dogma’s waarin veel vroegere verschillen en tegenstellingen zijn weggepoetst, om het duidelijk te zeggen. Maar herwaardering vindt altijd plaats, ook sinds die dogma’s er zijn, en van die dogma’s zelf. Net zoals de teksten in de canons van de zogeheten Oude en Nieuwe Testamenten niet alleen getuigen van soms grote verschillen in betekenis, maar ook van tegenstellingen die er in de historie aan vooraf gingen of er zelfs aan ten grondslag lagen. Dit te weten en te erkennen is alleen maar waardevol voor wie de teksten ook van de canon zo goed mogelijk wil leren kennen en op waarde(n) schatten.

Voor mijn huidige (in wetenschappelijke zin voorlopige) inschatting van wat de boodschap van Jezus is geweest, kunnen de volgende alinea’s misschien een aanwijzing geven. Kun je WJWZ zien als toegespitst op wat Jezus feitelijk zei, met op de achtergrond natuurlijk steeds de vraag wat zijn boodschap (toen) was, daaropvolgend zou ik graag aandacht besteden aan wat Jezus mogelijk bedoelde. Ik sluit overigens ook niet uit, dat Jezus’ zelfbewustzijn en het bewustzijn van zijn opdracht zich in de loop van zijn leven hebben ontwikkeld, net als bij alle andere mensen.

Hoe zie ik dus op dit moment de boodschap (en betekenis – een logisch volgende stap van interpretatie) van Jezus? Daarbij merk ik op dat WJWZ dat onderwerp niet behandelt, behalve in zover door de conclusies van WJWZ wellicht meer duidelijkheid bestaat over welke gezegden van Jezus daar historisch gezien bij (horen te) passen resp. (mee) aan ten grondslag liggen. En daarbij mag verondersteld worden dat hoe verder de boodschap van Jezus van de historisch vaststelbare feiten wordt geschetst (niet alleen de woorden of gezegden van Jezus maar ook de interpretaties van zijn volgelingen en latere vereerders) hoe meer mogelijkheden er zijn voor eigen varianten die daar wel of niet bij aansluiten. Dan komen nadrukkelijk ook andere historische factoren in het spel, zoals de verklaring van het taaleigen van de geschriften van die volgelingen en vereerders, en tevens van de betekenis van hun opvattingen in het perspectief van bredere historische contexten, zowel binnen als buiten de later canoniek genoemde tradities. Maar daarop loop ik met het volgende dus ver vooruit, althans in wetenschappelijke zin.**

