BK-Books.eu » Wat Jezus werkelijk zei » Luttikhuizen’s nuttige boek verdient herschrijving

Luttikhuizen’s nuttige boek verdient herschrijving

Kernwoorden: , , , , , ,

Kortgeleden is mij onder ogen gekomen: G.P. Luttikhuizen, De veelvormigheid van het vroegste christendom, Delft (Eburon) 2004-2e druk (2002-1e), 176pp. Voor ‘Wat Jezus werkelijk zei’ heb ik er geen gebruik van gemaakt.

Het heeft enkele opmerkelijke pluspunten. Het behandelt een in het algemeen nog moeilijk toegankelijk onderwerp aan de hand van feiten en op een wetenschappelijk tamelijk (zie verderop) zorgvuldige wijze. En het is in het Nederlands geschreven en ondanks de vreemdheid van sommige begrippen en onderwerpen voor de gemiddelde lezer goed te begrijpen, zij het dat die de moeite dient te nemen vrij onbekende feiten en mogelijke interpretaties tot zich te nemen ook op gebieden waarvan velen denken dat zij die goed kennen, zoals de bijbelteksten. Een voordeel is dat hij er op uit is de teksten te begrijpen in hun eigen context(en) en niet meteen met ze wegloopt door er een moderne uitleg mee te verbinden of nog erger dat historische begrip daaronder zelfs te laten verdwijnen.
De auteur is specialist op het terrein van de gnostiek die vooral is herontdekt door de vondst van een groot aantal geschriften in Nag Hammadi in 1945. Deze ontdekking heeft het landschap van de eerste eeuwen van de Jezusverering volstrekt veranderd. Ook aan dit boek is nog de worsteling te zien om nieuwe kaders te vinden waarin deze vondst te interpreteren viel. Een pluspunt is ook dat Luttikhuizen verder blijkt dan veel wetenschappers die vroeg op de vondst reageerden, vaak met een krachtige afwijzing van de veronderstelde (!) inhoud in het spoor van vroege ketterbestrijders. Zoals vaak was ook hier de volgorde omgekeerd: Luttikhuizen stelt zich terecht op het standpunt dat er eerst grote diversiteit was en daarna pas beperking tot orthodoxie en de daaraan gepaarde afwijzing van heterodoxe ‘ketters’. Hij leidt dit standpunt ook helder in aan het begin van zijn boek. Ook met betrekking tot het evangelie van Thomas in zijn huidige vorm kiest de auteur niet voor een laat ontstaan maar voor een groei vanuit oude, aan de (veronderstelde) spreukenbron ‘Q’ van het evangelie van Markus verwante spreuken. Het omgekeerde, dat evangelieteksten met sterk oorspronkelijke trekken als versterking gebruikt zouden zijn voor een laat ‘ketters’ evangelie, is historisch onwaarschijnlijker.

Zwakker, om niet te zeggen zeer teleurstellend, is zijn overzicht op het punt van de bronnen van Nieuwe Testament en gnostiek beide. De Henochitische traditie en haar verwantschap met het Nieuwe Testament lijken aan Luttikhuizen tot aan het schrijven van dit boek geheel voorbij te zijn gegaan. De auteur vermeldt boeiende observaties over Paulus maar uiterst weinig over de nauw met de Henochitische traditie verbonden Openbaring van Johannes of de Dode-Zeerollen. Inmiddels weten we onder meer uit het werk van Margaret Barker (zie ook de andere items in deze blog) hoeveel licht vanuit de Hebreeuwse tempeltradities en de Henochitische traditie te werpen valt niet alleen op het Nieuwe Testament maar ook op de Dode-Zeerollen en de gnostiek (dat Margaret Barker daar zulke geweldig belangrijke inzichten over had wist ik omstreeks de millenniumwisseling overigens ook nog niet). En dat element ontbreekt niet alleen helemaal in dit boek, het leidt ook tot een uiterst mager hoofdstuk over de gnostische kritiek op het Oude Testament en zijn God. Luttikhuizen verdedigt slechts zijn eerdere standpunt dat die kritiek niet van Joden (christelijk of niet) afkomstig kan zijn, alleen van niet-Joodse christenen. Helaas, hij kende de Henochitische tradities en haar grote invloed ook op de gnostiek niet. Zo blijkt opnieuw dat het tot nu toe generaties van wetenschappers (of moet ik dit tot theologen beperken?) niet direct gegeven was alle nieuwe ontdekkingen (Nag Hammadi én Qumran!) te verwerken, iets dat Margaret Barker gelukt is. Maar zij is een van de weinigen tot nu toe. Al moeten we Gilles Quispel nageven dat hij veel verbanden die zij legt, ook aanvoelde, overigens eveneens zonder gebruik te kunnen maken van wat we vooral de laatste decennia te weten komen van de verbanden tussen Qumran, de Henochitische tradities, de Hebreeuwse tempel en de vroege Jezusvereerders. Zeker ook die waarvan sporen in het Nieuwe Testament terecht gekomen zijn.