** Het is mij overigens ook duidelijk dat wetenschappelijke en religieuze benaderingen elkaar wel kunnen overlappen of aanvullen, zelfs in elkaars verlengde kunnen liggen, maar evengoed kunnen tegenspreken. En dat veld is vol valkuilen voor wie daarin niet erg thuis zijn. Of men een tekst als stut of aanleiding voor religieuze beleving ervaart of als verwijzing naar een feitelijke stand van zaken of feitelijk proces (hoe ook nader gedefinieerd), kan een groot verschil maken. Iets waar de geschiedenis vele voorbeelden van laat zien. U bent gewaarschuwd! Ik ben daarentegen van mening (in tegenstelling tussen de hierboven genoemden die het tegenovergestelde beweren) dat beide genoemde zienswijzen deel uitmaken van een veel groter veld van mogelijke zienswijzen, die elkaar soms uitsluiten maar niet altijd. En waar ze dat niet doen – EN ZE DOEN HET NOOIT OP ALLE PUNTEN! – is het zaak goed aan te geven HOE DIE ZIENSWIJZEN GEBRUIKT KUNNEN WORDEN, wat de waarde ervan is. Hoe ze elkaar overlappen, en wat dat oplevert aan betrouwbare kennis en wijsheid. Mythe en geloofsopvattingen zullen altijd verband houden met historische feiten (ze zijn het zelf ook), en historische feiten kunnen altijd als mythe en geloofsopvatting gehanteerd worden; maar hoe dergelijke weefsels kunnen functioneren en veranderen, is iets dat niet door menselijke afspraken kan worden vastgelegd, tenzij men bereid is toe te geven dat het ‘slechts’ om afspraken gaat. En dat laatste hoeft vervolgens evenmin in mindering te komen op de betekenis die de betreffende (weefsels van) opvattingen (waaronder mythen, geloofsopvattingen en niet minder wetenschappelijke vaststellingen) hebben voor hun ‘gebruikers’. Ik pleit er in ieder geval voor bij het maken van een keuze voor bepaalde opvattingen waar mogelijk goede argumenten en redeneringen een rol te laten spelen, en tevens om het anderen toe te staan andere keuzes te maken, dus keuzes van anderen te respecteren. ‘De’ waarheid kan immers nooit buiten het geheel om, buiten het eindoordeel om, vaststaan; en dat geheel, en dat eindoordeel, dat is nog nooit helemaal binnen onze greep geweest. Niet in de tijd, niet met ons verstand, en zelfs niet met onze collectieve complete geestelijke en lichamelijke vermogens. Dat geheel, dat eindoordeel, kan alleen steeds opnieuw als mogelijkheid verondersteld, gezien, gezocht, wellicht zelfs ‘geloofd’ worden maar niet met geweld, ook niet dat van door mensen bedachte instellingen (en andere lijken er niet te zijn), aan anderen opgelegd worden. Dat laatste zou trouwens een contradictio in terminis zijn want wat stelt een ‘waarheid’ voor die door dwang verwerkelijkt moet worden omdat ze alleen door dwang verwerkelijkt kan worden? Die dwang doet tekort aan het feit dat geen enkel mens of ander bekend wezen aantoonbaar uitspraken heeft kunnen doen die voor eeuwig gelden. Wat wij eeuwig noemen, geeft juist dat aan: de begrensdheid van ons denken en spreken en handelen. Begrensdheid ten opzichte van het geheel dat wij niet ten volle kennen maar waarvan wij wel kunnen hopen of veronderstellen dat het er is. Want anders zou iedere waarneming los van een andere kunnen staan, terwijl onze ervaring is dat er wel degelijk verbanden zijn te vinden, alleen niet alle tegelijk door iedereen. Daarom is het een grote, zeg maar enorme uitdaging om met elkaar te delen wat wij weten. En dat kan alleen als wij bereid zijn naar elkaar te luisteren en niet bij voorbaat onze eigen waarheid ook voor anderen geldig te verklaren. Laat ieder in dat opzicht haar of zijn vrijheid, anders snoeren we veel mogelijkheden voor elkaar af. Waarmee ik niet zeg, dat we soms ter wille van dezelfde vrijheid onszelf nooit hoeven in te perken: onze geestelijke vrijheid kan alleen functioneren als we fysiek en sociaal voldoende veilig zijn, en die veiligheid eist dat we een prijs betalen in de vorm van het gehoorzamen aan het gezag van de door ons, dat wil zeggen door meerderen samen waaronder onszelf, erkende overheid. Overigens ben ik mij bewust dat hoezeer ik ook poog mijn uitspraken rationeel toegankelijk te houden voor zoveel mogelijk lezers, ik pas in mijn uiteindelijke opzet zal slagen als ik een bijdrage lever aan het grote geheel van processen waarover ik schrijf (de veronderstelde samenhang van alles door alle tijden en ruimtes heen) en dat kan alleen als ik erken dat ik daar vanuit mijn eigen beperktheid nooit in slaag, althans niet rationeel be-grijpend. Ik sluit niet uit, ben er zelfs van overtuigd, dat het alomvattende ver boven mijn ratio uit gaat. En tegelijk dat wij er met onze beperkte middelen toch mee in verband staan en ons er op af kunnen stemmen, in de zin van voor de mogelijkheid ervan ruimte laten en voor de invloed ervan open te staan, zowel met ons verstand dat daarmee zijn grenzen en zijn begrensde mogelijkheden (die niettemin waardevol en groots zijn binnen die grenzen) erkent, als met al onze andere mogelijkheden van lichaam en geest (de ziel en de intuïtie als aanduidingen van verbindingen met wat meer is dan de mens en wat hem verbindt met het alomvattende, hoe je dit laatste verder ook ervaart of omschrijft). Die laatste mogelijkheden vind ik soms terug in bepaalde ervaringen van gewone verschijnselen alsof zij een meer dan gewone betekenis krijgen. Zoals daarvan ook aanduidingen te vinden zijn van mensen van alle tijden, soms herhaald in rituele gezangen en teksten en ontmoetingsvormen, die voor deze betekenissen open stonden. Ik zou echter willen vermijden dat zij die hechten aan de wetenschappelijke methode en conclusies enerzijds en zij die hechten aan de ‘waarheid’ en conclusies van de religieuze tradities of spirituele opvattingen of ervaringen het zo voorstellen dat zij (met uitsluiting van alle andere ervaringen, visies of conclusies) menen dat alleen hun opvatting de absolute waarheid is representeert. Voor religies betekent dat onder andere dat hun riten en mythen in al hun waardevolheid precies dat zijn, en geen ‘eeuwige (laat staan vaststaande) waarheden’ maar manieren om die in tijd en plaats uit te drukken en na te streven. Het herstel vindt immers door vernieuwing plaats, door teruggaan (dat is tegelijk vooruitgaan) naar een nieuw begin. Dat mag logisch onzin lijken, in de praktijk is dat de waardevolle functie van het vertellen van verhalen en herhalen van de riten, zonder welke beide ook geen moderne rationalist leeft of leven kan. Het gaat er om het welzijn van het geheel te dienen, en gelukkig past daar zowel de bijdrage van de ratio als van de intuïtie in, om het simpel te zeggen.

Dan nu de korte schets van Jezus’ waarschijnlijke boodschap.
Wie verlangt naar de situatie dat alles goed is, meet dat verlangen af met een maatstaf, gebaseerd op kennis van het goede (de goddelijke wijsheid die alles omvat en bestuurt). In de traditie van de Hebreeuwse tempel van voor de ballingschap, werd de oorsprong van al het goede ervaren in het heilige der heiligen, de plaats die het absolute begin symboliseert, de plaats en de tijd voor alle plaatsen en tijden, de plaats waar hemel en aarde elkaar ontmoeten en de goede verhoudingen steeds opnieuw vanaf punt nul kunnen beginnen. Hemel en aarde horen bij elkaar, en wel zo dat de verhoudingen op aarde harmoniëren met die in de hemel. Sterker, de hemel op aarde NU en de nieuwe hemel en aarde NA het laatste oordeel (ofwel aan het einde van de huidige vorm van de wereld) horen bij elkaar, mogen niet uit elkaar gedacht worden. Jezus’ boodschap veronderstelde die vernieuwing, niet alleen aan het einde der tijden maar nu al. Jezus was nauw verwant aan diegenen die vasthielden aan het jaarlijkse herstel van de verhoudingen tussen hemel en aarde, dus op de aarde, binnen het volk en van het land, middels de Grote Verzoendag in de tempel. Sterker, hij wist zich vanaf zijn geestelijke geboorte (bij de doop in de Jordaan) zelf de geroepene om die verzoening als hogepriester te voltrekken, en hemel en aarde weer in balans te brengen. Buitengewoon belangrijk is dat daarmee de rol van de wijsheid (de gemalin van Jahweh niet alleen bij de schepping) erkend en in ere hersteld werd en wordt: zij stond toen en staat nu ieder terzijde om aan dat herstel mee te doen. Als wij er voor open staan.
Deze opvattingen zijn slechts maatgevend voor wie bereid zijn terug te gaan naar het oerbegin, waarbij rituelen kunnen helpen. Noch wijzelf, noch die rituelen mogen echter door ons verabsoluteerd worden als de exclusieve dragers of verwerkelijkers van het beoogde herstel. Wel mogen we altijd aannemen dat onze intentie in de richting van herstel van het goede dat herstel ook zal mogelijk maken en bevorderen. Daarom zijn alle individuele of collectieve rituelen die in deze richting uitgevoerd worden (van bidden tot dankmalen en bijpassende gezangen en woorden) krachtige symbolische (voor wie het wil: magische) handelingen, waarvan de werking niet geestloos geschiedt (‘louter’ mechanisch, in die geestloze zin) maar juist via geest, intuïtie, of hoe wij deze werking ook waarnemen en omschrijven. Feit is wel dat hierin tradities zijn ontstaan, die vanwege hun verwantschap deels op elkaar lijken, deels ook op de tradities van andere cultuurtradities maar dan is de herkenning wat ingewikkelder omdat de taalvormen en handelingen anders zijn en deels andere onderlinge relaties en betekenissen hebben (die overigens wel goed bestudeerd en dan ook beter vergeleken kunnen worden). In onze tijd is het opnieuw een uitdaging traditionele rituelen en opvattingen te vergelijken met die welke wij in andere werelddelen en culturen leren kennen, door onze toenemende kennis ervan via reizen en communicatiemedia, evenals van emigranten en immigranten.