Luttikhuizen laat wel overtuigend zien dat veel niet daarin terecht is gekomen en verder onderzoek waard is naar zijn oorsprong en context en historische betekenis. Ook de wijze waarop hij dat doet, heeft voordelen: van de feiten uitgaand, zorgvuldig zoekend naar mogelijke verbanden en conclusies. Daarom is dit boekje zeker aan te bevelen als bron van feiten, als goed leesbare introductie in een gebied met veel valkuilen, niet als het definitieve boek over het onderwerp dat de titel aanduidt (maar zover is nog niemand!). Wie verder wil lezen, kan (behalve in het Nederlands bij mijn ‘Wat zei Jezus werkelijk?’ dat een heel andere invalshoek biedt en ook verwijst naar andere en meer recente literatuur) terecht bij het soms pittige werk van Margaret Barker (zie daarover andere items in deze blog), op ‘Het complete engelenboek’ na nog niet in het Nederlands vertaald.

Door die zorgvuldigheid houdt hij de wetenschappelijkheid van wat hij schrijft, goed overeind, maar door de beperktheid van zijn kennis van sommige contexten ondergraaft hij de reikwijdte en het belang van sommige van zijn conclusies. Een lot dat hij deelt met iedereen die onderzoek doet op een beperkt gebied: wij dienen bescheiden te zijn over wat buiten onze grenzen valt, en niettemin duidelijk over wat wij binnen die grenzen menen gezien te hebben. Op zo’n complex terrein als dit vind ik dat geen slecht resultaat. Maar wat zegt het over de relatie tussen wetenschappelijke specialismen? C.A. van Peursen hoorde ik ooit een collegeserie over ‘Wat is filosofie?’ openen met een citaat dat ‘wat een universiteit verbindt, slechts de buizen zijn van energievoorziening en riolering’. Of het altijd en nog zo erg gesteld was en is, weet ik niet maar het gevaar van niet over vakgrenzen heen kijken is niet denkbeeldig. Als erkende wetenschappers op hun terrein er al niet in slagen behalve aan veel feiten ook veel context aandacht te geven, wat moet dit dan wel niet zeggen over onderzoekers in het algemeen, of over meningen die zomaar opkomen of naar traditie of voorkeur, om niet te zeggen vooroordeel, gevormd worden?

In zijn inleiding geeft de auteur blijk zich bewust te zijn van de grote betekenis die de ontdekkingen van Nag Hammadi voor onze visie op en beleving van bijvoorbeeld het Nieuwe Testament kunnen hebben. Ook vraagt hij een enkele keer wel aandacht voor een in breder verband te trekken conclusie maar die blijft meestal onuitgewerkt.
Net als ‘Wat Jezus werkelijk zei’ is dit boek beter te gebruiken als aanleiding om ons verder zelf in de zaken te verdiepen dan om klakkeloos een voorgegeven standpunt te volgen. Maar in sommige situaties doe je met oude teksten het laatste, bijvoorbeeld in liturgische en rituele contexten, en in andere situaties het eerste, bijvoorbeeld als je de oorspronkelijke en latere betekenissen van het gebruik van een tekst wilt achterhalen. In het eerste geval lees je de tekst misschien als eerbiedwaardige tekst of heilige tekst of woord van God, in het tweede geval lees je dezelfde tekst ook als door mensen gehoord, gesproken, geschreven, overgeleverd of geherinterpreteerd en opnieuw gebruikt in andere context, enzovoort. Boeiend om dan de aspecten te ontdekken die er eerder niet leken te zijn maar er toch waren. Dit boek maakt er op toegankelijke wijze op attent, maar is op een belangrijk punt zo onvolledig dat het herschrijving verdient.

Boudewijn Koole