Er zijn vele aanwijzingen (in en buiten de nieuwtestamentische geschriften) dat deze opvattingen in brede kringen van Jezusvereerders opgeld deden. Zowel bij schrijvers en stromingen die door het latere christendom als belangrijke voorlopers werden beschouwd, als bij later als ketters opgevatte vroege Jezusvereerders, zoals bepaalde gnostische stromingen en zelfs grote delen van de Jezus vererende (en dus christen-)Joodse stromingen (die beide door het latere christendom werden buitengesloten). Maar ook dienen we niet te vergeten dat grote delen van het Nieuwe Testament, vooral de zogenaamde johanneïsche geschriften (Openbaring aan Johannes, Evangelie naar Johannes, Brieven van Johannes), Jezus op deze wijze interpreteerden (niet volgens de Tenach maar veel meer volgens de henochitische traditie en de wijsheidstradities, beide gebaseerd op de Hebreeuwse tempelgodsdienst van voor de ballingschap)***.

Ik ga met deze opmerkingen op belangrijke punten verder dan in WJWZ. Dat heeft te maken met voortschrijdend inzicht. De publicaties van Margaret Barker (die ik al noemde) leveren er meer dan voldoende aanwijzingen voor. Zijn dat ook historische aanwijzingen? Zeker in zover zij de geschiedenis van de voorstellingen over de tempel vanaf de ark van het verbond (ook al zo’n centrale categorie) via de eerste tempel (van Salomo) en de tweede tempel (de na de ballingschap herbouwde) verbindt met de geschiedenis van de teksten van Hebreeërs (tot de ballingschap) en Joden (erna), en beide met de lotgevallen van de bewoners van Palestina (waar de genoemde volken woonden evenals de nauw aan de Joden verwante Samaritanen), hun verwanten in het Midden-Oosten (waaronder Feniciërs, Babyloniërs en Egyptenaren) en hun in de diaspora levende verwanten van Arabië (mogelijke invloed op Mekka). Om vervolgens nog maar niet te spreken van genoemde uiteenlopende Jezusvereerders in het Romeinse Rijk die zich ook van deze tradities rekenschap gaven of er deels gebruik van maakten.
Zoals gezegd is context hier allesbepalend. Wie zich echt wil verdiepen in ‘wat Jezus werkelijk zei’, kan niet zonder de contexten waarbinnen hij zichzelf verstond, waarbinnen hij zijn boodschap sprak, waarbinnen hij en zijn boodschap begrepen en doorverteld (geïnterpreteerd) werden. Dat is een uitgebreid terrein, waarvan ik hoop dat WJWZ er in ieder geval een paar goede richtingwijzers naar toe of zelfs in gezet heeft.

Nu was Jezus geen historicus in onze moderne zin. Van hem kunnen we leren dat hemel en aarde hier en nu bij elkaar horen en op elkaar afgestemd kunnen zijn. De vraag is of dat betekenis voor ons kan hebben en zo ja welke. Jezus voelde zich nauw verwant met zijn land en volk en tempel. Wie hun godsdienst op hem baseren, dienen zich naar mijn mening dan ook af te vragen welke betekenis deze categorieën tegenwoordig kunnen hebben, steeds opnieuw, in vergelijking met zijn boodschap. Een boodschap die natuurlijk niet los stond van zijn leven, maar daarover zegt WJWZ minder dan over zijn boodschap, waarom zijn leven (ook wat er historisch als betrouwbare kennis van mag gelden én binnen welke historische contexten – met inbegrip van de ‘mythologische’ ofwel ‘traditiehistorische’ contexten – het op welke wijze verstaan werd) aparte aandacht verdient. Vragen die terecht al veel langer gesteld worden, soms met grote felheid denk aan Nietzsche, maar waarover langzamerhand wel iets wetenschappelijk meer verantwoords gezegd kan worden dan vaak verondersteld of gesuggereerd wordt in de publieke opinie, zowel de seculiere als de godsdienstige.

*** Voor de context van godsdiensthistorische denkbeelden (simpel gezegd: van de tradities waarin Jezus zou hebben gestaan en waarbinnen zijn volgelingen hem begrepen) verwijs ik naar de boeiende en briljante boeken van Margaret Barker (zie ook elders in deze blog).

Boudewijn Koole